Samenvatting van de colleges deel 2 (Klinische Psychologie)


Week 4

 

College 7

hoofdstuk 6 van Comer - Fundamentals of abnormal psychology

 

Stemmingsstoornissen

Er zijn twee soorten stemmingsstoornissen: bipolaire stemmingsstoornissen en unipolaire stemmingsstoornissen. Onder unipolaire stoornissen vallen depressie en dysthyme. Bij bipolaire stoornissen is sprake van afwisseling tussen depressieve en manische perioden. 5-8% van de Amerikanen ontwikkeld een depressie.

 

Depressie

Het is belangrijk om depressie van gewone somberheid te onderscheiden. Verschillen zijn dat depressie veel langer duurt en je alle interesse en vrolijkheid kwijt bent, je wil niks meer en voelt je leeg. Bij normale rouw zijn mensen juist vaak vol van verdriet. Bij een depressie is medicatie belangrijk omdat er sprake is van een neurologische afwijking. De diagnose depressieve stoornis wordt gesteld als de symptomen meer dan twee weken aanhouden. Een dysthyme stoornis is een milde depressie, deze diagnose wordt pas gesteld als hij langer dan twee jaar duurt. Angstoornissen, agressie en depressie hangen vaak samen. In de DSM-5 is ook de premenstruele dysfore stoornis opgenomen, hiervan is sprake als een week voor de menstruatie klachten optreden.

 

Bipolaire stemmingsstoornissen

In de DSM staan de bipolaire stoornis type I en bipolaire stoornis type II. Bij type I is sprake van manische perioden en (niet noodzakelijk) depressieve episoden. Bij type II is sprake van hypo-manische (mild manische) perioden afgewisseld door depressieve episoden. Wanneer iemand manisch is voelt hij zich geweldig en durft van alles. Een cyclothyme stoornis is een milde vorm van een bipolaire stoornis die langer dan twee jaar aanhoudt. Kenmerken van een manische toestand zijn het gevoel van extase, overenthousiast, uitbundigheid en ontvlambaar. Mensen voelen zich grandioos, zijn overactief en doen pijnlijke acties (op gebied van seks en geld) die ze pas in hun depressieve periode echt voelen. Het dag-nachtritme verminderd en er kunnen psychotische kenmerken optreden. Kenmerken van depressieve perioden zijn somberheid, verdriet, leeg en het ontbreken van het gevoel te kunnen voelen. Prevalentie is het aantal mensen met een stoornis in een bepaalde periode. Incidentie is het aantal mensen dat een stoornis ontwikkeld in een bepaalde periode. Bipolaire stoornissen zijn sterk genetisch bepaald, namelijk voor 80%. Depressie is ongeveer voor 50% genetisch bepaald. Wanneer een bipolaire stoornis wordt geconstateerd moet deze zo snel mogelijk (met medicatie) gestopt worden. Elke manische periode maakt het namelijk waarschijnlijker dat er een nieuwe optreed. Lithium is een stemmingsstabilisator en blijkt uit ervaring goed te werken. Hoe het precies werkt is nog niet duidelijk. Bij 65% van de mensen kunnen manische episoden voorkomen worden door Lithium, met een placebo werkt dit bij 20%. Bij 80% van de mensen kunnen manische perioden gestopt worden door lithium, bij een placebo werkt dit bij 20%. Lithium heeft echter veel bijwerkingen. Daarnaast vinden mensen tijdens de manische perioden vaak dat ze de pillen niet meer nodig hebben. Bovendien zorgt het dat het manische/geweldige gevoel minder wordt wat cliënten op dat moment niet willen. Primaire preventie is het voorkomen van de stoornis in een gepredisponeerde familie. Secundaire preventie is het voorkomen van recidief, psychosociale interventies ten aanzien van stressvolle gebeurtenissen, medicatie, leefregels en het accepteren van het leven met een beperking. Tertiaire preventie is het voorkomen van van complicaties en middelmisbruik.

 

Unipolaire stemmingsstoornissen

Er zijn verschillende soorten van depressief zijn (die ook door elkaar kunnen lopen). Sommige mensen hebben een heel negatief zelfbeeld, ze hebben het gevoel te falen, schamen zich, hebben schuldgevoel en zelfverwijt. Ook zijn er mensen die juist agressie voelen, ze voelen wrok, induceren schuldgevoel en zien gebeurtenissen in een slachtoffer-dader perspectief. Andere voelen een innerlijke leegte, hierbij is sprake van vroege verwaarlozing en ik-verlies. Sommigen voelen helemaal niks, hierbij is sprake van massale gevoelsafweer en depersonalisatie. Er zijn verschillende varianten op depressieve stoornissen, bijvoorbeeld depressie met psychotische kenmerken. Een andere variant is melancholische (vitale) kenmerken, deze depressie heeft lichamelijk vitale kenmerken zoals veel slapen, niet uit bed kunnen komen en weer niet kunnen inslapen.

 

Depressie als synaptische stoornis

Depressie wordt niet alleen als een psychologisch probleem gezien, maar ook als een neurologisch probleem. Dit kan gezien worden als verstoring in overdracht tussen synapsen of als hersendelen die niet goed met elkaar samenwerken. Volgens de eerste theorie is er een tekort aan norepinephrine/serotine in de synaptische spleet. Antidepressiva blokkeren receptoren waardoor heropname niet meer of niet meer zo snel plaatsvindt waardoor meer norepinephrine/serotine in de synptische spleet aanwezig blijft. Dit is de werking van MAO remmer, deze brengen echter veel risico's met zich mee, daarom wordt meestal tricyclische antidepressiva gegeven. Als deze niet werken en selectieve serotonine heropname remmers (SSRI's) ook niet werken wordt wel eens teruggegrepen op MAO-remmers. SSRI's (bijvoorbeeld prozac) werken redelijk goed en brengen weinig risico's met zich mee.

