College- werkgroepaantekeningen week 4 en 5 (P&W)

Bevat de college- en werkgroepaantekeningen van week 4 en 5.


College 4: Overzicht Wetenschapsleer & Logica (12-05-2015)

Logisch positivisme

Het Logisch Positivisme domineerde de wetenschap tot 1960 en is in deze tijd nog steeds van invloed. Het logisch positivisme richt zich op de context of justification. Context of justification is de rechtvaardiging van een theorie op basis van logische- en ervaringsgronden. De waarheid van een theorie komt dus voort uit observatie-uitspraken. Feiten die door observatie zijn verkregen vormen de basis van wetenschap, wat vergelijkbaar is met de common sense view of science (Chalmers). Hierbij zijn feiten direct gegeven, betrouwbaar en onafhankelijk van theorie. Je kunt alleen iets observeren als het meetbaar is, daarom moet men een theoretisch begrip operationaliseren. Operationaliseren is aangeven hoe je een theoretisch begrip kunt meten (observeren). Een voorbeeld hierbij is intelligentie meten door middel van een IQ score.

 

Het doel van logisch positivisme is het formuleren van een universele methode van wetenschap. Het demarcatiecriterium maakt hierbij onderscheid tussen wetenschap en pseudowetenschap (onzin). Dit leidt tot een vooruitgang in de wetenschap.

 

Het logisch positivisme maakt gebruik van twee vormen van logica: inductie en deductie. Inductie is het afleiden van een universele uitspraak uit bijzondere uitspraken. Er zijn vier categoriale beweringen bij het inductivisme. A en E zijn algemeen, terwijl I en O individueel zijn. Verder zijn A en I bevestigend, en E en O zijn ontkennend.

 

Het doel van wetenschap is om tot een deductief-nomologische verklaring te komen. Hierbij wordt uit algemene wetten en begincondities (explanans) een conclusie afgeleid (explanandum). Een deductief-nomologische verklaring wordt verkregen door deductie. Deductie is een individuele uitspraak (conclusie) logisch afleiden uit andere uitspraken (premissen). De basisvorm hiervoor is een syllogisme. Modus ponens is zo’n syllogisme: Als P dan Q, P, dus Q.

 

Deductie wordt ook gebruikt voor verificatie, het toetsen van hypothesen. De redenering van een verificatie is als volgt: Als P dan Q, Q, dus P. Helaas geldt dit niet altijd, daarom wordt verificatie ook wel de drogreden van de consequens genoemd. De oplossing van dit probleem is confirmatie. Volgens Chalmers zijn feiten uitspraken over objecten in de buitenwereld, waardoor ze feilbaar zijn. Er heerst dus een inductieprobleem, aangezien inductie nooit zekerheid geeft. Bewijzen hoort thuis in de logica, niet in de wetenschap.

 

 

Popper

Inductie en verificatie zijn geen logisch geldende redeneringen en geven dus geen zekerheid. Popper kwam daarom met het begrip falsificatie. Volgens Popper kunnen individuele gevallen namelijk algemene wetmatigheden falsifiëren. Hierbij geldt het syllogisme van de vorm modus tollens: Als P dan Q, niet Q, dus niet P. Dit is de opheffende wijs. Door je te richten op de mogelijkheid van falsificatie van theorieën en hypothesen ontstaat een vooruitgang in de wetenschap. Zodra er falsificatie optreedt, moet de theorie worden vervangen door een nieuwe theorie. Deze heeft meer empirische inhoud als het meer mogelijke falsificaties bevat dan de vorige.

 

Volgens Chalmers legt Popper teveel nadruk op falsificatie en hij introduceert daarom sophisticated falsificationism. Volgens die theorie vindt er vooruitgang plaats door confirmatie van stoutmoedige gissingen en falsificatie van voorzichtige gissingen. Dit hangt af van de achtergrondkennis en die kennis verschuift natuurlijk. Een stoutmoedige gissing is onwaarschijnlijk gegeven de achtergrondkennis van die tijd. Achtergrondkennis zijn de theorieën die op een bepaald moment algemeen geaccepteerd zijn

 

Historische kritiek (Kuhn, Feyerabend)

De historische kritiek richt zich op context of discovery; dit is de manier waarop een theorie, historisch gezien, tot stand is gekomen.

