Collegeaantekeningen Bestuursprocesrecht II deel B college 1 t/m 6


College 1 Bestuursprocesrecht II deel B

Het bestuursprocesrecht is ingekaderd door zowel het Europees als het internationaal recht. Dit volgt uit de volgende verdragen en bepalingen.

In het EVRM regelt art. 6 fair trial, onpartijdige van de rechter en de redelijke termijn. Art. 13 heeft betrekking op effective remedy, dit betekend niet alleen dat de rechter uitspraak moet doen, maar ook dat hij op tijd uitspraak moet doen. Het Verdrag van Aargus regelt in art. 9 toegang tot de rechter in milieu aangelegenheden. Deze toegang moet vrij ruim zijn. Het IVBPR regelt in art. 14 lid 5 dat de rechtspraak in twee instanties plaats moet vinden in geval van een 'crime'. Met betrekking tot het bestuursrecht wordt hieruit afgeleid dat je in geval van punitieve sancties terecht kan bij twee instanties. Het EU Handvest regelt in art. 47 een doeltreffende voorziening in rechte door een onpartijdige rechter. Dit lijkt erg op art. 6 EVRM. Het HvJEU biedt effectieve rechtsbescherming door middel van procedurele autonomie, randvoorwaarden van gelijkwaardigheid en effectiviteit.

Binnen dit internationale kader probeert het bestuursrecht te werken. Er worden zoveel mogelijk effectieve procedures om EU waarborgen te waarborgen gehanteerd.

 

Functies bestuursprocesrecht
Er zijn ontwikkelingen te zien in de functies van het bestuursprocesrecht. Een rechter moet kijken of een besluit jegens de appellant rechtmatig is, het gaat tegenwoordig dus niet zozeer meer om de vraag of aan de regeltjes gehouden is. Het gaat om handhaving van het objectieve recht. Er is dus meer aandacht gekomen voor subjectieve rechtsbescherming gericht op belanghebbenden waarbij de omvang van het geding meespeelt. Ook de relativiteitseis is ingesteld.
In het geval van een conflict- of geschilbeslechting richt het bestuursrecht zich tegenwoordig op het raken van de kern. Hierbij past de aanpak van tijdig contact waarbij partijen dus opgeroepen worden voor een regiezitting (contact). Mocht dit niet effectief zijn, dan is er in geval van een conflict de mogelijkheid voor conflictdiagnose (mediation).
De rechter is tevens gehouden aan finale geschilbeslechting waarbij aan het eind van de zaak ook echt een oplossing gevonden wordt. Deze ontwikkeling is al een jaar of 10 aan de gang en wordt 'de nieuwe zaaksbehandeling' genoemd.

 

Taakverdeling bestuur en recht
De bestuursrechter moet rechtsbescherming verlenen in het kader van de besluiten die zijn genomen. Hierbij moet finaliteit en tijdigheid in acht worden genomen. Als er geen beroep bij de bestuursrechter open staat dan is het de taak van de burgerlijk rechter om aanvullende rechtsbescherming te verlenen. Hij moet dan ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb) in acht nemen.

Besturen is dus de taak van het bestuursorgaan en kan bestaan uit feitelijk handelen, privaatrechtelijk handelen (contracteren, eigenaarsbevoegdheden) of bestuursrechtelijk handelen (besluiten + besluiten niet voor beroep vatbaar). De bestuursrechter verleend rechtsbescherming door te toetsen aan de Awb. Hij moet geschillen definitief beslechten (finaliteit) en op tijd een effectief rechtsmiddel bieden (tijdigheid).

 

Algemene bepalingen over bezwaar en beroep
Deze bepalingen zijn in de Awb geregeld in de hoofdstukken 6 tot 8. H 6 geeft de algemene bepalingen van bezwaar en beroep. H 7 geeft bijzondere bepalingen van bezwaar en administratief beroep. H 8 regelt beroep en hoger beroep.

 

Structuur van het proces model 1: bip - bezwaar - bob
Na een aanvraag (van bijvoorbeeld een vergunning) volgt er een primair besluit (besluit in primo(bip)). Als je het niet met het primaire besluit eens bent, kan je bezwaar instellen en volgt er een beslissing op bezwaar (bob). Vervolgens is er de mogelijkheid tot beroep met als reactie een uitspraak van de rechtbank. Hoger beroep kan vervolgens plaatsvinden met een uitspraak op hoger beroep. Soms is er echter de mogelijkheid tot cassatieberoep.
Dit is het meest voorkomende model.

 

Structuur van het proces model 2: afdeling 3.4 Awb - u.o.v.
Uniforme openbare voorbereidingsprocedure
Na een aanvraag wordt er een ontwerp-besluit genomen bijvoorbeeld over de wijziging van een bestemmingsplan. Vervolgens kan het bestuursorgaan mogelijkheid tot zienswijze geven, mensen mogen dan hun mening (zienswijze) over de wijziging geven. Hierna wordt een besluit genomen. Beroep is mogelijk (art. 7:1 lid 1 onder d) waarna een uitspraak van de bestuursrechter volgt. Tevens wordt soms hoger beroep ingesteld.

In model 1 (bip-bob) wordt H 6-7 voor de bezwaarfase gebruikt en H 6 en 8 bij beroep of hoger beroep. In model 2 (u.o.v.) is H 3 afdeling 3.4 van toepassing even als H 6 en 8.

 

Kenmerken vernietigingsberoep
In geval van een vernietigingberoep wordt er een rechtmatigheidstoets gedaan. Er moet binnen de omvang van het geding gebleven worden/verbod ultra petita (art. 8:69 lid 1). De rechter kijkt naar het moment van toen (ex tunt) dit is de hoofdregel. Er is een verbod van reformatio in peius, als je een rechtsmiddel aanwendt mag je hier niet slechter van worden dan wanneer je dit niet doet. Wanneer er veel gebreken zijn aan het besluit moet het vernietigd worden. De vernietiging heeft erga omnes werking (uitvoerbaar tegen iedereen). Er is sprake van subjectivering, het handhaven van het objectieve recht staat bij de bestuursrechter niet meer voorop zoals dat vroeger het geval was.

 

Kenmerken procedure schadevergoeding
Het is een verzoekschriftprocedure (art. 8:90 Awb). Je kan vergoeding van schade vragen als gevolg van een onrechtmatig besluit of een niet tijdig genomen besluit. Leidt tot (gedeeltelijke) toewijzing of afwijzing van het verzoek (8:95 Awb). Dus leidt niet tot vernietiging. De beslissing van de rechter werkt tussen de beide partijen.

 

Inrichting bestuursrechtspraak

  • 11 rechtbanken
  • afdeling bestuursrechtspraak Raad van State in Den Haag. Dit is de algemene beroepsrechter. Zij bepalen dus veel over de Awb en het procesrecht bijv. het alcoholslot
  • Centrale Raad van Beroep is gevestigd in Utrecht. Behandeld voornamelijk sociale zekerheidszaken en ambtenarenzaken. Bijv. de minister van defensie (staat) is aansprakelijk voor de posttraumatische stress stoornis van een ex Dutch batter.
  • College van beroep voor het bedrijfsleven (CBB). Dit is het kleinste college en zit in Den Haag.
  • Gerechtshoven
  • Hoge Raad

Er zijn dus veel verschillende hoger beroepsrechter

Er komt een voorstel aan voor een wet met betrekking tot splitsing van Raad van State en opheffing van Centrale Raad van Beroep en College van beroep voor het bedrijfsleven. Dit is een uitvloeisel van een regeerakkoord en doet veel stof opwaaien. Het gaat om een functionele splitsing van bestuursrechtspraak en wetgevingsadvisering bij de Raad van State. Men is dan dus niet meer bevoegde om zowel bestuursrechtspraak en wetgevingsadvisering op zich te nemen.
Tevens is er gezegd dat de zaken van het CRvB naar de Hoven moet gaan, er wordt dan dus cassatie mogelijk voor sociale zekerheidszaken. De zaken van CBb moeten gaan naar de Afdeling bestuursrechtspraak. Echter er is alleen nog maar sprake van een voorstel.

 

College 2 Bestuursprocesrecht IIb - Tijdigheid en bestuurlijke voorprocedures

Tijdigheid en termijnen
In de wet zijn termijnen opgenomen voor bestuursorganen, burgers en rechters. Het is van belang dat er termijnen opgesteld worden omdat procedures anders oneindig lang kunnen duren en beslissingen dan niet tijdig genomen worden. Cultuurverandering binnen de bestuursorganen en juridische materiele- en procedurele oplossingen hebben er voor gezorgd dat tijdig moet worden besloten en termijnen ingesteld worden. Een voorbeeld van een materiele procedurele oplossing is de regel dat als een termijn overschreden wordt dat dan automatisch de aangevraagde beslissing goedgekeurd wordt (lex silencio positivo).

 

Termijnen voor het bestuur
In model 1, bip-bezwaar-bob bestaat er voor een besluit op aanvraag (art. 4:13 Awb) een redelijke termijn met een max van 8 weken. En met betrekking tot het besluit op bezwaar (7:10 Awb) 6 of 8 weken. In model 2, afdeling 3.4 (u.o.v) moet zo snel mogelijk beslist worden, in ieder geval binnen 6 maanden (3:18 Awb).

 

Gevolgen niet tijdig beslissen
Niet tijdig beslissen heeft zowel juridische als niet juridische gevolgen. De juridische gevolgen zijn natuurlijk het belangrijkst:

  • lex silencio positivo (H4 Awb)
  • wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (art. 4:17 en verder, 8:55b). Naast en tegelijk met de wet dwangsom kan je een beroep instellen tegen niet tijdig beslissen zodat er eventueel een rechtelijke dwangsom opgelegd kan worden (art. 6:2, 6:12 en 6:20 Awb).
  • compensatie bij schending redelijke termijn (art. 6 EVRM)

 

Tijdigheid en de burger
Voor de burger bestaat er een korte, fatale termijn voor bezwaar en beroep (Art. 6:7 - 6:9). Je bent na het verstrijken van de termijn niet ontvankelijk waardoor het besluit in rechte onaantastbaar wordt. Het besluit staat dan dus vast en kan niet meer aangetast worden door de burger. Eventueel kan het bestuursorgaan het nog wel aanpassen. De ratio achter deze korte fatale termijn is rechtszekerheid, het bestuursorgaan en belanghebbenden weten op deze manier wat er gaat gebeuren.

In recht onaantastbaar zijn noemt men ook wel formele rechtskracht van een besluit. Dit heeft te maken met de interne kant van het besluit. De eerste belanghebbende, de derde belanghebbenden, het bestuur en de rechter worden gebonden. De externe formele rechtskracht is ook bindend voor buitenstaanders.

 

Tijdigheid en de rechter
De rechter heeft het minst te maken met de strenge consequenties van termijnen, er is namelijk geen max. termijn voor de gehele procedure gegeven. Wel zijn er uitspraaktermijnen na de zitting (8:66) en soms is er een uitspraaktermijn na de indiening van een beroep/afloop beroepstermijn (8:55b, bijzondere wet (6.7 Wft, 89 Vw, 1.6 Chw))

 

Systeem voorprocedures
In beginsel is er geen rechtstreekse toegang tot de bestuursrechter. Er is dus een voorprocedure verplicht (8:1, 7:1 Awb). Het niet volgen van de voorprocedure snijdt dan ook de weg naar de rechter af (6:13 Awb).

Er is altijd maar één voorprocedure die je moet volgen. De bezwaarschriftprocedure is de standaardprocedure. Bezwaar maken is het vragen van een voorziening bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen (art. 1:5 lid 1 Awb). Soms is er in de wet een andere voorprocedure voorgeschreven (art. 7:1 Awb). Dit is bijvoorbeeld het geval als de uniforme openbare voorbereidingsprocedure is gevolg, administratief beroep openstaat, rechtstreeks beroep is toegestaan of bewaar is uitgesloten.

Openbare voorbereidingsprocedure (u.o.v) afd. 3.4 Awb.
Deze procedure is van toepassing als de wet het zegt. Art. 3:10 Awb: u.o.v. is van toepassing bij wettelijk voorschrift of bij besluit van bestuursorgaan. Deze procedure komt vaak voor als er veel tegengestelde belangen(hebbende) zijn. De beslissingstermijn is maximaal 6 maanden (art. 3:18 Awb). De Lex silencio positivo is niet van toepassing (art. 3:10 lid 4).

Het gaat bij de openbare voorbereidingsprocedure om de terinzagelegging van een ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken (art. 3:11 Awb). Het bestuursorgaan laat zien wat ze van plan zijn en de belanghebbenden kunnen laten weten wat ze er van vinden (art. 3:15 zienswijze). Zienswijze = reactie op het ontwerpbesluit die motivering bevat.

 

Administratief beroep
Dit is een voorziening bij een ander bestuursorgaan dan het besluit nemende orgaan (1:5 lid 2, 6:4 lid 2 Awb), vaak is dit een hoger orgaan. Je moet bij administratief beroep niet uitgaan van het belanghebbende begrip (geen vereiste), maar de bijzondere wet regelt het beroepsrecht, bijv. art. 7.61 WHW. In beginsel kan je naar de rechtbank (art. 8:5 lid 2, 7:1 lid 1 sub a Awb). De procedure is te vinden in afd. 7.3 Awb. De rechter toetst ex nunc, het gaat dus om de situatie op het moment dat het beroepsorgaan de beslissing neemt over jou beroep. Bij een gegrond beroep zal het administratief beroepsorgaan het besluit vernietigen en zelf een nieuw besluit nemen (7:25 Awb).

 

Rechtstreeks beroep
Wanneer is er sprake van de mogelijkheid dat je rechtstreeks naar de rechter gaat? Dit kan op verzoek van de bezwaarmaker: de indiener van het bezwaar kan in bezwaarschrift het verzoek doen tot het overslaan van de bezwaarprocedure (7:1a Awb). Toestemming van het bestuursorgaan is vereist. Er wordt geen toestemming gegeven indien er nog andere belanghebbenden zijn die bezwaar hebben gemaakt en geen verzoek tot rechtstreeks beroep gedaan hebben. Zij willen blijkbaar wel de bezwaarprocedure volgen. Toestemming kan wel verleend worden als de zaak geschikt is voor rechtstreeks beroep (discretionair).

De rechter heeft de mogelijkheid om te zeggen dat toch de bezwaarschrift procedure gevolgd moet worden wanneer bijvoorbeeld de feiten nog niet duidelijk zijn en het bestuursorgaan dit nog beter uit moet zoeken.

Tevens bestaat er rechtstreeks beroep bij niet tijdig beslissen/bekendmaken. Het gaat om de wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (art. 8:55b en verder, 6:2 sub b, 6:12, 4:20b en 7:1 lid 1 sub f Awb). Bij te laat beslissen of bekendmaken wordt er van rechtswege een besluit genomen (lex silencio positivo). Echter ingebrekestelling is noodzakelijk (procedureel element).

Daarnaast bestaat de Regeling rechtstreeks beroep opgenomen in bijlage 1 van de Awb (7:1 lid 1 sub g Awb). Er staat geen bezwaar open tegen besluiten op grond van de in de Bijlage genoemde regelingen. Je moet rechtstreeks naar de bevoegde bestuursrechter in deze gevallen. De ratio hierachter is de noodzaak om snel duidelijkheid te hebben.

