Colleges en werkgroepen week 4-6 Cognitieve Psychologie


College 4: H5 - Werkgeheugen

 

William James

William James onderscheidde een primary memory en een secundary memory. Het primaire geheugen bevat herinneringen waar wij ons direct bewust van zijn. Het primaire geheugen is te vergelijken met een cache-memory van een computer. Het secundaire geheugen bevat herinneringen waar wij ons niet direct bewust van zijn en dient als een opslagplaats. Het secundaire geheugen is te vergelijken met een harddisk van een computer.

 

Korte- en lange termijngeheugen

Er bestaan twee aparte soorten geheugen, namelijk het kortetermijngeheugen en het langetermijngeheugen. Dit is beschreven in een model van Atkinson en Shiffrin. Input komt binnen in het kortetermijngeheugen en wordt gefilterd. Hierna wordt het doorgegeven aan het langetermijngeheugen of het wordt vergeten.

 

Miller vond hier bewijs voor. Hij ontdekte dat de capaciteit van het korte-termijn geheugen (of werkgeheugen) gelimiteerd is. Over het algemeen is de capaciteit van het korte termijngeheugen 7+/- 2 items. De items blijven enkele seconden in het kortetermijngeheugen. Het kortetermijngeheugen is echter erg gevoelig voor bewerking en oefening. Door oefening kunnen items maximaal 20 seconden in het kortetermijngeheugen blijven.

 

Op het gebied van Neuropsychologie is er bewijs gevonden door onderzoek naar de stoornis Amnesie. Dit is een stoornis die het langetermijngeheugen aantast. Mensen die lijden aan amnesie hebben nog wel een normaal functionerend kortetermijngeheugen. Daarnaast hebben mensen met laesies een defect aan het kortetermijngeheugen, maar hebben ze nog wel een normaal functionerend lange termijngeheugen.

 

Ook het recency effect levert bewijs voor het bestaan van twee verschillende soorten geheugen. Woorden aan het eind van een seriële reeks zijn makkelijker op te halen dan woorden in het midden van zo’n reeks. Dit komt omdat deze woorden nog in het korte termijngeheugen zitten. Echter, wanneer de woorden na een onderbreking van 30 seconden herinnerd moeten worden, worden de laatste woorden in de seriële reeks even slecht onthouden als de middelste. Dit komt omdat de woorden zich dan niet meer in het korte termijngeheugen bevinden. De woorden aan het begin van de seriële reeks zijn beter te herinneren. Dit komt door het primacy effect. Dit houdt in dat de woorden aan het begin van de reeks meer aandacht krijgen en meer worden herhaald. Hierdoor worden de woorden dus in het lange termijngeheugen opgeslagen en kunnen beter worden onthouden.

 

Problemen met het kortetermijngeheugen model

Bepaalde onderzoeken hebben uitgewezen dat er meer contact blijkt te zijn tussen het korte- en het langetermijngeheugen dan men dacht. Zo laat de STROOP taak zien dat er directe activatie plaatsvindt van codes uit het lange termijngeheugen in het korte termijngeheugen. Als je de kleur wilt benoemen van een bepaald woord (korte termijngeheugen), is de betekenis van het woord al geactiveerd vanuit het lange termijngeheugen.

 

De capaciteit van het korte termijngeheugen is zoals eerder genoemd 7+/- 2 items. Maar deze items kunnen zowel letters als woorden zijn. De capaciteit moet dus worden uitgedrukt in het aantal betekenisvolle eenheden (chunks). Deze betekenisvolle begrippen liggen al opgeslagen in het lange termijngeheugen. Er vindt dus directe activatie plaats van codes uit het langetermijngeheugen in het kortetermijngeheugen. Hieruit kan worden geconcludeerd dHIerat het kortetermijngeheugen volgt op het langetermijngeheugen.

 

Baddeley & Hitch

Baddeley & Hitch vonden dat men het kortetermijngeheugen beter aan kon duiden met de term werkgeheugen of mental workspace, omdat het meer een werkplaats is dan een opslagplaats. Volgens hen bestaat dit werkgeheugen uit twee subsystemen; phonological loop en visuo-spatial sketch pad. Deze twee subsystemen staan onder leiding van de central executive. De subsystemen voeren complexe taken uit zoals redeneren, begrijpen en beslissen. De central executive controleert het gedrag.

 

Het bestaan van twee subsystemen kan worden aangetoond, doordat een taak die beroep doet op één van de systemen gehinderd wordt door een tweede taak die beroep doet op hetzelfde systeem. Als de tweede taak beroep doet op een ander systeem, ondervindt de eerste taak geen hinder.

