Collegeaantekeningen Social and Emotional Development week 7 t/m 10 (2014-2015)

Bevat de collegeaantekeningen van week 7 t/m 10; Auteur: Mariska Beijer


College 7

Adolescentie

In de adolescentie treden er verschillende lichamelijke en hormonale veranderingen op. De ontwikkeling van de verschillend hersengebieden vindt op verschillende momenten plaats. Ook zijn er veranderingen op gedragsniveau. In de adolescentie neemt de hoeveelheid risicovol gedrag bijvoorbeeld toe. Verkeersongelukken zijn één van de grootste doodsoorzaken onder adolescenten. Ook het alcoholgebruik neemt tijdens de adolescentie toe.

 

Bij de ‘cake gambling task’ wordt er een taart getoond die bestaat uit zes stukjes. De stukjes kunnen chocolade of aardbei zijn. Er wordt bijvoorbeeld een taart getoond met vijf stukjes aardbei en één stukje chocolade. De proefpersoon moet zeggen welke kleur hij denkt dat de computer gaat kiezen. Wanneer de proefpersoon denkt dat dit aardbei is, en dit klopt, krijgt hij één punt. Wanneer de persoon denkt dat dit chocolade is, en het klopt, krijgt hij drie punten. Het aantal punten dat verdiend kan worden kan gemanipuleerd worden door de onderzoekers. Uit dit onderzoek blijkt dat het risicogedrag toeneemt wanneer de beloning toeneemt. Ook wanneer de winkans toeneemt, neemt het risicogedrag toe.

 

De Iowa Gambling Task meet impulsieve beslissingen in de context van bevloning, straf en toekomstige uitkomsten. Er zijn 4 decks, waar je altijd een bepaald aantal punten voor krijgt, maar soms worden er ook punten afgetrokken. Deck A en C zijn op de lange termijn gunstig, deck B en D zijn juist ongunstig op de lange termijn. Over tijd zullen deelnemers leren om de gunstige decks te kiezen in plaats van de ongunstige. Kinderen leren dit niet echt; zij zijn gefocust op onmiddelijke beloning en kiezen dus de ongunstige decks. Dit kan komen doordat de hersendelen die limbische gebieden reguleren nog niet goed ontwikkeld zijn. Temporal discounting is het kiezen van beloning op de korte termijn boven de beloning op de lange termijn. Het is een indicator van zelfcontrole. Dit kan gemeten worden met behulp van geld; deelnemers krijgen bijvoorbeeld de vraag of ze nu 100 euro willen, of 110 over een maand. Als mensen lang moeten wachten neemt de waarde van het geld af voor ze, ze kiezen dus vaker de onmiddelijke beloning. De area under the curve geeft aan hoe stijl de curve is en dus hoe sterk er discounting plaatsvindt; dus hoe erg de waarde van het geld afneemt over tijd, meer discounting is minder goed.

 

Prefrontale cortex functie is belangrijk voor het leren van de Iowa Gambling taak.

 

Impuls regulatie
De toenemende verwerkingssnelheid en efficiëntie is geen gevolg van de toename van de mentale capaciteit (het IQ. Onder impulsregulatie wordt het controleren van impulsen of het vertragen van de bevredigende werking verstaan. Impulsregulatie ontwikkelt zich gedurende de kindertijd en adolescentie. Bij de ‘marshmallow taks’ krijgen kinderen een marshmallow voor zich. Wanneer zij deze marshmallow niet opeten in de tijd dat de onderzoeker weg is, krijgen zij een tweede marshmallow wanneer de onderzoeker weer terug komt. Uit dit onderzoek kwam duidelijk naar voren dat kinderen allemaal verschillende manieren gebruiken om hun gedrag te controleren en de marshmallow niet op te eten.

 

Emotion network

De nucleus accumbens is het pleasure/reward centre. De amygdala zit ook in het limbisch gebied en draait om avoidence en arousal. Het limbisch systeem is erg actief tijdens adolescentie. Tijdens adolescentie is de ontwikkeling van subcorticale regio’s groter dan de ontwikkeling van prefrontale gebieden. Na adolescentie neemt de ontwikkeling van de prefrontale cortex toe.

