Collegeaantekeningen Europese Rechtsgeschiedenis deel 2

Van hoorcollege 7 is geen verslag beschikbaar. Dit college behoort ook niet tot de tentamenstof.


EUROPESE RECHTSGESCHIEDENIS – HOORCOLLEGE 5

 

Deze week gaat over de codificatie in het Heilige Roomse Rijk, Pruisen, Oostenrijk, het Tweede Duitse Keizerrijk en het Derde Rijk.

 

Het recht in Karolingische rijk

Na de val van het West-Romeinse rijk in 476 zie je dat het gezag van de staatsinstellingen in deze gebieden ophouden te bestaan. Het Romeinse recht wordt nog wel toegepast maar alleen in de vorm van het personaliteitsbeginsel. In 790 spreekt Karel de Grote het bevel uit tot de optekening van de gewoonterechten van de verschillende volken die aanwezig zijn in zijn rijk. Deze gelden niet als codificaties want ze hebben geen exclusiviteit en geen algemene gelding.

In 800 wordt Karel de Grote gekroond tot keizer der Romeinen door de paus Leo III. Deze gebeurtenis wordt eigenlijk gezien als het begin van de herleving van het Romeinse keizerrijk. Er wordt gesproken van een overdracht van de keizerlijke macht van de oude Romeinse keizers naar Karel de Grote. Ook wel translatio imperii. Deze overdracht is een gevolg geweest van de theoretische receptie. De theoretische receptie omvat dat de middeleeuwse keizers het Romeinse recht beschouwen als hun eigen recht. Romeins recht is berust op het keizerlijk gezag.

 

Het Heilige Roomse Rijk

In 814 komt Karel de Grote te overlijden en valt het Karolingische rijk uiteen. En wordt het rijk verdeeld over de zonen van Karel de Grote. Pas wanneer Otto de Grote op de troon zit herleeft het Roomse rijk in de Duitse gebieden. In 962 laat Otto zich dan ook kronen tot keizer door de paus en dit het begin van het Heilige Roomse Rijk. Het Heilige Rooms Rijk begint dus pas bij Otto en niet bij Karel de Grote. Dit rijk bestaat van 962 tot 1806. Gedurende deze lange periode is het de traditie dat de opvolger van de keizer zich laat kronen tot koning der Romeinen door keurvorsten in Aken en tot Rooms keizer door de paus in Rome.

In de 11e en 12e eeuw is er sprake van de Investituurstrijd. Deze strijd gaat concreet om de vraag wie bevoegd is om bisschoppen te benoemen. Bisschoppen waren in die tijd hele belangrijke leenmannen van de keizer en ook belangrijke adviseurs voor de keizer. De keizer en de pauze beroepen zich beide op Romeins recht om hun machtsaanspraken te ondersteunen. De keizer stimuleert de receptie van Romeins recht als het rijksrecht. Hierna komt dan ook de toevoeging van de keizerlijke wetten aan de Codex Justinianus om op deze manier de continuïteit te benadrukken.

Vanaf 1438 ligt het keizerschap van het Heilige Roomse Rijk in de handen van de Habsburgers. Zij streven naar rijkseenheid en rechtseenheid binnen het rijk. Ze wilde uniformiteit binnen het rijk. Wat je in gedachten moet houden is dat het rijk in die tijd veel groter is dan het Duitsland hoe we het nu kennen. In 1495 wordt dan ook door keizer Maximiliaan de Reichskammergericht opgericht. Deze kamer spreekt recht naar het Romeinse recht. Echter heeft het Romeinse recht subsidiaire gelding want het recht van het stuk land van de vorst gaat voor op het recht van het rijk.

Zoals vorige week is besproken wilde Karel V rijkseenheid bevorderen door middel van de vastlegging van de lokale gewoonterechten. Dit is ook wel homologatie, namelijk de optekening en goedkeuring van lokale gewoonterechten. Echter mislukt dit in de Lage Landen in 1531. Een belangrijk onderscheid is dat homologatie geen codificatie is. Want de regels ontlenen rechtskracht niet aan keizerlijke goedkeuring maar doordat de rechter deze regels erkend door gebruik.

