Colleges deel 2


Hoorcollege 5

Deze week gaat het om het beslissingsmodel van art 350 Sv.

Het beslissingsmodel gaat om de volgende vragen die de rechter behandeld om tot een oordeel te komen. Deze vragen zijn materieel. De vragen uit art. 348 Sv zijn formeel. Deze vragen worden tijdens dit vak niet uitgebreid behandelt omdat hiervoor meer kennis nodig is van het strafprocesrecht.

Vragen uit art. 350 Sv:

  1. Is het feit door de verdachte begaan?
  2. Welk strafbaar feit levert het bewezenverklaarde op(kwalificatievraag)
  3. Indien het feit bewezen en strafbaar is(rechtvaardigingsgrond)
  4. Dan beraadslaagt de rechtbank over de strafbaarheid van de verdachte(schulduitsluitingsgrond)
  5. En over de oplegging van straf of maatregel

 

Art 350 en 352 Sv bevatten de volgende stappen:

  1. Kan het tenlastegelegde bewezen worden?
    Zo ja, bewezenverklaarde Zo nee, vrijspraak
  2. Levert het bewezenverklaarde een strafbaar feit op?
    Zo ja, welk artikel Zo nee, ontslag van alle rechtsvervolging(hierna: OVAR)
  3. Is er sprake van wederrechtelijk handelen?
    Zo ja, naar vraag 4 Zo nee, OVAR
  4. Is er sprake van een verwijtbare dader?
    Zo ja welke straf of maatregel Zo nee, OVAR

 

Art. 352 Sv bevat de omschrijving van vrijspraak en OVAR.

 

Bewijsmiddelen

Er zijn 5 wettige bewijsmiddelen. Deze volgen uit art 339 Sv. Om het iets te bewijzen zijn deze middelen toegestaan bij de wet.

  1. Eigen waarneming van de rechter

  2. Verklaringen van de verdachte

  3. Verklaringen van de getuige

  4. Verklaringen van een deskundige

  5. Schriftelijke bescheiden

 

Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid behoeven geen bewijs.

Bewijsminima

Het kan tijdens een strafzaak niet worden aangenomen dat iemand schuldig is wanneer de verklaring van bijvoorbeeld maar 1 getuige is. 1 getuige is geen getuige. Maar dit geldt voor alle bewijsmiddelen dat er een bevestiging nodig is.

 

De tenlastelegging vormt de grondslag

De tenlastelegging moet bewezen worden. Niet wat er werkelijk is gebeurd. Wanneer de tenlastelegging niet kan worden bewezen dan zal er worden vrijgesproken. Vraag 1 van het model wordt dan dus beantwoordt met nee. Ook kan worden vrijgesproken wanneer er bewezen is wat er werkelijk is gebeurd maar dit niet is wat ten laste is gelegd. Daarnaast wanneer er van de bestanddelen een niet kan worden bewezen wordt vrijgesproken. Tot slot wordt er ook vrijgesproken wanneer er meer ten laste wordt gelegd dan noodzakelijk is en dat niet bewezen kan worden. Omdat er in praktijk veel tenlasteleggingen met althans leidt tot partiële vrijspraak.

 

Levert het bewezenverklaarde een strafbaar feit op?

De rechter kwalificeert en niet de OvJ. De OvJ geeft slechts een kwalitatieve vingerwijzing. Hierdoor kan men echter tegen problemen aanlopen.

Een voorbeeld hiervan is dat het bewezen verklaarde niet valt onder de delictsomschrijving omdat de wetgever met deze delictsomschrijving iets anders bedoelde strafbaar te stellen. Een ander voorbeeld is dat de OvJ vergeet een essentieel bestanddeel ten laste te leggen. Tot slot kan de delictsomschrijving onverbindend zijn. Hierbij moet je denken aan wanneer de delictsomschrijving in strijd is met een hogere regeling. Deze laatste categorie komt iets minder vaak voor.

 

Is het bewezenverklaarde wederrechtelijk begaan?

Wederrechtelijkheid is handelen in strijd met het objectieve recht. Daarvan is geen sprake indien er een rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Rechtvaardigingsgronden zijn: noodtoestand, noodweer, ambtelijk gegeven bevel, wettelijk voorschrift en ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid (veeartsarrest). Wanneer het belang van verdachte of het belang dat verdachte dient zoveel zwaarder weegt dan is er sprake van noodtoestand. Overmacht in enge zin is een schulduitsluitingsgrond en hierbij gaat het om belangen die even zwaar wegen. Wanneer er geen balans is meer tussen deze belangen kan dit soort overmacht niet opgaan.