 

Phonological loop

De capaciteit van de phonological loop is constant, namelijk 2 à 2,5 seconden spraak. De fonologische lus bestaat ook uit twee subsystemen, de ‘articulatorische lus’ en de ‘fonologische opslag’. De articulatorische lus is een actief systeem wat zorgt voor een goede articulatie. Een slechtere reproductie van klank ontstaat als deze lus onderdrukt wordt door bijvoorbeeld hardop tellen. In de fonologische opslag wordt kennis over auditieve informatie opgeslagen. Hierbij treedt het similarity effect op. Dit houdt in dat letters met dezelfde klank moeilijker te onthouden zijn dan letters met verschillende klanken. De fonologische lus is vooral nuttig voor de taalverwerking (het begrijpen van taal, het leren lezen, de taalvaardigheid en de taalverwerving). Kinderen hebben een kleinere fonologische loop, waardoor ze alleen korte zinnen kunnen verwerken. Dit leidt tot een betere taalverwerving en dat verklaart waarom kinderen beter in staat zijn een taal te leren dan volwassenen.

 

Visuo-spatial sketch pad

Het visuo-spatial sketch pad bestaat uit twee subsystemen: een visuele opslag waarin informatie wordt opgeslagen en een ruimtelijk systeem voor het actieve deel van visuele verwerking. De functies van het visuo-spatial sketch pad zijn het vasthouden en manipuleren van visuele en ruimtelijke informatie. Dit vormt de basis voor ruimtelijk inzicht, plannen en voor het uitvoeren van niet-verbale taken.

 

Central executive

De twee slave systems (phonological loop en visuo-spatial sketch pad) worden gecoördineerd door de central executive. Dit systeem beslist welke acties moeten worden uitgevoerd. Daarnaast stuurt het selectieve aandacht aan en zorgt het voor het ophalen van informatie uit het lange termijngeheugen. De central executive stuurt als het ware ons gedrag aan. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk oppersysteem kan worden gevonden bij mensen met het dysexecutive syndroom. Deze patiënten hebben laesies in de prefrontale cortex wat leidt tot problemen met plannen en het moeite hebben met het starten van acties.

 

Deze mensen hebben disinhibitie (extreme afleidbaarheid), impulsief gedrag, disactivatie, perseveratie (niet succesvolle acties blijven herhalen), desorganisatie, geheugenproblemen en verminderde ‘fluid intelligence’. Eigenlijk vallen de functies van de ‘slave systems’ dus in het niet bij het goed functioneren van de central executive.

 

Episodische buffer

Recentelijk is er een aanpassing gedaan aan het model van het werkgeheugen. Er is een extra deelsysteem toegevoegd, de ‘episodische buffer’. De episodische buffer is nodig voor de integratie van informatie die afkomstig is uit verschillende bronnen.

 

Recursieve taal

Dieren hebben communicatiesystemen waarbij enkele begrippen worden gekoppeld aan signalen. Mensen echter hebben een communicatiesysteem waarbij alle mogelijke betekenissen kunnen worden gekoppeld aan signalen. Menselijke taal kan een oneindig aantal betekenissen uitdrukken met een eindig aantal woorden en regels. Dit wordt recursie genoemd. Een recursieve taal (faculty of language in the narrow sense, FLN) vereist een systeem dat overzicht kan houden. Dit is de central executive. Het is mogelijk dat alleen mensen (en dus geen dieren) recursieve taal kunnen leren door de central executive. Menselijke taal kun je namelijk alleen leren als je ook kunt plannen en overzicht heb. Er moet dus sprake zijn van ‘bewustzijn’.  

 

College 5: H6- Het langetermijngeheugen

 

Er zijn een aantal misverstanden over het geheugen. Zo wordt er vaak gedacht dat we het geheugen incidenteel gebruiken, dit is echter niet het geval. Daarnaast is het geheugen niet om het verleden te bewaren, terwijl dit vaak gedacht wordt.

 

Het geheugen is onmisbaar voor de aanpassing aan de omgeving. Daarnaast zouden we zonder geheugen geen identiteit hebben. Ook is het onthouden van het verleden nodig zodat we om kunnen gaan met de toekomst.

 

Onderzoek

Het onderzoek naar geheugen gebeurt op verschillende niveaus:

 

  • Gedragsniveau: gaat over welke factoren bepalen wat we onthouden en vergeten.

  • Neuraal niveau: gaat over het verklaren van het geheugen in termen van structuur van het brein en neurale processen.

 

Er is veel onderzoek gedaan naar het geheugen. De drie belangrijkste onderzoekers zijn Ebbinghaus, Bartlett en Hebb. Ebbinghaus deed vooral onderzoek naar de elementaire processen van geheugen, zoals de reproductie van een herinnering, de verwerking van nieuw nog ongeorganiseerd materiaal en de kwantiteit van herinneren.

 

Bartlett legde vooral de focus op de rol van bestaande kennis. Hierbij waren zinvol materiaal, reconstructie en de kwaliteit van herinneren belangrijk.