 

Codificatie in Pruisen

Aan het begin van de 18e eeuw, 1713, ontstaat het koninkrijk Pruisen. Dit koninkrijk valt wel binnen het Heilige Roomse Rijk. Frederik II De Grote is koning en onder hem is er een poging tot codificatie aangezien binnen het koninkrijk verschillende soorten gewoonterecht gelden. Het nieuwe wetboek moet het Romeins recht vervangen. De eerste poging door de Minister van Justitie is volgens Frederik onvoldoende. Want het nieuwe wetboek moet zo duidelijk zijn dat het een interpretatie overbodig maakt. Hierdoor wilt hij de macht van de rechters en advocaten breken.

Carl Gottlieb Suarez krijgt opnieuw de opdracht om een nieuw ontwerp te maken. In deze poging is er sprake van een grotere invloed van het natuurrecht. Het Romeins recht is bewerkt met de systematiek van het natuurrecht. Het heeft een encyclopedisch karakter want de boeken hebben de volgende indeling: burgerlijk recht, handelsrecht, strafrecht en staats- en bestuursrecht. Omdat Frederik zo erg wilt streven naar rechtszekerheid is het wetboek zeer omvangrijk(wel 19.000 artikelen) en hierdoor moeilijk toegankelijk voor de burgers. In 1794 treedt de Allgemeines Landrecht fur die preussischen Staaten in werking. De afkorting van dit boek is het ALR. Deze blijft van kracht tot 1851, het strafrechtelijke gedeelte, en 1900, het civielrechtelijke gedeelte. Het heeft na 1813 wel primaire gelding.

 

Codificatie in Oostenrijk

Maria Theresa geeft in de Oostenrijkse erflanden, binnen het Heilige Roomse Rijk, de opdracht tot codificatie van het burgerlijk recht. Het verschil tussen deze codificatie en die van Pruisen is dat alleen het burgerlijk recht bevat en dit exclusieve gelding heeft. Het eerste ontwerp echter lijkt sterk op het Pruise ontwerp. Het Romeinse recht is dominant en het is zeer omvangrijk. Wanneer in 1801 een nieuwe commissie wordt samengesteld wordt het ontwerp meer geïnspireerd door het natuurrecht. In 1811 wordt deze ingevoerd en het is het enige nog geldende wetboek dat het natuurrecht erkent als rechtsbron.

 

Nationale codificatie in Duitsland

In 1806 komt het Heilige Roomse Rijk tot een eind en wordt de Duitse bond opgericht. Deze bestaat van 1806-1866. In 1814 komt er voor het eerst een oproep tot de codificatie voor alle Duitsers. Deze is afkomstig van Anton Thibaut. Het doel van deze codificatie is politieke eenheid voor rechtseenheid. De reactie van de bekende Savigny is dat de tijd nog niet rijp is voor een codificatie en dat de rechtswetenschap verder moet worden ontwikkeld op basis van Romeins recht. Deze verdere ontwikkeling heeft als doel om de politieke eenheid te vormen door gemeenschappelijke nationale rechtswetenschap.

Savigny uit in zijn werk kritiek op het natuurrecht. Het recht is niet universeel maar een uitdrukking van de rechtsopvattingen van een bepaald volk(Volksgeist). De taak van de juristen hoort te zijn om deze rechtsopvattingen te vertalen naar technische bergrippen van het recht. Hiervoor is de Romeinse rechter ideaal. Want hier ontstaan deze begrippen in de praktijk en worden deze vrijwillig gerecipieerd. Daarnaast geldt het Romeinse recht subsidiair ook in alle staten. Hij is van mening dat de codificatie pas mogelijk is wanneer de Duitse rechter met behulp van de begrippen uit het Romeinse recht is ontwikkeld tot een hoger niveau. Dit hogere niveau heeft vooral betrekking op de wetenschappelijke reflectie.

 

Deze politieke eenheid ontstaat tijdens de Frans-Duitse oorlog. De codificatie van het Burgerliches Gesetzbuch in jaartallen uitgedrukt:

1870-1871:

Frans-Duitse oorlog.

1871:

Fransen verslagen bij Sedan. Koning Wilhelm I van Pruisen wordt gekroond tot keizer van het Tweede Duitse Keizerrijk (1871-1918).

1873:

Wordt het politiek besluit genomen tot codificatie.

