Collegeaantekeningen deel 2

In week 7 is alleen een responsiecollege gegeven, geen werkgroep.


Hoorcollege Week 5

Vennootschapsbelasting

Waarom vennootschapsbelasting?

 

Vennootschapsbelasting wordt geheven over rechtspersonen, omdat rechtspersonen bij de IB vrijuit gaan (art. 1.1 IB: belastingsubject is enkel de natuurlijke persoon). Zonder vpb zou iedereen een rechtspersoon oprichten om het inkomen op te laten storten, want zo ontwijken ze box 1 IB, waar meer belasting geheven wordt.

Dit is geen verboden manier van boxhopping, maar door de combinatie van vpb en box 2 IB is het rendement niet zo hoog.

Toch zijn er nog genoeg redenen om toch voor een BV te kiezen. Risico’s zijn voor de rechtspersoon, kapitaal verwerven is soms eenvoudiger, het ziet er professioneler uit en er zijn nog steeds fiscale redenen.

Object

 

De belastinggrondslag voor deze belasting is de winst. Een natuurlijk persoon heeft inkomen en een rechtspersoon behaalt winst. Deze winst wordt belast. Het percentage is 20%, maar na twee ton wordt het 25%. Het stelsel is progressief, maar in een kleinere mate dan box 1 IB.

Subject

 

Het subject is de rechtspersoon. De binnenlands belastingplichtige staat in art. 2 vpb en de buitenlands belastingplichtige in art. 3 vpb.

De binnenlands belastingplichtige is de bv, die geacht wordt om voor vol vermogen een onderneming te drijven. Een rechtspersoon die dat niet doet, vermindert zijn aanslag daarmee dus niet.

Voor buitenlands belastingplichtigen geldt dat zij conform Nederlands recht zijn gesticht of dat zij op de Nederlandse markt actief zijn. Dat zij dan opgericht zouden zijn in het buitenland en dat de directie daar ook gevestigd is, maakt dan niet meer uit.

Beperkt belaste winst

 

Een stichting of vereniging wordt niet geacht een onderneming te drijven. Als zij concurreren met een onderneming, dan pas zullen zij hierover belasting moeten betalen.

Bij concurreren moet de stichting of vereniging in kwestie alleen belasting betalen over datgene wat geïnvesteerd wordt om te concurreren. Denk hierbij aan een kerk die kalenders uitgeeft. Hierbij wordt een concurrentiestrijd aangegaan met de ondernemingen en rechtspersonen die kalenders produceren, dus zal de kerk hierover belasting moeten betalen. Typerende kerkactiviteiten blijven onbelast, ongeacht hoeveel kalenders ze maken en / of verkopen.

Deelnemingsvrijstelling

 

Dit speelt bij moeder- en dochterondernemingen. Winst verzameld door de dochteronderneming moet in beginsel belast worden worden belast, maar aangezien er winst belast moet worden zodra die van eigenaar wisselt (dus ook van dochter naar moeder). Maar de wetgever wil dit wel belasten, maar geld wat in de familie blijft, mag onbelast blijven. Een dochteronderneming die de winsten doorgeeft aan de moeder hoeft hierover dus geen belasting te betalen.

Dubbele belasting?

 

Vpb en box 2 worden, zoals eerder vermeld, beide opgelegd. Dit is echter geen dubbele belasting, omdat de vpb aan de BV geheven wordt en box 2 aan de aandeelhouder. De gevolgen zijn wel voor dezelfde persoon, maar toch valt dit om de voorgenoemde reden niet onder dubbele belasting. De totale druk is ongeveer 40%, wat gelijk staat aan winst uit onderneming van box 1 IB.

Dividend en rente

 

Dividend is de vergoeding van eigen vermogen van een rechtspersoon. Dit wordt voor 20% belast. Rente is de vergoeding van het vreemde vermogen, die aftrekbaar is voor de belasting. De betaalde rente drukt de winst. Lage winst is fiscaal gunstig, dus financieren met vreemd geld is aantrekkelijk gemaakt.

Een lening van moeder- naar dochteronderneming zonder rente is hetzelfde als een kapitaalstorting op economisch niveau, maar het eerste is fiscaal aftrekbaar en het tweede niet. Er is dus een juridisch verschil te duiden.