 

Hebb deed ten slotte onderzoek naar de neurale basis van geheugen. In zijn onderzoek werd er gekeken naar de verbindingen tussen neuronen, het geheugenspoor en de breinplasticiteit.

 

Stadia van geheugen

Het geheugen bestaat uit drie stadia: encoding, storage en retrieval. Encoding betekent het opslaan van stimuli. Encoding is afhankelijk van het soort stimuli. Hierbij zijn de wijze van het coderen en de kenmerken van de persoon zelf belangrijk. Storage is het daadwerkelijk onthouden (retentie) van de stimuli. Hierbij spelen de duur en de interferentieactiviteit een belangrijke rol.

 

 

Ebbinghaus ontwikkelde de forgetting curve, die laat zien hoe snel de stimuli na codering vergeten worden. Deze curve wordt ook wel retentie interval genoemd. In het begin neemt een herinnering makkelijk af, maar uiteindelijk stagneert dit. Je vergeet dus niet alles. Retrieval betekent het terughalen van opgeslagen stimuli. Hierbij spelen het ‘soort’ test en de mate van training een rol.

 

Ophaalcues zijn bepaalde aanwijzingen waardoor je de herinnering makkelijker voor de geest kunt halen. Het belang van deze ophaalcues blijkt onder andere uit de onderzoeken van Bahrick (namen onthouden) en Wagenaar (dagboekstudies).

 

Ook de omstandigheden waarin je probeert de herinnering op te halen spelen een grote rol.

 

Maar het herinneren van dingen hangt vooral af van de wijze van coderen. Er wordt namelijk geen kopie van de stimulus opgeslagen, maar van de ‘verwerking’ van de stimulus. Dit is het resultaat van mentale operaties. Volgens Craik en Lockhart is opslag een automatisch bijproduct van verwerken en verloopt het verwerken via niveaus. Hoe hoger het niveau van verwerken is, hoe beter iets wordt onthouden, het wordt dan ‘dieper verwerkt’. In hun onderzoek gebruikten ze verschillende instructies die op verschillende niveaus verwerkt zouden worden, bijvoorbeeld:

 

  1. Is het woord in hoofdletters geschreven?

  2. Rijmt het woord op ‘stroom’?

  3. Past het wordt in de zin: ‘De ….. viel om bij de storm’?

 

Craik en Lockhart kregen wel kritiek op hun ideeën; er is namelijk geen onafhankelijke maat voor ‘diepte’. Daarnaast was er bij ondiepe verwerking soms betere retentie. Een alternatieve theorie was de transfer appropriate processing. Hierbij is er sprake van interactie tussen coderen en het gebruiken van een ophaalcue.

 

Transfer appropriate processing theorie

Hierbij zijn twee principes belangrijk, namelijk het ‘elaboration’ principe en het ‘encoding specificity’ principe. Elaboration (uitgebreidheid) houdt in dat er een grote kans is op herinneringen als veel aspecten van een stimulus worden verwerkt, als een stimuli veel relaties heeft met ander stimuli en als bij de stimuli bestaande kennis betrokken is. Encoding specificity (distinctie) houdt in dat je alleen iets opslaat wat gecodeerd is. Cues zijn effectief als ze dezelfde informatie bevatten die ook is opgeslagen en als ze niet overlappen met andere geheugensporen.

 

Semantisch versus episodisch geheugen

Er zijn twee soorten geheugen, het semantische en het episodische geheugen. In het semantisch geheugen ligt algemene kennis opgeslagen. Hieronder vallen: betekenissen, relaties en kenmerken van woorden. Maar ook objecten en categorieën worden onder het semantisch geheugen gerekend. Dit geheugen is impliciet verworven, je weet dus niet meer wanneer je bepaalde kennis hebt opgedaan.

 

In het episodisch geheugen liggen de specifieke herinneringen opgeslagen. Dit is vooral kennis over wanneer, wat, waar en met wie een bepaalde gebeurtenis plaatsvond. Dit geheugen is tijd en plaats specifiek en verder afhankelijk van de context.

 

Deze twee soorten geheugens zijn moeilijk los van elkaar te zien. Zo heb je begrippen nodig uit het semantisch geheugen om specifieke ervaringen op te kunnen slaan in het episodisch geheugen. Maar semantische kennis ontstaat weer uit episodische ervaringen. Het episodische geheugen is als het ware ‘het semantische geheugen + de context’.

 

Expliciet versus impliciet geheugen

Men kan zich iets expliciet of impliciet herinneren. Een expliciete herinnering, ook wel declaratieve herinnering genoemd, kan bewust worden gereproduceerd. Dit heet recall of recognition, je kunt deze kennis benoemen. Bij een impliciete herinnering, ook wel procedurele herinnering genoemd, leidt de ervaring tot een prestatieverbetering in een test zonder dat de ervaring zelf wordt herinnerd. Dit gaat dus geheel onbewust want we weten niet dat we deze kennis hebben. Amnesiepatiënten kunnen zich niets herinneren van eerdere ervaring, maar presteren wel beter in bepaalde tests door die ervaring.

