Collegeaantekeningen week 4 t/m 5 (Child & Adolescent)


College 4

EETSTOORNISSEN

 

25-50% van de kinderen heeft ergens in zijn/haar leven problemen met eten. De meeste problemen duren maar kort en zijn normaal. Vaak hebben baby’s problemen als ze overgaan op het eten van vast voedsel. Soms is het nodig dat ouders naar de huisarts gaan met de problemen van hun kind, als de huisarts het probleem niet kan verhelpen moeten ouders naar het ziekenhuis of naar een psycholoog. De diagnose van dit door problemen is Avoidant Restrictive Food Intake disorder. Het betreft kinderen die voor een lange tijd een stoornis hebben in het eten. Kinderen kunnen geen interesse tonen in voedsel, of voedsel uit de weg gaan. Ook kunnen kinderen zich zorgen maken over de aversieve consequenties van eten. Hierdoor is het voor deze kinderen persistent onmogelijk om voldoende energie binnen te krijgen. Dit gaat samen met een van de volgende symptomen:

  1. Gewichtsverlies/onvermogen om aan te komen/stagnatie in groei

  2. Een significant tekort aan voedsel

  3. Afhankelijkheid van voeding dat via de maag wordt toegediend

  4. Interferentie met psychologisch functioneren.

Om de diagnose Avoidant Restrictive Food Intake Disorder te kunnen stellen mag er geen sprake zijn van afwezigheid of onbereikbaarheid van voedsel. Ook mag er geen culturele sanctie aanwezig zijn als er gegeten wordt. Te eetstoornis mag niet exclusief voorkomen tijdens het verloop van een andere eetstoornis zoals anorexia of boulimia en er mag geen sprake zijn van een verstoord lichaamsbeeld. Wanneer de eetstoornis aanwezig is tijdens een medische ziekte of een andere mentale stoornis moet het ernstig genoeg zijn om op zich zelf klinische aandacht te vragen.

 

Anorexia Nervosa
De gemiddelde leeftijd waarop anorexia ontstaat is 17-18 jaar. Symptomen van de ziekte zijn:

  1. Een restrictie in energie inname in relatie met de energie behoefte wat leidt tot ondergewicht. Hierbij wordt gekeken naar leeftijd, geslacht, niveau in de ontwikkeling en fysieke gezondheid. Het gewicht moet lager zijn dan wat minimaal verwacht zou worden.

  2. Intense angst om aan te komen of dit te komen, of persistent gedrag dat aankomen tegengaat, ondanks ondergewicht.

  3. Een verstoorde perceptie van het lichaam. Lichaamsgewicht of lichaamsvorm beïnvloedt het zelfbeeld. Ook kan er sprake zijn van een gemis aan inzicht in de ernst van het ondergewicht.

Een BMI van 18,5 of hoger is normaal van achttienjarigen. Anorexia kan aan de hand van het BMI worden ingedeeld in de categorieën mild, gemiddeld, ernstig en extreem, zie de tabel.

Mild

BMI 17-17,99

Gemiddeld

BMI 16-16,99

Ernstig

BMI 15-15,99

Extreem

BMI

 

Subtypes van anorexia nervosa zijn het restrictie type, waarbij niet gegeten wordt, of het binge/purge type. Bij het binge/purge type wordt er wel gegeten maar compenseren patiënten door over te geven, laxeermiddelen in te nemen, veel te sporten of veel water te drinken.

 

Bulimia Nervosa
Bij bulimia nervosa is er sprake van terugkerende episodes van binge eating. Bij binge eating eet je binnen twee uur meer dan wat de meeste mensen zouden eten en heb je een gevoel van controleverlies. Daarnaast is er sprake van ongepast compensatiegedrag om te voorkomen dat je aankomt. Angst om aan te komen is bij bulimia nervosa echter niet het grootste probleem. Binge eating en compenserend gedrag komen allebei minstens een maal per week voor, gedurende een periode van 3 maanden om de diagnose bulimia te kunnen stellen. Zelf evaluatie wordt in sterke mate beïnvloedt door het gewicht of de vorm van het lichaam. De symptomen mogen niet voorkomen tijdens episodes van anorexia nervosa.

Binge eating disorder
Dit is een nieuwe categorie in het DSM V. Mensen met deze stoornis hebben terugkerende episodes van binge eating waarbij zelfcontrole ontbreekt. Verder komen drie van de volgende symptomen voor:

  • Erg snel eten

  • Eten totdat je oncomfortabel vol zit

  • Veel eten terwijl je geen honger heb

  • Liever alleen eten vanwege gevoelens van schaamte

  • Na het eten gevoelens van walging, depressie of schuld

Verder zijn mensen overstuur over het binge eating en het komt minimaal één keer per week voor, gedurende een periode van 3 maanden. Binge eating disorder onderscheid zich van bulimia doordat er bij deze ziekte geen sprake is van compensatie gedrag. 20% van de mensen met obesitas heeft binge eating disorder.