Fiscale maatregelen van de wetgever zijn hier niet. Dit mag dus.

Hybride lening

 

Een brug verder in de lijn van een moeder-dochterlening is de hybride lening. Hier wordt een lening met een rechtspersoon in een ander land gesloten. In dit andere land merken ze bepaalde begrippen als lening, rente en kapitaalstorting anders aan dan in Nederland. Om zo met de termen te spelen kan de Nederlandse onderneming een lening geven, die in het andere land als kapitaalstorting wordt aangerekend, zodat de buitenlandse overheid geen vragen stelt. Als het kapitaal teruggestort wordt, merkt het buitenland dit aan als een teruggave, wat onder de deelnemingsvrijstelling valt. Eenmaal in Nederland wordt de overdracht aangemerkt als lening en dus fiscaal aftrekbaar.

Fiscale gravitatie

 

Dit is de term voor de spreuk: “Je hoeft een aap niet te leren klimmen.” Een geldbedrag of een winst of iets dergelijks mag dus gegidst worden naar de plaats waar die het minst belast wordt.

Fiscale eenheid

 

Iedere bv moet aangifte doen. Een moeder die winst heeft en een dochter met verlies wordt niet verrekend, omdat de bv’s aparte bv’s zijn met een eigen aangiftebiljet. Om dit te voorkomen heeft de wetgever de constructie van fiscale eenheid (art. 15 vpb) gegeven. Hierin gelden een aantal voorwaarden.

  • Fiscale eenheid gebeurt op verzoek.

  • Moederonderneming bezit minstens 95% van de aandelen van de dochter.

  • Moeder- en dochteronderneming zijn beiden in Nederland gevestigd.

Gevolg is de dochteronderneming feitelijk in de moeder opgaat. Een lening waar ook kapitaal gestort kon worden (zie kopje Dividend en rente) is dan ook niet meer mogelijk. Dat is vergelijkbaar met een lening aan jezelf verstrekken, wat ook niet mogelijk is. Transacties onderling worden fiscaal genegeerd. Een onderlinge lening leidt dus niet meer tot aftrek van de rente.

Omdat de dochteronderneming in de moeder opgaat, zijn ze samen 1 belastingplichtige. Onderlinge saldering is dus mogelijk.

Werkgroep Week 5

Vpb

Verschil tussen bv en onderneming

 

Een bv kan aansprakelijk zijn voor de risico’s van de onderneming en wordt dus gezien als een eigen persoon die een eigen aangifte moet invullen. De hoogste directeur is nog steeds in dienst van de bv. Bij faillissement gaat de bv failliet en niet de aandeelhouders. De aandelen verliezen alle waarde, maar de aandeelhouders, raad van bestuur en alle andere betrokkenen gaan vrijuit.

Een onderneming kan nooit aansprakelijk zijn voor zijn eigen daden, dat is de ondernemer. Bij faillissement is dus ook de ondernemer aansprakelijk. De ondernemer vult de aangifte in, namens hemzelf en niet de onderneming, loopt zelf risico en is zelf verantwoordelijk.

Bepaling van winst

 

Winst wordt bepaald aan de hand van artikel 8 vpb, waarin staat dat de winst op dezelfde manier wordt berekend als bij de IB. In de IB staat dat in 3.8 IB. Winst is het resultaat min de gemaakte kosten.

Kwalificeren van winst

 

De winst bestaat uit de omzet, daarvan afgetrokken de bedrijfskosten en de verdere correcties.

Omzet en bedrijfskosten zijn doorgaans duidelijke gegevens. Ook is de rente(en aftrek daarvan) een duidelijk gegeven.

Minder duidelijk is het verkapte dividend. Als er geleverd is aan de directeur-grootaandeelhouder en deze krijgt een product voor een prijs waarvoor een derde het niet zou krijgen, dan wordt volgens de fiscus geacht het goed aan een derde te zijn geleverd en ook een prijs die voor een derde zou gelden door de fiscus gehanteerd. Het product wordt vervolgens ook belast in 4.12 IB als een regulier voordeel voor de directeur-grootaandeelhouder. Ook al is er geen winst geboekt door de bv met het product wat aan de directeur-grootaandeelhouder is gegeven, dan wordt er nog steeds belasting geheven alsof er een prijs die aan een derde gevraagd zou worden aan de directeur-grootaandeelhouder gevraagd is en alsof die is betaald.