 

Cold cognition is overwogen gedrag; waar je over na hebt gedacht. Hot cognition is gedrag wat je uitgevoerd hebt onder emoties, bijvoorbeeld onder groepsdruk. De OFC (orbitofrontale cortex) kan hot cognition reguleren.

 

Sensitive balance

Grijze stof neemt af over tijd, met name in corticale structuren. De grijze stof van de amygdala neemt toe tijdens adolescentie, de structurele veranderingen stoppen na 14 jaar. De grijze stof van de nucleus accumbens neemt af, tot 18 jaar. De grijze stof van de PFC blijft afnemen. Dit is bewijs voor de mismatch tussen de groei van de amygdala, nucleus accumbens en de PFC.

 

Volgens meerdere modellen is er een overactief emotioneel systeem in de puberteit. Tijdens de adolescentie is er ontwikkeling van het regulation systeem. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen vroege, midden- en late adolescentie.

Social Information Processing Network

Het ‘Social Information Processing Network (SIPN)’ maakt onderscheid tussen drie ‘nodes’. De detection node detecteert sociale stimuli. De detection node herkent bijvoorbeeld gezichten en emoties. De detection node ontwikkelt zich al vroeg. De affective node reageert op positieve en negatieve opwinding. De affectieve node ontwikkelt zich gedurende de vroege adolescentie.

 

De affectieve node is gerelateerd aan de veranderende hormoonhuishouding in de puberteit. Door de toename van hormonen wordt het emotionele systeem actiever. De cognitieve node richt zich op het controleren en reguleren van gedrag. De cognitieve node ontwikkelt zich laat in de adolescentie. De breinregio’s die betrokken zijn bij het controleren van gedrag zijn niet direct gerelateerd aan de veranderende hormoonhuishouding in de puberteit, ze zijn wel gerelateerd aan myelinisatie en pruning waardoor de connecties tussen brein regio’s versterkt worden.

 

College 8

Sociale ontwikkeling in de adolescentie

Sociale ontwikkeling

Het hebben van succes in sociale interactie is één van de belangrijkste ontwikkelingsdoelen van adolescenten. Adolescenten richten zich meer op leeftijdsgenoten en op hun eigen rol binnen deze groep leeftijdsgenoten. Ook de kwaliteit van vriendschappen verandert. Er ontstaan bijvoorbeeld liefdesrelaties, en de mate van intimiteit en vertrouwen binnen vriendschappen neemt toe. Vriendschap bestaat uit meer dan alleen een speelkameraadje. Naast de sociale ontwikkeling treedt er ook cognitieve ontwikkeling op. Door cognitieve ontwikkeling kunnen adolescenten bijvoorbeeld kijken vanuit een ander perspectief, of moraal redeneren. Wanneer je sympathie hebt voor een ander, zul je eerder altruïstisch gedrag vertonen.

 

‘Social decision-making’ bestaat uit een aantal processen die ervoor zorgen dat je je gedachten en gedrag aan kunt passen aan de sociale situatie. Je begrijpt de intenties van een ander in de sociale context. Wanneer iemand jouw koffie omstoot, begrijp je bijvoorbeeld dat dit niet express gebeurd hoeft te zijn. Onder ‘sociale competentie’ wordt het aanpassen van gedrag aan de situatie verstaan. Sociale competentie is een belangrijke factor voor gezondheid en succes. Twee processen die bij social decision-making een rol spelen zijn ‘het denken aan jezelf’ en ‘het denken aan de ander’. Wanneer je aan jezelf denkt, zou je bijvoorbeeld van je verdiende geld op vakantie gaan. Maar wanneer je aan de ander denkt, zou je je verdiende geld bijvoorbeeld aan een goed doel kunnen doneren.

 

Dictator game (DG)

In dit spel moet er een bepaald bedrag gedeeld worden door twee spelers. Een speler is de ‘allocator’, deze bepaalt hoe het bedrag verdeeld gaat worden. De andere speler is de ‘recipient’, deze speler is passief en ontvangt het bedrag. Volgens de theorie zou de allocator alles zelf moeten houden. Echter laat onderzoek zien dat de allocator 20 tot 30 procent van het te verdelen bedrag aan een anonieme ander geeft. Er wordt vaak ook geregistreerd dat er 50-50 verdeeld wordt. Het spel geeft een indicatie van prosociaal gedrag. Al op jonge leeftijd zijn kinderen bereid om een deel van hun bedrag weg te geven aan een ander. De grootte van het weggegeven bedrag neemt toe wanneer de leeftijd toeneemt tot de leeftijd van 9 jaar, daarna laten kinderen hetzelfde gedrag als volwassenen zien.