 

Valt de dader een verwijt te maken

Bij deze vraag gaat het om de strafbaarheid van de verdachte. Is er sprake van schulduitsluitingsgrond? Schulduitsluitingsgronden zijn: Overmacht, noodweerexces, onbevoegd gegeven ambtelijk bevel en afwezigheid van alle schuld. Wanneer er een schulduitsluitingsgrond aanwezig is kan het de dader of verdachte niet worden verweten en zal OVAR plaats vinden.

 

Voorwaarden strafbaarheid

De voorwaarden voor strafbaarheid zijn:

  • Menselijke gedraging

  • Die valt binnen een delictsomschrijving

  • Die wederrechtelijk is

  • En aan schuld te wijten

 

Deze voorwaarden zijn ook verwerkt in het beslissingsmodel van art. 350 Sv. Je moet art. 348 en 350 als twee kapstokken zien waaraan heel het strafrecht is opgehangen. Hier ga je altijd naar terug.

 

Hoorcollege 6

 

Deze week gaat het over het strafproces en voor over het procesrecht rondom de verdachte.

 

Functies van het strafproces

Er zijn verschillende functies van het strafproces, namelijk:

  • te onderzoeken of een strafbaar feit gepleegd is en zo ja;

  • te beslissen of op de dader een sanctie mag en moet worden toegepast; zo ja;

  • die in de wet slechts in abstracto aangegeven sanctie (straf of maatregel) in concreto vast te stellen;

  • de rechterlijke uitspraak en de daarin vervatte sancties ten uitvoer te leggen.

 

Het strafprocesrecht heeft dus een dienende functie. Namelijk het verwezenlijken van het materiële strafrecht en de macht van een monopolist. Het heeft dus geen zelfstandige functie maar alleen een functie richting het materiële strafrecht. Maar via het procesrecht is het wel de enige manier om een straf op te leggen. Op een andere manier kan dit niet.

Het strafrecht is voor een groot deel reactief. Er moet een strafbaar feit zijn begaan voordat het pas actief wordt. Behalve bij het bestrijden van terrorisme. Hier is het strafrecht wat actiever. Soms kan het vermoeden van een strafbaar feit heel vaag zijn en soms is het ook heel helder. Heel vaag kan zijn als bijvoorbeeld tijdens het slopen van een huis een lijk wordt gevonden. Heel helder kan bijvoorbeeld zijn beveiliger heeft gezien dat iemand wat in zijn zak stopt en dit niet afrekent en deze persoon wordt aangehouden.

Binnen het strafrecht kan er dan ook vaak geen concreet antwoord worden gegeven maar een serie aan mogelijkheden wat zou kunnen gebeuren.

Het strafprocesrecht heeft alleen macht wat is gegeven bij de wet, art. 1 Sv. Ook wel het formele legaliteitsbeginsel. Bij de wet voorzien moet het gaan om een wet in formele zin. Dit biedt een belangrijke waarborg want de wet moet een heel lang en zwaar traject doorstaan wil het goedgekeurd worden en gelding krijgen. En is dus democratisch gelegaliseerd. Niet alle bevoegdheden staan in de Wetboek van Strafvordering. Er worden bijvoorbeeld ook veel bevoegdheden van politieagenten vastgelegd in de Politiewet. Maar dit betreft dan vooral de invulling van deze bevoegdheden.

Wat is dan Strafvordering? De Memorie van Toelichting zegt dat het de gehele procedure van strafproces is. Van opsporing tot tenuitvoerlegging. Alleen wanneer er een diepere inbreuk wordt gemaakt moet hier de bevoegdheid van concreet zijn beschreven omdat we dan inbreuk gaan maken op iemand zijn rechten.

 

Bronnen van strafvordering

Bronnen van strafvordering zijn wetten, verdragen en rechtsbeginselen. Denk bij wetten aan beleidsregels en bij verdragen aan de Raad van Europa en Europese Unie. Rechtsbeginselen zijn ongeschreven zoals het proportionaliteitsbeginsel, subsidiariteitsbeginsel, verbod op willekeur, gelijkheidsbeginsel. Je hoeft alleen te weten dat ze er zijn en dat ze ongeschreven zijn.