Deelnemingsvrijstelling

 

De deelnemingsvrijstelling houdt in dat er niet belast wordt als er geld van de ene naar de andere rechtspersoon gaat, daarover geen belasting geheven wordt, als de ontvanger meer dan 5% van de aandelen in handen heeft (aanmerkelijk belang), op grond van art. 13 lid 2 sub a vpb. Heeft de ontvangende rechtspersoon (geen deelnemingsvrijstelling voor natuurlijke personen) minder dan 5%, dus geen aanmerkelijk belang leidt tot toepassing van art. 8 vpb, dus hier wordt belasting geheven.

Ook vervreemdingsvoordelen kunnen onder de deelnemingsvrijstelling geschaard worden. Verkoopt een rechtspersoon zijn aanmerkelijk belangpakket, dan valt dat ook onder de deelnemingsvrijstelling. Belasting hierop volgt pas als de dividend wordt uitgekeerd, in combinatie met de heffing van het inkomen in box 2 of box 3 IB, afhankelijk of de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft in de dividend uitkerende bv.

De voorwaarden van een fiscale eenheid zijn dat de moeder minstens 95% van de aandelen in de dochteronderneming moet bezitten en dat zowel moeder als dochter in Nederland gevestigd zijn.

Deelnemingsvrijstellingen bij fiscale eenheid

 

Zoals al eerder vermeld, fiscale eenheid moet aangevraagd worden. Gevolgen van de fiscale eenheid zijn ook merkbaar bij de deelnemingsvrijstellingen.

De deelnemingsvrijstelling is altijd van toepassing op een geldoverdracht tussen de rechtspersonen die een fiscale eenheid vormen, ongeacht het aanmerkelijke belang. Elke transactie wordt door de fiscus genegeerd in de deelnemingsvrijstelling, omdat de handeling door de fiscale eenheid voor de fiscus onzichtbaar is.

Dividend, rente en aftrekbaarheid

 

In art. 10 lid 1 sub a staat dat rente aftrekbaar is, maar dividend niet. Een lening aan een dochteronderneming van een moederonderneming is niet heel erg verschillend van een kapitaalstorting, want door de onderlinge relatie en de verwevenheid en de afwezigheid van een winstoogmerk van de geldschieter is er niet heel veel tussen een lening en een kapitaalstorting.

Door de aftrekbaarheid van de rente is een lening toch een stuk aantrekkelijker voor de dochter (voor de moeder geen verschil), want de rente is aftrekbaar. Daarom is een dividenduitkering minder gewild, en door de onderlinge verwevenheid gaat de moederonderneming daar ook in mee.

Waarom sparen in een vpb aantrekkelijk kan zijn

 

Dit is altijd afhankelijk van de situatie, de bedragen, het rendement, aanwezigheid van aanmerkelijk belang et cetera. Hier worden geen algemeenheden geproclameerd die in alle gevallen gelden.

Lang sparen via box 3 is niet aantrekkelijk als het forfaitair rendement van 4% niet behaald wordt. Een belastingplichtige moet dit ook jaarlijks betalen. Als een belastingplichtige dit via een bv doet, dan heeft de belastingplichtige alleen een verplichting bij overdracht van de rechtspersoon naar de beheerder van deze bv.

Conclusie: als een belastingplichtige geen afstel kan krijgen, dan wil hij uitstel. Via een bv kan dit gerealiseerd worden.

Hoorcollege Week 6

Internationaal belastingrecht

Belastingverdragen

 

Met belastingverdragen wordt belastingrecht internationaal gestructureerd. Elke staat is fiscaal soeverein, maar deze soevereiniteit kan worden afgestaan om het belastingrecht internationaal probleemoplossend te werk te laten gaan.

Functie

 

Functie van internationaal belastingrecht is primair structureren. Een belastingverdrag kan nooit de bevoegdheid creëren om belasting te mogen heffen.

Dubbele belastingheffing

 

Er zijn verschillende grondslagen aan te wijzen waarom er belasting geheven mag worden.