 

Bezwaarschriftprocedure
De bezwaarschriftprocedure heeft vier functies. Allereerst gaat het om rechtsbescherming, een herkansing voor de burger en de interventie mogelijkheid voor derde belanghebbenden. Ten tweede is het verlengde besluitvorming (leerfunctie), een herkansing voor het bestuur wat tevens een kwaliteitsbewaking is. Ten derde heeft het een zeefwerking (filterfunctie), de toevloed naar de rechtspraak verminderd hierdoor. Tevens heeft het betrekking op geschilbeslechting door middel van mediation. Verantwoording en uitleg wordt gegeven. Ten vierde zorgt de bezwaarschriftprocedure voor verduidelijking, een verheldering van de feiten omdat het bestuursorgaan het dossier vormt en zo de relevante feiten voor de rechter selecteert.

De procedure start met een bezwaarschrift welke vormvrij is (wel schriftelijk). Het bezwaartermijn bedraagt 6 weken (6:7), hierbinnen moet dus bezwaar ingediend zijn. Het bevat gegevens van de bezwaarmaker en het besluit (art. 6:5 Awb) en bevat de gronden van bezwaar (6:5 lid 1 sub d) De gronden kunnen eventueel ook later aangevoerd worden, herstel van verzuim is dus mogelijk (6:6).

Afdeling 7.2 geeft de procedure. De hoorplicht van belanghebbenden staat centraal (art. 7:2) met als doel kijken waar het daadwerkelijk over gaat, de kern raken en heroverwegen. De antwoordkaartmethode is van toepassing (7:3 sub d) en houdt in dat als je niet reageert op een uitnodiging om te verschijnen op een hoorzitting er wordt aangenomen dat je er geen behoefte aan hebt. Wanneer horen geen doel meer dient hoeft er niet gehoord te worden (art. 7:3). Tevens hoeft er niet gehoord te worden bij een nieuwe bob na vernietiging.

Horen gebeurd door het bestuursorgaan zelf, vaak door ambtenaren (deze mogen niet betrokken zijn bij de bip 7:5 lid 1). Vaak wordt ook een externe adviescommissie ingesteld (7:13 lid 3). Er wordt altijd gehoord in elkaars aanwezigheid (art. 7:6) en het beslistermijn is geregeld in art. 7:10 Awb.

De bezwaarschriftprocedure is een volledige heroverweging. Er wordt dus niet getoetst aan de wet of getoetst aan rechtmatigheid. Er wordt juist helemaal opnieuw onderzoek gedaan en de relevante feiten moeten beoordeeld worden. Zowel rechtmatigheid als doelmatigheid moet in het oog worden gehouden. Het gaat altijd om het gehele besluit wat opnieuw bekeken wordt, ook de niet aangevochten delen (herkansing bestuur). De beoordeling is ex nunc en zo nodig wordt het besluit herroepen.

In geval van toetsing ex nunc geldt de actuele situatie (de dag waarop de bob is genomen) als beoordelingsmoment. De wijzigingen in de periode tussen de bip en bob moeten dus in acht worden genomen, tevens als nieuwe wetgeving, nieuw beleid en nieuwe feiten, art. 7:10 lid 1 Awb. Echter er bestaan wel uitzonderingen zoals peildata, bestuurlijke boete en de aard van de bevoegdheid.

Qua rechtsbescherming bestaat er een verbod op reformatio in peius (r.i.p.) dit houdt in dat je niet slechter mag worden van het instellen van een rechtsmiddel. Dit zou burgers tegenhouden om rechtsmiddelen aan te wenden. Echter is er geen verbod r.i.p. wanneer derden bezwaar hebben gemaakt met tegengesteld belang. Tevens is r.i.p. niet verboden als de verslechtering los van het bezwaar ook mogelijk is bijvoorbeeld het verlagen van subsidie (4:49 Awb).

 

College 3 Bestuursprocesrecht IIb - Procedures bij de bestuursrechter + beoordeling door de bestuursrechter

De gewone procedure bij de bestuursrechter wordt wel de bodemprocedure of hoofdzaak genoemd. Hoofdstuk 8 kijkt van de Awb regelt het procesrecht en geeft het basis model: Je dient een beroepschrift in, dan komt er onderzoek, vervolgens vooronderzoek waarbij de rechter op zoek gaat naar de feiten. Daarna onderzoek ter zitting waarna het eindigt met een uitspraak waar je vaak nog tegen in hoger beroep kan.
Van deze hoofdprocedure zijn het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting de belangrijkste componenten. Deze hebben ook een apart onderdeel gekregen in Hoofdstuk 8. Het idee is dat vooronderzoek plaatsvindt voordat het onderzoek bij de rechter plaatsvindt. Echter in de praktijk is dit aan het omdraaien en in de wijziging van de Awb gaat het woordje 'voor' geschrapt worden waardoor het 'vooronderzoek' zowel voor als na de zitting plaats kan vinden.

 

1. Vier uitzonderingen op de gewone (hoofd)procedure

Vereenvoudigde behandeling
Deze procedure is te vinden in afdeling 8.2.4 Awb, art. 8:54 en 8:55 Awb.
Er vindt geen zitting plaats en ook geen vooronderzoek. Er is namelijk sprake van een kennelijk-situatie (art. 8:54 lid 1), meteen na binnenkomst is duidelijk wat er met de zaak moet gebeuren. Bijvoorbeeld deze rechter is kennelijk onbevoegd omdat je bij de burgerlijke rechter moest zijn. Ook kan het zijn dat het beroep kennelijk niet ontvankelijk is omdat je te laat je beroep ingediend hebt of je griffierecht niet betaald hebt. De rechter doet de zaak vereenvoudigd af zonder aandacht te besteden aan het partijengeschil. Kennelijk wil zeggen dat je er eigenlijk niet over kan twijfelen, het moet om evidente situaties gaan. Als je je griffierechten niet tijdig betaald hebt en je bent het hier niet mee eens, kan je niet in beroep maar wel kan je verzet indienen. Geen hoger beroep kan dus ingesteld worden tegen een art. 8:54-uitspraak, maar wel verzet. Als je kan bewijzen dat je wel tijdig hebt betaald dan is het verzet gegrond. De eerst uitspraak vervalt en we beginnen opnieuw, er vindt alsnog gewone uitspraak plaats en hoger beroep is dan ook mogelijk. Hier wordt heel veel gebruik van gemaakt, in 25% van de zaken wordt deze procedure gebruikt.

 

Beroep tegen niet tijdig beslissen
Deze procedure is te vinden in afdeling 8.2.4A: art. 8:55b - 8:55f Awb. Het is een afwijking van de normale procedure en het bijzondere is dat er sprake is van rechtstreeks beroep en het bezwaar dus overgeslagen wordt. De artikelen 6:2, 6:12 en 6:20 zijn relevant.

 

Versnelde behandeling
In spoedeisende gevallen kan de bestuursrechter bepalen dat een procedure versnelt wordt gevoerd. Dan moeten beide partijen zich houden aan allerlei verkorte termijnen. Dit is geregeld in Afdeling 8.2.3 Awb. Volgens artikel 8:52 Awb gaat het om spoedeisendheid.
Echter de voorlopige voorziening is nog sneller, maar als er zaken zijn die zich niet lenen voor de voorzieningen rechter dan wordt de versnelde behandeling gebruikt.
Het is lastig is om te beoordelen of een zaak spoedeisend is. Een zaak is spoedeisend in geval van
-relatie voorlopige voorziening: belanghebbende zal naar verwachting nog 2 maanden te leven hebben.
-2e beroep na vernietiging: Als je al een keer bij de bestuursrechter bent geweest en je gelijk hebt gekregen waarna een nieuw besluit is genomen waar je het weer niet mee eens bent en je dus weer bij de rechter terechtkomt, dan moet die procedure heel snel behandeld worden anders blijf je bezig.
-crisis- en herstelwet art. 1.6. Hierin staat dat de procedure versneld moet worden gevoerd.
Echter deze procedure wordt in de praktijk niet vaak gevolgd.

 

Uitspraak zonder zitting
De normale procedure bestaat uit vooronderzoek en zitting. In sommige gevallen kan bepaald worden dat er wel een vooronderzoek plaatsvindt, maar geen zitting (artikel 8:57 Awb). Lid 1 stelt dat de uitspraak zonder zitting alleen mogelijk is als er toestemming is van de partijen. Lid 2 geeft een uitzondering op lid 1. Als een bestuurlijke lus is toegepast en een tussenuitspraak is gedaan dan zijn partijen al een keer op zitting geweest en kan de rechter zelf bepalen of er nog een zitting komt.

 

2. De gewone procedure
Wie zijn de spelers in het spel?
Dit zijn indieners van het beroepschrift ('eiser' in geval van de rechtbank, 'appellant' in geval van hoger beroep), het bestuursorgaan (verweerder), andere (derde) belanghebbenden, rechter(s), de griffier en soms getuigen, deskundigen, een tolk of vertaler.

Het kan ook voorkomen dat bestuursorganen tegen elkaar procederen bijvoorbeeld gemeente en provincie die het niet met elkaar eens zijn.
Derde belanghebbenden zijn volwaardig partij en worden uitgenodigd om mee te doen of meldig zich spontaan om mee te doen (art. 8:26 Awb). Zij mogen één keer een schriftelijk stuk indienen (art. 8:43 lid 2). Ze mogen niet de omvang van het geding bepalen, maar mogen wel een advocaat meenemen (niet verplicht). In 95% van de gevallen zal je bij één rechter terecht komen in de enkelvoudige kamer.
De Griffier helpt de rechter met het voorbereiden van de zaak en hij is op de zitting aanwezig. In het bestuursrecht wordt zelden een getuigen op de zitting gehoord, er wordt vaak een schriftelijke verklaring gebruikt.

 

De stappen in de procedure bij de bestuursrechter
Wanneer het beroepschrift binnenkomt wordt er gecheckt op de openbare orde aspecten zoals de bevoegdheid van deze bestuursrechter en de ontvankelijkheid van het beroep. Is dit allemaal in orde dan vindt er vooronderzoek plaats. Als dit klaar is wordt het vooronderzoek gesloten en begint het onderzoek ter zitting. Na de sluiting van de zitting ontvang je binnen 6 weken een schriftelijke uitspraak van de rechter. Ben je het hier niet mee eens dan kan je in hoger beroep en start de procedure min of meer opnieuw.

Vooronderzoek
De zaak begint wanneer het beroepschrift binnenkomt. De indiener bepaald waar de zaak over gaat door middel van het indienen van het beroepschrift. De eisende partij kan kiezen om het besluit integraal aan te vechten of juist een klein deel. Het bestuursorgaan krijgt via de bestuursrechter te horen dat er een beroepschrift ingediend is tegen een door hen genomen besluit. Vervolgens moet het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken (dossier) insturen plus een verweerschrift indienen art. 8:42 Awb. Als deze stukken binnenkomen dan kan de rechter aan het werk.
De mogelijkheden om het bezwaarschrift in te dienen zijn groot, je hebt niet zoals in het civielrecht een paar kansen. Repliek en dupliek is er als de rechter vraagt om een schriftelijke reactie op het standpunt van de tegenpartij art. 8:43 Awb.
Geheimhouding is geregeld in art. 8:29 + 8:32 Awb.

Hoe komt de rechter aan zijn informatie:
Stukken partijen
Inlichtingen vragen art. 8:43 + 8:45
Horen partijen / comparitie art. 8:44
Horen getuigen art. 8:46, tolk, 8:49
Inschakelen deskundigen art. 8:47
Onderzoek ter plaatse = descente art. 8:50, 8:51. Dit kan je als rechter zelf doen of laten doen door een auditeur of griffier.

 

De 'nieuwe' zaaksbehandeling
De afgelopen jaren is er een verschuiving van vooronderzoek naar naonderzoek. Tegenwoordig is het doel om na het indienen van het beroepschrift en een korte administratieve fase een zaak zo snel mogelijk op zitting te krijgen, regiezitting (binnen 3/4 maanden). Er wordt gevraagd wat er aan de hand is, waarna er gekeken wordt of de zaak afgedaan kan worden zonder juridisch oordeel. Kunnen partijen er onderling uitkomen al dan niet met gebruik van mediation. Dus een zaak afdoen onder regie van de rechter is het nieuwe model. De kernwoorden zijn rechtspraak op maat en finale geschilbeslechting.

Onderzoek op de zitting
Uit art. 8:56 Awb blijkt dat na afloop van het vooronderzoek partijen binnen drie weken bericht krijgen. Dit kan een uitnodiging of een oproeping (art. 8:59 Awb) zijn. In de uitnodiging staat welke rechtbank je moet zijn, hoe laat en hoelang het zal gaan duren (appointering: tijdstip, duur). Je ziet ook of je bij de enkel- of meervoudige kamer terechtkomt en welke rechter(s) en griffiers de zaak zullen behandelen.
Een dag voor de zitting kan de rechter aangeven welke vragen sowieso gesteld gaan worden, op deze manier weet de advocaat waar hij zich op moet richten.

Schorsing en heropening onderzoek
Als er meer tijd nodig is kan het onderzoek ter zitting geschorst worden (art. 8:64 Awb). Je kan op een later tijdstip doorgaan, verwijzing naar vooronderzoek als er nog een rapport nodig is over bepaalde feiten. Je komt pas weer terug op de zitting als het dossier is aangevuld. Pas daarna komt er een uitspraak.
Art. 8:68 Awb regelt de heropening van onderzoek. De rechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en zegt tegen partijen dat ze een uitspraak krijgen maar soms is er toch niet genoeg informatie om de zaak af te doen en kan het onderzoek heropent worden.
Terug naar de zitting of vooronderzoek

Functies van de zitting
Burgers komen naar de rechter met het idee dan zij goed uit kunnen leggen wat er aan de hand is. Partijen willen hun zegje doen. De rechter wil:

  • zaakdifferentiatie
  • oplossen, schikken, uitspraak
  • gaten dichten ten behoeve van de uitspraak
  • informatie over partijstandpunt
  • Rechter & regie:
  • finaliteit, lussen/tussenuitspraak (week 5)

Hoor en wederhoor
Balans op de zitting is heel belangrijk. Vaak gaat veel aandacht uit naar het bestuursorgaan, omdat het vaak gaat om klachten van het bestuursorgaan. Het gaat om procedural justice (procedure rechtvaardigheid) wat leidt tot acceptatie bij de partijen waardoor er minder hoger beroepszaken zullen komen. Een goede procesorde staat centraal

 

3. Uitspraken, dicta, openbare orde
Welke hoofduitspraken kent de Awb? Dit wordt geregeld in art. 8:70 Awb:
a. (on) bevoegdheid van de rechter. Onderscheid wordt gemaakt tussen absolute competentie (bestuursrechters gaan alleen over besluiten) en relatieve competentie (art. 8:7 Awb) van de rechter.
b. ontvankelijkheid van het beroep
c. en d. (on)gegrondverklaring beroep
a. en b. zijn bepalingen van openbare orde.

 

Er bestaat geen doorzendplicht van de bestuursrechter naar de civiele rechter. Art. 6:15 regelt wel de doorzendplicht in geval van het bestuursprocesrecht.

Ambtshalve toetsing aan regels van openbare orde.
Openbare orde wil in deze context zeggen dat bepaalde regels die de belangen van partijen overstijgen, door de rechter bewaakt worden. Zo zijn de bevoegdheid bestuursorgaan, bevoegdheid rechter en toegang tot de rechter van openbare orde.
Ook regelingen met betrekking tot ontvankelijkheid van beroep & voorfase zoals onder andere art. 4:6, 6:13, 6:19, 8:69 Awb zijn van openbare orde. Verder zijn de beginselen van behoorlijke rechtspleging van openbare orde en ook het verbod van reformatio in peius.