 

Antidepressiva werkt op de vitale kenmerken, deze moeten bijvoorbeeld ook niet geslikt worden bij een dysthieme stoornis, in dit geval is therapie beter. Antipsychotica werken op psychotische symptomen bij depressie, ze stoppen wanen. Therapie werkt meer voor cognitieve, interne problemen. Vaak is een combinatie van medicatie en therapie het best. Als dit allemaal niet werkt kunnen elektroshocks gebruikt worden. Wat deze precies doen is onduidelijk maar uit ervaring blijkt wel dat het werkt. Nadeel ervan is dat er sprake kan zijn van kortdurend geheugenverlies. Door fMRI is veel duidelijker geworden hoe hersendelen met elkaar samenwerken. Een nieuw idee is dat stimulatie van bepaalde hersendelen zou helpen tegen depressie.

 

 

College 8

hoofdstuk 4 van Comer

 

Angststoornissen

Bij angststoornissen is angst het primaire symptoom, echter bij bijna alle stoornissen is angst een belangrijke factor. Er is sprake van disfunctionele angst als er teveel of te weinig angst gevoeld wordt. Mensen met te weinig angst vertonen vaak counterfobische angst, dit is het opzoeken van angstige situaties om ze te overwinnen. Sommige angsten zijn al aanwezig tijdens de vroege kindertijd, anderen ontwikkelen zich tijdens de latere kindertijd. Een vroege angst is desintegratie angst, dit is de angst om uit elkaar te vallen. Een van de laatst ontwikkelende angsten is gewetensangst (schuldgevoel). Wanneer iemand een hoge angst dispositie heeft, heeft deze persoon meer kans om een angststoornis te ontwikkelen. Angst dispositie bepaald wanneer en hoeveel angst iemand ervaart. Vaak hebben mensen twee of meer angststoornissen tegelijk, die soms onderling samenhang hebben. 60% van de mensen met een depressieve stoornis hebben ook een angststoornis. 50% van de mensen met een gegeneraliseerde angststoornissen hebben ook een depressie.

 

Paniekstoornis

Een paniekaanval is nog geen paniekstoornis, hiervoor moeten genoeg paniekaanvallen hebben plaatsgevonden. Een paniekaanval is een begrensde periode van angst/onbehagen en plotseling vier (of meer) van de 14 beschreven symptomen. Hieronder vallen hartkloppingen, transpireren, trillen, ademnood, duizeligheid, enz. Als iemand na een paniekaanval minstens een maand lang bang is om weer een paniekaanval te krijgen, bang voor de gevolgen (controle verliezen, hartaanval krijgen, gek worden), of betekenisvolle gedragsveranderingen begaat (angstige situaties vermijden) is er sprake van een paniekstoornis. Veel mensen met een paniekstoornis ontwikkelen een agorafobie, dit is angst voor (drukke) openbare plekken.

 

Fobieën

Een fobie is een irreële vrees voor een bepaalde situatie of object. Vaak is hierbij sprake van een attributie fout, een paniekaanval wordt aan een bepaalde situatie gelinkt. Fobieën zijn gericht op een beperkt aantal stimuli: mensen hebben bijna nooit een fobie voor auto's, stopcontacten, pyama's maar wel voor bijvoorbeeld slangen, spinnen, honden, hoogten, enz. Martin Seligman bedacht de preparednesss hypothese, deze houdt in dat mensen erfelijke predispositie hebben voor angstconditionering ten aan zien van stimuli die ooit in de evolutie gevaar opleverden voor overleving van individu/soort.

 

Medicatie bij gegeneraliseerde angsstoornis

Bij een gegeneraliseerde angststoornis is iemand voortdurend bang voor verschillende dingen. Mensen met een tekort aan de neurotransmitter GABA hebben een verhoogde angstdispositie. Benzodiazepinen (bijv. valium) versterken de werking van GABA. Als GABA zich aan een receptor bind, stopt het neuron met vuren. Het heeft dus een kalmerende werking. Mensen worden echter ook slaperig en suf door deze medicijnen en wennen eraan dus hebben steeds meer nodig. Andere medicijn die tegen angststoornissen helpen zijn tricyclische antidepressiva die de opname van serotonine remmen.

 

Oorzaken van angststoornissen

In het paniekaanvalcognitief-leertheoretisch model staat de angstspiraal beschreven. Deze begint bij een interne/externe stimulus, vervolgens activeert dit automatische angst en lichamelijke angstequivalenten. Daarna volgt een secundaire bewerking met centrale cognitie, zoals: catastrofale medische misinterpretaties, irrationele basis aannames, attributie fouten, intolerantie voor onzekerheid en worrying about worryig. Kritiek op dit model is dat het een staartmodel is, hiermee wordt bedoeld dat het eigenlijk alleen de laatste aspecten van een paniekaanval weer geeft. De vraag blijft waarom mensen zulke misinterpretaties maken. Een oorzaak hiervan is temperament. Temperament verschillen zijn waarneembaar in de vroege jeugd, ze zijn gebaseerd op onbewuste biases bij leren en zijn redelijk voorspellend voor gedrag in de adolescentie en volwassenheid. Ook de basisveiligheid in de vroege relatie van een kind met de verzorger draagt bij een de kracht/kwetsbaarheid van de persoonlijkheid.