1874-1888:

Eerste codificatiecommissie wordt gedomineerd door Bernhard Windscheid (1817-1892)

 

Windscheid is de vertegenwoordiger van Pandektenwetenschap. De Pandekten zijn de Digesten. De ideeën van Savigny zijn richtinggevend voor Windscheid. Want de codificatie moet plaatsvinden op basis van het wetenschappelijk bewerkt Romeins recht. En de wetgever dient zich te laten leiden door de rechtswetenschap. De ontwikkeling van het formeel en abstract begrippensysteem vindt plaats op basis van het Romeins recht.

In 1850 komt de pandektenwetenschap steeds meer in dienst te staan van het politiek economische ideologie. Het koestert dat elke individu in economisch opzicht de volledige vrijheid moet krijgen. Ook wel contractsvrijheid, de maximale bescherming voor privaat eigendom en minimale aansprakelijkheid voor de gevolgen van industrieel of zakelijk handelen. In de pandektenwetenschap worden voor het eerst begrippen gevormd als rechtspersoon, rechtshandeling etc.

In 1888 wordt echter het ontwerp van Windscheid verworpen. Het ontwerp zou te dogmatisch zijn en er zou geen aandacht zijn voor sociale kwesties. In 1891 werd een nieuwe commissie gevormd en in 1896 een nieuw ontwerp aangenomen in Rijksdag. En dan eindelijk in 1900 gaat het dan eindelijk van kracht.

De karakteristieken van dit Burgerliches Gesetzbuch zijn:

Het heeft een sterk Romeinsrechtelijk karakter. Het heeft een abstract begrippensysteem en is ontwikkeld op basis van het Romeins recht. De Systematiek gaat terug op de natuurrecht. En wat kenmerkend is dat het algemene deel regels bevat voor het gehele privaatrecht. Het gaat dus van algemeen naar bijzonder. Naast het algemeen deel zijn er nog 4 boeken. Namelijk verbintenissen, zaken, familierecht en erfrecht.

 

Het Burgerliches Gesetzbuch tijdens het nationaal socialisme

Hierna breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Hierna ontstaat de Republiek van Weimar. In de Jaren ’20 is de opkomst van de nationaalsocialisten en Adolf Hitler. In 1933 wordt Hitler dan benoemd tot Rijkskanselier. Het doel hiervan is om de Burgerliches Gesetzbuch te vervangen omdat dit te liberaal zou zijn. Het zou vervangen worden door Volksgesetzbuch. In praktijk blijft het Burgerliches Gesetzbuch van kracht maar worden de abstracte begrippen uitgelegd in nationaalsocialistische zin. Er ontstaan dan open normen die ruimte bieden aan de politieke interpretatie. Voorbeelden hiervan zijn: goede trouw, redelijkheid en billijkheid, goede zeden en verkeersopvattingen. Het is redelijk zorgwekkend dat door middel van de open normen het recht zo kan worden opgebogen.

 

Het Burgerliches Gesetzbuch na 1945

Op 7 mei 1945 vindt de capitulatie plaats van Duitsland. In 1949 vindt de afscheiding van Duitsland plaats in de DDR en de BRD. In het DDR wordt het Burgerliches Gesetzbuch vervangen door een communistisch wetboek.

 

Samenvatting

962-1806 Heilige Roomse Rijk: Romeins recht wordt beschouwd als het rijksrecht. Maar heeft subsidiaire gelding.

1794-1900 Pruisische Allgemeines Landrecht (ALR): Dit recht geldt niet exclusief, maar vervangt het Romeinse recht als subsidiair recht.

1811-heden Oostenrijkse Allgemeines Bürgerliches Gesetzbuch (ABGB): Dit recht heeft exclusieve gelding en heeft een natuurrechtelijk karakter.

1900-heden Bürgerliches Gesetzbuch (BGB): Dit recht heeft exclusieve gelding en heeft een sterk Romeinsrechtelijk karakter.

 

Conclusies

Het meest succesvol zijn de codificaties die niet streven naar materiële volledigheid, maar ruimte laten voor rechterlijke interpretatie (bijv. ABGB en BGB). Echter brengt de ruimte voor rechterlijke interpretatie risico mee van politieke manipulatie: open normen kunnen worden ‘omgeduid’ in ideologische zin (bijv. BGB).

 

EUROPESE RECHTSGESCHIEDENIS HOORCOLLEGE 6

Deze week gaat het over de rechtsgeschiedenis van Engeland. Dit wordt ook wel Common Law genoemd.