Niet van openbare orde zijn Europese rechtsregels, materiele rechtsregels (motiveringsplicht, overgangsrecht, beleidsregels), bepaalde procedurele regels (hoorplicht art. 7:2). Hier moet je dus zelf wel een beroep op doen. De rechter gaat dit niet ambtshalve checken.

 

Verbod van reformatio in peius
Dit verbod houdt in dat een partij als gevolg van bezwaar en beroep niet in een ongunstiger positie mag komen. Dit is inbegrepen in art. 7:11 en 8:69, lid 1 Awb.
Dit verbod geldt niet bij drie of meer partijen/ Tevens niet bij intrekking/wijziging tijdens bezwaar/beroep, indien los hiervan de bevoegdheid tot intrekking/wijziging bestaat (art. 6:19 Awb). Ook bestaan er wettelijke uitzonderingen zoals art. 19d, lid 7 Wet arbeid vreemdelingen.

 

4. Hoe komt de rechter tot zijn uitspraak?
De rechter zal de omvang van het rechtsgeding bepalen door het formuleren van beroepsgronden. De rechter doet uitspraak op grondslag van het beroepschrift (art. 8:69 lid 1). Het bestreden besluit vormt de buitengrens van het geding.

 

Ambtshalve aanvullen rechtsnormen
Als de rechter het omvang van het geding heeft vastgesteld dan moet hij de rechtsgronden ambtshalve aanvullen (art. 8:69 lid 2). De burger moet in gewoon Nederlands zijn klachten in kunnen stellen en de rechter moet dit vertalen naar juridische termen. De rechter moet wel actief vertalen maar niet meeprocederen.

 

5. Trechters
Er bestaan drie soorten trechters
1. grondentrechter
Het gaat om de vraag of je tijdens het proces de gronden/argumenten uit mag bereiden.
De grondentrechter is niet van toepassing tussen bezwaar en beroep. Alle bestuursrechters accepteren dat je in beroep bij de rechtbank aankomt met een ander argument dan dat je in bezwaar hebt aangevoerd. Ook geldt de grondentrechter niet tussen beroep en hoger beroep bij de CRvB. Wel tussen beroep en hoger beroep bij de ABRvS er wordt dan niet geaccepeteerd dat er in hoger beroep een argument wordt bijgezet.

2. besluitonderdelentrechter
Deze trechter is te vinden in art. 6:13 Awb. Dit artikel komt er op neer dat je niet naar de rechtbank mag als je de voorprocedure niet hebt doorlopen. Het gaat om het beginsel van de rijdende trein, je mag niet halverwege instappen. Dit leidt dus tot verplicht meedoen aan alle fasen.
Artikel 6:13 Awb bestaat uit twee regels. De Wie regel (te vinden in art. 6:13 Awb): wie mag er door naar de volgende ronde? Daarnaast bestaat de Wat-regel (niet te lezen in art. 6:13 Awb). Waarover mag de discussie nog gaan? Hier komt de besluitonderdelen-trechter om de hoek kijken. Bij besluitonderdelen trechter je op de vraag over welk stukje van de vraag er nog geprocedeerd mag worden.

3. bewijstrechter (week 4)

 

College 4 Bestuursprocesrecht IIb -Feiten en bewijs. Goede procesorden. Ex nunc en ex tunc

Het belang van feiten in de procesrechtelijke procedure
Als het gaat om het bestuursrecht en bestuursprocesrecht zijn feiten van het allergrootste belang.
 

Zoals we al eerder zagen is het bestuursprocesrecht aan het veranderen. Het is niet meer een bestuursproces waarin het handelen van het bestuur centraal staat, maar het is steeds meer richting partijenproces aan het gaan. Dit houdt in dat de partijen met de relevante feiten moeten komen en waarheidsvinding dus niet meer voorop staat. Deze tendens lijdt er ook toe dat de rechter terughoudender is bij het eigen feitenonderzoek. Als partijen afspreken dat dit de feiten zijn waar vanuit wordt gegaan, of ze nou waar zijn of niet, dan is dat het feitencomplex waar de rechter het mee moet doen. Hij gaat dan niet meer onderzoeken of het wel waar is wat er gebeurd is. Een probleem kan zich voordoen met betrekking tot de inzet van de rechter, er zijn namelijk geen kenbare criteria voor de inzet van onderzoeksinstrumenten door de rechter.

 

Aanvullen feiten door rechter
In art. 8:69 lid 3 staat dat de rechter de feiten aan kan vullen. Het gaat om een bevoegdheid, geen plicht dus de rechter zal niet snel de feiten aanvullen. Echter, wel in geval van openbare orde-aspecten want deze moet hij ambtshalve toetsen en dat kan hij alleen als hij voldoende informatie heeft over deze aspecten. Het gaat bijvoorbeeld om de vraag of iemand belanghebbende is. Ook in geval van twijfel zal de rechter wel eens feiten aanvullen. Hier zit ook een klein gedeelte ongelijkheidscompensatie in, tegenwicht tegen de macht en kennis van het bestuursorgaan zodat de positie van de appellant iets meer gelijk wordt aan die van het bestuursorgaan.

Het aanvullen van de rechtsgronden zoals beschreven in lid 2 moet de rechter doen. Dit is een vertaalslag naar de rechtsregels.

Feiten zijn in beginsel van partijen. De appellant wie beroep instelt moet met de feiten aankomen, de gronden in zijn beroepschrift (art. 6:5 Awb). Als hij later nog dingen wil aanvullen dan kan hij nog aanvullende stukken toesturen (art. 8:58 Awb). De verweerder zal een dossier in bezwaar hebben (art. 8:42 Awb), dit zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken. Nadien opgekomen feiten kunnen dus ook nog aangevuld worden (art. 8:58 Awb). De rechter heeft dus in het kader van het vooronderzoek feiten en hij kan die feiten ook vergaren en proberen vast te stellen door een zitting (oa art. 8:59 Awb, 8:63). Tot slot kunnen er nog derde belanghebbenden zijn die feiten naar voren kunnen brengen.

 

Aanvullingen/nadere stukken partijen
De rechter kan de feiten aanvullen, maar de partijen ook. Je moet komen met argumenten (gronden) waarom je vindt dat het besluit niet deugd, om die gronden te onderbouwen moet je met feiten komen. Het is ook mogelijk dat je, na afloop van het beroepstermijn, met aanvullende gronden komt. Er is gelegenheid tot herstel (art 6:6 Awb). Dit is toelaatbaar mits het in overeenstemming is met de goede procesorde. Je mag dus je beroepsgronden aanvullen, je kan dus een soort pro forma beroepschrift indienen om daarna de gronden aan te vullen. Als je vervolgens niet deze gronden aanvult en dus eigenlijke geen beroepsgronden hebt ingediend, dan wordt je niet ontvankelijk verklaard. Als je ze wel hebt aangevuld dan kan je later nog extra gronden aanvoeren gedurende de procedure.

Het kan ook zijn dat je je gronden al lang hebt aangevoerd, maar dat je daar nog nadere feiten over wilt overleggen, bijvoorbeeld bewijsstukken. Deze nadere stukken is een toelichting op jou beroepsgronden en helpen jou beroepsgronden te onderbouwen. Je kan dus bijvoorbeeld eerst met je klacht komen dat de luchtkwaliteit niet deugd en vervolgens kan je dan met een rapport komen ter onderbouwing. Met de nadere stukken mag je nog tot 10 dagen voor de zitting komen (art. 8:58 Awb), de rechter moet ze namelijk nog lezen. Er zijn echter wel afwegingen met betrekking tot de toelaatbaarheid bijvoorbeeld wanneer je de stukken wel op tijd indient, maar dat ze te omvangrijk zijn dus toch niet geaccepteerd worden. Daarnaast kan het ook zijn dat je te laat bent met het indienen maar dat dit niet verwijtbaar is omdat je bijvoorbeeld het stuk niet had en ook niet eerder in had kunnen dienen.

 

Goede procesorden
Het gaat om een afweging met betrekking tot de procesautonomie, kunnen we de zaak wel efficiënt afdoen als er steeds maar nieuwe stukken bijkomen. Daarnaast gaat het om de vraag of de gronden of stukken te laat zijn en of dit verwijtbaar is? Kan de wederpartij, gezien de tijd, hier nog op een zinvolle manier op reageren? Als er te weinig tijd is, is er strijd met de goede procesorde. Verder moet je kijken naar de processuele belangen van partijen over en weer. Hoe snel heeft de appellant bijvoorbeeld zijn beslissing nodig? De goede procesorde is maatwerk.

 

Feiten en bewijs
Je moet bewijs leveren van de feiten die je aanvoert. De rechter moet opheldering krijgen over de feiten, dit is het belangrijkste onderdeel van het proces.

 

Vrij-bewijsleer
Het bewijs is vrij, er is dus geen geschreven bewijsrecht in de Awb zoals in het straf- of civielrecht. Het bewijsrecht is rechtersrecht. Wel zijn er aanknopingspunten in de Awb met betrekking tot het bewijsdomein: binnen wiens terrein valt het bewijs.
De rechter is in beginsel vrij om onder andere: de bewijsomvang te bepalen, om te bepalen op wie de bewijslast rust, om te bepalen op wie het bewijsrisico rust, om zelf feitenonderzoek te doen en in zijn waardering van bewijs (wel of niet aannemelijk).
Omdat het rechtersrecht is is het niet altijd op voorhand duidelijk of je iets had moeten bewijzen of niet, dit lijdt tot verrassingsbeslissingen. Er wordt geen bewijsopdracht gegeven.

 

Rolverdeling
De rechter moet nagaan of de aangevoerde feiten voldoende onderbouwd zijn, hij moet toetsen. De partijen stellen de feiten en vervolgens schept de rechter helderheid over de betrokken feiten. Dan moeten de partijen spontaan komen met bewijs en eventueel nader bewijs aanbieden. De rechter vraagt dus opheldering en verdeelt de bewijslast door middel van bewijsopdrachten waarna de partijen vragen moeten beantwoorden en uitleg geven. Tot slot komt de rechter toe aan bewijswaardering: staat het feit voldoende vast?

 

Bewijsdomein, bewijslast, bewijsrisico
Bewijsdomein is dat je de plicht hebt om de feiten te stellen die binnen jou sfeer liggen. Die feiten moet jij stellen en vervolgens moet je in de besluitvormingsfase bewijs daarvan leveren. De bewijsregels worden eigenlijk afgeleid van de situatie van de fase in de besluitvorming. De bewijslast is afgeleid van het bewijsdomein. Wie bewijsdomein heeft moet bewijs leveren in beroep. Als je bewijslast hebt heb je ook het risico dat het niet lukt: bewijsrisico. Het gaat om de gevolgen van het niet slagen in bewijslevering.

 

Grondslag bewijslastverdeling
Bewijsdomein bestuursorgaan: Je begint bij art. 3:2 Awb: het bestuursorgaan vergaart kennis over relevante feiten en belangen. Zowel in geval van ambtshalve besluiten en besluiten op aanvraag. Deze onderzoeksplicht van het bestuur leidt tot bewijslast in beroep.
Het bewijsdomein van de burger heeft voornamelijk betrekking op aanvragen. De burger moet alle benodigde gegevens en bescheiden verschaffen (art. 4:2, lid 2 Awb.) Dit is dus de informatieplicht van de aanvrager wat ook direct lijdt tot de bewijslast in beroep.
Als een gehandicapte man een wajong uitkering aanvraagt moet hij dus aantonen dat hij voldoet aan de kwalificaties om voor de uitkering in aanmerking te komen.

Bewijslast kan ook geregeld worden in de bijzondere wet bijvoorbeeld art. 25 Awr. De inspecteur kan jou inkomen schatten en dan moet jij bewijzen dat zijn schatting niet klopt.

Hiernaast bestaan ook nog enkele vuistregels: de bewijslast rust op degene die zich op een uitzonderingsregel beroept. Je kan je beroepen op zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals een maagaandoening waardoor je geen gebruik kan maken van een maaltijdservice.
Bewijsvoeringslast rust op degene die in de beste positie verkeert de informatie te vergaren. Bijv art. 4:2 lid 2 Awb. waarin staat dat je alle informatie moet geven die je redelijkerwijs tot je beschikking kunt hebben of krijgen. Dit kan er toe leiden dat soms een bestuursorgaan iets moet bewijzen wat eigenlijk in het bewijsdomein van de appellant ligt.

 

Bewijsfuik
Het uitgangspunt is dat je van meet af aan met je bewijs op tafel komt. Burgers moeten bewijs dat binnen zijn bewijsdomein ligt dus al in de bestuurlijke voorfase aanvoeren. De ratio hierachter is de ex tunc rechtmatigheidstoets van de rechter. De rechter kijkt dus naar wat er allemaal bekent is op het moment dat het bestuursorgaan de beslissing op bezwaar neemt. Alleen de Afdeling bestuursrechtspraak paste vroeger deze fuik toe. Nu is art. 6:13 Awb van kracht en worden nieuwe beroepsgronden en nieuw bewijs toegelaten met betrekking tot aangevochten onderdelen van het besluit. De besluitonderdelen fuik is ook van toepassing, als je het onderdeel niet hebt aangevochten mag/hoef je het ook niet meer te bewijzen. De grondenfuik gaat niet op want we zitten nog niet tussen beroep en hoger beroep.

 

Bewijswaardering
Vindt de rechter dat het bewezen is of niet? In het bestuursrecht is het criterium dat een feit voldoende aannemelijk is geworden. Dit is dus niet zo'n hele hoge drempel als bijvoorbeeld in het strafrecht. De rechter acht zonder meer aannemelijk: (ambtsedig) proces-verbaal en deskundigenrapporten. Echter deze stukken kan je wel aanvechten. Daarnaast kan het ook zijn dat bewijs onrechtmatig verkregen is, bijvoorbeeld als iemand constant in de gaten wordt gehouden door de overheid om erachter te komen of ze daadwerkelijk wel alleen woont. Dit zou een ernstige schending van het recht opleveren zoals art. 8 EVRM. Het 'zozeer indruist' criterium wordt dit genoemd.

 

Samenvattend
Er bestaat geen bewijsrecht in de Awb, dit wordt de vrij-bewijsleer genoemd.
We moeten kijken naar de voorfase, eigenlijk de primaire fase van de besluitvorming. Wie moet wat voor informatie aanleveren? Daar wordt de bewijslastverdeling op gebaseerd. De bijzondere wet kan van toepassing zijn en bevat vaak bewijsregels, daarnaast bestaan er aanvullende vuistregels. De rechter is vrij in de bewijswaardering, de feiten moeten naar zijn mening aannemelijk zijn.