Het bronstaatbeginsel geeft een staat het recht om een bron van inkomen in zijn land te mogen belasten aan iedereen ter wereld.
Het woonplaatsbeginsel houdt in dat iedereen die binnen een bepaalde staat woont, belastingplichtig is in die staat voor het wereldinkomen. De woonplaats wordt geregeld in art. 4 lid 1 AWR.

Deze beginselen worden door Nederland gebruikt en zijn heel breed.

Het nationaliteitsbeginsel is een in onbruik rakend beginsel alleen nog populair in de VS. Alle Amerikaanse staatsburgers zijn dus belastingplichtig aan de VS op grond van hun staatsburgerschap, ongeacht of ze nu in de VS wonen of werken. Een Amerikaan in Frankrijk, werkend voor een Duits bedrijf heeft dus in beginsel niets met Amerika te maken, maar door het nationaliteitsbeginsel dus wel.

Een Duits staatsburger woont in België en werkt in Nederland. Bij situaties als deze komen verschillende grondslagen naar boven. Omdat dubbele belasting onwenselijk is, wordt er in verdrag bepaald welke staat in welke situatie mag heffen. De andere staat of staten heeft / hebben dus geen heffingsbevoegdheid meer.

Hieruit ontstaat een tweedelig stappenplan.

Stap 1: Wil de staat heffen?
Stap 2: Kan de staat heffen?
Als deze vragen bevestigend beantwoord worden, mag de staat belasting heffen.

Stap 1 vloeit voort uit de wet. We nemen weer het voorbeeld van een Duits staatsburger in België woonachtig, werkend voor een Nederlands bedrijf. De Duitse staat heeft het nationaliteitsbeginsel niet in de wet staan, dus deze wil niet heffen op grond van het nationaliteitsbeginsel. België heeft het woonplaatsbeginsel wel en Nederland heeft het bronbeginsel wel. Er blijft dus sprake van dubbele belasting.

Stap 2: kan de staat heffen? Deze vloeit voort uit verdrag. Een belastingverdrag is altijd bilateraal en verschilt dus per land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft. Omdat Nederland zoveel belastingverdragen heeft, hebben ze een standaardmodel uitgevaardigd voor eenvoudiger en duidelijker gebruik.

Stel: België en Nederland hebben afgesproken in verdrag dat in geval de bronstaat het ene land is en de woonstaat de andere, dat dan de bronstaat mag heffen. Nederland is de bronstaat, want de belastingplichtige Duitser werkt in Nederland. Daarom mag de Nederlandse staat heffen. Volgens verdrag kan Duitsland niet heffen en dus blijft Nederlands over als enige staat die mag heffen.

Als Nederland geen verdrag heeft gesloten met een andere staat, dan stellen zij zich zeer genereus op: ze bieden aan om eenzijdig af te zien van hun heffingsbevoegdheid in het Besluit voorkoming dubbele belasting, te vinden in de wettenbundel onder tabje “internationaal”.

Tax Information Exchange

 

Naast dubbele belasting voorkomen is er ook de functie om informatie met elkaar uit te wisselen over belastingheffing. De Tax Information Exchange Agreement zorgt ervoor dat informatie bij andere staten terechtkomt, die meer willen weten over hoe hun verdragspartner heft en hoe deze de bedragen int.

Ook wordt ongelijke behandeling aangepakt. Een gediscrimineerde burger kan bescherming via belastingverdragen verwachten.

Fraude

 

Over fraude is met een enkel woord gesproken: het is illegaal, strafbaar en leidt tot forse imagoschade. Daarom is het zeer zeldzaam.

Fiscale gravitatie en tax planning

 

Tax planning, van tevoren je organisatie zo inrichten dat je zo weinig mogelijk belasting moet betalen, mag wel en komt dus ook veel vaker voor. Fiscale gravitatie is een in de jurisprudentie erkend beginsel waarin iedereen naar de voor hem beste weg mag zoeken. In tegenstelling tot de natuurkundige zwaartekracht is de fiscale zwaartekracht niet in een keer helder en bovendien ook nog eens veranderlijk. Tax planning heldert deze feiten op. Een tax ruling, een gesprek met de fiscus waarin hij zijn heffingsgrondslagen en vrijstellingen openbaart, helpen hierbij. Dit kan ook nog voor de vestiging van een bedrijf of een dochtermaatschappij, dan heet het een advance tax ruling. Een tax ruling en met name een advance tax ruling is dus een van de redenen waarom Nederland zo aantrekkelijk is. Nog voordat een bedrijf hier komt zitten weten ze al wat belast wordt en wat wordt vrijgesteld.