Er zijn verschillende begrippen die centraal staan in de Engelse rechtsgeschiedenis.
Civil law is het rechtssysteem dat gebaseerd is op de Justiniaanse wetgeving. Ook wel Corpus Iuris Civilis. Common law is het rechtssysteem dat gebaseerd is op gewoonterecht van de Koninklijke rechtbanken. Om het common law zijn er drie begrippen namelijk: civil law, equity en statutory law. Het civil law staat tegenover het common law op basis van het rechtssysteem. Equity en statutory law slaan terug op de gewoontes van de konings rechtbanken. Equity is het recht wat zich heeft ontwikkeld onder invloed van de koning zijn kanselarij. Statutory law is het wettelijke recht, ook wel het recht wat het parlement samen met de koning heeft ontwikkeld.

 

Ontwikkeling van civil law en common law

De rechtsontwikkeling van het civil law is te verdelen in twee delen. De eerste is de receptie van het Romeinse recht. Dit is rond de 15e en 16e eeuw. Het inheems recht(of gewoonterecht) wordt hierdoor stop gezet. Het tweede deel van de rechtsontwikkeling is de invoering van de codificaties. Dit is rond 1750. En is ook wel de nationalisering van het recht op het Europese continent.
Het common law ondergaat een continue ontwikkeling vanaf de 11e á 12e eeuw. En kent dus niet de grote breuken in de ontwikkeling als het civil law.

 

Verschil tussen civil law en common law
Het verschil tussen deze twee zit in de codificatie, procesrecht, rechtsgeleerdheid en het onderscheid van materieel recht en procesrecht.

 

Leenstelsel

In 1066 wordt het leenstelsel geïntroduceerd in Engeland, dit was in die tijd het Angel Saksische koninkrijk. Dit koninkrijk was onder de heerschappij van Willem, de hertog van Normandië. En dit koninkrijk kende al een redelijk ontwikkeld centraal bestuur. De Normandiërs introduceren dan feodo-vazalliteit, ook wel leenstelsel. Dit houdt in dat er één opperste leenheer is, ook wel de koning. Het doel van dit leenstelsel was om het centrale bestuur te versterken. Dit was de basis voor de ontwikkeling van common law.

 

Ontstaan van common law

In de 11e en 12e eeuw wordt er in Engeland het gewoonterecht lokaal toegepast door lokale rechtbanken. Dit gewoonterecht zijn oorsprong was Saksisch, Deens en Normandisch. Door deze lokale toepassing van rechtbanken raakte de rechtsbedeling versnipperd. Hendrik II(1154-1189) centraliseert en hervormt de rechtspraak in het koninkrijk. Dat kon omdat het idee van centrale overheid er al was en dit werd versterkt door het leenstelsel.
Hendrik II werd meer als een Europese vorst gezien dan een Engelse vorst. Zijn rijk reikte van Engels-Schotse grens tot aan de Middellandse zee. Door dit grote rijk ontstond er een noodzaak tot de institutionele ontwikkeling van het Engelse rechtssysteem. Dit was nodig om nog recht te kunnen uitoefenen bij afwezigheid van de koning.

Om het recht te centraliseren worden de rondreizende rechters gevormd. Wanneer de rondreizende Koninklijke rechters ontstaan, verdringen zij eigenlijk de lokale rechtbanken. De vergaderingen van deze rondreizende koninklijk rechters werden de Court of Assizes genoemd. Het gewoonterecht wordt door deze ontwikkeling wat teruggedrongen. Deze rechters werden aangestuurd door uitgiften van writs. Dit zijn kleine oorkondes waarin de koning een bevel aan de sheriff waarin hij opdracht krijgt om tot een rechtsonderzoek en een rechtszitting. De sheriff is een koninklijke ambtenaar. Wanneer deze zitting plaatsvindt gebeurd dit door een jury van 12 mannen uit het betreffende dorp en een rechter. De jury buigt zich over de feiten en oordeelt hierover en de rechter buigt zich over het recht en oordeelt hierover.

Deze Koninklijke rechtspraak wordt aangestuurd vanuit de regering, ook wel de hofraad. De rechters reizen rond of zetelen zich in Westminister in een van de volgende rechtbanken: Court of Common Pleas, deze behandelt vooral burgerlijk recht. Court of the King’s Bench, deze behandelt vooral zaken waar de koning als landbezitter bij betrokken is. De koning is hier gebruikelijk dan ook de voorzitter van en heeft een bestuurlijk of administratief karakter. En de Court of the Exchequer, deze behandelt vooral belastingzaken. Het House of Lords is het hoogste gerechtshof deze komt voort uit de ontwikkeling van het parlement. Deze ontwikkeling is in de 13e eeuw. Tegenwoordig is dit niet meer het hoogste gerechtshof.