 

Ultimatum game (UG)
Bij de ultimatum game moet een buit verdeeld worden. Één van de spelers doet een voorstel (‘proposer’), en de andere speler kan dit voorstellen accepteren of weigeren (‘responder’). Wanneer de tweede speler het voorstel accepteert, wordt de buit gedeeld. Wanneer de tweede speler het voorstel weigert, krijgen beide spelers niets. Economische theorieën voorspellen dat de speler die het voorstel doet een zo laag mogelijk voorstel zal doen, en dat de tweede speler ieder voorstel zal accepteren.

 

Degene die het voorstel doet kan zich afvragen wat eerlijk is (‘fairness considerations’). Ook kan de speler die het voorstel doet zijn keuze baseren op strategie. Hij vraagt zich dan af wat de andere speler als eerlijk zal zien (‘strategic thinking’). Uit onderzoek blijkt dat wanneer kinderen een goed ontwikkelde theory of mind hebben, zij vaker geneigd zijn om eerlijke voorstellen te doen. Zij kunnen zich beter verplaatsen in de ander. Kinderen met autisme doen vaker oneerlijke voorstellen. Zij hebben een minder goed ontwikkelde theory of mind.

 

DG vs. UG

In sommige onderzoeken spelen deelnemers zowel DG als UG. Er wordt dan gekeken naar de verschillen in hun gedrag. Jonge kinderen veranderen hun gedrag in de UG ten opzichte van de DG minder dan oudere kinderen. Hoe ouder, hoe meer strategisch je na kan denken en je zal gedragen. Strategisch sociaal gedrag is gerelateerd aan hoe goed een kind controle kan uit oefenen over cognitieve functies. Tijdens de UG is het nodig om te kunnen plannen en om het perspectief van de ander in acht te nemen. Het is ook nodig om impulsen te kunnen onderdrukken (‘ik wil alles voor mijzelf’).

 

Mini ultimatum game
Bij de mini ultimatum game wordt onderzocht wat ‘intentie’ voor rol speelt. Bij de mini ultimatum game moet degene die het voorstel doet kiezen uit twee bestaande opties. Hij mag dus niet meer zelf bedenken hoe hij de buit verdeelt, zoals bij de gewone ultimatum game. Ook de tweede speler weet dat de proposer uit twee opties kan kiezen. Er zijn drie mogelijke keuzes. Bij de ‘fair alternative’ moet de proposer kiezen uit een eerlijke verdeling, of meer voor zichzelf en minder voor de ander. Bij de ‘hyperfair alternative’ moet de proposer kiezen uit meer voor de ander of meer voor zichzelf. Bij de ‘no-alternative’ kan de proposer alleen meer kiezen voor meer voor zichzelf. Bij de no-alternative optie speelt intentie dus geen rol, je moet wel kiezen voor het oneerlijke voorstel. Uit onderzoek blijkt dat er minder afwijzing is voor oneerlijke voorstellen in de no-alternative conditie, wanneer de leeftijd toeneemt. Dit heeft te maken met het toenemend vermogen om vanuit een ander perspectief te kijken. Ook heeft dit te maken met impuls controle. Ook al is het oneerlijk, moet je de impuls controleren. De ander had immers geen eerlijke keuze, en er was dus geen sprake van intentie.

 

Trust game
De ‘trust game’ wordt gespeeld door twee proefpersonen. De eerste proefpersoon kan ervoor kiezen om de buit zelf te verdelen, of om de buit door de ander te laten verdelen. Wanneer hij er voor kiest om de buit door de ander te laten verdelen, zal de buit groter zijn. Er is dan sprake van trust. Wanneer de ander de buit mag verdelen, kan hij ervoor kiezen om zichzelf meer te geven.

 

We spreken dan van ‘defect’. Ook kan hij ervoor kiezen om de buit (ongeveer) gelijk te verdelen. We spreken dan van ‘reciprocate’.