 

Obsessieve-compulsieve stoornis

OCD was in de DSM-4 een angststoornis, in de DSM-5 niet meer. Bij OCD is er sprake van dwanggedachten, dit zijn terugkerende, aanhoudende gedachten en voorstellingen. Deze zijn intrusief, ongewenst en veroorzaken angst. Compulsies zijn dwanghandelingen om de angst te reduceren. Dit zijn repetitieve handelingen of activiteit, het tegen gaan vandezehandelingen veroorzaakt ernstige angst. 

 

 

Week 5

 

College 9

hoofdstuk 12 van Comer

 

Voorgeschiedenis van schizofrenie

Sinds de 19e eeuw is schizofrenie een medisch psychiatrisch ziektebeeld. Er werd van twee ziektebeelden gesproken bij schizofrenie: een denkstoornis (vroege dementie) en stemmingsstoornissen. Deze ziektebeelden staan nu echter bekend als alzheimer en manische depressieve stoornis. Eugen Bleuler introduceerde in 1920 de term schizofrenie, volgens hem bestond dit uit het verval van persoonlijkheid bij een intact geheugen en splijting van de geest. Schizofrenie betekend letterlijk splijting van de geest, splijting van de geest is nu echter dissociatieve identiteitsstoornis.

 

Symptomen

Er is sprake van drie clusters van symptomen bij schizofrenie, positieve symptomen, negatieve symptomen en psychomotorische symptomen. De positieve symptomen zijn dingen die iemand heeft die hij niet zou horen te hebben, dit zijn bijvoorbeeld hallucinaties, wanen, incoherent denken en spreken en inadequate affecten (lachen, wanneer iemand normaal zou huilen). Negatieve emoties zijn pathologische tekorten, zoals gedachtearmoede, spraakarmoede, affect vervlakking, apathie, wilszwakte, sociale terugtrekking en zelfverwaarlozing. Psychomotorische symptomen zijn bijvoorbeeld overmatig beweging, bizarre activiteiten, katatone beweeglijkheid (rare bewegingen) en katatone stupor (onbeweeglijkheid). Medicatie werkt vooral op de positieve symptomen. Veel psychoses gaan gepaard met extreme angst, vergelijkbaar met een voortdurende nachtmerrie. Sommige psychoses bestaan uit grootheidswaan hierbij kunnen mensen juist bijna verslaafd worden aan hun wanen. Een psychose begint vaak in de fase van adolescentie. De eerste fase is de prodromale fase, dit is een verslechtering van het algemeen functioneren. De tweede fase is de actieve fase, dit is de psychotische episode. De derde fase is de rest fase, hierbij is het algemeen functioneren verslechterd maar zijn er geen psychotische fasen. Volgens de downward drift theory is sociale daling het gevolg van sociaal dysfunctioneren inherent aan schizofrenie. Om de diagnose schizofrnie te krijgen moet er minstens 6 maanden sprake zijn van de promodale fase en minstens één maand van de psychotische fase. Bij een schizoaffectieve stoornis is er minstens twee weken sprake van psychotische symptomen.

 

Schizofrenie is voor 50% genetisch overdraagbaar. De genetische kwetsbaarheid uit zich pas rond de adolescentie, gestimuleerd door omgevingsfactoren. Schizofrenie komt evenveel voor bij mannen als vrouwen en 60-70% blijft zonder partner. Het doet zich vooral vaak voor bij gevangenen en thuislozen. Bij 80% is ook sprake van middelenmisbruik en 40-60% is suïcide.

 

Type I schizofrenie

Bij type I schizofrenie is voornamelijk sprake van positieve symptomen. Positieve symptomen hebben vaak een acuut begin en zijn vaker oorzaak van een gebeurtenis zoals stress of conflicten dan dat er ook daadwerkelijk sprake is van hersenafwijking. Volgens de dopamine hypothese is er sprake van hyperactiviteit van het dopaminerge systeem. Hierbij wordt zo snel mogelijk anti-psychotische medicatie gegeven. Wanneer de acute psychose is geweken wordt stressmamangement, psycho-educatie en psycho-sociale begeleiding gegeven. Wanneer gestopt wordt met medicatie is de kans op terugval heel groot. Traditionele antipsychotica blokkeren doapine-D2 receptoren. Neuwe antipsychotica blokkeren dopamine-D2 receptoren, D1 receptoren en serotonine receptoren. Neurologische bijwerkingen van antipsychotica (traditionele antipsychotica) zijn extrapyramidale-effecten (regulatie motoriek), dystonie, akathisie (bewegingsdrang), tradieve dyskinisie (bewegen van mond en kaak) en parkinson symptomen. Ook is er sprake van gewichtstoename en kans op diabetes.