 

Toen en nu
Rechtmatigheidstoets 'ex tunc'

Wat was de situatie op het moment dat het bestuursorgaan de beslissing nam? Het gaat om de beoordeling naar 'toen'. De ratio hierachter is machtenscheiding. Dat de recher niet op basis van nieuwe feiten zelf een oordeel gaat vormen over wat er eigenlijk besloten had moeten worden. Hij mag niet mee gaan besturen.
Onder 'toen' vallen de feiten en het recht ten tijde van het bestreden besluit of de feiten en het recht ten tijde van de relevante peildatum/periode. Dit is de hoofdregel, maar het kan dat er omstandigheden veranderd zijn of nieuwe feiten, nieuw recht of een gewijzigd beleid van toepassing is. Dit kan niet meer meegeteld worden, er mag niet gekeken worden naar 'nova'. Hier zijn uitzonderingen op. Bijvoorbeeld in geval van een boete, dan zal de gunstigste regeling van toepassing zijn (lex mitior art. 5:46 Lid 4 Awb). De lagere boete moet toegepast worden.
Ook kan het zijn dat er nieuwe jurisprudentie is gekomen over de uitleg van een bepaald begrip na het besluit, deze nieuwe uitleg wordt dan meegerekend. Het gaat in geval van nieuwe jurisprudentie om nieuwe uitleg van oud recht, ''zo is het altijd bedoeld''.
Nieuw bewijs van oude feiten moet de rechter ook meenemen en ook 'gevolgfeit', dit zijn feiten die iets aantonen over de toestand ten tijde van het besluit zoals concreet zicht op legalisering.

Soms toets de rechter tot ex nunc als hij hier de opdracht van de wetgever toe krijgt. Bijvoorbeeld bij het vaststellen van de boete (art. 8:72a Awb) en artikel 83 Vw 2000.
Tevens kan er ex nunc getoetst worden na vernietiging: opdracht tot finale geschilbeslechting (zie week 5).

 

Tot slot
In geval van de rechtmatigheidstoets ex tunc moet je wel meenemen nieuwe uitleg van oud recht en nieuw bewijs van oude feiten. Er is sprake van toetsing ex nunc als de wetgever het zegt en eventueel na de vernietiging.
 

College 5 Bestuursprocesrecht IIb - Tendensen, uitspraakmodaliteiten en finaliteit

In 2004 heeft het kabinet opdracht gegeven om een groot gedeelte van de Awb te evalueren. Het ging om de vraag of het procesrecht doet wat het moet doen. Technisch werkt het goed, maar praktisch is er een groot gebrek aan tijdigheid (het duurt allemaal veel te lang) en een gebrek aan finaliteit (de rechter zegt zo moet het niet, doe het maar opnieuw). Daarnaast speelt subjectivering en digitalisering de laatste 10 jaar een rol.

 

Tendens: tijdigheid
De oorzaak van ontijdigheid zit niet bij één partij, maar zowel bij de burgers, advocaten, bestuursorganen en rechters. De procedure begint al met het vragen van uitstel omdat burgers vaak laat bij rechtshulpverleners aankloppen. Bij de bestuursorganen ligt het vaak aan capaciteitsgebreken door bezuinigingen. De bestuursorganen zouden tijdigheid kunnen verbeteren door de aanraaktijd (bijv. 60 uur die je nodig hebt om het dossier af te handelen) van dossiers hetzelfde te laten maar de doorwerktijd te versnellen. Zo zal er dus sprake zijn van tijdigheid.

 

Remedies tegen ontijdigheid
Dit kan op een niet juridische manier. Volgens sommige mensen heeft het te maken met het stellen van prioriteiten, zorg als manager dat je organisatie op orde is. Pak het aan het geef het prioriteit. Daarnaast bestaat een aanpak die in de provincie Flevoland wordt gebruik. Gelijk als een bezwaarschrift binnenkomt wordt de telefoon gepakt en de klager gebeld. Dit leidt ertoe dat 25% van de bezwaarschriften verdampt.
 

Er zijn ook juridische oplossingen voor ontijdigheid. Een mogelijkheid is het verkorten van het wettelijke termijn voor het bestuurorgaan om te beslissen. Als er niet tijdig wordt beslist wordt de bezwaarfase overgeslagen en kan je direct beroep instellen. Een nadeel is dat dit nog niet tot een beslissing leidt. Ook bestaat er een systeem van financiele prikkels zoals de wet dwangsom bij niet tijdig beslissen. Hier krijg je helaas ook niet sneller een uitspraak door.
 

Tevens bestaat de regeling van schadevergoeding voor de schending van de redelijke termijn. Als de redelijke termijn is overschreden dan krijg je €500 per zes maanden overschrijding. Dit leidt ook niet tot tijdiger besluiten. Het effect is dus avrechts.
Ook bestaan er materiele oplossingen. Als u niet tijdig beslist als bestuursorgaan, dan wordt de aanvrager geacht te beschikken over wat hij heeft aangevraagd. Dit is de Lex silencio positivo. Echter dit leidt ertoe dat belanghebbenden gaan klagen. Je voortkomt dus niet dat er procedures zijn, maar je legt de bal bij de andere helft die weer opkomen in een andere procedure. Je beinvloed het spel van de rechtsbescherming.

 

Tendens finaliteit
Het gaat om het gebrek aan finaliteit. De belangrijkste reden is dat de Awb uitgaat van het besluitbegrip: het bestuursorgaan neemt een besluit. Het enige wat je hiertegen kan doen is erop schieten door bezwaar of beroep in te stellen. Het is niet gericht op positief handelen om samen verder te komen maar op het vernietigingsberoep.

Bij finaliteit hoort ook de tendens van toetsing van het besluit (vroeger) naar materiele geschilbeslechting (nu). Er wordt tegenwoordig met de partijen gekeken of het geschil opgelost kan worden, zowel juridisch als niet-juridisch (materiele geschilbeslechting).

 

Tendens subjectivering
We kijken steeds minder naar de kwaliteit van het besluit, maar steeds meer naar wie er voor ons staat; is hij belanghebbende en beroep hij zich op spelregels die zijn geschreven ter bescherming van zijn belang. De rechter stelt de volgende vragen: welk onderdeel wilt u bespreken en waarom deugd dit volgens u niet (art. 8:69 lid 1 Awb)?

 

Twee artikelen maken het mogelijk dat de bestuursrechter gebreken in het besluit passeert (art. 6:22 Awb, art. 8:69a Awb).

 

Tendens digitalisering
We gaan van een papieren naar een digitaal proces. Zowel bij familierecht, faillisementen, bewindvoering en de e-kantonrechter. Er zijn twee programma's: digitalisering strafrechtketen 2016 en Kwaliteit en innovatie rechtspraak (KEI).

De beroepsgang van de bestuursrechter en de uitspraken die hij kan doen
De rechter kan een tussenuitspraak doen, dan is de beroepsgang bij de rechtbank nog niet afgelopen. De tussenuitspraak is er voor één speciale situatie, namelijk om het gebrek in het besluit te herstellen. Als de bestuursrechter het beroep beoordeeld en zegt dit besluit deugd niet, dan kan hij beslissen het terug te sturen naar het bestuursorgaan of beslissen te gaan 'lussen' en dus het bestuursorgaan de mogelijkheid geven het besluit te herstellen. In afdeling 8.2.2a is de bestuurlijke lus geregeld. In art. 8:51d staat dat de hoogste rechter de opdracht kan geven om het gebrek te herstellen. De artikelen 8:80a en 8:80b regelen de tussenuitspraak. Dus alleen in geval van de bestuurlijke lus kan je de tussenuitspraak gebruiken. De bestuursrechter gaat het bestuursorgaan niet inhoudelijk helpen maar geven wel aanwijzigingen om het besluit te herstellen. Dit kan bij de burgers het gevoel oproepen dat het bestuursorgaan wel geholpen wordt maar zijzelf niet.

 

Er bestaat een formele bestuurlijke lus (gebruik wordt gemaakt van de tussenuitspraak) en een informele lus (een afspraak op de zitting om het besluit te herstellen, er is dan geen tussenuitspraak nodig). De informele lus werkt voornamelijk bij kleine gebreken.

Daarnaast kan de rechter een einduitspraak doen. Dat is het geval als de rechtbank uitspraak doet (schriftelijk of mondeling) en op het beroep beslist. Vooral bij de rechtbank wordt het steeds populairder om op de zitting mondeling uitspraak te doen en daar een proces verbaal van op te maken. Dit is beter voor de begrijpelijkheid en de werkdruk.

 

De dicta
In art. 8:70 Awb is geregeld welke uitspraken de rechter kan doen (week 3)

  • bestuursrechter onbevoegd

  • beroep niet-ontvankelijk

  • beroep ongegrond

  • beroep gegrond
    Dit zijn de hoofddicta en in art. 8:72 Awb en verder zijn de nevendicta te vinden.
     

Toetsingsmodel bestuursrechter

  1. Allereerst wordt de bevoegdheid gecheckt (absoluut, relatief), de bestuursrechter kan onbevoegd zijn. De eerste toets is dus op absolute bevoegdheid, moet je dan bij de algemene of de bijzondere bestuursrechter zijn? Vervolgens kijk je of de rechtbank relatief bevoegd is (11 rechtbanken).

  2. Vervolgens ga je naar stap 2: ontvankelijkheid van het beroep. Hier valt van alles onder. De formele kant: gaat het wel om een Awb besluit, bent u wel belanghebbende, heeft u wel griffierechten betaald (art. 6:13)? Daarnaast bestaat de materiele kant, dat is het procesbelang, u moet wel een belang hebben om de rechter aan te zetten om een uitspraak te doen.

  3. Ten derde moeten er andere dingen gecheckt worden: de controle van de voorfase. De rechter kijkt naar de ontvankelijkheid van de voorfase, is het bestuursorgaan goed omgegaan met de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift. Dit is om rechtsongelijkheid te bestrijden.

  4. Als hier doorheen is gekomen dan komen we bij het partijenproces. Het partijenproces is geregeld in art. 8:69 Awb. In lid 1 staat de afbakening van de omvang van het geding. In lid 2 staat de aanvulling van de rechtsgronden door de rechter (plicht). Dit is de vertaling van de klacht naar een rechtsvraag. Als je de rechtsvraag weet, weet je welke feiten nodig zijn. Zitten de feiten nog niet in het dossier, dan kan de rechter het bewijs, de bewijslast en het bewijsdomein vaststellen. De rechter kan feiten aanvullen!

 

Toetsing beroepsgronden
De rechter toets de beroepsgronden, soms is dat er één, soms wel 40. Er zijn twee opties:

  • geen strijd met het recht -> beroep ongegrond

  • wel strijd met het recht, het besluit deugd niet -> beroep gegrond

 

Er moet worden beoordeeld of het gebrek kan/moet worden gepasseerd. Art. 6:22 Awb of de relativiteitseis (art. 8:69a Awb).

 

Artikel 6:22 Awb
Als een besluit is genomen in strijd met een rechtsregel dan kan de rechter dit gebrek passeren als belanghebbenden daardoor niet worden benadeeld. Dit is een zware vorm van subjectivering. Als je het niet kan passeren dan moet het besluit worden vernietigd. Als je het kan passeren dan blijft het besluit in stand, beroep ongegerond en heb je geen recht op schadevergoeding.

 

Relativiteitseis, 8:69a Awb
Dit artikel is ultieme subjectivering. Het is een verplichting van de rechter om te passeren. Een gebrek in een besluit leidt niet tot vernietiging indien de door de beroepsgrond ingeroepen norm/rechtsregel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van de belanghebbenden.

 

Toetsingsmodel, partijenproces
Stel, het gebrek in het besluit kan niet worden gepasseerd, je kan art 6:22 Awb niet toepassen en het stuit ook niet af op de relativiteitseis. Wat moet er dan gebeuren? Dan heb je een gegrond beroep, als het beroep gegrond is dan moet het besluit worden vernietigd, geheel of gedeeltelijk (art. 8:72 lid 1 Awb). De vernieting leidt ertoe dat de rechtsgevolgen van dat besluit geacht worden nooit bestaan te hebben. Werkt ten aanzien van een ieder (erga omnes). De feitelijke gevolgen (bijv. de gebouwde fabriek)blijven bestaan.

De bob wordt vernietigd en dan ben je terug in bezwaar waardoor het bestuur weer aan zet is voor het nemen van een nieuw besluit tenzij de rechter kan finaliseren.

Finaliteit, art. 8:41a Awb

De wetgever geeft opdracht (mission statement) aan de bestuursrechter. De bestuursrechter moet drie belangen dienen (binnen zijn paraplutaak om rechtsbescherming aan de burger te bieden).

  1. zo finaal mogelijk beslissen

  2. niet meer ingrijpen in bestuursbevoegdheid dan nodig

  3. snelle geschilbeslechting gaat voor trage

 

Rechtsgevolgen in stand laten
Art. 8:72, 3a Awb. Je vernietigd het besluit, maar de juiste beslissing (dictum) is wel genomen bijvoorbeeld weigering van een vergunning. Toepasbaar bij alle soorten gebreken. Vereisten:

  • bestuursorgaan houdt vast aan zijn besluit

  • bestuur heeft het gebrek getracht te repareren.

  • andere partijen hebben zich daarover kunnen uitlaten

  • beslissend is of het foute besluit inclusief herstel de rechtelijke toets kan doorstaan

 

Als het rechtgevolg niet in stand gelaten kan worden
Het rechtsgevolg kan alleen in stand worden gelaten als het dictum van het besluit juist was en er een ander gebrek herstelt is. Is dit niet het geval kan je dan zelf in de zaak voorzien als bestuursrechter? Art. 8:72, 3b Awb. Dat kan alleen onder bepaalde voorwaarden, als het valt onder het domein van de rechter (bijv. bestuurlijke boetes of schadevergoeding). Van doorslaggevende factor is of partijen er zelf om vragen, dan mag de rechter sneller zelf voorzien. De rechter mag niet op de stoel van het bestuur gaan zitten.

 

Finaliteit, art. 8:72 lid 4
Als finaliteit niet mogelijk is, dan besluit vernietigen en terug naar het bestuursorgaan. Daarbij kan je de opdracht geven een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de aanwijzingen van de rechter. Dit is een aangeklede opdracht, art. 8:72 lid 4 aanhef.

 

Overige nevendicta
De voorlopige voorziening van de rechtbank. De rechter kan het besluit vernietigen en zeggen tegen het bestuur dat ze een nieuw besluit moeten nemen en daarnaast bepalen dat ook het primaire besluit wordt geschorst. De schorsing is dan de voorlopige voorziening. Daarnaast kan de rechter een dwangsom opleggen als het bestuursorgaan niet een nieuw besluit neemt (art. 8:72 lid 6 Awb).

 

Bij een vernietiging horen ook de financiele nevendicta zoals griffierecht (art. 8:74 Awb), proceskosten (art. 8:75 Awb) en schadevergoeding.

 

Eisen aan de uitspraak zelf
Ook de uitspraak van de bestuursrechter moet aan eisen voldoen, zie art. 8:77 Awb.
Als de rechter zelf in de zaak voorziet, zelf de beslissing neemt die het bestuursorgaan had moeten nemen, dan moet hij zorgen dat hij de spelregels in acht neemt die ook voor het bestuursorgaan gelden (art. 8:80 Awb). Een uitspraak van de bestuursrechter levert geen executoriale titel op behalve bij veroordeling in geld (art. 8:76 Awb).