 

Herkennen maakt zowel gebruik van het impliciete als van het expliciete geheugen. Om herkenning te onderzoeken is het remember-know paradigma ontwikkeld. Hierbij moet de proefpersoon aangeven of hij zich een woord echt herinnert (remember-collection) of dat het woord alleen bekend voorkwam (know-familiarity). Hieruit blijkt dat amnesiepatiënten géén expliciet geheugen hebben maar wel een impliciet geheugen. Dit is een bewijs dat er twee gescheiden systemen zijn. Daarnaast zijn er dissociatie effecten, bepaalde manipulaties hebben namelijk verschillend effect op expliciete en impliciete tests. Zo heeft aandacht geen effect op het impliciete geheugen.

 

Impliciet geheugen blijkt een evolutionair oude functie te zijn. Het automatisch activeren en versterken van bestaande geheugen representaties leidt tot snellere en makkelijkere activering, wat dus efficiënt is. Expliciet geheugen is een evolutionair recente functie. Er worden nieuwe associaties gevormd tussen gebeurtenis, stimuli en context.

 

Vergeten

Meestal is vergeten iets tijdelijks, maar er bestaat ook zoiets als structureel vergeten. Het kan zijn dat hints voor het ophalen, retrieval cues, van een herinnering niet overeenkomen met de herinnering zelf. Bij decay verzwakt het geheugenspoor, naarmate de tijd toeneemt. Bij interferentie worden representaties ontoegankelijk, doordat ze overlap hebben met andere representaties. Bij retrieval induced forgetting wordt bij het ophalen van een bepaalde representatie, het ophalen van andere gerelateerde representaties verzwakt. Bij bepaalde ziektebeelden worden door retrieval induced forgetting ongewenste herinneringen onderdrukt. Dit gebeurt door het koppelen van de negatieve stimuli aan een positieve of neutrale ervaring. Ten slotte is er nog reconsolidatie, wat inhoudt dat het ophalen van herinneringen de herinnering vatbaar maakt voor verandering.

 

Functie van vergeten

Op korte termijn zorgt vergeten ervoor dat je geen last hebt van overbodige of nutteloze informatie. Op lange termijn zorgt vergeten (het compleet verdwijnen) ervoor dat informatie die wel relevant is, makkelijker opgehaald kan worden.

 

De rol van vergeten in de (therapeutische) praktijk

Mogelijke toepassing van ‘retrieval induced forgetting’ (RIT) bij het onderdrukken van ongewenste herinneringen.

 

  • Fobieën: het koppelen van positieve ervaringen aan fobische stimuli kan negatieve herinneringen onderdrukken.

  • PTSD: de indringende ‘flashbacks’ onderdrukken door stimuli die ze oproepen te koppelen aan neutrale ervaringen

  • Het Freudiaanse fenomeen repressie: onderdrukking van negatieve herinneringen door nieuwe positieve ervaringen.

 

Geheugen in het dagelijks leven

De reminiscence bump houdt in dat mensen recente herinneringen eerder oproepen dan vroegere herinneringen, als hen gevraagd wordt enkele herinneringen op te noemen. Dit duidt op het belang van elaboratie en distincitviteit. Vooral herinneringen tussen de 15 en 25 jaar worden het best onthouden omdat in die periode veel ervaringen voor de eerste keer plaatsvonden.

 

In een rechtszaal wordt de herinnering van getuigen verbeterd door een cognitief interview. Hierbij laat men de getuigen zich de situatie zo goed mogelijk mentaal voorstellen en worden de ophaalcues gevarieerd.

 

Er bestaat een cognitief en een klinisch perspectief over weggedrukte herinneringen. Het klinische perspectief gaat ervan uit dat traumatische ervaringen weggedrukt zijn en later voor psychologische problemen zorgen. In therapie worden de herinneringen weer opgehaald. Het cognitieve perspectief zegt dat traumatische ervaringen kunnen worden vergeten, maar meestal herinnerd worden. Door suggestie kunnen foute herinneringen worden gecreëerd. 

 

College 6: H7- Stoornissen van het geheugen

 

Onder amnesie verstaan we geheugenstoornissen. Deze stoornissen zeggen veel over hoe het geheugen eigenlijk zou moeten werken. Het geheugen is essentieel om te kunnen leven in het hier en nu. Zonder geheugen is het lastig om grip op de wereld te houden, maar ook om te kunnen anticiperen op de toekomst.