 

Type II schizofrenie

Bij type II schizofrenie is voornamelijk sprake van negatieve symptomen. De symptomen beginnen vaak op jonge leeftijd. Er is vaak sprake van familiair voorkomen en geboortedefect zoals virale infceties voor en na geboorten. Ook is het mogelijk een auto-immuundysfuntie wat maakt dat je je 'tegen je eigen hersenen keert'. Bij type II schizofrenie zijn vaak structurele hersenafwijkingen zoals vergrote testikels en afwijkingen van de thalamus, hippocampus, amygdala en de doorbloeding van de hersenen. Het is herkenbaar op jonge leeftijd en er zijn vaak pre-psychotische en psycho-congitieve ontwikkeling. Daarnaast presteren mensen met type II schizofrenie vaak laag op cognitieve test, hebben ze slechte psychoseksuele aanpassing en slechte premorbide aanpassing. Vroege herkenning en preventie zijn erg belangrijk: bevordering van sociaal cognitieve ontwikkeling en psycho-sociale begeleiding en educatie zijn nuttig. Medicatie is bij type II schizofrenie niet erg werkzaam.

 

Interactie genen en omgeving

Menselijke genen zijn niet onveranderlijk, onder druk van omstandigheden kunnen genen als het ware aan en uit worden gezet. Daarnaast beïnvloed omgeving genestische expressie en creeëren genen de omgeving. Genetische kwetsbaarheid creëert interpersoonlijke en intrapsychische stress. Dit kan dus allemaal een rol spelen bij het ontwikkelen van schizofrenie. 

 

Week 6

 

College 10

hoofdstuk 11 van Comer

 

Mensen hebben om verschillende redenen seks, dit kunnen zowel fysieke als emotionele redenen zijn. Bij vrouwen is er vaak sprake van minder zin in seks, bij mannen is vaker sprake van erectie problemen. Bewust denken aan seks zorgt voor geestelijke opwinding, onbewust kunnen seksuele stimuli ook lichamelijke opwinding opwekken.

 

Seksproblemen bij vrouwen

In de DSM is FSI/DA opgenomen, hierbij is minsten 6 maanden lang sprake van te weinig zin in seks. Dit komt vaak voor bij vrouwen: bij 33% van de vrouwen en 16% van de mannen. Iemands seks drive ontstaat door psychologische, biologische en sociaal-culturele factoren. Deze kunnen er dus ook voor zorgen dat iemand juist geen zin meer heeft in seks. Seksproblemen kunnen dus heel veel oorzaken hebben zoals bijvoorbeeld stress, roken, medicatie enz. Volgens de incentive-motivatietheorie is er sprake van een liking en een wanting component bij seks. Je hebt zin omdat je seks hebt, in plaats van dat je seks hebt omdat je zin hebt. Vaak is geen zin hebben het gevolg van te weinig context en stimuli of een verschil in verlangen. Slechts 1/3 van de vrouwen krijgt een orgamse bij coïtes.

 

Seksproblemen bij mannen

Bij mannen is onderscheid gemaakt tussen erectieproblemen en vroegtijdige zaadlozing. Vroegtijdige zaadlozing is de onmogelijkheid de zaadlozing uit te stellen, lang genoeg om de vrouw in 50% van de gevallen een orgasme te bezorgen. Van de 100 mannen met ED gaan gemiddeld 25 mannen naar de huisarts. Hiervan krijgen er 20 een recept voor viagra en gaan er maar 13 naar de apotheek om het op te halen, maar 7 mannen nemen de pillen ook echt. Erectieproblemen en vroegtijdige zaadlozing kunnen zowel gevolg zijn van biologische factoren als psychologische factoren. Vroegtijdige zaadlozing hoeft niet altijd een seksuelestoornis te zijn, het wordt pas zo genoemd als het een probleem vormt. Voor sommigen wordt het als ene probleem ervaren als de zaadlozing na 5 minuten plaatsvindt, andere ervaren helemaal geen probleem terwijl de zaadlozing al na 2 minuten plaatsvindt.

 

Inadequaat pijngedrag

Bij veel vrouwen doet vrijen pijn, toch gaan ze hier vaak mee door. Dit doen ze bijvoorbeeld om hun partner tevreden te houden, of omdat ze het gevoel hebben dat dit van hen verwacht wordt. Ook zijn ze zich niet altijd goed bewust van hun fysiologische opwindingsreactie. Hun anatomie staat ze toe om gemeenschap te hebben zonder opwinding, bij mannen kan dit niet.

 

Sekstherapie

Bij moderne sekstherapie wordt eerst het probleem vastgesteld. Dit kan verschillend ervaren worden, een man kan het zien als erectieprobleem terwijl de vrouw intimiteit mist. Vervolgens wordt seksuele educatie gegeven en uiteindelijk naar een attitude verandering gestreefd. Hierbij wordt de vicieuze crikel van faalangst en vermijding opgeheven.

 

Paraphilias

Paraphilias zijn ongebruikelijke seksuele fantasieën, bijvoorbeeld over niet menselijke objecten, kinderen, seks zonder toestemming van de ander of vernedering van jezelf of de partner. Distress is hierbij geen punt dat bepalend is voor of iets een stoornis wordt genoemd, danger daarentegen speelt wel een belangrijke rol. Het hangt van de omgeving af wat precies als paraphilias wordt beschouwd. Homofilie is geen stoornis meer in de DSM, pedofilie en verkrachting wel. SM en transvetisch fetisjisme worden ook steeds meer geaccepteerd.