Volgens Kuhn bestaat in wetenschap de logische opeenvolging van voorwetenschap, paradigma en normale wetenschap. Toch zijn er altijd anomalieën, waarvan een teveel leidt tot een crisis en uiteindelijk een wetenschappelijke revolutie. Door een Gestalt-switch ontstaat vervolgens een nieuw paradigma. Van zo’n paradigma is er altijd maar één. Er kan maar een paradigma tegelijkertijd heersen. Deze is alomvattend en bevat dus theoretische én praktische regels van onderzoek. Dit schept een algemeen wereldbeeld. 
Verder zijn paradigma’s incommensurabel, wat betekent dat paradigma’s op geen enkele manier objectief met elkaar te vergelijken zijn, omdat er geen overkoepelende maatstaf is.
Feyerabend kwam hierdoor met het radicale idee van ‘Anything goes’. Dat houdt in dat er geen universele methode is voor wetenschap en dat er geen voorschriften zijn. Hij vond dat we een scheiding van staat en wetenschap moesten hebben. Elke wetenschap kent een ideologie en daarom is er sprake van relativisme. Met relativisme wordt bedoeld dat een bepaald concept, in dit geval een paradigma, niet op zich staat maar afhankelijk is van iets anders.

 

Lakatos

Lakatos maakte een combinatie van Popper en Kuhn door te komen met zijn researchprogramma’s. Hierbij is er een harde kern van beweringen waaraan wordt vastgehouden (te vergelijken met een paradigma bij Kuhn). Daar omheen bevindt zich een gordel van falsifieerbare hypothesen, welke vatbaar zijn voor kritiek en de harde kern beschermen (falsificatie van Popper). Dit model wordt ook wel het perzikmodel genoemd.

 

Volgens Lakatos kunnen er, in tegenstelling tot Kuhn, wel verschillende rivaliserende researchprogramma’s naast elkaar bestaan. De keuze tussen researchprogramma’s wordt bepaald door positieve heuristiek. Dit is het vermogen om nieuwe onderzoeksvragen te stellen en nieuwe voorspellingen te doen. Hiermee groeit een researchprogramma. Met een positieve heuristiek komt men tot progressieve programma’s. Hier tegenover staan de degenererende researchprogramma’s, welke achter de feiten aanlopen. Lakatos kwam later nog met het feit dat verklaringen natural moeten zijn. Dit betekent dat de verklaringen voort moeten komen uit het programma zelf en niet ad hoc zijn.

 

Quine-Duhem stelling

De Quine-Duhem stelling was een aanval op de falsificatietheorie van Popper. Observatie uitspraken zouden niet afzonderlijk beoordeeld kunnen worden, omdat ze deel uitmaken van grotere theorieën. Bij een negatieve uitkomst van een test is het tevens onduidelijk wat er precies is gefalsifieerd. 


 

Chalmers concludeert dat zowel theorieën, feiten en methoden feilbaar zijn, maar te allen tijde kunnen worden verbeterd. We leren door voortdurend in interactie te zijn met de realiteit.

 

Kennen

Verschil inductie en deductie: Inductie: algemene uitspraak uit individuele gevallen. Deductie: een individuele uitspraak afleiden uit andere uitspraken; premissen. Als de premissen waar zijn is de conclusie ook waar. Er is een verschil tussen geldig en waar; als je redeneert op basis van onware premissen kan je conclusie wel geldig zijn, ondanks dat hij onwaar is.

 

Categorische uitspraken bestaan uit A, E, I en O beweringen. A en E zijn algemeen. I en O beweringen zijn observaties, bijvoorbeeld: Dit is een metaal.

 

Een syllogisme bestaat uit een major en een minor premisse. Predicaat is iets wat je zegt over iets anders, bijvoorbeeld het gras is groen (P). De middenterm (MT) komt in beide premissen voor, het is als het ware de ketenschakel en valt in de conclusie weg.

 

Venn diagrammen stellen je in staat om bepaalde uitspraken te doen. Er zit altijd minstens 1 element in A en 1 element in B. Als je het hele deel van A inkleurt dat niet overlapt met B, betekent dat dat het element in A ook in B voorkomt. Op die manier kan je stellen dat alle A’s B zijn. Wanneer je x plaatst in de overlap tussen A en B kan je stellen dat sommige A’s B zijn. Als de overlap tussen A en B ingekleurd is betekent dat dat geen A’s B zijn. Wanneer je de x plaatst in het deel van A dat niet overlapt met B kan je stellen dat sommige A’s niet B zijn. Je mag in dit geval geen uitspraken doen over B, enkel over A, aangezien de x in het A-gedeelte is geplaatst.

 

Een voorbeeld:

Alle A’s zijn B

Sommige C’s zijn A

Sommige C’s zijn B

 

Om dit te controleren kleur je alles van A in dat niet overlapt met B. Vervolgens zie je dat een deel van A overlapt met zowel C als B. De conclusie klopt dus.