 

Amnesie

Bij amnesie is er vooral sprake van verlies van het episodisch geheugen. Dit is het deel van het geheugen dat het meest wordt gerelateerd aan het onthouden van een bepaalde context, zoals tijd en plaats. Het semantische geheugen, werkgeheugen en procedureel geheugen blijven over het algemeen in tact, wat ervoor zorgt dat een amnesiepatiënt nog steeds tot een bepaald niveau kan functioneren. De oorzaken van amnesie kunnen psychologisch zijn, maar organische amnesie bestaat ook.

 

Psychogene amnesie

Psychogene amnesie ontstaat altijd als reactie op een psychologisch trauma. Vaak ontstaan er dissociatiestoornissen, waarbij de amnesiepatiënt als het ware afstand neemt van een stukje geheugen. Psychogene amnesie is meestal tijdelijk. Er bestaan verschillende vormen van dissociatiestoornissen:

  • Bij een dissociatieve fugue raakt iemand zijn volledige identiteit kwijt. Omdat dit een vorm van dissociatie is die gefingeerd kan zijn, kijkt men hier vaak sceptisch naar. Het hoeft echter niet gefingeerd te zijn. Het herstelt zich dan na een aantal dagen of weken vanzelf. Een voorbeeld van iemand met een dissociatieve fugue is de piano-man (Bernlef).

  • Bij dissociatieve amnesie neemt iemand bewust afstand van een bepaalde herinnering. Dit kan ook gebeuren tijdens de gebeurtenis zelf. Dit komt vaak door traumatische ervaringen. Misbruikte kinderen vertellen na afloop vaak dat ze tijdens het misbruik juist aan hele vrolijke dingen dachten.

  • Dissociatieve identiteits-stoornis is de meest extreme vorm van dissociatie. Bij deze vorm creëert de patiënt verschillende identiteiten die naast elkaar bestaan. Deze identiteiten weten echter niks van elkaar. De ene identiteit kan zich daarom nog wel de traumatische gebeurtenis herinneren, terwijl de andere identiteit er niks vanaf weet. Deze stoornis ontstaat vaak omdat mensen zichzelf willen beschermen tegen een traumatische gebeurtenis. Deze mensen creëren zelf het geheugenverlies.

 

Organische amnesie

Organische amnesie ontstaat na hersenbeschadiging en kan tijdelijk of permanent van aard zijn. Tijdelijke organische amnesie is het gevolg van een tia of een hersenschudding. Permanente organische amnesie wordt ook wel ‘het amnestisch syndroom’ genoemd.

 

Bij alle patiënten die aan amnesie lijden is de grootte en/of locatie van de beschadiging verschillend. Wel vertonen alle amnesiepatiënten een beschadiging aan de temporaalkwab, vooral aan de hippocampus. Dit kan ontstaan als gevolg van de ziekte van Alzheimer (dementie), het Korsakoff syndroom, herpes encefalitis (HSE) of laesies (door een infarct, tumor, geweld of door zuurstoftekort).

 

Er kan ook schade zijn in de neocortex in plaats van aan de temporaal kwab. Vaak leidt dit tot verlies van semantisch geheugen, verlies van cognitieve functies en algemene kennis, disorders in perceptie of disorders in taal.

 

Variatie

Er bestaat veel variatie van amnesie. Twee patiënten hebben nooit op exact dezelfde plek schade en vaak niet van dezelfde graad. Maar in de meeste gevallen is er sprake van schade in de temporaalkwab en dan vooral schade aan de hippocampus.

 

Beschadiging aan andere delen van het brein, zoals de amygdala, thalamus en de PFC, leiden in mindere mate tot amnesie.

 

Anterograde en retrograde amnesie

Het amnestisch syndroom heeft drie kenmerken: anterograde amnesie, beperkte mate van retrograde amnesie en het is vaak beperkt tot verlies van episodisch geheugen. Dit laatste wil zeggen dat semantisch geheugen, algemene kennis en vaardigheden, nog in tact is. Anterograde amnesie (AA) houdt in dat mensen geen nieuwe ervaringen na het trauma meer kunnen opslaan en is posttraumatisch. Dit is te onthouden door het feit dat ‘ante’ hier slaat op ‘aan de voorkant van de tijdlijn’. Bij retrograde amnesie(RA) zijn herinneringen van voor het trauma deels verdwenen. Deze amnesie is gradueel, wat inhoudt dat het niet over de gehele tijdslijn gelijk is. Vooral de gebeurtenissen van vlak voor het trauma kunnen niet meer herinnerd worden, terwijl hele oude herinneringen vaak nog heel helder zijn. Oudere herinneringen lijken dus minder gevoelig voor amnesie, dit wordt de Ribot gradient genoemd. Ook vond Ribot dat complexe informatie gevoeliger is voor verlies dan eenvoudige. Ook bewuste informatie is gevoeliger voor verlies dan ‘automatische’ informatie. Ook gedesorganiseerde informatie is gevoeliger voor verlies dan georganiseerde informatie. Deze vier regels heten de principes van amnesie.