 

 

College 11

hoofdstuk 13 van Comer

 

Persoonlijkheidsstoornissen

Persoonlijkheid is een combinatie van onze unieke kenmerken die tot uiting komen in gedachten, gevoelens, gedragingen en interpersoonlijk functioneren. Persoonlijkheid is relatief stabiel over de tijd en relatief stabiel over situaties. Een persoonlijkheid wordt gestoord genoemd als de persoonlijkheidstrekken extreem/afwijkend zijn, als ze rigide en inflexibel zijn of als ze disfunctioneel zijn voor iemand zelf of voor de omgeving. Volgens de DSM moet het patroon van kenmerken zich op twee of meer van de volgende vakken uiten: cognitie, affect, functioneren in contact met anderen en beheersing van de impulsen. De kenmerken moeten star zijn over meerde situaties, ze moeten leiden of beperkingen veroorzaken en stabiel zijn vanaf de adolescentie en vroege volwassenheid. Verder moeten ze niet het gevolg zijn van andere psychische stoornissen of de directe gevolgen van een drug of somatische aandoening. Iemand met een persoonlijkheidsstoornis wordt vaak gekenmerkt door een egosyntoon patroon. Dit betekend dat ze zelf geen probleem zien, ze voelen zich niet afwijkend en de kenmerken voelen als deel van henzelf. Persoonlijkheidsstoornissen zijn polythetisch, dit betekend dat voor een diagnose maar een aantal kenmerken nodig is, in plaats van alle in de DSM genoemde kenmerken. Persoonlijkheidsstoornissen kunnen dus heel erg verschillend voorkomen.

 

Clusters

Persoonlijkheidsstoornissen zijn ingedeeld in drie clusters, cluster A, B en C. Mensen met cluster A persoonlijkheidsstoornissen zijn vaak vreemd en excentriek. Hierbij wordt onderscheidt gemaakt tussen paranoïde PS (wantrouwen achterdocht), schizoïde PS (afstandelijkheid, beperkingen inemtie-uiting) en schizotypische PS (ongemak in relaties, perceptuele afwijkignen, eigenaardig). Cluster B zijn dramatische persoonlijkheidstoornissen. Deze zijn opgedeeld in theatrale PS (emotioneel, aandacht trekken), narcistische PS (grootheidsgevoel), borderline PS (instabiliteit) en antisociale PS (schending van andermans rechten). Mensen met psychopathie hebben bijna altijd een antisociale PS maar van de mensen met een antisociale PS is ongeveer 15-25% psychopathisch. De mensen in cluster C zijn meer angstig en naar binnen gekeerd. Dit cluster is opgedeeld in ontwijkende PS (vermijdend), afhankelijke PS (onderwerpend en vastklampend) en obsessief-compulsieve PS (perfectionisme, controle). De obsessief-compulsieve PS stoornis heeft weinig te maken met de obsessief-compulsieve stoornis.

 

Epidemiologie en comorbiditeit

Persoonlijkheidsstoornissen komen redelijk vaak voor, 9 tot 13 procent van de mensen heeft een persoonlijkheidsstoornis. In gevangenissen heeft 60-70 procent van de mensen een persoonlijkheidsstoornis. Persoonlijkheidsstoornissen komen bijna nooit alleen voor, er is dus een hoge comorbiditeit.

 

Kritiek op de DSM

In de DSM wordt evan uit gegaan dat persoonlijkheidsstoornissen stabiel zijn. Ook wordt er van een categoriale structuur uit gegaan (je hebt het, of je hebt het niet). Persoonlijkheidstrekken zijn echter nooit helemaal stabiel over alle leeftijden. Ook kan van persoonlijkheidsstoornissen niet zo makkelijk een categroriale indeling gemaakt worden. Alternatieven zijn bijvoorbeeld een indeling aan de hand van het spectrummodel. Bijvoorbeeld een sociale fobie aan de ene kant van het spectrum en een ontwijkende PS aan de andere kant van het spectrum. De DSM benadering heeft ook voordelen: het maakt communicatie makkelijker, er kunnen evidence-based interventies worden toegepast, het is prognostisch informatief en het zegt iets over de etiologische mechanismen.

 

Etiologie

De aanleg voor een persoonlijkheidsstoornis is voor ongeveer 50 % genetisch bepaald. Bij cluster-A stoornissen zijn vaak afwijkende patronen van dopamine. Bij woede en impulscontrole is er vaak verstoorde serotonine en bij agressie is sprake van verstoorde MAO. Ook hersengebieden lijken betrokken bij persoonlijkheidsstoornissen, bijvoorbeeld een gebrek aan frontale corticale controle op impulsen en emotie of disfunctioneren van de amygdala. Bij boarderliners is de amygdala extra actief. Ook omgevingsfactoren spelen een rol, bijvoorbeeld gezinsfactoren (misbruik, verwaarlozing, opvoeding, modellering en hechting). Andere invloeden zijn een lage SES (sociale economische status), invloed van leeftijdsgenoten, scheiding van ouder enz. Hoe meer problematisch gedrag ouders laten zien , hoe meer kans het kind heeft op een persoonlijkheidsstoornis. Een combinatie van een lage MAO en een ervaring met misbruik lijdt vaak tot een persoonlijkheidsstoornis. Dit is veel minder vaak het geval bij kinderen met een hoge MAO en een ervaring met misbruik. Ook als je genetische aanleg hebt voor een persoonlijkheidsstoornis, maar er zijn geen omgevingsfactoren die het triggeren hoeft er dus geen persoonlijkheidsstoornis te ontstaan.