 

Voor de tweede speler spelen perspectief nemen en impulscontrole een rol. Je moet je in de ander kunnen verplaatsen om te begrijpen dat diegene een risico heeft genomen door jou te vertrouwen. Ook is er sprake van impulscontrole. Oudere proefpersonen kiezen vaker voor de trust optie dan jongere proefpersonen. Ook hebben oudere proefpersonen een kortere reactietijd bij de reciprocate optie dan bij de defect optie. Bij kinderen is dit omgekeerd. Dit kan te maken hebben met de ontwikkeling van het vermogen om perspectief te nemen bij toenemende leeftijd. Voor oudere mensen is deze beslissing min of meer automatisch.

 

College 9

Vriendschappen
De grootste ontwikkelingstaak voor adolescenten is het vormen en onderhouden van sociale relaties. Kinderen die geen vrienden hebben, presteren slechter op verschillende gebieden, zoals op school. Het is belangrijk om rekening te houden met de identiteit van vrienden en de kwaliteit van de vriendschap. Een vriendschap van goede kwaliteit kan ook zorgen voor negatieve uitkomsten, als deze vriendschap bijvoorbeeld met iemand is die ‘slecht’ gedrag vertoond. Dit is geen één op één relatie. Bij het kijken naar vriendschappen moet rekening worden gehouden met verschillende factoren. Daarom moet men voorzichtig zijn in het trekken van conclusies.

 

Kinderen zullen eerder prosociaal gedrag vertonen naar vrienden, dan naar kinderen die zij niet als hun vriend beschouwen. De hoeveelheid prosociaal gedrag neemt toe naarmate kinderen ouder worden. Dit komt doordat oudere kinderen beter zijn in het kijken in perspectief.

 

Met behulp van sociometrische nominaties kan prosciaal gedrag in de context worden geplaatst. Hierbij wordt een hele klas gevraagd om aan te geven wie hun vrienden zijn en wie niet. Hieruit kun je de klas verdelen in paren die vrienden zijn, paren die antipathie voor elkaar hebben en paren die neutraal tegenover elkaar staan.

 

Allocation games

Allocation games meten sharing en giving gedrag. Een van de spelen is gebaseerd op het verdelen van munten; rode en blauwe munten worden verdeeld. De deelnemer kiest 1 van de twee bakken met munten, links kiezen betekent dat beide deelnemers een munt krijgen, de rechterbak kiezen betekent dat alleen hij/zij zelf een munt krijgt, de ander niet. 9-jarigen maken geen andere keuzes voor verschillende interactie-partners. Oudere kinderen maken wel andere keuzes voor vrienden, neutrale partners, partners die ze niet leuk vinden en onbekenden. 18-jarigen geven hun vrienden vaker munten dan aan andere interactie-partners.

In een ander spel kan de deelnemer kiezen of beide spelers hetzelfde bedrag van 1 munt krijgen, of dat hij/zij zelf twee munten ontvangt. 9-jarigen en 12-jaren maken geen andere keuzes voor verschillende soorten interactie-partners. Oudere kinderen geven meer aan hun vrienden dan aan mensen die ze niet leuk vinden. Hoe ouder kinderen worden, hoe minder munten ze geven aan mensen die ze niet kennen.

Hoe ouder kinderen worden, hoe beter ze worden in het nemen van het perspectief van een ander. Deze factor verklaart deels waarom kinderen meer prosociaal gedrag laten zien naar mate ze ouder worden; perspectief nemen is een medierende factor tussen leeftijd en prosociaal gedrag.

 

Neurologie van vriendschap

Wat gebeurt er in het brein wanneer je interacteert met vrienden? In een fmri studie werd er gekeken naar de brein activiteit wanneer jong volwassenen leeftijdsgenoten die ze persoonlijk kennen te zien krijgen en wanneer ze beroemdheden te zien krijgen. De hersendelen die actief worden bij leeftijdsgenoten die ze persoonlijk kenden waren onderdeel van de detection node en het mentalizing network, de affective node en de cognition node. Specifieke onderdelen die actief worden zijn de amygdala, de hippocampus, de nucleus accumbens en de ventro-mediale prefrontale cortex. Van dit laatste onderdeel is het niet volledig duidelijk wat de functie er van is, het heeft te maken met complexe emotionele activiteiten zoals emotie regulatie en empathie.