 

College 6 Bestuursprocesrecht IIb - Voorlopige voorziening, Hoger beroep en Brummen

Voorlopige voorziening
In hoofdstuk 6 staat dat bezwaar of beroep geen schorsende werking heeft (art 6:16 Awb). Dus als je het ergens niet mee eens bent en je wil ook niet dat het onmiddelijk wordt uitgevoerd, dan moet je daar een rechtsmiddel tegen instellen, de voorlopige voorziening.
Twee typen zaken: Het kan gaan om tegenhouden van een besluit, je wil niet dat een bepaald besluit wordt uitgevoerd. De eiser is dus tegen het genomen besluit en vraagt dan om schorsing van het besluit. Deze aanvraag is de voorlopige voorziening, dit is een negatieve voorziening. Daarnaast kan het gaan om een positieve voorziening. Je wil actie, bijvoorbeeld een invoervergunning. De eiser wil een positieve beslissing om alvast behandelt te worden alsof hij een vergunning heeft.

De artikelen 8:81 - 8:87 Awb zijn van toepassing op de voorlopige voorziening.
De voorlopige voorziening is altijd verbonden aan de hoofdprocedure bijvoorbeeld bezwaar, administratief beroep, beroep bij de rechtbank of hoger beroep. Dus geen los 'kort geding'. Je moet dus altijd een rechtsmiddel in hebben gesteld, pas dan kan je een voorlopige voorziening vragen, dit is procedurele connexiteit. Daarnaast bestaat de materiele connexiteit wat inhoudt dat de voorziening betrekking moet hebben op het bestreden besluit. Je kunt niet iets heel anders vorderen dan dat met het besluit te maken heeft.

Wanneer kan de verloopige voorziening worden uitgevoerd? Als er sprake is van onverwijlde spoed (fait accompli/tijdelijke maatregel) omdat je anders in enorme moeilijkheden komt of omdat er anders een onomkeerbare situatie ontstaat. Daarnaast moet gelet worden op de betrokken belangen en een inschatting gemaakt worden van de kansen in de bodemzaak. Er kan een voorlopig rechtmatigheidsoordeel plaatsvinden of een (tijdelijke) ordemaatregel. Als het te ingewikkeld is wordt er geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel gegeven.
Als de voorlopige voorziening is gegeven dan kan je vragen om opheffing of wijziging van de getroffen voorlopige voorziening. Het kan ook zijn dat tijdens de bezwaarprocesdure het geschilpunt is opgelost en de voorlopige voorziening niet meer nodig is waardoor er om opheffing wordt gevraagt.

Een ordemaatregel kan gebruikt worden als het gevolg van het besluit onomkeerbaar is bijvoorbeeld de kap van een boom.

 

Kortsluiting ex art. 8:86 Awb
Artikel 8:86 Awb is van toepassing indien er sprake is van een voorlopige voorziening tijdens (hoger) beroep en nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Het gaat hier om een bevoegdheid, de rechter kan. In geval van dit artikel is het in de praktijk zo dat als de rechter het kan, dat hij het ook doet. De kortsluiting is een soort hoofdregel geworden waardoor het uitspraak doen in de hoofdzaak 'kortsluiten' is. Geen kortsluiting van de voorlopige voorziening is mogelijk tijdens bezwaar of administratief beroep.

 

Hoger beroep
De hoofdregel is dat hoger beroep mogelijk moet zijn en wel in twee instanties. In geval van een uitzondering kan hoger beroep in één instantie mogelijk zijn, in de bijlage van de Awb staat in welke gevallen. In beginsel is er in het bestuursrecht geen cassatie.

De hoofdregel is dat je hoger beroep instelt bij de ABRvS (art. 8:105 Awb) tenzij hoger beroep bij een andere rechter openstaat. In hoofdstuk 4 van bijlage 2 van de Awb staat dat je bij de CRvB terecht kan in geval van sociale zekerheid en ambtenaren, bij het CBb in geval van economisch bestuursrecht en bij de hoven in geval van belastingen. Daarnaast bestaan er enkele afwijkende regelingen, bijvoorbeeld in geval van de wet Mulder, dan moet je naar de Rechtbank Leeuwarden.

 

Voor een nadelen verschillende hoogste rechters
Een voordeel is specialisatie, ze weten alles over één bepaald rechtsgebied. Procespartijen hebben dan het idee dat ze te maken hebben met iemand die er verstand van heeft. Een nadeel is de ondoorzichtigheid voor burgers. Een ander nadeel is het gebrek aan rechtseenheid omdat de verschillende rechters verschillend de Awb interpreteren bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

 

Doel hoger beroep
Het hoger beroep heeft als doel rechtseenheid, rechtsvorming (als er een nieuwe wet wordt geintroduceerd dan moet hier inhoud aan worden gegeven), controle op lagere rechtspraak (doen de lagere rechters het wel goed), herkansingsfunctie (opnieuw een tweede kans krijgen om het opnieuw te doen. Deze functies lopen allemaal door elkaar.

 

Functie en object hoger beroep
Bij de CRvB staat de herkansingsfunctie voorop, het gaat om een volledige herbeoordeling. Het object van hoger beroep bij de CRvB is het besluit. Er is echter bij de Centrale raad een verschuiving van de focus naar de uitspraak van de rechtbank. Bij de ABRvS gaat het om controle van de rechtspraak, de controlefunctie staat voorop. Het gaat om een retroperspectieve toets. Het object in hoger beroep bij de Afdeling is de uitspraak van de rechtbank.

Het gevolg van de benadering van de ABRvS is het versmallen van de procedure, een trechterfunctie. Je kunt in hoger beroep bij de Afdeling niet meer dan in eerste aanleg. Het herhalen van beroepsgronden in eerste aanleg is dus zinloos. Je moet aangeven waarom je het niet eens bent met de rechtbank. Er bestaat dus een trechter in hoger beroep ten aanzien van nieuwe gronden en bewijs. Je kunt dus niet met iets volledigs nieuws komen wat de rechter niet heeft gezien en niet heeft kunnen beoordelen. Het aanvullen van nadere argumentatie en feitelijke onderbouwing is wel toegestaan.
Het tweede gevolg van de benadering van de Afdeling is Brummen (zie hieronder voor uitleg)
Wat de afdeling ook doet is strikt kijken naar de hantering van goede procesorde. Je moet altijd met een goede reden komen waarom je laat bent met het aanvullen van gronden. Meteen als je hoger beroep instelt moet je alle stukken en argumenten op tafel leggen. De ambtshalve toepassing van regels van openbare orde doet de Afdeling wel.

 

Uitspraakbevoegdheden in hoger beroep
Art. 8:113 Awb valt uiteen in twee delen:
De uitspraak van de rechtbank is juist, dan bevestiging van de aangevallen uitspraak. Dit kan met overneming van de gronden, of met verbetering van de gronden.
De uitspraak van de rechtbank is niet juist, dan wordt het dictum/de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Geheel of gedeeltelijk.

 

Uitsluiting van hoger beroep (appelverbod)
Er zijn verschillende uitspraken waar je niet tegen in hoger beroep kan gaan, maar wel in tegen verzet. Dit is geregeld in art. 8:104 lid 2, het kan gaan om een:

  • uitspraak van de rechtbank bij vereenvoudigde afdoening (art. 8:54 Awb)
  • uitspraak van de rechtbank dat ten onrechte is ingestemd met rechtstreek beroep (art. 8:54a Awb)
  • voorlopige voorziening (zonder kortsluiting, art. 8:84 Awb) cq opheffing (art. 8:87 Awb)
  • tussenuitspraak van de rechtbank/bestuurlijke lus.

Het appelverbod kan echter wel worden doorbroken.

 

Na de vernietiging van de uitspraak van de rechtbank
Er bestaan twee gevolgen van vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit kan zijn terugwijzen, komt niet vaak voor (art. 8:115) of zelf de zaak afdoen (art. 8:116 Awb)
Hoofdregel: hogerberoepsrechter doet de zaak zelf af.

 

Hoger beroepsrechter doet de zaak zelf af
Dit wordt het devolutieve traject genoemd. De hogerberoepsrechter doet hetgeen de rechtbank zou behoren te doen (art. 8:113 lid 1). De hogerberoepsrechter heeft dan dezelfde bevoegdheden als de rechtbank zie H8 Awb art. 8:70, 8:72 - 8:75. Binnen de grenzen van het geding zoals getrokken in eerste aanleg (art. 8:69 lid 1 Awb).

 

Brummen
Wat doe je indien je niet volledig gelijk gekregen hebt bij de rechtbank? De rechtbank heeft jou beroep gegrond verklaard, maar is het met een aantal beroepsgronden niet eens en wijst deze af. Voorheen goldt de Amacitia lijn, er bestond keuzevrijheid met betrekking tot de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan. Tegenwoordig geldt de Brummenlijn, dit betekend het einde van de keuzevrijheid. Je moet wel in hoger beroep als de rechtbank bepaalde beroepsgronden heeft verworpen en je wil hier tegenin gaan. Als in de eerste uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gronden zijn verworpen en je bent niet in beroep gegaan dan heeft dat deel van de uitpsraak gezag van gewijsde en kan er niet meer vanaf geweken worden, iedereen moet zich er aan houden.

 

Afdoening door hoger beroepsrechter
2 stappentraject:
De ABRvS:
1. verklaart het hoger beroep gegrond
2. vernietigt de uitspraak van de rechtbank
Devolutief traject:
3. beoordeling beroep tegen bob (na de lus bij de rechtbank)

 

Kern Brummen
Rechtbank verwerpt een beroepsgrond of standpunt van het bestuur uitdrukkelijk en zonder voorbehoud. Uitdrukkelijk houdt in: uitspraak besteedt duidelijk aandacht aan het punt en verwerpt het. Zonder voorbehoudt houdt in dat de verwerping volledig is, zonder voorwaarde of beperking.

 

Gevolgen van Brummen
De juistheid van het oordeel van de rechtbank staat vast, tenzij hoger beroep wordt ingesteld. Dit geldt voor belanghebbenden/partijen, het bestuursorgaan, de rechtbank bij beroep tegen de tweede bob, de hoger beroepsrechter. Je kan wel incidenteel hoger beroep instellen, je kan hiermee het Brummen effect tegengaan.

Brummen geldt niet voor onbesproken beroepsgronden en ook niet voor beroepsgronden die onlosmakelijk samenhangen (zoals een beroep op landschap en daarnaast een beroep op cultuur historische waarde). Het gaat om hetzelfde, maar de wettelijke normering is anders. Daar kan de hogerberoepsrechter dus wel aankomen. Ook in geval van een ander geschil met dezelfde rechtsvraag en openbare orde aspecten geldt Brummen niet. Tevens niet in geval van ernstige schending van fundamentele rechtsbeginselen.

Dus, de Brummenlijn gaat over beroepsgronden of punten van verweer die de rechtbank uitdrukkelijk heeft verworpen. De juistheid van de verwerping staat vast als daartgen geen hoger beroep/incidenteel beroep wordt ingestelt.

 

Incidenteel hoger beroep (art. 8:110 Awb)
Dit is het spiegelbeeld van het hoger beroep. Er is al hoger beroep ingesteld en de andere partij in de procedure stelt ook hoger beroep in. Het doel van het incidenteel beroep is dan ook een tegenaanvalswapen. Het gaat om het voorkomen van de verslechtering van de positie indien hoger beroep slaagt. Het gaat om het bewerkstelligen van een (nog) gunstiger positie dan na de uitspraak van de rechtbank.

 

Judiciele lus
De judiciele lus is alleen van toepassing in hoger beroep en is geregeld in art. 8:113 lid 2 Awb. Het wordt ook wel sprongberoep genoemd, je slaat de rechtbank over. De judiciele lus kan alleen worden toegepast na vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de bob in hoger beroep. Het dictum luidt dan: het bestuursorgaan moet een nieuwe beslissing nemen (art. 8:72 lid 4). Beroep tegen dat nieuwe besluit moet worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter, met overslaan van beroep bij de rechtbank.

 

Technisch college 1 Bestuursprocesrecht IIb - Bevoegdheid van bestuursrechters

Het gaat om de vraag of je überhaupt wel in beroep kan gaan. En als je in beroep kan, bij welke rechter dan?

Normale procedure
Als eerste wordt er een besluit in primo (BIP) genomen, bijvoorbeeld met betrekking tot het verlenen van een bouwvergunning of het opgelegd krijgen van een dwangsom. Vervolgens kan jijzelf of een belanghebbende bezwaar indienen en volgt het besluit op bezwaar (BOB). Als iemand het niet eens is met de BOB dan kan je beroep instellen bij de rechtbank en daarna eventueel in hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Op deze procedure zijn vele variaties mogelijk, in sommige gevallen kan je in hoger beroep bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven of Centrale Raad van beroep. Er zijn dus verschillende hoogste bestuursrechters, dit is historisch zo gegroeid. Tevens heeft dit te maken met specialisatie, iedere hoger beroepsrechter is op een eigen terrein gespecialiseerd. Zo houdt de Centrale Raad van beroep zich voornamelijk bezig met sociale zaken en het College van Beroep van het B edrijfsleven houdt zich bezig met financiële en economische zaken.
Het nadeel van drie hoogste bestuursrechters is dat er onderling verschillende opvattingen bestaan en er dus verschillende/niet eenduidige jurisprudentie ontstaat.

 

Bijlagen bij de Awb
De Awb heeft twee bijlagen. Bijlage 1 geeft de regeling met betrekking tot rechtstreeks beroep. Bijlage 2 geeft de bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak en bestaat uit vier hoofdstukken. De hoofdregel met betrekking tot hoger beroep houdt in dat je beroep in moet stellen bij de afdeling bestuursrechtspraak, in hoofdstuk 4 van bijlage 2 staan de uitzonderingen.

 

Stap 1: beroep mogelijk
Voordat je beroep in mag stellen moet je eerst bezwaar instellen. Alleen als je beroep in kan stellen mag je bezwaar maken (art. 7:1 Awb). Je moet dus eerst art. 8:1 Awb nagaan om te kijken of er sprake is van een besluit en belanghebbende waartegen beroep ingesteld mag worden. De artikelen 1:6, 6:3 en 8:3 - 8:4 Awb geven gevallen waarin geen beroep mogelijk is. In deze gevallen staat wel beroep open bij de burgerlijkerechter.
Indien beroep mogelijk is, volgt de vraag bij welke bestuursrechter dat mogelijk is.

 

Bevoegdheid bestuursrechter in eerste aanleg
De hoofdregel is geregeld in art. 8:6 Awb en luidt: beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank. Hier is wel een 'tenzij' aan verbonden: tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Het is dan de bedoeling dat je in bijlage 2 van de Awb gaat kijken.

Als je bij de rechtbank terecht kan kijk je welke rechtbank bevoegd is op basis van art. 8:7 Awb, dit is de relatieve competentie. In lid 1 en 2 wordt er onderscheid gemaakt tussen decentrale en centrale organen. In geval van een besluit van een bestuursorgaan van een provincie/gemeente (decentraal), in geval van een besluit van een ander bestuursorgaan (centraal/staat).

 

Stap 2: dient eerst bezwaar gemaakt te worden?
Als je geen beroep ik kan stellen kan je ook geen bezwaar maken. Dus kan je beroep in stellen dan moet je kijken of je wel bezwaar in kan stellen art. 7:1 Awb. Geen beroep is mogelijk a. wanneer het besluit in bezwaar of in administratief beroep is genomen (blijkt uit de bijzondere wet). b. het besluit aan goedkeuring is onderworpen (blijkt ook uit bijzondere wet). c. het besluit een goedkeuring of een weigering daarvan inhoudt (blijkt ook uit bijzondere wet)
d. het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4. Dit komt vaak voor en blijkt uit bijzondere wet of uit het besluit (zie art. 3:10 Awb). g. het besluit is genomen op grond van een voorschrift als genoemd in de bij deze wet behorende Regeling rechtstreeks beroep (bijlage 1) dan wel het besluit anderszins in die regeling is omschreven. Punt e en f komen niet vaak voor, dit zijn aparte gevallen.