 

Modellen van PS

Volgens het leertheorietischmodel worden bepaalde associaties gevormd, bijvoorbeeld als ik me hecht aan iemand word ik gekwetst of als ik mijn zin door drijf krijg ik wat ik wil. Het kan ook aan de hand van modellering: het overnemen van wat je ziet in je omgeving. Volgens het cognitieve model ontstaan cognitieve structuren gedurende ontwikkeling. Schema's sturen cognitieve processen, persoonlijkheidsstoornissen worden gekenmerkt door een bepaald schema. Youngs schema model is een integratief model dat cognitieve, gedragsmatige, psychdynamische en experientiële invalshoeken combineert.

 

Behandeling

Een behandeling versnelt symptoom-reductie met ongeveer 6 keer. PSen worden tegenwoordig als behandelaar gezien, bijvoorbeeld dialectische gedragstherapie (borderline), cognitieve gedragstherapie (veel voor cluster c) en schematherapie (voor bijna alle PSen). 

 

Week 7

 

College 12

hoofdstuk 13 van Comer

 

Borderline

Persoonlijkheidsstoornissen verschillen op verschillende punten van syndroomstoornissen. Syndroomstoornissen zijn specifiek, episodisch, egodystoon (ik-vreemd) en redelijk goed te behandelen. Persoonlijkheidsstoornissen zijn algemeen, chronisch, egosyntoon (ik-eigen), langdurige behandeling en niet altijd effectief. Comorbiditeit tussen verschillende persoonlijkheidsstoornissen of tussen persoonlijkheidsstoornissen en syndroomstoornissen is groot. De meest voorkomende persoonlijkheidsstoornis is borderline. Kenmerken van borderline zijn impulsiviteit, het niet goed begrijpen van emoties, weinig denken en voelen, vooral doen, heel erg zwart wit denken en geen genuanceerd beeld hebben. Borderline is voor 35% genetisch overdraagbaar. Er zijn weinig mensen met Borderline die geen andere stoornis hebben. Op de lange termijn lijkt Borderline vanzelf een beetje af te nemen. De naam Borderline slaat op het grensgebied tussen neurose en psychose. Borderliners zijn niet zo afwijkend als psychotische mensen maar afwijkender dan neurotische mensen. Ook bij de clusters van persoonlijkheidsstoornissen zit borderline qua ernst tussen de andere clusters in. Cluster C is het makkelijkst te behandelen, daarna cluster B (Borderline), het lastigste is cluster A. Alle stoornissen in cluster B hebben een borderline organisatie. Borderliners hebben vaak een primitief afweer systeem en een difuse of onsamenhangende identiteit. Samenhangende tekortkomingen bij een borderline organisatie (dus alle cluster B stoornissen) zijn: impulsief gedrag, affectdisregulatie, instabiele/destructieve/kwaadaardige interpersoonlijke relaties, identiteitsstoornis en een primitief afweer/coping systeem.

 

Oorzaken

Borderline gaat gepaard met affectstormen, affectlabiliteit, dislocatie en innerlijke pijn. Vaak is er sprake van een primitief afweer en coping systeem. 93% van de Borderline patiënten geeft aan een vorm van verlating of misbruik in de jeugd te hebben meegemaakt. Bij andere stoornissen is dit ongeveer 74%. Veel voorkomende gebeurtenissen die borederline patiënten ervaren hebben zijn ouder-kind incest, seksueelmisbruik en fysieke mishandeling. Hechting op jonge leeftijd is erg bepalend voor problematiek op latere leeftijd. Wanneer een baby geen emotionele steun krijgt en geen goede emotionele interactie heeft met de ouders (vooral de moeder) is dit erg schadelijk. Wanneer niet aan hechting voldaan wordt, blijft dit systeem overprikkeld. De hechtingstijl als kind is later terug te zien in de Borderline trekken. Veiligegehechtheid is een goede basis om psychische aandoeningen tegen te gaan. Uit epigenetisch onderzoek bij dieren blijkt dat onveiligegehechtheid de expressie van genen en dus de hersenen beïnvloed. Bij een gedeorganiseerd hechtingsssysteem vallen angst en veiligheid samen, terwijl dit bij een normaal gehecht persoon tegenpolen zijn. Veiligheid is voor iemand met een gedeorganiseerd hechtingssyteem dus ook heel beangstigend.

 

Mentaliseren

Door onveilige hechting, leert een kind zijn eigen emoties niet goed begrijpen. Een kind gaat namelijk zijn eigen emoties herkennen door deze een beetje terug te zien in het gezicht van de ouder. Ouders die goed kunnen mentaliseren leren dit (onbewust) ook aan hun kinderen. Mentalisatie is de vaardigheid om mentale staten van jezelf en andere te begrijpen, in termen van gevoel, overtuigingen, geloof, intenties en verlangens. Door onveilige hechting leert het kind niet goed metaliseren, waardoor het zichzelf en andere niet goed begrijpt. In situaties met sterke emotie valt ons mentaliserend vermogen weg (angst, boos). Een Borderline patiënt kan dit sowieso niet vanwege de onveilige hechtingstijl. Ze patiënten reageren daarom zonder te mentaliseren, hierdoor is hun gedrag vergelijkbaar met dat van een klein kind in de fase dat ze nog niet kunnen mentaliseren. Er worden drie soorten van niet mentaliseren onderscheiden. De eerst is psychic equivalence mode, hierbij is een gevoel meteen echt/werkelijkheid zonder dat er gedacht wordt over het gevoel. Een tweede soort is pretend mode, hierbij is juist alles te onecht. Gevoelens en gedachten hebben geen betekenis met de echte wereld. Een derde soort is teleogical mode, hierbij heeft alleen wat je echt ziet betekenis.