 

Procesverklaringen

Wat er precies mis is bij amnesie is niet duidelijk. Er zou iets mis kunnen zijn met het ophalen (retrieval), het opslaan (storage) of met het versterken (consolidation) van herinneringen. Er zijn verschillende verklaringen voor het ontstaan van amnesie. Ten eerste kon het een ‘retrieval probleem’ zijn, maar dan zou RA even sterk moeten zijn als AA en dit is niet het geval. Daarnaast dacht men aan een ‘opslagprobleem, echter dit verklaart alleen AA. De verklaring die het meest aannemelijk is en zowel RA als AA verklaart is de consolidatie-hypothese. Het consolidatie-probleem houdt in dat de herinneringen die door de hippocampus worden geconsolideerd op het moment van trauma, zijn aangetast. Dit verklaart dus ook waarom herinneringen van vlak voor een trauma niet goed zijn opgeslagen in het geheugen.

 

De hippocampus

De hippocampus is een tijdelijk verbindingsstation. De consolidatie die de hippocampus gebruik houdt in dat herinneringen worden vervormd en versterkt vanaf het moment van binnenkomst tot het moment dat de herinneringen zo goed zijn weggezet, dat de herinnering later teruggehaald kan worden. Na consolidatie is het geheugenspoor vastgelegd in de neo-cortex onder andere door directe cortico-corticale verbindingen. Een beschadiging aan de hippocampus leidt tot anterograde amnesie (AA), omdat er geen nieuwe verbindingen gevormd kunnen worden.

 

Intact geheugen

Ondanks schade aan de hippocampus is het semantisch, werk- en procedureel geheugen intact. Amnesie is een declaratief- en geen procedureel geheugenprobleem. Bij amnesiepatiënten werkt het procedureel geheugen dus normaal. Het procedureel geheugen bevat kennis over vaardigheden. Dit geheugen is impliciet, we kunnen ons niet bewust worden van dit geheugen. De normale werking van het procedureel geheugen is bij amnesiepatiënten aan te tonen door skill learning training. Een patiënt die lijdt aan amnesie wordt in een test gevraagd een figuur na te tekenen, met behulp van een spiegel. Uit onderzoek is gebleken dat een amnesiepatiënt na een leerproces van 30 leersessies verspreid over drie dagen, steeds beter gaat presteren op de taak. Ook al kan de patiënt zich niet herinneren dat hij geoefend heeft op de taak. Bij deze taak wordt dus een beroep gedaan op het procedureel geheugen, wat niet is aangetast door de amnesie.

 

Amnesie en geheugen

Door amnesie weet men hoe het normale geheugen werkt. Zo komt het episodisch geheugen tot stand door nieuwe associaties via de hippocampus. De hippocampus verbindt als het ware de contextuele informatie met semantische informatie. Dit verloopt snel en vergt gecontroleerde verwerking. Uiteindelijk leidt dit tot bewuste expliciete herinneringen.

 

Het procedureel geheugen komt tot stand door impliciet leren, skills en conditioneren. Dit gaat niet via de hippocampus en verloopt een stuk langzamer dan het episodisch geheugen. Door ‘priming’ en ‘familarity’ kunnen bestaande (semantische) associaties versterkt worden. De automatische verwerking van het procedureel geheugen leidt tot impliciete, onbewuste perceptie-actie en patroon-leren.

 

Andere geheugenproblemen

Door schade aan de prefrontale cortex kan slecht geheugen ontstaan vanwege slechte selectie- en ophaalstrategieën. Ook zou confabulation kunnen ontstaan, geen controle hebben over het beoordelen van de validiteit van herinneringen. Er zijn ook andere oorzaken die zorgen voor geheugenproblemen. Zo verlopen bij normale veroudering alle neurale processen die betrokken zijn bij opslag en herinneren langzamer. Deze processen worden tevens onduidelijker. Amnesie kan ook optreden na een hersenschudding of elektroshocktherapie. Deze amnesie lijkt op somatische amnesie, maar duurt minder lang. Tenslotte kan amnesie ontstaan na emotionele trauma’s (PTSD). Hierbij ligt de focus op één periode. En als laatste bestaat er ook psychogene amnesie.

 

Geheugenverlies en emoties

Volgens de Yerkes Dodson wet neemt het vermogen te onthouden toe wanneer stress toeneemt. Dit heeft echter een piek, hierna neemt het vermogen te onthouden af. Flashbulb memories zijn herinneringen aan gebeurtenissen die emotioneel geladen zijn, bijvoorbeeld 9/11. Het zijn specifieke, gedetailleerde en kwalitatief goed verwerkte herinneringen.  

 

Werkgroep 3

 

Redeneren en kortetermijngeheugen

In deze werkgroep doe je maar 2 taakjes. De rest van de tijd besteed je aan je verslag, dat precies een week na de derde bijeenkomst moet worden ingeleverd.