 

Vriendschappen beïnvloeden het psychologische welzijn, verminderen depressieve symptomen, zorgen voor een grote overlevingskans bij kanker, zorgen voor een beter welzijn op oudere leeftijd, zorgen voor een verminderd cortisolniveau in situaties van stress, en zijn een beschermende factor bij mortaliteit. Er is echter weinig onderzoek gedaan naar de relaties tussen vriendschappen en gezondheid.

 

Cyberball spel
Bij het cyberball spel wordt een bal overgegooid. De proefpersoon heeft een handje in het scherm, zodat het lijkt alsof hij echt mee doet. Er zijn twee condities. De eerste conditie is de ‘inclusion’ conditie. Deze proefpersonen krijgen in 33% van de gevallen de bal toegegooid. De tweede conditie is de ‘exclusion’ conditie. De proefpersonen in deze conditie krijgen in het begin eenmaal de bal toegegooid, maar later niet meer. Bij exclusie zijn de waarden voor gevoelens van controle, ‘belonging’, zelfvertrouwen en ‘meaningfulness’ lager bij alle leeftijdsgroepen. Dit heeft echter alleen effect op korte termijn. In een andere studie werden deelnemers niet buitengesloten, maar ze zagen anderen buitengesloten worden. Ook bij het aanschouwen van buitensluiting voelen mensen zich slecht.

 

Uit onderzoek blijkt dat proefpersonen die op de middelbare school meer tijd hebben doorgebracht met vrienden, minder activatie vertonen in de dACC en de insula tijdens de cyberball taak. Niet de tijd die kinderen met vrienden zijn omgegaan, maar het zelfvertrouwen is een beschermende factor bij sociale buitensluiting. Kinderen die meer tijd met vrienden hebben doorgebracht, hebben een hoger zelfvertrouwen.

 

Risico’s nemen

Adolescenten zijn gevoelig voor beloningen, daarnaast zijn leeftijdsgenoten belangrijk voor ze. Gecombineerd zouden vrienden een sociale beloning kunnen vormen. In de volgende studie werd gekeken naar het nemen van risico’s door adolescenten onder invloed van vrienden. Hierbij werd gebruik gemaakt van de stoplicht-taak. In de ene conditie speelt de deelnemer het spel alleen, in de andere conditie zitten de vrienden ernaast, maar ze mogen niks zeggen. Wanneer vrienden aanwezig waren crashte de deelnemer vaker. Oudere volwassenen lieten echter geen verschil zien tussen de twee condities. Het grootste verschil was zichtbaar bij 14-jarigen. Het ventrale striatum (beloningscentrum) wordt significant actiever wanneer 14-jarige deelnemers een taak uitvoeren in het bijzijn van hun vrienden. Ook werden er resultaten gevonden in de prefrontale cortex. De verschillen waren niet aanwezig tussen de twee condities, maar wel tussen de verschillende leeftijden. Volwassenen lieten de meeste activiteit van de PFC zien, dus zij reguleerden hun gedrag meer. Kinderen laten dus veel activiteit in het striatum zien, en volwassen veel in de PFC.

 

College 10

Adolescentie

Volgens Erikson zijn er bepaalde fases in het leven waarin bepaalde uitdagingen die overwonnen moeten worden om door te kunnen naar de volgende fase. Tieners moeten een zelfbeeld vormen en een persoonlijke identiteit. Jongvolwassenen moeten liefdevolle relaties opbouwen met andere mensen. Sociale relaties en omgeving zijn dus belangrijk tijdens de adolescentie.
Gedrag wat wordt geassocieerd met adolescentie is risicovol gedrag, verkennend gedrag, sensatie zoeken, sociale interactie, veel activiteit en speelgedrag. De functie van dit gedrag is het ontwikkelen van sociale vaardigheden en het voorbereiden op onafhankelijkheid tijdens volwassenheid. Adolescentie met het bijbehorende gedrag is ook aanwezig in dieren.
 