 

 

College 13

staat niet in het boek → wel tentamenstof!

 

Migratie

Alle 'gewone' psychische problemen en alle 'gewone' ingrediënten van de behandeling kunnen bij eerste en latere generaties allochtone patiënten een net iets andere inhoud en betekenis krijgen. Migratie-gerelateerde problematiek is bijvoorbeeld dat de discontinuïteit van de migratie niet wordt gevoeld. De migranten blijven dan vasthouden aan de illusie dat ze ooit terugkomen in hun eigen land en blijven hun land en dingen/mensen daar missen en een schuld gevoel houden. Daarnaast kunnen gestagneerde rouw, loyaliteitsconfilcten, schuld, verlatingsangst, eenzaamheid en vasthouden aan illusies een probleem vormen. Er worden vaak disfunctionele copingstrategieën gebruikt, dit zijn overaanpassing (counterphobic assimilation) en mummificatie (ethnocentric withdrawal). Overaanpassing is hyperidentificatie met de nieuwe cultuur en samenleving van het nieuwe land en desidentificatie met het land van herkomst. Mummificatie houdt in dat op een verstarde manier wordt vastgehouden van geïdealiseerde en achterhaalde voorstelling van cultuur en samenleving van het land ven herkomst. Migreren tijdens je ontwikkeling kan grote impact hebben, maar ook tweede generatie migranten kunnen veel problemen ervaren. Vaak treden er meer depressieve stoornissen op bij tweede generatie migranten dan eerste generatie migranten.

 

Comorbiditeit

Vooral bij Turkse migranten is de comorbiditeit tussen angst en depressieve stoornissen groot, dit is een stuk minder bij Marokkaanse migranten en autochtone mensen. Niet-europese migranten vertalen hun depressieve gevoelens meer in somatiserende klachten, terwijl Europeanen meer schuldgevoel en suïcidale gedachten hebben. Eerste en tweede generatie allochtonen hebben vaker schizofrene stoornissen dan autochtonen. Hier kunnen allerlei redenen voor zijn zoals erfelijkheidsverschil, selectieve migratie (mensen die migreren hebben al meer schizofrene kenmerken), andere culturele betekenisgeving aan afwijkend doen, denken en voelen, andere culturele voorstelling van ziekte, behandeling en genezing, diagnostische bias, derde factoren (cannabis gebruik ed.) en sociale factoren. De kans op schizofrenie is groter wanneer je van een zwart land naar een wit lang emigreert dan wanneer je van een zwart land naar een zwart land emigreert. Ook is de kans groter dat iemand schizofrenie ontwikkeld wanneer iemand in een buurt woont met weinig mensen met dezelfde etnische achtergrond.

 

Mogelijke oorzaken

Tussen culturen kunnen andere maatschappelijke verhoudingen en andere gevoelshuishouding ervoor zorgen dat het lastig is om te identificeren met de cultuur. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van traditionele machtsongelijkheid tussen de generaties, tussen de seksen, tussen hiërarchische positie en tussen etnische groepen. Ook conservatieve religieuze en seksuele moraal kunnen verschillen en er kan sprake zijn van een wij-oriëntatie vs een ik-oriëntatie. Met deze factoren kan iemand zich al jong identificeren wat er voor kan zorgen dat het gaat botsen als iemand in een land komt met andere verhoudingen/gewoonten.

 

Splitsing

Klachten die vaak voorkomen bij migranten zijn angstgerelateerde spanningsklachten en stemmingsklachten. Achterliggende problematiek is identiteitsverwarring en relatie problemen. Er is sprake van twee los staande werelden voor migranten, het leven thuis en het leven daarbuiten. Alles wordt gepolariseerd opgedeeld, het goede wordt apart gehouden van het kwade. Tweede generatie migranten proberen zich aan te passen aan de moderne westerse wereld van werk, vrienden, seks en relaties en aan de andere kant familie, gemeenschap en traditie. Zo leven ze voortdurend in een wereld van schaamte, schuldgevoelens, angst voor uitstoting, vervreemding, stiekemheid, halve waarheden en geheimen. Dit zorgt voor veel eenzaamheid en een verdraaid zelfbeeld. Een valkuil bij diagnostiek is het overschatten van ernstige persoonlijkheidspathalogie, het splitsen van goed en kwaad is bijvoorbeeld een kenmerk van borderline maar ook heel begrijpelijk voor tweede generatie migranten. Wanneer de problematiek gevolg is van het leven tussen twee werelden is er vaak sprake van neurotische problematiek. Wanneer het gevolg is van trauma's van vroeger is er vaak wel sprake van borderline organisatie. 

 

Week 8

College 14

Hoofdstuk 9 van Comer

 

Eetstoornissen

Eetstoornissen zijn anorexia nervosa, boulimia nervosa, eetbuistoornis, andere gespecificeerde voedings- of eetstoornissen en ongespecificeerde voedings- of eetstoornissen.