 

Stap 3: is hoger beroep mogelijk?
Art. 8:104 is leidend in de vraag of beroep mogelijk is tegen een uitspraak van de rechtbank. De vermelding onder lid 1 a betreft de gewone doorsnee uitspraak van de rechtbank (art. 8:66). De vermelding onder lid 1 b betreft de spoedprocedure.
In art. 8:104 Awb zijn ook de uitzonderingen geregeld. Uit lid 2 blijkt dat geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen onder meer:

  • uitspraak zonder zitting als bedoel in art. 8:54 Awb
  • uitspraak na verzet (8:55)
  • uitspraak in voorlopige voorziening
     

Als hoger beroep mogelijk is dan reist de vraag: bij welke rechter?
Uit art. 8:105 Awb blijkt de hoofdregel dat hoger beroep wordt ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tenzij een andere hogerberoepsrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 4 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, dus kijk in bijlage 2 van de Awb.

De doorzendplicht is van kracht als bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde bestuursrechter. Er moet dan zo spoedig mogelijk worden doorgezonden aan het bevoegde orgaan (art. 6:15).
Daarnaast bestaat de rechtsmiddelenclausule waarin vermeld staat waar en binnen welk termijn er rechtsmiddelen aangewend kunnen worden (art. 3:45, art. 6:23).

Wanneer het in sommige gevallen toch niet duidelijk is welke rechter bevoegd is dan is er sprake van competentiegeschillen tussen rechters en beslist de Afdeling wie de bevoegde rechter is (art. 8:9). De Hoge Raad kan dit op grond van art. 77 wet RO ook beslissen.

 

Technisch college 2 Bestuursprocesrecht IIb - Termijnen

Wanneer is bezwaar te laat?
Om deze vraag te beantwoorden is het van belang om te bepalen wanneer het termijn begint. Volgens art. 6:8 Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 'Bekendmaking' is een technische term en wordt uiteengezet in art. 3:41 en 3:42 lid 2 Awb. De bekendmaking is gekoppeld aan het type besluit. art. 3:41 geldt voor de persoonsgerichte beschikkingen en art. 3:42 geldt voor andere type besluiten (zaaksgerichte beschikking of BAS). Bestuursorganen kunnen dus de vorm van bekendmaking niet kiezen.

Als er zowel bekendgemaakt is via toezending (art. 3:41) als via publicatie in een huis-aan-huisblad (art. 3:42), dan moet je kijken naar het type besluit om te bepalen wanneer het termijn gaat lopen. Dus in geval van een persoonsgerichte beschikking: als bekendmaking (door toezending/uitreiking) op 11 augustus 2011 plaatsvindt dan begint het termijn te lopen op vrijdag 12 augustus 2011 (art. 6:8 Awb).

 

Lengte termijn
Art. 6:7 Awb geeft de lengte van het termijn: 6 weken. In de bijzondere wet (wet in formele zin) kunnen echter andere termijnen gegeven worden.

 

Tijdigheid
Art. 6:9 Awb gaat over tijdigheid: indien het bezwaar- of beroepschrift voor het einde van de termijn is ontvangen is het tijdig ingediend. Lid 2 geeft en langere termijn met betrekking tot de tijdigheid in geval er verzonden wordt per post. Art. 15 Postwet 2009 is van toepassing op het begrip post. Er worden in dit artikel kwaliteitseisen gesteld aan het universele postvervoerbedrijf, Post NL dus. De versoepeling van lid 2 met betrekking tot verzending van post geldt dus alleen als je Post NL gebruikt.

 

Hoe bewijs je wanneer iets tijdig per post is bezorgd in de zin van art. 6:9 lid 2 Awb?
Regel: als iets binnenkomt de eerste of tweede werkdag na de laatste dag van de bezwaar- of beroepstermijn dan wordt geacht tijdig ter post te zijn verzonden.

 

Verschoonbare termijnoverschrijding
Dit is geregeld in art. 6:11 Awb maar wordt niet snel aangenomen want zou een inbreuk kunnen opleveren op de rechtszekerheid. Mensen die een vergunning hebben gekregen willen zekerheid met betrekking tot de vraag of ze mogen gaan bouwen. Dus als de meeste termijnoverschrijdingen verschoonbaar zouden zijn, zou de rechtszekerheid aangetast worden omdat het dan mogelijk is dat na een halfjaar iemand opeens nog bezwaar in gaat dienen zodat de vergunning alsnog van tafel wordt geveegd. Art. 6:11 Awb wordt dus streng en terughoudend door de rechter toegepast.

Er is geen sprake van verschoonbaarheid in geval van vakantie, ziekte (tenzij acute operatie), ingrijpende gebeurtenissen of een foute gemachtigde.

Wel is er sprake van verschoonbaarheid in geval van een verkeerde rechtsmiddelenclausule (er staat je moet binnen 8 weken bezwaar maken, maar in werkelijkheid had dit 6 weken moeten zijn). Ook in geval van het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule is er sprake van verschoonbaarheid. Echter geldt dit niet als men een advocaat als gemachtigde heeft. Tevens kan het zo zijn dat men niet op de hoogte van het besluit was, terwijl dat niet verwijtbaar is (wist het niet en kon het ook niet weten). Ook in geval dat een verzonden besluit nooit of te laat aangekomen is kan er sprake zijn van verschoonbaarheid.

 

Twee weken termijn
Als men te laat op de hoogte raakt van een besluit om tijdig bezwaar te maken, maar dit is verschoonbaar dan geldt niet dat de oorspronkelijke lange termijn gaat lopen, maar een verkort termijn van twee weken.

 

Bewijsproblemen bij ontkenning ontvangst besluit
Het besluit is verzonden, maar dit betekent niet dat het ook aangekomen is. Het bestuursorgaan moet aannemelijk maken dat het besluit verzonden is. Bijvoorbeeld als het uit de interne verzend administratie blijkt. Jij moet zelf aannemelijk maken dat je het niet ontvangen hebt. Dit is heel moeilijk.

 

Bewijsproblemen rond verzenden van bezwaarschrift
Aangezien de bewijslast ligt bij de burger, moet je altijd aangetekend verzenden!

 

Technisch college 3 Bestuursprocesrecht IIb - Art. 6:19 Awb

Art. 6:19 Awb is een heel technisch artikel.

 

Van toetsing naar geschilbeslechting
Van toetsing naar geschilbeslechting is de richting waarin het bestuursprocesrecht zich over de tijd beweegt. De richting die de Awb nu in gaat; geschilbeslechting en subjectivering was aanvankelijk niet voorzien. Voor de invoering van de Awb was de handhaving van het objectieve recht de primaire functie van het bestuursprocesrecht. Binnen die functie had je het toetsingsmodel. De rechter kreeg een besluit voor zich en voerde een rechtmatigheidstoets uit. De rechter was actief in het zoeken naar de materiele waarheid. Voor de verschillende soorten besluiten bestonden er verschillende bestuursprocesrechten, dit leidde ertoe dat er wel 5 hoofd procesrechten waren en 20 kleinere verschillende soorten bestuursprocesrecht. Op deze manier was procederen in het bestuursrecht erg ingewikkeld.

Toen begin jaren 90 de Awb werd ingevoerd kwan hier verandering in. Het uniforme bestuursprocesrecht is vrij snel tot stand gekomen. Iedereen was het er mee eens dat er geen Reformatio in Peius meer zou moeten bestaan. Men wilde niet meer dat de rechter een besluit vernietigde waardoor die persoon slechter af was door het instellen van zijn beroep. Iedereen was het dus eens met art. 8:69 lid 1 Awb. Je kan dit artikel zien als een soort scharnierpunt tussen het oude en het nieuwe bestuursprocesrecht. Aanvankelijke was niet helemaal duidelijk wat het artikel zou inhouden.

In art.7:2 Awb is de hoorplicht in bezwaar geregeld, dit is een dwingend materieel rechtelijke bepaling en heel essentieel voor de burger.
Als de rechter ambtshalve aan art. 7:2 toetst dan treedt hij buiten de omvang van het geschil zoals bepaald in art. 8:69 lid 1 Awb. Op degene die in beroep wil gaan rust dus een plicht om zorgvuldig zijn gronden een te voeren, De oude situatie waarin de rechter degene in beroep een beetje helpt bestaat niet meer. Het wordt hierdoor steeds moeilijker om in grote zaken te procederen zonder advocaat. Geschilbeslechting is de nieuwe functie van het bestuursprocesrecht waarbij het zoeken naar de materiele waarheid achterwege wordt gelaten.

 

Nieuwe zaaksbehandeling
Rechters proberen een geschil zo snel mogelijk op zitting te krijgen en op een meer informele manier te kijken wat het geschil is waarna ze het geschil eerst zonder juridische procedure proberen op te lossen. Art. 8:69 Awb zou aan deze aanpak in de weg kunnen staan.

 

Wat te doen als...
Er is een besluit genomen, je bent het er niet mee eens dus je maakt er bezwaar tegen. Ook hier ben je het niet mee eens, je stelt beroep in. Terwijl je beroep in stelt neemt een bestuursorgaan een nieuw besluit. Mag het bestuursorgaan een nieuw besluit nemen waarin voorwaarden worden aangescherpt?
Als een nieuw besluit wordt genomen dan wordt het oude besluit ingetrokken en ontvalt het bestreden besluit waar dat beroep betrekking op had.
Om dit probleem op te lossen is art. 6:19 Awb opgericht. Dit is sinds 1 januari 2013 een samenvoeging van art. 6:18 en 6:19 Awb.

Lid 1: het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
Van rechtswege wordt het nieuwe besluit betrokken bij de procedure. De belanghebbende hoeft niet opnieuw bezwaar te maken of beroep in te stellen ten behoeve van de rechtsbescherming.
Het gaat in lid 1 om de intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit. Intrekking houdt in dat de boete die je hebt gekregen van tafel verdwijnt. In geval van wijzing zal de hoogte van de boete gewijzigd worden. Vervanging kan een nieuw besluit met een andere wijzigingsgrond zijn, maar vervanging heeft ook betrekking op besluiten die na vernietiging van de bob worden genomen. Dus de nieuwe bob na de uitspraak van de rechter of als het gaat om de bestuurlijke lus in het kader van een tussenuitspraak.
Echter partijen moeten wel voldoende belang hebben bij voortzetting van de procedure. Als het nieuwe besluit geheel aan de belangen van de belanghebbende tegemoet komt dan zal het beroep niet ontvankelijk worden verklaard door de rechter. Dan is er geen procesbelang meer en stopt de procedure.

Lid 2 biedt een oplossing voor het geval dat een nieuw besluit wordt genomen voordat het bezwaar of beroepstermijn is verlopen.
Lid 3 en lid 4 hebben betrekking op de communicatie. Van het nieuwe besluit wordt door het bestuursorgaan onverwijld mededeling gedaan (lid 3). Als tegen een nieuw besluit bij de verkeerde bezwaar of beroep is ingesteld dan moet dat worden doorgezonden (lid 4).
Als het nieuwe besluit in een latere fase van de procedure wordt meegenomen kan er sprake zijn van verlies van instantie dan kan de rechter terugverwijzen naar de bezwaarfase. Of als er bijvoorbeeld een wijzing van de feiten is en nieuw feitenonderzoek moet worden gedaan, dan kan de rechter terugverwijzen naar een lagere instantie.
Lid 6 regelt dat vernietiging van de intrekking, vervanging of wijziging van een bestreden besluit mogelijk is. Een belanghebbende kan dit lid gebruiken als hij een oordeel van de rechter wil over de onrechtmatigheid van het besluit in verband met schade vergoeding.

 

Voorwaarden toepassing art. 6:19 Awb

  • beslissing moet een besluit zijn. Het moet enerzijds niet een heel ander besluit zijn want dan moeten mensen daar weer apart bezwaar of beroep tegen instellen. Maar het moet ik niet zo'n kleine wijziging zijn dat die wijziging wordt meegenomen in de lopende procedure.
  • voldoende samenhang. Als het nieuwe besluit ook over een uitkering gaat voor het zelfde persoon maar voor een ander tijdsvak dan is er sprake van een ander besluit. Er is wel duidelijke samenhang als het om hetzelfde feitencomplex gaat maar er andere artikelen ook blijken te zijn overtreden.
  • besluit van zelfde bestuursorgaan. Is het besluit genomen door een ander bestuursorgaan dan gaat art. 6:19 niet op.

Het nieuwe besluit mag wel reformatio in peuis inhouden. Het verbod geldt niet voor nieuwe besluiten, het is geen voorwaarde voor het betrekken van het nieuwe besluit in de procedure.

Art. 6:19 Awb is van toepassing op het hoger beroep via de schakelbepaling art. 6:24 Awb.

 

Toepassing bij bestuurlijke lus
Via de bestuurlijke lus (week 5) kunnen bestuursorganen een gebrek in een besluit herstellen en in een tussenuitspraak van een rechter krijgen ze daartoe een opdracht. Soms is dat herstel een aanpassing van het oorspronkelijke besluit en wordt er geen nieuw besluit genomen. Soms wordt er wel een nieuw besluit genomen en geldt dit als vervanging van het oude besluit en geldt art. 6:19 Awb en is het nieuwe besluit onderdeel van die procedure.

 

Technisch college 4 Bestuursprocesrecht IIb - Wat betrekt de rechter allemaal bij zijn uitspraak?

Je maakt bezwaar bij het bestuursorgaan, het bestuursorgaan heroverweegt het besluit en dan krijg je een nieuwe beslissing. Er zijn weinig formaliteiten te vinden in afdeling 7.2 van de Awb.

 

Ambtshalve toetsing aan regels van openbare orde
Stel, een beroep komt binnen bij een rechter. Eerst gaat hij kijken om welk besluit het gaat, dit is de buitengrens. Vervolgens gaat hij over op ambtshalve toetsing aan regels van openbare orde. Onder openbare orde valt onder andere bevoegdheid, ontvankelijkheid (art. 6:13 Awb: wie en wat) en de overige regels die van belang zijn van de rechtsorde. Bijvoorbeeld nieuwe besluiten (art. 6:10 Awb), of beroep tegen afwijzing van herhaalde aanvraag (art. 4:6 Awb). De rechter toetst niet ambtshalve aan art. 6:19 Awb, hij past het alleen toe.

De volgende stap is de afbakening/bepaling van het geschil aan de hand van de in het beroepschrift aangevoerde gronden. De subjectivering van het bestuursprocesrecht is te zien in art. 8:69 lid 1 Awb. We gebruiken soms zowel gronden als argumenten als synoniemen. Gronden en argumenten kunnen betrekking hebben op feiten & recht.

Van belang is om te bepalen welke feiten, welk beleid en welk recht voor de toetsing en de beslissing relevant zijn. Dat wil zeggen dat je kijkt welke feiten en welk recht gelden op welk moment. Het bestuursorgaan beslist ex nunc. Het beoordelingsmoment is de situatie ten tijde van de bob. De ratio hierachter is de herkansingsfunctie.
Bij het nemen van de bob moeten de nieuwe feiten en nieuwe wetgeving in acht worden genomen maar eigenlijk is er altijd sprake van overgangsrecht waardoor veel problemen voorkomen worden. Er zijn echter wel uitzonderingen op de ex nunc-regel zoals peildata, tijdvakken, bestuurlijke boete, aard van de bevoegdheid. Volgens Verheij geldt dus eigenlijk voor het relevante tijdstip in bezwaar hetzelfde criterium als bij de bip.