Verslaving

Sommige adolescenten ontwikkelen problemen omtrent middelenmisbruik. Hevig drinkgedrag is hetzelfde als binge drinking; dus het drinken van grote hoeveelheden alcohol. Dit komt het meest voor bij studenten. Er zijn sociale invloeden zoals normen en religies die invloed hebben op hoeveel alcohol er geconsumeerd wordt door de populatie; dit is te zien aan de culturele verschillen die er zijn op het gebied van alcoholgebruik. In sommige landen wordt er heel veel gedronken (Rusland), terwijl er in andere landen weinig wordt gedronken (sommige Afrikaanse landen). Kinderen drinken vooral in situaties met vrienden.

Adolescentie is een gevoelige periode voor het beginnen van een verslaving. Het meeste drugsgebruik begint voor het 16e levensjaar.

De prefrontale cortex is gerelateerd aan cognitieve controle en wordt beinvloed door motivatie. Adolescenten hebben moeite met het inhouden van een respons tijdens taken die executieve controle meten. Zij laten dus veel ‘false alarms’ zien.

Alcohol heeft effect op de transmissie van dopamine. Er wordt meer dopamine vrijgegeven wanneer je alcohol drinkt. Het ventrale striatum zit vol met dopaminerge receptoren. Het ventrale striatum wordt dus meer actief tijdens het drinken van alcohol. Adolescenten zijn minder gevoelig voor de negatieve effecten die alcohol met zich mee kan brengen; denk hierbij aan sedatie en het hebben van een kater.

 

Affective disorders

Twee procent van kinderen heeft tenminste 1 maand last van een affectieve stoornis, ofwel van depressie. Tijdens de late adolescentie heeft 6 procent hier last van en van de twintigers heeft 25% er last van. Depressie tijdens de adolescentie is een voorspeller van depressie tijdens de volwassenheid.

Er zijn twee modellen die het ontstaan van depressie kunnen verklaren; het social information processing model en het triadic model. Beide modellen verklaren waaorm adolescenten gevoelig zijn voor het ontwikklen van depressie. Ze leggen echter niet uit waarom depressie tijdens adolescentie een risicofactor is voor depressie tijdens volwassenheid en waarom het kan blijven tot en met de volwassenheid. Davey et al. hebben een nieuw model ontwikkeld waarmee zij de ontwikkeling van depressie en hoe depressie zowel voor kan komen tijdens adolescentie als tijdens volwassenheid trachten te verklaren. Er zijn drie domeinen: biologische veranderingen, sociale veranderingen en psychologische (/cognitieve) veranderingen. Biologische (/neurologische) veranderingen en sociale veranderingen hebben effect op psychologische veranderingen, en alle drie de factoren hebben invloed op de kwetsbaarheid voor depressie. Een kenmerk van depressie is anhedonia, ofwel het niet in staat zijn om gevoelens van beloning te ervaren. Er bestaat positief affect en negatief affect. Postiief affect is gerelateerd aan activatie van gedrag en gevoeligheid voor beloning. Negatief affect is gerelateerd aan inhibitie van gedrag en ontwijken. De belangrijkste indicator voor depressie is dus verminderd positief affect (want het gaat om minder gevoeligheid voor beloning), dit is niet hetzelfde als negatief affect. Beloningen komen voor mensen vooral voor in de vorm van interpersoonlijke beloningen. De sociale omgeving verandert tijdens de adolescentie en kan dus makkelijker veranderen in iets negatiefs dan wanneer de sociale omgeving stabiel is. Biologische veranderingen vinden plaats in de PFC en het dopaminerge beloningssysteem.

Op sociaal gebied worden relaties complexer, intiemer, romantische relaties ontstaan (maar eindigen ook weer), adolescenten worden gevoeliger voor acceptatie en afwijzing en status.
Op cognitief gebied worden adolescenten beter in het nadenken over de toekomst, hypothethische scenario’s en consequenties. Echter zorgt dit ook voor meer rumination; piekeren.
Wanneer mensen teleurgesteld worden, ofwel niet de beloning krijgen die ze verwacht hadden, zorgt dit voor een afname van activiteit in het dopaminerge beloningssysteem, wat tot depressie kan leiden.

 

Exam question

Noem de drie domeinen van het model, leg uit waarom ze samen de toegenomen kwetsbaarheid in de adolescentie kunnen verklaren. Je kunt dit ook uitleggen voor de drie domeinen apart.

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
18