Andere gespecificeerde eetstoornissen zijn:

  1. Atypische anorexia nervosa, waarbij patiënten wel een normaal gewicht hebben

  2. Bulimia nervosa met een lage frequentie of een korte duur

  3. Binge eating disorder met een lage frequentie of een korte duur

  4. Purging disorder, hierbij wordt alleen overgegeven om te voorkomen dat je aankomt

  5. Night eating syndrome, hierbij komen mensen ’s nachts uit bed om te gaan eten.

Pica
Het persistent eten van spullen die geen voedsel zijn voor minimaal één maand. Hierbij kan de ontwikkeling worden bemoeilijkt. Het eten van niet-voedsel mag geen onderdeel zijn van een cultuur of sociale norm. In combinatie met een andere mentale stoornis moet het probleem ernstig genoeg zijn om op zichzelf klinische aandacht nodig te hebben.

Prevalentie
Prevalentie anorexia nervosa ligt tussen de 0,5-2% onder scholieren en studenten. Nederland telt in totaal 5600 patiënten. De prevalentie bulimia nervosa is ongeveer 1%. De gemiddelde aanvangsleeftijd ligt tussen de 17 en 19 gemiddeld. Ongeveer 2% van de populatie lijdt aan binge eating disorder. Het aantal vrouwen met deze ziekte ligt 1,5 keer zo hoog als bij het aantal mannen.

Diagnostiek
Het is belangrijk om eerst een medische test uit te voeren bij de patiënten. Na deze medische test kan een gesprek worden aangegaan met de patiënt en de ouders. Hierbij is het belangrijk om er achter te komen wat de ontwikkelingsachtergrond is van de patiënt, of de patiënt al eerder is behandeld voor eetstoornissen of andere stoornissen. En verder is het belangrijk om te letten op comorbiditeit. Verder is het van groot belang om de motivatie van de patiënt in acht te nemen.

Motivatie
Als een person een probleem heeft, begin je niet gelijk in de actie-fase. Eerst moet je de patiënt erop voorbereiden dat er dingen gaan veranderen en moet de patiënt nadenken over zijn/haar problemen. Hiervoor is ook het inzicht nodig dat er iets aan de hand is, én patiënten moeten er ook echt iets tegen willen doen. Begin altijd met het geven van informatie, vragen stellen en creëer een veilige omgeving voor de patiënt.

Etiologie
30-60% van de oorzaak van eetstoornissen kan worden verklaard door genetische aanleg. Er zijn 30 genen gevonden die gerelateerd zijn aan eetstoornissen. Verder komen eetstoornissen voor in families. Dit kan invloed hebben op het behandelproces omdat het een in stand houdende factor kan zijn. De invloed van uithongering kan een zichzelf versterkende werking hebben. Mensen die voor een periode uitgehongerd zijn, gaan namelijk niet snel weer normaal eten. Psychologische factoren die een aanleiding kunnen zijn van een eetstoornis zijn een laag zelfbeeld of mishandeling. Culturele aspecten oefenen ook een invloed uit door ideaalbeelden die worden geschetst in de media.

Behandeling
Tijdens de behandeling kan een collectie aan behandelmethodes worden aangeboden, of verschillende methoden kunnen worden geïntegreerd. Er zijn verschillende handleidingen die houvast kunnen bieden tijdens het behandeltraject zoals de APA en de NICE.
Een geïntegreerde behandeling richt zich op patiënten binnen en buiten de kliniek waarbij psychische en somatische hulp worden gecombineerd. Dit is een stapsgewijs proces. Er wordt zo veel mogelijk geprobeerd om gebruik te maken van behandelingen waarvan de werking wetenschappelijk is aangetoond. Ten slotte is het belangrijk om ouders en patiënt zo veel mogelijk in te lichten over de behandeling. Bij behandeling binnen de kliniek wordt een gewichtstoename van 0,5 tot 1 kg per week nagestreefd. Vooral bij bulimia patiënten wordt een behandeling buiten de kliniek geprefereerd. Anorexia wordt binnen de kliniek behandeld, als behandeling buiten de kliniek niet succesvol blijkt. Als de situatie levensbedreigend is, wordt de patiënt opgenomen in het ziekenhuis. Volledige remissie kan niet worden bereikt tijdens een behandeling binnen de kliniek, om dit te bereiken moet de patiënt thuis ook normaal kunnen functioneren. Vaak wordt een behandeling die betrekking heeft op de hele familie toegepast. Behandelingen buiten de kliniek (dus zonder opname) zijn cognitieve gedragstherapie, de mandometer methode waarbij met een weegschaaltje wordt aangegeven hoeveel de patiënt moet eten en familiebehandelingen. Ook kan er medicatie worden voorgeschreven zoals olanzapine of SSRI’s. Medicatie alleen kan niet leiden tot volledige remissie. Verder kan er gebruik gemaakt worden van online behandelmethoden. Tijdens familietherapie worden drie stappen doorlopen:

  1. De patiënt leert opnieuw te eten, met volle ondersteuning van de ouders

  2. De patiënt leert zelf opnieuw te eten

  3. Andere problemen met de adolescentie kunnen nog worden opgelost

 

College 5

AUTISME SPECTRUM STOORNISSEN

 

In de jaren ’70 werden kinderen als autisme omschreven als kinderen die geen behoefte hadden om contact te maken met de buitenwereld. Tegenwoordig is deze omschrijving aangepast naar kinderen die wel contact willen maken, maar moeilijkheden ervaren bij het maken van contact met anderen.

 

Problemen die voorkomen bij autisme hebben betrekking op het aangaan van relaties met anderen, oogcontact maken, spraak, problemen bij veranderingen in dagelijkse routines, sensorische problemen, bewustzijn van gevaar en hechting aan objecten. Mensen met autisme verschillen in verschillende opzichten van elkaar. Zo kunnen klinische symptomen, intellectuele capaciteiten, gedrag en contact met anderen verschillend zijn. Wel is er een gelijke basis die geclassificeerd kan worden aan de hand van het DSM-IV-TR en het DSM V. Tegenwoordig worden diagnoses nog gesteld aan de hand van het DSM-IV-TR omdat dit makkelijker is met verzekeringen.

 

Het DSM IV omschrijft drie groepen symptomen (/criteria) voor Klassiek Autisme:

  • Sociale beperking:

Onder sociale beperking verstaan we onder andere de onkunde om vrienden te maken en te behouden. Verder gaat de communicatie maar één kant op (gebrek aan reciprociteit) en is er weinig oogcontact. Ook kunnen de kinderen staren, wat door de omgeving vaak als beangstigend wordt ervaren. Deze kinderen hebben moeite met sociale communicatie en met het delen van hun interesses en gevoelens.

 

  • Communicatieve beperking:

Onder communicatieve beperking verstaan we onder andere een monotone en/of formele manier van spreken. Vaak wordt er ook in een eigen taal/vocabulaire gepraat. Er wordt vaak weinig gebruik gemaakt van psychomotorische gezichtsexpressie met als resultaat dat de gezichtsuitdrukking door de omgeving als ‘vlak’ wordt ervaren. Er kan ook een vertraging of gebrek van gesproken taal zijn. Deze kinderen maken minder gebruik van handgebaren, intonatie en spontaan sociaal imiterend spel.

 

  • Stereotiepe interesses en gedrag

Onder stereotiepe interesses en gedrag verstaan we onder andere het veelvuldig herhalen van handelingen of grote interesse in specifieke onderwerpen. Voorbeelden hiervan zijn het wapperen met de handen, het langdurig aan- en uitdoen van lichten en het hoofd herhaaldelijk ergens tegenaan stoten. Verder zijn deze kinderen bijvoorbeeld geïnteresseerd in alleen de wielen van een auto, het getal pi, dienstroosters, dinosaurussen. Erg kenmerkend is ook de weerstand tegen verandering. Hier hebben ze grote moeite mee.

 

Documentaire Louis Theroux

Tijdens het college zijn er fragmenten van de documentaire van Louis Theroux laten zien. Hieruit blijkt dat de ouders van kinderen met autisme het niet gemakkelijk hebben. Kenmerken van de kinderen uit de documentaire waren het gebrek aan communicatie, ze waren erg op zichzelf gericht en ze hielden zich vast aan een routine. Ze hadden moeite met verandering en werden hierdoor erg gefrustreerd. Er was tussen de kinderen grote variatie in het niveau van functioneren, wat voor een groot deel te wijten is aan het verschil in intelligentie. Ook was er vaak sprake van woede bij de kinderen, dit komt doordat ze grote moeite hebben met onverwachte en ongewilde gebeurtenissen en hierdoor erg gefrustreerd raken.

Indicatoren

 

Vroege indicatoren

Late indicatoren

  • Geen respons op het noemen van de naam van het kind, geen ‘babbling’ en wijzen op de leeftijd van 12 maanden.

  • Weinig oogcontact.

  • Het excessief ordenen van speelgoed.

  • Weinig lachen en sociale responsiviteit.

  • Geen ‘doen alsof’ spel op een leeftijd van 18 maanden.

  • Verminderd vermogen om vrienden te maken

  • Verminderd vermogen om gesprekken met leeftijdsgenoten aan te gaan of voort te zetten

  • Inflexibiliteit als het gaat om veranderingen in routines.