De rechter toets ex tunc. De rechter controleert op het bestuursorgaan de juiste beslissing heeft genomen. Vanwege het toetsen heb je het tijdstip van ex tunc want het beoordelingsmoment is de situatie zoals relevant voor het bestuursorgaan ten tijde van de bob. De ratio is machtenscheiding. Binnen de ex tunc-toetsing valt de nieuwe jurisprudentie, nieuw bewijs en 'gevolgfeiten'. Een gevolgfeit toont iets aan over de toestand ten tijde van het besluit. Er kan sprake zijn van ex nunc toetsing door de rechter wanneer dit een opdracht is van de wetgever of in geval van toepassing van art. 8:72 lid 3b.

 

Nieuwe gronden
De omvang van het geding is bekend, de rechter weet aan welke feiten en rechten hij moet toetsen. Wanneer mag je met nieuwe gronden komen of nader bewijs? Er bestaat geen grondenrechter, er staat dus nergens dat het verboden is om na de beroepstermijn nieuwe gronden in te dienen. Nieuwe gronden kunnen in ieder geval worden aangevoerd binnen de (verlengde, art. 6:6) beroepstermijn. Echter nieuwe gronden mogen geen betrekking hebben op onderdelen van het besluit die in het beroep niet aan de orde zijn (het 'wat-aspect' van art. 6:13 Awb). Door middel van het aanvoeren van gronden mag je niet de omvang van het geschil veranderen. Je mag zowel nieuwe of nadere gronden aanvoeren. Nieuwe gronden zijn echter wel problematischer omdat je soms dan ook nieuw bewijs in moet voeren. De grens met betrekking tot de aanvoering is de goede procesorde.

 

Goede procesorde
De ratio achter de goede procesorde is het verdedigingsbeginsel en efficiënte procesvoering. Het verdedigingsbeginsel houdt in dat de termijnen zolang moeten zijn dat de wederpartij moet kunnen reageren op wat er is aangeleverd. Of iets nog bij de procedure betrokken mag worden hangt af van: overwegingen van proceseconomie, de mogelijkheid van hoor en wederhoor, redenen van tardieve indiening en processuele belangen van partijen eventueel schorsing van het onderzoek ter zitting art. 8:64 Awb.

Art. 8:58 Awb is een codificering van het aspect van de goede procesorde. Het gaat om nadere stukken. Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen. Onder nadere stukken wordt verstaan stukken ter nadere toelichting van de aangedragen beroepsgronden. Deze tien dagen is geen aspect van openbare orde, maar een 'termijn van orde' waardoor er van afgeweken mag worden.

 

Nieuw bewijs
Nieuw bewijs van voor de toetsing van relevante feiten is toegestaan. Het moet wel gaan om bewijs dat betrekking heeft op aangevochten onderdelen van het besluit (onderdelentrechter). Bij nieuw bewijs is dus een vraag naar het toetsingsmoment belangrijk. De grens is hierbij de goede procesorde.

 

Overzicht
Beantwoord eerst de volgende vragen:

  • om welk besluit gaat het?

  • toetsing aan de regels van openbare orde

  • wat is de omvang van het geschil? (8:69 lid 1)

  • wat zijn de relevante feiten en regels in het kader van de ex tunc-toetsing?

Vervolgens:

  • is er sprake van nieuwe gronden?

  • is er sprake van nadere stukken (8:58 awb)

  • is er sprake van nieuw bewijs?

  • verzet de goede procesorde zich tegen de betrekking van nieuwe gronden, nadere stukken of nieuw bewijs in het geschil?

 

Technisch college 5 Bestuursprocesrecht IIb - art. 6:22 en art. 8:69a: Het passeren van vormgebreken en het relativiteitsvereiste

De termen die steeds terugkomen deze week zijn tijdigheid, finaliteit en subjectivering (van toetsing van de rechtmatigheid van de rechter (vroeger) naar geschilbeslechting (nu)).
 

De Awb gaat uit van het besluitbegrip, art. 1:3 lid 1 Awb. Op grond van art. 6:13 Awb is het niet toegestaan dat wanneer je tegen een onderdeel van een besluit bezwaar maakt, dat je dan nog tegen een ander onderdeel beroep instelt. Je moet in beroep gaan tegen hetzelfde onderdeel als waar je bezwaar tegen hebt gemaakt. Dit duidt dus op een versmalling. Art. 8:69, lid 1 Awb: de omvang van het geschil wordt in principe bepaald door de gronden die de partijen tegen het onderdeel van het besluit aanvoeren. Dit duidt dus ook op een versmalling. Op deze manier kan er gemakkelijker finaal beslecht worden. De rechter controleert minder de rechtmatigheid van een besluit in het algemeen. Art. 8:69a Awb brengt nog een versmalling aan. De rechter kijkt alleen naar de gronden die betrekking hebben op rechtsnormen die te maken hebben met de feitelijke belangen waarom mensen in beroep gaan. Volgens art. 6:22 Awb mag de rechter voorbijgaan aan bepaalde onrechtmatigheden als belanghebbenden hier niet door zijn geschaad (passeren). Op deze manier kan het geschil zo snel mogelijk definitief worden opgelost.

 

Relativiteitseis in het burgerlijk recht
Zowel in art. 6:162 BW en art. 6:163 BW is de relativiteitseis te vinden. 'Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat wanneer de geschonden norm niet strekt tot beschering tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden' (art. 6:163 BW).
Sinds 2013 heeft de Awb ook een relativiteitsvereiste. Art. 8:69a Awb: de bestuursrechter vernietigt een besluit niet op grond dat het in strijd is met een geschreven en ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

 

Invoering van het relativiteitsvereiste
Bij de invoering van de Awb is het relativiteitsvereiste bewust niet ingevoerd, het paste toen niet in de Awb want er was nog weinig subjectiviteit. Er kwam onderzoek naar aanleiding van de Tweede Evaluatie van de Awb waarna er verdeel advies in een rapport aan de MvJ werd gestuurd. Het relativiteitsvereiste wordt opgenomen in de Crisis en Herstelwet (art. 1.9) in 2010. Op 1 januari 2013 kwam het relativiteitsvereist met de Wab in de Awb waarmee art. 1.9 Chw verviel. Echter het relativiteitsvereiste is niet van toepassing in bezwaar en is ook geen ontvankelijkheidstoets. Het is dus niet zo dat bij de toetsing van ontvankelijkheid (kijken of je belanghebbende bent) gekeken wordt of je normen aanvoert die strekken ter bescherming van jou belangen. Dat systeem heb je wel in Duistland, maar hier in NL geldt voor de ontvankelijkheid het belanghebbende begrip.

 

Argumenten voor en tegen art. 8:69a Awb
Voorstanders:

  • vergroot snelheid en effectiviteit van het bestuursprocesrecht
  • maakt een einde aan 'misbruik' en daarmee van de slechte reputatie van het bestuursprocesrecht
  • past in de functie van individuele rechtsbescherming
  • onderscheid bestuursprocesrecht en civiel procesrecht verkleind

Tegenstanders:

  • efficientiewinst zal tegenvallen vanwege onduidelijkeheid over het beschermingsbereik van bestuursrechtelijke normen
  • strijdigheid met het Europese en internationale recht
  • burgers hoeven niet te accepteren dat hun belangen worden geschaad door een niet in alle opzichten rechtmatig besluit
  • het relativieitsvereiste beperkt de rechtbescherming
  • eenvoud van het bestuursprocesrecht (verder) aangetast
     

Uitspraak Elzenbos Brummen:
Er dient een verband te bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke of acherliggende reden om een besluit in rechte aan te vechten.

 

Uitspraak Tuibrug:
Hoever strekt het beschermingsbereik van een norm. Kunnen appellanten nog wel een beroep doen op normen die de natuur beschermen? Hier is één manier voor: via art. 1:2 lid 3 Awb dus via rechtspersonen, een stichting die opkomt voor de natuur (moet blijken uit de statuten en feitelijke werkzaamheden).
In casu: belangen van de appellant bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving zijn zo verweven met die algemene belangen, dat niet kan worden geoordeel dat de betrokken normen van de NBw kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Er is sprake van verweven belangen wanneer je dicht bij het natuurgebied woont, het natuurgebied moet onderdeel uitmaken van je natuurlijke leefomgeving. In dat geval kan je dus wel een beroep doen op de normen die de natuur beschermen.

 

Uitspraak Gemeentehuis Zeist:
De normen van de Monumentenwet strekken niet tot de bescherming van commerciele belangen (verhuur van een pand) van Omega.
Voor de inroepbaarheid van formele beginselen van behoorlijk bestuur is het beschermingsbereik van de onderliggende materiele norm bepalend (moeder-dochternormen). In dit geval dus van de Monumentenwet welke commerciele belangen niet beschermt.

 

Art. 8:69a Awb in strijd met Habitatrichtlijn?
Tegenstanders van het relativiteitsvereiste voerde aan dat er stijd zou zijn met Europese regelgeving zoals de Habitatrichtlijn. Dit blijkt niet het geval, effectuering van de Habitatrichtlijn blijft mogelijk doordat rechtspersonen die voor de algmene belangen van de natuurwaarden opkomen een beroep kunnen doen.

 

Art. 6:22 oud
Voorheen was art. 6:22 van toepassing als er sprake was van een vormvoorschrift, bijv de totstandkoming van een besluit. Een vormvoorschrift kon worden gepasseerd als belanghebbenden daardoor niet werden benadeeld. Het nieuwe art. 6:22 Awb heeft het bereik uitgebreid. In geval van een fout in geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtbeginsel mag gepasseerd worden als belanghebbenden niet benadeeld worden.

 

Door deze nieuwe bepaling is het onderscheid met art. 8:72 lid 3 sub a niet zo groot meer:
Art. 6:22 Awb

  • dictum: beroep ongegrond
  • vergoeding griffierecht mogelijk (8:74 lid 2), vergoeding proceskosten (8:75)
  • geen schadevergoeding mogelijk (titel 8.4)
     

Art. 8:72 lid 3 sub a Awb

  • dictum: beroep gegrond, vernietiging van het bestreden besluit (8:72 lid 1) en in stand lating van de rechtgevolgen (8:72 lid 3a)
  • vergoeding griffierecht (8:74 lid 1), proceskosten (8:75)
  • schadevergoeding mogelijk (titel 8.4)

 

Verhouding art. 6:22 en art. 8:69a Awb
Art. 6:22 Awb
1. in bezwaar en (hoger) beroep
2. alle potentiele belanghebbenden
3. feitelijke toets
4. bevoegdheid van bestuur en bestuursrechter

Art. 8:69a Awb
1. alleen in (hoger) beroep
2. deze belanghebbende (partij)
3. normatieve toets
4. verplichting bestuursrechter

 

Technisch college 6 Bestuursprocesrecht IIb - Het dictum

Het dictum laat zien hoe het eind van de rechterlijke uitspraak eruit ziet. In het dictum is te zien wat er allemaal beslist is. In dit college wordt een zaak uit 2004 behandelt.

Het gaat om een zaak waarin het bestuursorgaan weigert een besluit te nemen omtrent het toekennen van een huisnummer (21 oktober 2004). Op 14 juni 2005 herroept het bestuursorgaan de bip, maar weigert nog steeds een huisnummer toe te kennen. Op 7 december 2006 verklaart de rechtbank zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen omdat het belsuit van 14 juni 2005 volgens de rechtbank een bip is en geen bob. Vervolgens stelt de appellant op 18 januari 2007 hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank. Op 27 april 2007 neemt het bestuursorgaan een nieuwe bob in verband met de uitspraak van de rechtbank. Op 28 augustus 2007 volgt de uitpsraak van de ABRvS.

Dictum:

ZIE BIJLAGE
 

Eerste fase
De eerste fase van het dictum gaat over de afdoening van het hoger beroep.
Onder het eerste punt van het dictum wordt het hoger beroep gegrond verklaart (art. 8:108 jo 8:70d Awb), de afdeling heeft namelijk vastgesteld dat de rechtbank een fout heeft gemaakt. (de handeling van 21 oktober 2004 was al een bip en die van 14 juni was de bob). Bij punt twee vernietigt de afdeling dan ook de uitspraak van de rechtbank (art. 8:113 Awb).

 

Tweede fase
Het gaat hier om 'doende wat de rechtbank behoorde te doen'. De hogerberoepsrechter kan zo de taken overnemen van de beroepsrechter/rechtbank en bijvoorbeeld beslissen op het beroep. De bevoegdheid ontleent de hogerberoepsrechter aan art. 8:113 Awb.
Bij punt drie van het dictum verklaart de hogerberoepsrechter het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond (art. 8:116 jo 8:113 jo 8:70d Awb). Bij punt vier vernietigt de hogerberoepsrechter het besluit van het dagelijks bestuur van het standsdeel Oud Zuid van de gemeente Amsterdam van 14 juni 2005 (art. 8:116 jo 8:113 jo 8:72 lid 1 Awb).

De hoofdregel is geregelt in art. 8:113 Awb, de hogerberoepsrechter doet de zaak zelf af. Echter art. 8:115 geeft gevallen waarin wel terugverwezen moet worden naar de rechtbank zoals onder lid 1 a waarbij de rechtbank zichzelf onbevoegd heeft verklaard of de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken. Art. 8:116 geeft weer een uitzondering op art. 8:115 Awb. In bijzondere gevallen waarin terugverwijzing toch niet nodig is kan de hogerberoepsrechter wel weer zelf afdoen.

*art. 8:108 is de schakelbepaling die je nodig hebt om gebruik te maken van de bepalingen uit titel 8.2 zoals art. 8:70 Awb en verder.

Aangezien er al een bob genomen was op 14 juni, is het besluit (de 'nieuw bob') van het bestuursorgaan van 27 april overbodig en dus zonder grondslag genomen. In punt vijf van het dictum vernietigt de Afdeling dan ook het besluit van het bestuursorgaan van 27 april 2007 (art. 6:19 lid 1 jo 6:24 jo 8:72 lid 1 Awb).

 

Definitieve geschilbeslechting mogelijk?
De rechter mag de beoordelings- en beleidsruimte van het bestuursorgaan niet doorkruisen. Als ze de rechtsgevolgen in stand laten of zelf in de zaak voorzien moeten ze niet iets doen waardoor ze het bestuursorgaan een legitieme keuze ontnemen om iets anders te doen. Dus in het geval waarin duidelijk is wat het bestuursorgaan gaat beslissen kan de rechter finaal beslechten.

In deze zaak is er in de Apv bepaalt dat het college een nummer toekent aan een verblijfsobject. Als er dus eenmaal vastgesteld is dat sprake is van een verblijfsobject, dan is er geen beleids- of beoordelingsvrijheid meer voor het college, het huisnummer moet toegekent worden, dus is definitieve geschilbeslechting mogelijk.

Het komt er dus op neer dat de hogerberoepsrechter, doende wat de rechtbank hoorde te doen, gaat doen wat het bestuursorgaan eigenlijk had moeten doen.