Koninklijke rechtspraak behandelt bijna alleen geschillen over landbezit. Redenen hiervoor zijn dat de koning de opperste leenheer is en al het landbezit in Engeland van hem is afgeleid. Daarnaast is vermogen de bron van inkomen in die tijd. Dit vermogen bestond uit land. De Koninklijke rechtspraak heeft het karakter van common law sterk bepaald. Namelijk common law is het recht van onroerende zaken.

De resultaten van de ontwikkeling van Koninklijke rechtspraak zijn:
Op de eerste plaats dat er een sterke rationalisering plaatsgevonden van het procesrecht door een jury. Mensen ondergingen hiervoor allemaal proeven op basis van godsoordelen en dit is allemaal afgeschaft tijdens deze ontwikkeling.
Daarnaast zijn er effectieve procedures ontstaan rondom bezitsherstel, deze waren er eerst niet. Men hoeft er zelf niet meer voor te vechten dit doet de overheid voor de burger. Ook is de feodale versplintering teruggedrongen. Tot slot leidt de centralisering van de rechtspraak tot opkomst van de common law juristen.

 

Wat is common law?

De Koninklijke rechtspraak baseert zich van oudsher op de gewoonterechten in het rijk. In het beginsel zijn Koninklijke rechters geestelijken. Alleen staat het canoniek recht ongunstig tegenover het gewoonterecht want de wet en rede gaan voor. De juristen die belast zijn met de rechtspraak ontwikkelen een soort van rechtsleer of algemene heersende opvatting namelijk om het lokale gewoonterecht te negeren en in de Koninklijke rechtbanken eigen jurisprudentie te ontwikkelen. Dit wordt ook custom of the King’s court of custom of England of common law genoemd. Er is maar 1 rechtsbron: de gewoonte van de Konings rechtbanken.

De centralisatie en hervorming van de rechtspraak leidt tot rechtseenheid en voorziet in de behoefte aan rationele juridische procedure. Om deze reden is er geen behoefte aan het alternatief van het romano-canonieke procesrecht en het Romeinse recht in de uitleg van de middeleeuwse juristen. Hierdoor krijgt het Romeinse recht krijgt geen voet aan de grond in de Engelse rechtspraktijk omdat het Engelse recht zichzelf voorziet in de centralisatie en de hervorming van de rechtspraak.

Judge made law betekent niet dat de rechters het recht hebben gemaakt. Het recht is al gemaakt de rechters ontwikkelen dit verder. Het heette in de middeleeuwen common learning ook wel heersende leer. Dit komt recht komt tot uiting in rechterlijke beslissingen. In de 16e eeuw waren de precedenten van belang voor de ontwikkeling maar waren nog niet bindend. Pas in de 19e eeuw(1898) werden de eerdere uitspraken van rechters bindend.

 

Verstarring common law

In 1258 komt er een einde aan de uitbreiding van de jurisdictie van Koninklijke gerechtshoven. Er kunnen alleen nog writs worden uitgeschreven waar al eerder writs voor zijn uitgeschreven. Ook wordt het common law restrictief door de rechters toegepast. Door deze ontwikkelingen verstart het common law. Er vindt dan ook een rechtsontwikkeling plaats namelijk de verschuiving naar Statutes.

 

Opkomst equity

Wanneer een rechtsmiddel ontbrak of rechterlijk oordeel onbillijk uitviel wenden justitiabelen zich met een petition tot de Koning. Ook wel een beroep op King’s grace. Petitions ter afdoening werden gedelegeerd aan Lord Chancellor. Deze deed dan ook uitspraak, eerst in de naam van King and Council. Vanaf eind 15e eeuw mocht hij dit vanuit eigen naam doen. Daarnaast krijgt de Chancery een rechtsprekende raak met een rechter, Lord Chancellor. Dit begint onder Edward I.