 

Grondvormen strafprocesrecht

Alle soorten recht kan je onderverdelen is verschillende soorten. Zo ook het strafprocesrecht. Het meest gangbaar hier is het inquisitoir en accusatoir onderscheid. Het verschil zit hem heel duidelijk in hoeveel rechtsbescherming wil je geven en hoeveel rechtshandhaving wil je bieden. Bij het accusatoire stelsel staan 2 partijen tegenover elkaar en is de rechter het lijdend voorwerp of ook wel een soort scheidsrechter. De twee partijen moeten het conflict oplossen en uiteindelijk geeft de rechter een antwoord op de vraag die uiteindelijk wordt gesteld. Dit ook wel het Angelsaksische systeem.

Bij het inquisitoir systeem is er geen lijdelijke rechter. De verdachte is juist lijdend voorwerp. Die heeft maar gewoon te dulden. De rechter doet het onderzoek en spreekt daarna recht. Nederland heeft een gematigd inquisitoir stelsel. Dit omdat het begin inquisitoir is maar tijdens de zitting toch vele rechter de verdachte toe komen.

 

Uitgangspunten van het strafrecht

 

Strafvorderlijke legaliteit

 

Rechterlijke onafhankelijkheid, rechter worden voor het leven benoemd. En hierdoor wilt men een onafhankelijkheid scheppen van de rechterlijke macht. Daarnaast krijgt hij een salaris waarvan de algemene opvatting is dat hij niet omkoopbaar is. Hij word bij koninklijk besluit benoemd om zo ook niet verschuldigd te zijn aan een partij door de benoeming tot rechter.

 

Rechterlijke onpartijdigheid, heeft ook met het bovenstaande te maken dat rechters voor het leven benoemd zijn en dus hun eigen partij vormen en hierdoor niet gebonden zijn aan een andere partij en hierdoor beïnvloedt worden. Belangrijkste regel hiervoor is te vinden in art. 271 Sv. Rechters mogen geen vragen stellen of blijk geven van vooringenomenheid. Wanneer dit wel gebeurt volgt art. 512 Sv. Op verzoek van de verdachte of het OM kan op elk moment en elke rechter worden gewraakt.

 

Beroepsrechters, we hebben alleen goed opgeleide rechters die hiervoor een lang traject hebben doorlopen. Dit in plaats van een jury zoals in andere landen.

 

Vervolgmonopolie OM, alleen het OM kan de vervolging inzetten van een verdachte geen andere instantie kan dat. OM is de enige die mag vervolgen en ook besluit om te vervolgen.

 

Opportuniteitsbeginsel

Vermoeden van onschuld, iedereen is onschuldig tot tegendeel is bewezen en hoeft niet bij te dragen aan zijn eigen veroordeling. Art. 6 lid 2 EVRM en art. 14 lid 2 IVBPR.

 

Hoor en wederhoor, wanneer de ene partij wat stelt moet de rechter op zitting de andere partij de mogelijkheid geven om hierop te reageren.

 

Recht op rechtsbijstand

Recht op vertaling en vertolking

 

Zwijgrecht

Interne of inwendige openbaarheid, tijdens openbare zitting moet iedereen op de zitting over dezelfde stukken beschikken.

 

Externe of uitwendige openbaarheid, zitting openbaar is voor het publiek/burgers

 

Motivering, alles wat we doen moet worden gemotiveerd.

 

Onmiddellijkheidsbeginsel, rechter mag alleen beslissing maken op basis van het onderzoek ter terechtzitting. Alles wat de rechter wil gebruiken voor zijn uitspraak moet zijn gepresenteerd tijdens de terechtzitting.

 

Beginselen van behoorlijk procesrecht

 

Verdachte

De verdachte is een belangrijk en centraal figuur in het strafproces. Er is geen strafbaar feit zonder verdachte. Door dit redelijk vermoeden mogen er allemaal middelen tegen deze verdachte worden ingezet. Daarom is het zo van belang. Art. 27 Sv geeft een definitie van verdachte. Ook moet er worden gekeken naar de feiten en omstandigheden. Hierbij horen HR Hollende Kleurling en HR Stormsteeg. Bij HR Hollende kleurling kon er niet van een verdachte worden gesproken of een redelijk vermoeden door omdat iemand wegrende, handen in zijn zakken had en in de buurt wat bekent stond als waar veel drugs was. Bij HR Stormsteeg kon er wel worden gesproken over een verdachte of redelijk vermoeden omdat de verdachte wegrende toen hij de agenten zag. En kwam uit een plek wat betekent stond als waar veel drugs voorkomt.