 

Bij de waarheidstabellen moet je rekening maken met de inclusief of. Hierbij kan je of de een, of de ander, of allebei kiezen. De exclusief of houdt in dat je alleen de een of de ander kan kiezen. De Modus Ponens is bevestigend, de Modus Tollens is ontkennend. In dat geval is P niet waar als Q ook niet waar is.

 

College 5: Critical Thinking H1 – H4. (13-05-2015)

Je kunt je afvragen wat ‘critical thinking’ precies inhoudt. Het korte antwoord zou zijn: de juiste conclusies trekken op basis van de beschikbare informatie. Je zou het kunnen toetsen door na te gaan of ons denken voldoet aan logische criteria. Kritisch denken is een absolute noodzaak voor wetenschappers.

 

Ontstaan van denkfouten

Denkfouten vind je overal. Ze zijn grofweg onder te verdelen in drie soorten. De eerste is het onjuiste of misleidende gebruik van argumenten. De argumenten moeten namelijk wel de conclusie onderbouwen, want het gaat ten slotte om de redenering. Ten tweede worden er soms verkeerde conclusies getrokken uit de gegeven argumenten. Ten slotte worden manipulatieve argumentatietechnieken gebruikt om zo via emotie een ‘denkfout’ te creëren.

 

Denkfouten kunnen ontstaan door allerlei mogelijkheden, een paar voorbeelden zijn het onderwerp, de proefopzet en generalisatie naar ‘de echte wereld’. Vooral aan dit laatste maakt de media zich vaak schuldig. Die brengen bijvoorbeeld onderzoeksbevindingen zo uit dat de suggestie wordt gewekt dat deze ook van toepassing zijn op mensen. Een voorbeeld daarvan is dat er door de media geconcludeerd wordt dat ‘zelfbewuste vrouwen dochters krijgen’. Dit is een conclusie uit een onderzoek bij meelwormen. Zo wordt er van meelwormen naar mensen gegeneraliseerd. Je hebt dus verschillende denkfouten, maar de classificatie van deze denkfouten is niet eenduidig.

 

Beliefs en claims

 

Wanneer we een conclusie trekken spreken we een ‘belief uit’. Dat ‘belief’ is ‘waar’ of ‘onwaar’

Wanneer iemand een mening of vermoeden uitspreekt over die waarheid is dat een 'bewering' (claim) .

Er zijn twee soorten claims: ‘objective claims’ (de waarheid is onafhankelijk van wat iemand er van vindt) en ‘subjective claims’ (de waarheid hangt af van meningen).

 

Bewering, opinion, claim, argument, premisse, conclusie

Er is nogal wat verwarring over de verschillende begrippen die opduiken naar aanleiding van argumentatie. Zo betekenen het woord bewering en claim hetzelfde. Dit is een vermoeden of mening die door iemand wordt uitgesproken. De reden waarom diegene denkt dat de bewering waar is, noemen we het argument. Een argument bestaat verder uit twee delen; de premisse en de conclusie. Sommige beweringen hebben geen argumentatie nodig (“ik heb dorst”).

 

Bij redeneren gaat het er vooral om of de claim waar is op basis van de genoemde argumenten en gaat het niet om de waarheid zelf. Waarheid kan iets zijn waar je het mee eens bent, maar het blijft een vaag begrip. Toch hebben we allemaal wel een beetje een idee over het waarheidsgehalte van een uitspraak.

 

Subjectivisme

Het subjectivisme stelt dat elke mening even goed is en dat waarheid is wat je zelf de waarheid vindt. Belangrijk hierbij is het verschil tussen objectief en subjectief. Bij subjectieve uitspraken kan je de contradiction test toepassen: volgens die test moeten beide kanten van een probleem verdedigbaar zijn.

 

Moreel subjectivisme

Zodra een uitspraak een evaluatie bevat noemen we deze uitspraak een waardeoordeel (value judgement). Deze hoeft niet subjectief te zijn, maar er zijn wel bepaalde (niet universele) standaarden waartegen een waarde kan worden getoetst. Zo vinden mensen in Nederland dat er een verschil zit tussen kippen bij de poelier en kippen die in het wild rondlopen. Zodra de poelier een kip slacht die in het wild rondloopt zit de poelier fout, maar van de dode kippen in zijn winkel, zegt niemand wat. In een ander land geldt dit echter waarschijnlijk niet.

 

Cognitieve biases

Het blijkt dat mensen niet zulke rationele wezens zijn als altijd gedacht is. We laten ons leiden door subjectieve processen. We hechten meer waarde aan subjectieve waarde dan aan objectieve waarde (‘utiliteit’). We hebben bijvoorbeeld een grotere hekel aan het verliezen van twintig euro dan dat we blij worden van het winnen van twintig euro. De objectieve waarde (twintig euro) is echter hetzelfde. Ook zijn we erg slecht in het inschatten van risico’s en kansen. Mensen denken bijvoorbeeld dat er jaarlijks veel mensen sterven door een aanval van een haai. Dit is niet zo, maar als het gebeurt is het overal in het nieuws en dus denken mensen dat de kans dat het gebeurt groot is (beschikbaarheidsheuristiek/availability heuristic).