De grondslag van equity is het beroep op goedertierenheid van de koning. Er is hiervoor geen juridische norm, het is een gewetenskwestie. De Lord Chancellor is een hoge geestelijke, bisschop, met een opleiding in het canoniek en Romeinse recht. Het equity gaat de rol van redelijkheid en billijkheid vervullen naast het common law. Via deze rechtspraak krijgt het canoniek en Romeins recht invloed in het Engels recht.

De Equity rechtspraak heeft verschillende rechtsbronnen: lokaal gewoonterecht, common law, statutes en equity. Hier is hij helemaal vrij in. Echter wanneer je hier niet duidelijk in bent is de kans op willekeur erg groot. De remedie voor deze willekeur is custom of the court. Ook wel gebonden door precedenten, dit vanaf de 17e eeuw. Equity follows the law, equity heeft dus een aanvullende, ondersteunende en corrigerende functie. Toch bij conflict treedt het equity over het recht.

Begrippen die zijn ontstaan door equity-rechtspraak:
Trust is de belangrijkste bijdrage van equity aan common law. Trustee: naar common law de eigenaar die property houdt ten voordele van beneficiary. Ingeval van breach of trust is trustee aansprakelijk jegens beneficiary. Je ziet dit vaak bij erfenis zaken. Specific performance of nakoming: common law kende alleen financiële schadeloosstelling. Injuction: gerechtelijk bevel iets te doen of na te laten.

 

19e eeuw hervorming van de rechtspraak

Jeremy Bentham(filosoof, econoom, jurist) is van mening dat het common law of ook wel rechtersrecht een zekere mate van rechtsonzekerheid bevat. Bentham heeft het woord codificatie bedacht. Hij vindt dat de oplossing hiervoor is om te codificeren op basis van het utility-beginsel. Deze codificatie komt er niet, in plaats hier van vindt een hervorming van de rechtspraak plaats. Ook wel de Judicature Acts(1873-1875). Er is een gereguleerde manier voor hogere rechtspraak ontstaan. Je kon beroep doen bij Court of Appeal en hierna naar het hoogste beroepsorgaan namelijk House of Lords. Vervolgens werd ook het common law samen met equity ondergebracht bij 1 rechtbank.

 

Statute law

In de middeleeuwen was en geen principieel onderscheid tussen de rechtspraak en wetgeving. Beiden ontstonden vanuit het Koningschap. Zowel de rechtspraak als het parlement, ook wel de hofraad waren beide vormen van recht. De Statutes veronderstellen het common law. Vanaf ongeveer 1300 werd het aanvaard dat de wetten de rechters binden. In die tijd waren rechters ook lid van het parlement.

Wetstoepassing door de rechter vraagt om interpretatie. In de tijd van de middeleeuwen is de interpretatievrijheid vrij groot. De bedoeling van de wetgever en de geest van de wet zijn belangrijk. Pas wanneer de Tudors aan de macht komen in de 16e eeuw wordt deze interpretatievrijheid van de rechter beduidend kleiner. In deze periode wordt de bureaucratie steeds groter. Blackstone heeft heel nadrukkelijk bepaalt dat de soevereiniteit van het verder brengen van de wet ligt bij de wetgever. De rechter mag zich hier dus niet mee bemoeien. De wetgever is de koning als voorzitter van het parlement.

 

Interpretation

Interpretation gaat om wat de bedoeling is geweest van de wetgever. De heersende leer in Engeland is dat van de grammaticale interpretatiemethode. Een jurist wanneer deze een wet interpreteert moet hij afgaan op de woorden van de wetgever. Gewone woorden hebben gewone betekenis en technische woorden hebben technische betekenis. Deze houding komt voort uit de 19e eeuw. Er is geen wetshistorische interpretatie echter wordt hier wel steeds meer ruimte aangegeven.

Construction is de interpretatie van de Statutes. De gouden regel hiervoor is dat de gewone betekenis van woorden geldt tenzij dit resulteert in onrecht of dwaasheid. Wanneer dit het geval is geldt de bedoeling van de wetgever. Dit wordt ook wel de purposive approach genoemd. Ook wel de teleologische interpretatie.

 

Onmogelijkheid tot codificatie

Er geldt echter een onmogelijkheid tot codificatie. Dit omdat in het common law het ontbreekt aan een systeem. Het zijn afzonderlijke leerstukken zonder dat deze verbonden zijn aan een systeem. Wanneer er gecodificeerd zou worden dan zou dit het materiële common law vernietigen.

 

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
46