 

Experiment 6: de balanstaak

Dit is een taak om te kijken wat voor strategieën je gebruikt. Je krijgt steeds een weegschaal te zien, met aan beide kanten een aantal balletjes. Deze balletjes wegen hetzelfde, maar er kunnen er meer aan de ene kant dan aan de andere kant liggen. Een andere factor waar je rekening mee moet houden, is hoever de balletjes van het midden liggen. Elke trial moet je voor een nieuwe situatie inschatten naar welke kant de weegschaal zal overhellen: naar links, naar rechts of het blijft in het midden. Er zijn 20 trials.

 

Er zijn vier soorten regels (strategieën) die je kunt gebruiken om te berekenen of de weegschaal naar links of rechts zakt.

Regel 1: De weegschaal zakt naar de kant met het meeste gewicht. Wanneer het gewicht aan beide kanten gelijk is, is de weegschaal in evenwicht.

Regel 2: Bij gelijke gewichten aan beide kanten zal de weegschaal zakken naar de kant waar de gewichten het verst van het midden liggen.

Regel 3: Bij gelijke gewichten blijft de weegschaal in evenwicht, als ook de gewichten aan beide kanten even ver van het midden liggen.

Regel 4 is een combinatie van de bovenstaande regels: één zijde heeft meer gewicht, maar bij de andere zijde ligt het gewicht meer aan de buitenkant. Regel 4 luidt dan: [gewicht links * afstand (vanaf het midden) links] tegen [gewicht rechts * afstand rechts]. De zijde met de grootste factor zal naar beneden zakken.

 

Siegler verzon de rule assessment method om te toetsen welke regels iemand hanteert. Er zijn zes soorten problemen/situaties die kunnen worden gekoppeld aan de regels.

  • Bij regel 1 horen kinderen van 5 tot 7 jaar oud: balansproblemen, gewichtsproblemen, conflict-gewichtproblemen, gaan goed. Afstand, conflict-afstand en conflictbalans gaan fout.
  • Bij regel 2 horen vooral kinderen van 8 tot 12 jaar oud. Zij hebben dezelfde dingen goed als regel 1, alleen gaat nu ook het afstandprobleem goed.
  • Bij regel 3 horen kinderen van 13 jaar en ouder. De ‘normale’ problemen gaan goed maar alle conflictproblemen gaan op kansniveau.
  • Regel 4 is bijzonder, zelden leren mensen deze uit zichzelf. Ze moeten eerst de regel lezen voordat ze het kunnen beantwoorden. Alle probleemsoorten worden correct beantwoord.

 

Experiment 7: short term memory

Miller heeft gevonden dat wij ongeveer 7 items in ons kortetermijngeheugen kunnen opslaan, minimaal 5 en maximaal 9. Als wij meer items dan dat hebben, zullen we moeten chunken (opdelen in groepjes). Die aparte chunks worden dan weer één item. Dat betekent dat je kleine deeltjes samenvoegt tot een betekenisvol geheel.

 

Volgens Baddeley en Hitch kunnen we het werkgeheugen opdelen in drie delen: een fonologische lus (slaat auditieve informatie op), een visuopastieel kladblok (voor visuele informatie) en de central executive, waar beide lussen terug naartoe leiden. De central executive verdeelt de aandacht tussen de slave systems, de eerder genoemde onderdelen.

 

Er zijn twee verwachtingen: de eerste is dat je meer korte woorden kan onthouden dan lange. De tweede houdt in dat letters die op elkaar lijken slechter kunnen worden onthouden dan letters die heel verschillend van elkaar klinken. Dit gaan we dan ook testen met dit experiment: je krijgt een reeks items te zien en die moet je onthouden. Meteen daarna moet je ze in de juiste volgorde aanklikken tussen andere items die er niet waren. Er zijn vijf soorten groepen (lange woorden, korte woorden, gelijke letters, ongelijke letters en cijfers), waarvan de cijfers niet belangrijk zijn voor het toetsen van onze twee verwachtingen.

 

Voor de hypothesen om waar te zijn, is het nodig dat je korte woorden significant beter onthoudt dan de lange woorden, en dat je ongelijke letters beter onthoudt dan ongelijke letters. De cijfers laten we dus buiten beschouwing.

 

Je voert de resultaten van je groep in SPSS in en voert twee paired-samples t-toetsen uit: een voor korte versus lange woorden, en een voor ongelijke versus gelijke letters.

 

Verslag

Over het tweede experiment van deze werkgroep schrijf je een verslag. Deze moet een week na de derde bijeenkomst worden ingeleverd. Zie de syllabus en bestanden op Blackboard voor de richtlijnen. 