 

Verhoor van de verdachte

Verhoor is ook wel vragen stellen omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij enig strafbaar feit. Art. 29 Sv wijst op de pressieverbod. Er mag dus geen druk worden gezet tot een bekentenis. Daarnaast wijst inspecteur op het zwijgrecht wat de verdachte heeft. De verdachte moet hier door de inspecteur op worden gewezen, ook wel de cautie moet hem worden gegeven. De omschrijving van een verhoor blijkt uit HR plastic boodschappentasje. Dit verhoor kan overal plaatsvinden en hoeft niet op een politiebureau te zijn. Het wordt vaak vaag gehouden of er sprake is van een verhoor of niet.

Bij HR Plastic boodschappentasje gaat het om een bekende gebruiker die door een agent wordt gevraagd wat er in zijn tasje zit. Gebruiker zegt vervolgens gestolen boeken. Dit is niet als verhoor te kwalificeren want het is geen vaak naar mogelijke betrokkenheid bij enig strafbaar feit en daarnaast is er niet gewezen op cautie. Echter mag dit antwoord niet worden gebruikt. Want hij was nog geen verdachte en het was geen verhoor. Daarnaast kon hij ook niet worden gezien als getuige want er was niets aan de hand. 

 

Hoorcollege 7

 

Deze week gaat over dwangmiddelen en het EVRM en het strafprocesrecht.

 

Dwangmiddel:

Definitie van een dwangmiddel is het maken van een inbreuk op individuele rechten en vrijheden door autoriteiten. Dit kan met betrekking op personen, voorwerpen en plaatsen. Deze week gaat het vooral over personen.

Er hoeft geen sprake te zijn van 1 dwangmiddel maar vaak een hele reeks van dwangmiddelen. Strafvorderlijk dwangmiddelen worden ingezet in het kader van opsporing en berechting van strafbare feiten. Dit hoeft niet altijd duidelijk te zijn voor de burger. Ook zijn er buiten het strafvorderlijk kader dwangmiddelen denk hierbij aan controlebevoegdheden bij WVW. Zoals een verkeerscontrole.

Maar wat is nu dwang? Dwang bestaat vooral uit vordering/bevel. Wanneer dit niet wordt nageleefd is dit strafbaar op grond van art. 184 Sr. Of bestaat uit daadwerkelijk geweld. Wanneer je je verzet of het niet-dulden hiervan is een strafbaar feit, art. 180 Sr. Dit is ook wel wederspannigheid.

Maar wanneer er een agent aanbelt en vraagt of hij even binnen mag komen kijken je de persoon geeft hier toestemming voor zit je niet meer in de sfeer van dwangmiddelen. Dit omdat de desbetreffende persoon hier toestemming voor heeft gegeven. Dit is met toestemming uitvoeren van bevoegdheden. Echter er is 1 dwangmiddel waarbij de toestemming irrelevant is en dat is vrijheidsbeneming.

 

Systematiek van dwangmiddelen

Wetmatigheidstoets en rechtmatigheidstoets.

De rechtmatigheidstoets is de vraag of het dwangmiddel juist is uitgevoerd en of het zo mocht worden uitgevoerd.

De wetmatigheidstoets is de vraag of het een wettelijke grondslag heeft. Dwangmiddelen moeten een precieze wettelijke grondslag hebben. Dit op grond van art. 1 Sv en HR Bloedproef II. Nederland is hier heel precies in. Engeland bijvoorbeeld is hier wat minder streng in doordat zij common law hebben. Ook wel rechtersrecht. Deze wettelijke grondslag staat niet uitsluitend in het Sv maar ook in bijzondere wetten als WWM en Opiumwet.

Dan is de vraag wie is bevoegd tot het uitoefenen van het dwangmiddel. Dit is van burger tot rechter. Hoe ingrijpender het dwangmiddel des te meer eisen er worden gesteld aan de bevoegde autoriteit. Denk hierbij aan het feit dat de vrijheidsbeneming alleen door de rechter kan worden opgelegd.

In welke gevallen kunnen de dwangmiddelen worden ingezet is de volgende vraag. Dit is bij ernstiger misdrijven is meer mogelijk als het gaat om uitvoering van dwangmiddelen. Art. 67 Sv is hier een belangrijke schakelbepaling. Hierin staan die misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan.

Is er het benodigde bewijs? Dit gaat men vervolgens na. Bij ingrijpende dwangmiddelen is er een hogere graad van verdenking vereist. Van licht naar zwaar gaat het. Het begint bij geen verdenking nodig. Hierbij kan je denken aan controlebevoegdheden. Hierop volgt aanwijzingen. Dit wordt bij terroristische misdrijven gebruikt. Een anonieme tip kan al voldoende zijn. Vervolgens gaat het naar redelijk vermoeden van schuld of verdenking. Ten slotte volgt ernstige bezwaren. Dit gebruiken we bij voorlopige hechtenis.