  • Afwezigheid van sociale spelletjes.

 

Het autisme sprectrum

Autisme omvat een breed spectrum van stoornissen. Deze zijn terug te vinden in de DSM IV.

  • Klassiek Autisme

  • Syndroom van Asperger

  • Rett-syndroom

  • Desintegratie stoornissen

  • PDD-NOS (‘pervasive development disorder – not otherwise specified’)

 

In de vernieuwde DSM-5 wordt er een andere diagnostische classificatie gegeven voor autisme. De differentiatie zal niet langer per groep zijn, maar binnen de groep. Er zal één vorm van autisme worden gegeven in plaats van vijf. Ook zullen er twee symptoomgroepen zijn in plaats van drie.

Deze DSM-5 heeft een dimensionale benadering met dus slechts één Autisme Spectrum Stoornis dimensie. De twee symptoom domeinen zijn:

  • Sociaal communicatieve beperkingen

  • Beperkte interesses en herhaalde gedragingen

De differentiatie is op basis van:

  • Ernst van de symptomen

  • Bijbehorende kenmerken

 

 

Cijfers

De geschatte prevalentie van autisme spectrum stoornis is ongeveer 0,5 tot 1% van de kinderen en adolescenten. Hiervan hebben er ongeveer 0,2% een autisme stoornis (Klassiek Autisme). De verhouding jongens:meisjes is 4:1.

 

Comorbiditeit:

<

p>In 8-50% procent van de gevallen wordt er ook ADHD gediagnosticeerd. Er is sprake van epilepsie bij ongeveer 25% van de kinderen en adolescenten met een autisme stoornis. Geestelijke achterstand (IQ<70) komt bij ongeveer 70% van de gevallen met een autisme stoornis voor. Verder is er vaak sprake van comorbiditeit met ODD, motorische problemen, depressie etc.

 

 

 

Etiologie

De etiologie is onbekend, maar er wordt aangenomen dat autisme een neuro-ontwikkelingsstoornis is. Er is namelijk een grote genetische kwetsbaarheid. De huidige hypothese is dat er sprake is van een atypische ontwikkeling van het brein vanaf vroege leeftijd.

Er zijn vier belangrijke theorieën die de etiologie en volhardendheid van de symptomen van autisme spectrum stoornissen proberen te verklaren:

(Let op dit zijn hypotheses die het ontstaan en het verloop van autisme proberen te verklaren!)

 

  • (verstoorde) Theory of Mind:

De TOM is langzamer en ontwikkelt zich minder automatisch.

  • (verstoorde) Executive Functioning theorie:

Er is sprake van een verminderde/verzwakte reeks van functies gerelateerd aan aandacht, inhibitie, planning vaardigheden etc.

  • (verstoorde) Central Coherence theorie:

Er is sprake van een zwak vermogen om stimuli op een globale manier te interpreteren en rekening te houden met de context om zo op een snelle manier de betekenis van stimuli te begrijpen.

  • Underconnected Brain theorie:

Er is sprake van minder verbindingen en coherentie tussen hersengebieden. Uit onderzoek is gebleken dat frontale hersengebieden minder goed gecorreleerd zijn met posteriore gebieden.

 

Mensen met autisme kunnen extreme reacties vertonen op geluiden en geuren. Ze kunnen zeer angstig of agressief reageren. Verder nemen mensen met autisme de wereld vaak op een meer gedetailleerde manier weer. De focus ligt op de details, in plaats van op het geheel. Deze verwerking van details gaat samen met meer activiteit in de visuospatiële hersengebieden en minder activiteit in de frontale gebieden.

 

Prognose en behandeling

Het niveau van intelligentie is erg belangrijk voor de prognose. Des te hoger het niveau van intelligentie, des te hoger de motivatie voor behandeling. Ook maken kinderen met autisme niet automatisch contact met anderen en weten ze vaak ook niet hoe ze dit moeten doen. Ze moeten het daarom cognitief aanleren. Des te hoger de intelligentie, des te beter ze communicatieve vaardigheden kunnen aanleren. Onder de klassieke vorm van autisme vallen de meeste hoog functionerende kinderen met autisme.

De prognose is grotendeels afhankelijk van de mate van intelligentie en van de taalvaardigheden. Ongeveer 5 tot 10% kan zelfstandig leven.

Er is helaas geen genezing voor autisme spectrum stoornissen waarvan de effectiviteit is bewezen. Behandeling bestaat vaak uit psycho-educatie, sociaal communicatieve training, adequate interventies op school en in de gezinssituaties, structuur en medicatie voor comorbiditeit.
Ook kan er medicatie worden voorgeschreven om symptomen als agressie of rigide bewegingen tegen te gaan.

 

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
19