 

Men denkt bijvoorbeeld dat aan een ernstige situatie ook verschrikkelijke dingen ten grondslag moeten liggen. Daardoor wordt het aantal rechercheurs dat aan een misdrijf wordt gekoppeld vaak ernstig overdreven. Dit noemen we de outcome bias. Verder is er nog de hindsight bias, dit houdt in dat dingen altijd logischer zijn als je ze achteraf bekijkt. Tot slot heb je nog het bandwagon effect, dit wil zeggen dat de waarheid van een stelling afhangt van de populariteit ervan, dus hoeveel mensen het eens zijn met die stelling. Voorbeeld:

‘De meeste mensen eten vlees, dus dat moet wel gezond zijn. Die mensen kunnen toch niet allemaal gek zijn?’

 

Argumenten

Een argument is niet hetzelfde als een verklaring. Een voorbeeld van een argument is: ‘De hond krabt, omdat hij vlooien heeft’. En zo kan: ‘De mand van de hond zit vol met vlooien’ een verklaring zijn voor het feit dat de hond vlooien heeft.

 

Een argument is een poging om iemand te overtuigen. Meestal gaat het dan niet om het waarheidsgehalte van de argumenten, maar om de relatie tussen de argumenten en de gemaakte claim.

 

Soms zijn argumenten onwaar, maar dit is meestal niet met kwade opzet. De geurproef bij misdrijven is hiervan een goed voorbeeld. Het blijkt namelijk dat de hondenbegeleider weet welk sample van de verdachte is. Daardoor kan het zijn dat de begeleider onbewust de hond naar de goede sample gestuurd heeft.

 

Ook kunnen bepaalde ondervragingstechnieken een verkeerde uitwerking hebben. Zo bekennen sommige mensen een moord, die ze in werkelijkheid helemaal niet hebben gepleegd, doordat ze onderhevig zijn aan dwingende ondervragingstechnieken.

 

Vaagheid, Ambiguïteit en Definities

Soms is de betekenis van een zin niet helemaal duidelijk, maar ook begrippen kunnen vaag zijn. Begrippen als ‘rijk’, ‘gelukkig’ en ‘gezond’, maar zelfs het begrip ‘kaal’ is vaag. Hoeveel haren moet je bijvoorbeeld uit je baard trekken voordat het een sik wordt? Er is hierbij geen strikte grens te trekken. Vaagheid kan ook komen door complexiteit.

 

Door vaagheid kan informatie manipulerend werken. Denk bijvoorbeeld aan aanbiedingen van de supermarkt, deze zijn soms helemaal niet goedkoper. Ook de woorden ‘vernieuwd’ en ‘verbeterd’ zijn manipulatief. Dat soort woorden hebben een emotionele lading, maar wat betekenen ze eigenlijk?

 

Een woord of zin is ambigu als het meer dan 1 betekenis heeft.

 

Het belangrijkste doel van een definitie is de betekenis van een woord weergeven. Je kunt met een definitie ook emoties uitlokken: Rap is slechte poëzie uitgevoerd door mensen die niet kunnen zingen. Dit is geen objectieve definitie, maar hiermee probeer je een waardeoordeel te geven over muziek.

 

Waar of niet?

Of een bewering waar is, is tot op zekere hoogte een kwestie van vertrouwen. Over het algemeen is een bewering waar als het uit een betrouwbare bron komt, als het in overeenstemming is met de eigen observaties, met iets dat we al wisten of met andere beweringen. Betrouwbaarheid blijkt af te hangen van de gelijkenis met jezelf. Hoe meer de persoon op jezelf lijkt, hoe betrouwbaarder je die persoon vindt. Ook maken we heel snel waarheidsoordelen. Niet op basis van rationele argumenten, maar op basis van emotionele inschattingen.

 

Waar het boek verder nog voor waarschuwt is het te snel vertrouwen van dingen. Reclames zijn per definitie niet te vertrouwen zijn, want ze maken uitsluitend gebruik van technieken die emoties uitlokken. De media zijn ook minder betrouwbaar dan ze lijken. Een voorbeeld hiervan is dat het nieuws in alle verschillende kranten eigenlijk maar uit een beperkt aantal bronnen komt. Reclames maken gebruik van emoties, bekende mensen, het laten inleven in situaties en het schetsen van ‘availability’.

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
13