Onder punt zes van het dictum wordt een nieuwe bob genomen, de hogerberoepsrechter herroept het besluit van het dagelijks bestuur van 21 oktober (art. 8:116 jo 8:113 jo 8:72 derde lid onder b jo 7:11 tweede lid Awb).
Onder punt 7 wordt een besluit genomen door de hogerberoepsrechter in plaats van het bestuursorgaan. De hogerberoepsrechter kent met terugwerkende kracht tot 14 juni 2005 aan het verblijfsobject op de eerste verdieping een huisnummer toe (art. 8:116 jo 8:113 jo 8:72 lid 3 onder b jo 8:11 lid 2 Awb jo 8.15 en 8.13 Apv Amsterdam).
Punt 8 is eigenlijk maar een formaliteit: de hogerberoepsrechter bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 14 juni 2005.


Werkgroep 1 Bestuursprocesrecht IIb

Deze week gaat het over het stelsel van rechtsbescherming en de bevoegdheid van de bestuursrechter. Er bestaan meerdere bijzondere bestuursrechters. De hoofdregel is dat beroep in gesteld kan worden bij de rechtbank (absolute competentie, art. 8:6 Awb). De uitzonderingen zijn te vinden in hoofdstuk 2 van bijlage 2 van de Awb, Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.

Vuistregels met betrekking tot hogere bestuursrechters:
De centrale raad van beroep buigt zich voornamelijk over ambtenarenzaken en sociale zekerheid. Het College van beroep voor bedrijfsleven gaat over economisch en financieel bestuursrecht. Het Gerechtshof oordeelt over belastingzaken.
Blijkens art. 8:105 Awb wordt hoger beroep in beginsel ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hoofdstuk 4 van bijlage 2 van de Awb geeft uitzonderingen op deze hoofdregel.

 

Rechtsgang
Wanneer een vergunning verleend wordt om bijvoorbeeld met een woonboot een ligplaats in te nemen, wordt dit het besluit in primo (bip) genoemd. Wanneer vervolgens eerstebelanghebbenden of derdebelanghebbenden bezwaar indienen moet er op dit bezwaar een beslissing op bezwaar (bob) komen. Wanneer het bezwaar ongegrond verklaard wordt kan beroep ingesteld worden bij de bestuursrechter. Als vervolgens de bob vernietigd wordt door de bestuursrechter zal het betreffende bestuursorgaan een nieuwe bob moeten nemen art. 8:72 lid 4 Awb.
Het bestreden besluit wordt dus vernietigd, in dit geval is dat dus de bob, dit betekend dat de bip blijft bestaan en de ligplaats gebruikt mag blijven worden. De bip is namelijk niet aangetast.

 

Werkgroep 2 Bestuursprocesrecht IIb

Termijnen
Het termijn voor het indienen van bezwaar- of beroepschrift is erg streng. Voor het indienen geldt een termijn van 6 weken (art. 6:7 Awb). Is het bezwaar- of beroepschrift niet tijdig ingediend dan zul je niet ontvankelijk worden verklaard waardoor het besluit in rechte onaantastbaar wordt. Je gebruikt art. 6:11 Awb als uit de casus blijkt dat er mogelijkheid is tot verschoning bijvoorbeeld als je in coma bent geraakt of er iets anders ernstigs is gebeurd waardoor je niet tijdig bezwaar of beroep in hebt kunnen stellen. Echter met het oog op de rechtszekerheid wordt een verschoonbare termijnoverschrijding niet snel aangenomen.

Art. 6:9 Awb geeft de ontvangsttheorie. In beginsel is er tijdig ingediend indien voor het einde van de termijn het bezwaar- of beroepschrift is ontvangen. Op grond van art. 6:9 lid 2 bestaat er een ontsnappingsmogelijkheid (verzendtheorie).; indien er gebruik wordt gemaakt van de reguliere postbezorging (Post NL) is er tijdig ingediend mits het bezwaar- of beroepschrift niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Art. 3:41 Awb heeft betrekking op de manier van bekendmaking van een persoonsgerichte beschikking. Art. 3:42 Awb heeft betrekking op zaaksgericht beschikkingen en besluiten van algemene strekking. Deze twee artikelen zijn van belang met betrekking tot de ontvangst zoals geregeld in art. 6:9 Awb.

 

Heroverwegen
Art. 7:11 heeft betrekking op de heroverweging van besluiten. Je kan je bezwaar beperken tot een onderdeel van het besluit, dit vloeit voort uit 'op grondslag daarvan' (lid 1). Het bestuursorgaan mag alleen reageren op datgene waar bezwaar tegen is gemaakt. In lid 1 wordt ook het verbod op Reformation in peuis gelezen, je mag door het instellen van een rechtsmiddel niet slechter worden. Er is geen sprake van reformatio in peius als sprake is van een weigering en dit ook zo blijft.
Er is sprake van een volledige heroverweging binnen de grenzen van datgene waar bezwaar tegen is gemaakt.
Uit het woord heroverweging (art. 7:11 lid 1) blijkt dat er ex nunc beoordeeld moet worden, de actuele situatie (dag waarop bob genomen is) geldt als beoordelingsmoment.

Lid 1 van art. 7:11 Awb geeft aan dat je altijd moet heroverwegen. Je komt niet aan lid 2 met betrekking tot herroeping toe als de burgemeester zegt dat hij precies hetzelfde besluit zal nemen als de ambtenaar die niet juist gemandateerd is. Dan kan de burgemeester zeggen dat hij het besluit in stand laat. Als de burgemeester zegt dat het besluit te streng was (ander dictum) of anders had moeten luiden, bijvoorbeeld dat er geen bestuursdwangbeschikking gegeven had mogen worden, dan ga je naar lid 2.

Lid 2: herroepen doe je pas als het genomen besluit niet klopt, als je een andere afwijzingsgrond gebruikt zal er dus geen sprake zijn van herroeping.
Herroepen heeft het zelfde effect als vernietiging.

 

Werkgroep 3 Bestuursprocesrecht IIb

Vorige week hebben we art. 7:11 Awb behandeld. Als de heroverweging heeft plaatsgevonden, lijdt de heroverweging dan tot een herroeping van het bip? Niet iedere heroverweging hoeft tot een herroeping te leiden. Wanneer wordt herroepen volgt er dan een nieuw besluit? Het nieuwe besluit is nooit een bip! Je kan in beroep en niet in bezwaar. Besluiten in primo worden nooit vernietigd! Ze kunnen alleen herroepen worden.
Deze week gaat het over art. 8:69 Awb
Art. 8:69 lid 1 Awb is als het ware het art. 7:11 lid 1 Awb van de rechter.
In beroep kijkt de rechter in beginsel naar dat wat daadwerkelijk is aangevoerd. Is iets niet aangevoerd, dan gaat de rechter er niet naar kijken. Lid 2 heeft betrekking op het aanvullen van de rechtsgronden door de rechter. Dit betekend dat de rechter de aangevoerde gronden vertaalt naar de betreffende artikelen. Dit mag alleen in het kader van datgene wat daadwerkelijk is aangevoerd (lid1).

Een uitzondering hierop zijn de regels van openbare orde. De rechter moet regels van openbare orde altijd toetsen en ook handhaven.
Onder openbare orde vallen onder andere:

  • bevoegdheidskwesties: is de rechter zelf bevoegd, is het bestuursorgaan bevoegd om het besluit te nemen, was het wel een besluit?
  • niet-ontvankelijkheids kwesties: was de belanghebbende te laat, heeft hij wel griffierechten betaald, was hij wel belanghebbende?

De rechter toets dit dus ambtshalve, ook als er niet om gevraagt wordt.
Openbare orde kwesties gaan voor het Reformation in Peius principe. Je kan in geval van openbare orde kwesties dus wel nadeliger uitkomen door het instellen van een rechtsmiddel.

Art. 8:70 jo art. 8:72 Awb kan gezien worden als het 7:11 lid 2 Awb van de rechter.
Art. 8:70 sub a gaat over de onbevoegdveklaring van de bestuursrechter. Dit doet zich voor in het geval dat je bij de verkeerder rechter bent of dat besluit niet voor beroep vatbaar is. Sub b; niet ontvankelijkheidsverklaring van het beroep doet zich voor in geval van belanghebbenden problematiek. Zo kan het zijn dat iemand geen belanghebbende is, te laat is of geen griffiekosten heeft betaald.

Art. 8:72 lid 3 is finalegeschilbeslechting. Kan de rechter finaal beslechten? beantwoord dit aan de hand van de volgende vragen:
*Weet de rechter hoe de bob had moeten luiden (hoe wilde het bestuursorgaan zijn beleidsvrijheid invullen)?
*Luidt de juiste bob hetzelfde of anders dan de oude bob? Luidt hij hetzeflde, dan kom je terecht bij art. 8:72 lid 3 a.

Pas als lid 3 niet van toepassing is mag je doorgaan naar lid 4 van art. 8:72 Awb. Lid 4 is geen finale geschilbeslechting, er wordt teruggestuurd naar het bestuursorgaan om het opnieuw te doen.

 

Werkgroep 4 Bestuursprocesrecht IIb

Op het tentamen is het van belang dat je de vragen met betrekking tot bezwaar en beroep systematisch uitwerkt. Kijk altijd eerst of er sprake is van een aanvraag van bijvoorbeeld een vergunning. Vervolgens beschrijft je kort wat de bip inhoudt. Beschrijf daarna het bezwaar en het gevolg. Wordt er beroep ingediend, beschrijf dan wat er in beroep wordt aangevoerd en werk dit verder uit. Beantwoord vervolgens de vraag.

 

Voorbeeld aan de hand van werkgroep opdracht 1
Geen aanvraag: Herman vraagt geen vergunning of iets dergelijks aan.

BIP: De burgemeester besluit tot sluiten van de kroeg vanwege de bedrijfsvoering en levensgedrag van Herman wat een gevaar voor de openbare orde vormt.

Bezwaar: Herman maakt bezwaar -> ongegrond verklaard door de burgemeester -> BIP blijft in stand (kroeg blijft nog steeds gesloten).

Beroep: Herman gaat in beroep en stelt ter zitting voor zijn getuige te horen.
Mag de rechter aan dit verzoek voldoen?

  1. Art. 8:60 lid 4: Een week voor de dag van de zitting moet aan de bestuursrechter en aan de andere partijen mededeling gedaan zijn met betrekking tot het meebrengen van getuigen. Herman komt er op de zitting pas mee, dit is dus te laat.

  2. Is het een bepaling van openbare orde of niet? Het is geen bepaling van openbare orde. Onder de openbare orde vallen bevoegdheidskwesties en niet-ontvankelijkheids kwesties.

  3. Mag getuige alsnog worden gehoord? Er is niet aan art. 8:60 lid 4 voldaan, maar art. 8:60 Awb is niet van openbare orde. Dat betekent dat er aan de hand van de goede procesorde beslist wordt wat er moet gebeuren. De rechter kijkt dus of de goede procesorde zich ertegen verzet of de getuige gehoord mag worden.

Ex nunc en ex tunc
Het bestuursorgaan beslist ex nunc en de rechter toetst ex tunc.
Het bestuursorgaan kijkt naar welke feiten en welk recht geldt op het moment dat de bob genomen wordt. Alles wat voor de bob gebeurd is wordt meegenomen in de beoordeling, alles wat erna gebeurt niet.

 

De rechtbankt kijkt naar alles vóór/ten tijde van de bob, maar ook naar nieuw bewijs van oude feiten. Als het gaat om nieuw bewijs, van oude feiten en de rechtbank betrekt dit bewijs bij de beoordeling van het beroep, dan is er geen strijd met de ex-tunc toetsing.
 

Werkgroep 5 Bestuursprocesrecht IIb

Art. 6:22 heeft betrekking op het passeren door de rechter van schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. Dit artikel wordt eigenlijk alleen toegepast in geval van beroep. Aspecten van openbare orde mogen niet worden gepasseerd. Ook wanneer aannemelijk is dat er een ander besluit uit kan komen mag art. 6:22 Awb niet gebruikt worden.
Uit de jurisprudentie is gebleken dat er soms in geval van openbare orde gebreken toch gepasseerd mag worden, het moet dan gaan om lichte mandaatgebreken.

 

Stappen
Er is een gebrek in de bob
1. Mag art. 6:22 Awb gebruikt worden?

Zo ja, dan mag er gepasseerd worden en zal het dictum luiden: beroep ongegrond art. 8:70 c Awb

Als niet gepasseerd mag worden, bijvoorbeeld in geval van aspecten van openbare orde, dan is het beroep gegrond art 8:70 d Awb. Je gaat door naar stap 2.

2. Kan er finaal beslecht worden op grond van art. 8:72 lid 3 Awb?
a. is duidelijk hoe de bob na terugsturen zou luiden? zo ja, dan moet je art. 8:72 lid 3 toepassen.

  • Als het gebrek in de bob van openbare orde is dan weet je hoe de juiste bob moet luiden. Er is maar één uitkomst op de beslissing op bezwaar in geval van openbare orde gebreken.
  • Ook in geval van boetes zal je weten hoe de juiste bob moet luiden.
  • In geval van beslissingsruimte of -vrijheid die al is ingevuld is duidelijk wat het bestuursorgaan zal gaan doen. Bijvoorbeeld de bestuurlijke lus.

b. Heeft de juiste bob dezelfde uitkomst als de vernietigde bob?
Volg art. 8:72 lid 3 sub a.
Heeft de juiste bob een andere uitkomst dan de vernietigde bob?
Volg art. 8:72 lid 3 sub b.

 

Werkgroep 6 Bestuursprocesrecht IIb

Hoger beroep
Er zijn bepalingen met betrekking tot beroep in eerste aanleg te vinden in titel 8.1 t/m 8.3 van de Awb die ook gebruikt moeten worden in hoger beroep. Dit is mogelijk door middel van de schakelbepaling van art. 8:108 Awb. Het gaat voornamelijk om het gebruik van art. 8:70 (uitspraak en dicta) en art. 8:72 (vernietiging besluit).

De hoofdregel is geregelt in art. 8:113 Awb, de hogerberoepsrechter doet de zaak zelf af. De hogerberoepsrechter is bevoegd te doen wat de rechtbank zou behoren te doen (lid 1). Echter art. 8:115 geeft gevallen waarin wel terugverwezen moet worden naar de rechtbank zoals onder lid 1 a waarbij de rechtbank zichzelf onbevoegd heeft verklaard of de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken.

Uit het oogpunt van rechtsbescherming kan de hogerberoepsrechter de zaak terugsturen naar de rechtbank. Bijvoorbeeld als de hogerberoepsrechter verwacht dat er heel iets anders uit zal komen zodat er daarna alsnog in hoger beroep gegaan kan worden (art. 8:15 Awb).

Art. 8:116 geeft een uitzondering op art. 8:115 Awb. In bijzondere gevallen waarin terugverwijzing toch niet nodig is kan de hogerberoepsrechter wel weer zelf afdoen.

 

Brummenleer
De juistheid van het oordeel van de rechtbank staat vast, tenzij hoger beroep wordt ingestelt. Twee stappen moeten worden gemaakt:
1. Heeft de rechter in de eerste uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beroepsgronden verworpen?
2. Zo ja, is tegen die oordelen hoger beroep ingesteld?
Zo niet, dan krijgen die oordelen gezag van gewijsde en is de juistheid daarvan daarmee gegeven en kunnen in een latere uitspraak niet meer ter discussie worden gesteld.

 

afbeelding_college_6.pdf

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
62