 

Anorexia nervosa

Om de diagnose anorexia te krijgen moet iemand ondergewicht hebben, door te weinig voedsel inname. Dit wordt vastgesteld aan de hand van het BMI. Een andere factor van anorexia is de intense angst om aan te komen/dik te worden, daarnaast is hun lichaamsbeeld verstoord en hangt hun zelfbeeld sterk af van gewicht/uiterlijk. Er zijn twee typen anorexia: restrictieve type en eetbui/purgerende type. Bij het eetbui/purgerende type is er af en toe sprake van eetbuien die daarna gecompenseerd worden met minder eten, veel sporten of overgeven/laxeermiddelen.

 

Boulimia nervosa

Bij boulimia staan eetbuien op de voorgrond. Het verschil met het eetbui/purgerende type anorexia is dat er bij anorexia sprake moet zijn van ondergewicht. Mensen met boulimia kunnen in korte tijd overmatig veel eten (3000 kc) en hebben het gevoel hier geen controle over te hebben. Vervolgens compenseren ze voor de eetbuien. Zelf-evaluatie wordt net als bij anorexia sterk beïnvloed door lichaamsvorm en gewicht.

 

Eetbuistoornis

Hierbij is er sprake van eetbuien zonder compensatie. Veel mensen met een eetbuistoornis krijgen hierdoor overgewicht. Tijdens de eetbuien wordt veel sneller gegeten dan normaal, er wordt doorgegeten tot iemand zich er ongemakkelijk door voelt, er gaat vaak geen honger gevoel aan vooraf en achteraf voelen mensen zich schuldig. Deze stoornis komt even vaak voor bij mannen als vrouwen en is niet perse het gevolg van een lijn poging (wat bij anorexia en boulimia wel het geval is).

 

Andere gespecificeerde voedings- of eetstoornissen

Atypische anorexia nervosa, hierbij heeft iemand alle kenmerken van anorexia maar geen ondergewicht. Wel is in snelle tijd veel gewicht verloren. Andere gespecificeerde stoornissen zijn boulimia een eetbuistoornis met een lage frequentie of beperkte duur. Nog een andere stoornis is de purgeerstoornis en het nachtelijk eetsyndroom.

 

Prevalentie

Anorexia komt minder vaak voor dan boulimia, anorexia zo'n 5000-6000 mensen in Nederland, boulimia zo'n 22.0000 in Nederland. 90-95% van de anorexia en boulimia patiënten zijn vrouwen. Het zijn vooral jonge vrouwen tussen de 15-30. De piek ligt momenteel tussen de 14 en 18. Ongeveer 165.000 mensen in Nederland hebben een eetbuistoornis. Mensen met een eetbuistoornis hebben een grotere kans om zelfmoord te plegen.

 

Etiologie

Over de etiologie (oorzaak) is nog niet heel veel bekend. De stoornissen komen vooral in de westere wereld voor, vaak begint het met een dieet dat uitmond in een eetstoornis. Genen spelen een rol bij eetstoornissen, ook is de serotonine huishouding verstoord. Dit is echter niet specxifiek voor eetstoornissen, bij veel stoornissen in de serotonine huishouding verstoord. Een risicofactor voor het ontwikkelen van een eetstoornis zou zijn dat kinderen te afhankelijk worden gehouden van hun ouders. Daarnaast zou een verstoorde ouder-kindrelatie een oorzaak kunnen zijn. Ook het slankheidsideaal, media en modelling spelen mogelijk een rol. Wel is er meer voor nodig want niet iedereen ontwikkeld een eetstoornis. Het zou gaan om het ideaal beeld dat geïnternaliseerd wordt in combinatie met psychologische risico factoren. Ook life-events kunnen een aanleiding zijn.

 

Eetstoornissen gaan vaak samen met angsstoornissen, depressie en persoonlijkheidsstoornissen. Vooral borderline.

 

Algemene en specifieke risicofactoren

Er worden algemene psychologische risicofactoren onderscheiden voor eetstoornissen. Dit zijn factoren die je vaker ziet bij mensen met een eetstoornis of andere psychopathologie dan mensen zonder een stoornis. Deze factoren zijn: een gebrek aan zelfvertrouwen, negatieve gevoelens, emotionele geremdheid, (sociale) faalangst, bezorgdheid over anderen, prestatiegerichtdheid, perfectionsime en impulsiviteit. Specifieke factoren zijn factoren die het risico op een eetstoornis vergroten, deze factoren zijn: een negatieve lichaamsbeleving, negatief zelfbeeld, sterke wens om slank te zijn, de aanhoudende angst om dik te worden, extreem lijngedrag en vegetarisme/extreem dwangmatig gezond eten.Volgens het comulatieve stressor-model (smolak et al. 1993) zorgt het tegelijk optreden van stressoren tijdens de puberteit uitmond in extreem lijnen en eet pathologie.

 

Gevolgen

Gevolgen van een eetstoornis zijn niet alleen lichamelijk maar ook psychische en sociaal. Psychische klachten zijn agnststoornissen, geheugenstoornissen en verschillende uitvoerende functies die niet meer goed werken. Op sociaal vlak zijn mensen vaak niet meer in staat om een opleiding te volgen, te werken en met vrienden om te gaan. Alle belangrijke levensgebieden worden op den duur ingeperkt waardoor iemand steeds meer geïsoleerd wordt.

 

Behandeling

In eerste instantie moet het eetpatroon genormaliseerd worden en het gewicht moet toenemen. Vaak staan mensen met een eetstoornis hier niet positief tegenover vanwege de extreme angst om aan te komen. Aan de hand van cognitieve gedrag therapie moeten disfunctionele aannames/ideeën/gedachtes worden veranderd.

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
51