 

Werkgroep 4

 

Experiment 1: Lexicale decisie

Wij gebruiken waarschijnlijk de context van een object als hulp om het object zelf te herkennen. Als een ambigu (voor meerdere interpretaties vatbaar) object anders wordt geïnterpreteerd in verschillende contexten (zoals de B/13, die naast cijfers een 13 is en naast letters een B). Palmer bewees dit al met zijn experiment in 1975. Na het zien van een bepaalde context kregen de participanten een plaatje te zien van ofwel iets dat bij deze context paste (dit werd makkelijk herkend), iets dat leek op iets dat in de context past (dit werd vaak verkeerd foutief herkend) of iets dat niet paste in de context (dit werd moeilijker herkend). Palmer noemt dit priming: de context is de prime, het te herkennen object de target.

 

Waarschijnlijk is woordherkenning niet alleen bottom-up (de woorden worden gezien en naar de hersenen gestuurd) maar ook top-down (de hersenen beïnvloeden het lezen van de letters of woorden). Zo kan het bijvoorbeeld komen dat wij over een typefoutje heen lezen, omdat onze hersenen snappen wat er eigenlijk moet staan (vaak door naar de context te kijken).De semantische primingtaak toetst ook dit contexteffect. We herkennen een woord sneller als er een woord uit dezelfde semantische categorie aan voorafgaat (semantiek betreft betekenis). Je gaat dus toetsen of je KAT sneller herkent na HOND dan na AUTO.

 

Het effect van een betekenisvolle context voor deze snelheid in woordherkenning toets je door de lexicale beslissingstaak: vormt deze reeks letters een bestaand woord of niet (een nonsense woord)? Je gebruikt een binnenproefpersoondesign (om matchingproblemen te voorkomen), en de items zijn mixed (qua volgorde). Er zijn 45 trials. Bij elk trial moet je voor 2 woorden achter elkaar bepalen of het bestaande (m) of onzin-woorden (c) zijn. De respons moet zo snel mogelijk zijn.

 

Analyse experiment 1

Voer de resultaten in opdracht 8.1 in. Verzamel de groepsdata en voer deze in in SPSS. Daarna is een Paired sample T-test van toepassing voor de toetsing van significantie.

 

Voor deeltijdstudenten (8.2)

Verzamel de groepsdata en vul deze in de eerste twee kolommen in (in milliseconden).De derde kolom is priming effect, deze bereken je zo:

 

RTongerelateerd – Rtgerelateerd = priming effect. Deze bereken je apart voor elk proefpersoon. Is het priming effect negatief, dan zet je bij deze participant “nee” in de vierde kolom. Bij een positief priming effect wordt dit “ja”. Je hebt voor je alternatieve hypothese (er wordt bij woordherkenning ook gekeken naar context) zoveel mogelijk ja’s nodig.

 

Experiment 2: zinsverificatie

Collins en Quillian (1969) verwachten dat je zinnen sneller verwerkt, wanneer de woorden in de zin dichtbij elkaar liggen in het woordennetwerk (zie pagina 60 van de syllabus). Als de twee woorden (bijvoorbeeld ‘vogel’ en ‘vliegen’) in dezelfde categorie liggen, is de afstand 0. ‘Kanarie’ en ‘vliegen’ liggen met afstand 1 van elkaar. ‘Kanarie’ en ‘eet’ met afstand 2. De verwachting van Collins en Quillian: Bij een zin met woorden met afstand 0 van elkaar, is je reactietijd het snelst. Bij een zin met woorden met afstand 1 van elkaar, is je reactietijd langzamer dan bij afstand 0. Voor afstand 2 zou de reactietijd nog langzamer moeten zijn.

 

Oftewel: hoe groter de afstand tussen woorden, hoe langzamer de reactietijd.

 

De respons is hier wederom het kiezen tussen onzin en waar: is de zin onzin (melk is groen), druk dan op C. Is de zin waar (een kanarie kan vliegen), druk dan op M. Er zijn 24 trials. Elk trial bestaat dus uit 1 zin.

 

Het typicaliteitseffect is een kritiek op Collins en Quillian en houdt in dat het ene woord in een categorie meer typisch is voor die categorie dan een ander woord uit dezelfde categorie. Hoe typischer, hoe sneller de reactietijd. Dit heeft dus niet alleen te maken met de afstand van de categorieën en eigenschappen.

 

Analyse experiment 2

Verzamel de groepsdata en vul deze in in de syllabus en SPSS. Een Repeated Measures test is hier toepasselijk. Analyze – General Linear Model – Repeated Measures. Je hebt hier te maken met 1 factor (de afstand) met drie niveaus (afstand 0, afstand 1 en afstand 2). Vul deze in, klik op add. Klik daarna op define. Sleep de variabelen van elke afstand naar het rechtervenster bij within-subjects en klik op ok. Lees in de output de tabel “Test of within-subject effects” de bovenste regel af. Bij significantie blijkt inderdaad dat de reactietijd langzamer wordt bij een langere afstand.

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
18