Welke gronden zijn aanwezig is de laatste vraag. Vaak is dit in het belang van het onderzoek. Zoals fouilleren en doorzoeking etc. Alleen bij verdenkingen waar voorlopige hechtenis mogelijk is kunnen er ook gronden worden aangedragen die buiten het onderzoeksbelang dienen. Dit kan bijvoorbeeld vluchtgevaar, recidivegevaar en getuigen beïnvloeden.

Tegen wie mag het dwangmiddel gebruikt worden? Dit is de verdachte. Maar soms is het ook een derde denk hierbij aan een getuige. Bijvoorbeeld wanneer deze weigert te antwoorden.

Hoelang mag het dwangmiddel worden gebruikt? De termijnen staan specifiek in de wet. Bij inverzekeringstelling, vrijheidsbeneming etc. Wanneer je donderdagavond wordt aangehouden moet je vrijdag worden voorgeleid omdat in het weekend niet kan worden voorgeleid. Toch zijn er vormen die minder specifiek zijn zoals ten spoedigste of onverwijld. Maar het mag op grond van EVRM niet buiten een redelijk termijn vallen.

De wijzen waarop een dwangmiddel moet uitgevoerd. Dwangmiddel als discretionaire overheidsbevoegdheid. Dit geldt niet bij inbeslagname van drugs. Dit moet direct gebeuren wanneer de politie weet dat er drugs aanwezig is. Bij deze discretionaire ruimte moet er wel worden voldaan aan subsidiariteit en proportionaliteit.

 

Strafvordering en EVRM

Er zijn meerdere mensenrechterverdragen. Zoals het antifoltering verdrag, CAT en IVBPR, internationaal verdrag voor burger en politieke rechten. Een advocaat beroept zich hier echter nooit op. De reden hiervoor is dat het Europees recht veel effectiever is en verder ontwikkeld. Het EVRM is het belangrijkste verdrag voor strafvordering. Art. 93 en 94 GW geeft directe werking en voorrang hieraan.

Belangrijke bepalingen in het EVRM voor strafrechtspleging zijn:

  • Art. 3 EVRM, verbod op foltering

  • Art. 5 EVRM, recht op vrijheid

  • Art. 6 EVRM, eerlijk proces

  • Art. 7 EVRM, verbod op terugwerkende kracht

  • Art. 8 EVRM, recht op privacy

  • Art. 1 1e protocol EVRM, recht op eigendom

  • Art. 4 7e protocol EVRM, recht om niet 2 keer voor hetzelfde feit veroordeeld te worden

De naleving van het EVRM wordt gehandhaafd door het EHRM. Men kan procederen tot Straatsburg. Dit geldt voor slachtoffers van EVRM-schendingen nadat alle nationale procedures zijn uitgeput. Indien klacht gegrond wordt verklaard en er een schending is van het EVRM en het recht op effective remedy. Het uitgangspunt van de jurisprudentie EHRM: margin of appreciation voor staten bij toepassing van het EVRM. Maar ook geldt de autonome betekenis van het EVRM en bescherming die real and effective is en niet theoretical and illusory.

De belangrijke talen in het internationaal strafrecht zijn Engels en Frans. Eerst worden de feiten weergegeven in de zaak die dient. Niet alleen wat er feitelijk is gebeurd maar ook de weergave van de nationale procedure. Want het EHRM oordeelt over een staat. Dit heet ook wel as to the facts. Hierna volgt as to the law. Dit is de beoordeling van de feiten in het licht van het EVRM.

Bij uitgebreide arresten geldt dat eerst general principles worden uitgelegd en dan pas de application of principles to the case plaatsvindt. Bij de analyse wordt altijd per klachtonderdeel wordt uitgewerkt.

Wanneer je art. 5, 6 en 8 EVRM met elkaar vergelijkt zie je dat er verschil zit in de beperkingsgronden door het het EVRM en in de formulering. Zo heeft art. 6 EVRM geen beperkingsgronden in EVRM waar art. 8 EVRM deze wel heeft in lid 2. Art. 5 EVRM is ruim geformuleerd, vrijheidsbeneming in strafvordering is toegestaan.
Ook in jurisprudentie EGRM is de margin of appreciation grootst bij art. 5 en 8 EVRM. Bij art. 6 EVRM is er een strengere toets bij EHRM.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
17