Agressieve tax ruling is echter onwenselijk, omdat een bedrijf zo collectieve lasten ontloopt, waardoor deze zwaarder worden voor hen die dit niet ontlopen. En dit wringt omdat veel belastingplichtigen, omdat de belastingplicht met het gelijkheidsbeginsel verantwoord wordt. Zonder toepassing van dit beginsel is de verantwoording weg. Daarnaast vindt men het immoreel dat een bedrijf dat miljoenen verdient, een top die zeer riante salarissen verdient nog steeds zijn steentje niet wil bijdragen.

Dit probleem moet internationaal aangepakt worden, omdat geen enkele staat als eerste op wil staan om zijn heffingssysteem aan te pakken, omdat dan alle bedrijven naar een ander land vertrekken. En ondanks dat ze heel weinig betalen, betalen ze toch een heel klein beetje (van hun miljarden aan winst), wat voor duizenden bv’s een mooi deel van het inkomen vormt voor de Nederlandse staatskas.

Werkgroep Week 6

Internationaal belastingrecht

Beginselen van heffing

Belastingheffingsbevoegdheid volgt uit drie beginselen, namelijk het woonplaats-, bron- en nationaliteitsbeginsel. De eerste twee komen voor in Nederland, de derde is een voor natuurlijke personen in onbruik rakend beginsel voor wat alleen in de VS nog toepassing vindt. Nederland houdt dit nog aan voor rechtspersonen. Hier wordt de belastinggrondslag gevonden in het staatsburgerschap van de belastingplichtige, ongeacht waar deze zich bevindt.
Woonplaatsbeginsel houdt in dat er gekeken wordt naar waar de belastingplichtige zich bevindt, ongeacht welke nationaliteit deze heeft. Dit wordt in art. 4 lid 1 AWR bevestigd, waar de feitelijke woonplaats wordt bepaald.
Bronbeginsel houdt in dat daar waar het geld verdiend wordt, ook belasting geheven mag worden.
Zowel het woonplaatsbeginsel als het bronbeginsel zien op wereldinkomen, dus ongeacht waar het geld vandaan komt, de beginselen volstaan.

Schema van internationale belastingheffing

 

Het toetsingsschema voor belastingrecht is heel eenvoudig.
1. Wil de staat heffen?
2. Kan de staat heffen?

Stap 1 is terug te vinden in de wet van dat land. De wet van het desbetreffende land bepaalt wat een land wil belasten.
Stap 2 is terug te voeren op de verdragen die Nederland rijk is. Een verdrag wijst de bevoegdheden van heffing toe (nogmaals: een verdrag creëert nooit die bevoegdheid), waarin dus te vinden is welk land in welke situatie bevoegd is.
Deze verdragen staan niet in de wetbundel, maar de benodigde artikelen worden op het tentamenformulier gegeven.

Nederland als belastingparadijs

Nederland is voor belastingplichtigen heel aantrekkelijk, want Nederland kent de deelnemingsvrijstelling, geen belasting op rente en royalties, heeft veel (circa 90) belastingverdragen gesloten met andere landen en kent tax rulings. Tax rulings zijn gesprekken waarin de belastinginspecteur van tevoren al kenbaar maakt hoe hij gaat heffen aan de bedrijven die zich in Nederland willen vestigen.

In die verdragen wordt bedongen dat er geen rentebelastingen geheven zullen worden, want dat is eerlijker omdat Nederland dat oom niet doet. Vervolgens gaan alle renten en royalty’s via Nederland, omdat dat financieel scheelt.
Vervolgens komt het stappenplan weer in werking. Het andere land wil wel rentebelasting heffen, maar kan dat niet, want het verdrag belemmert dat. En verdrag staat nu eenmaal boven de wet, dus bij strijdige inhoud staat verdrag sterker. Nederland kent geen belasting op rente, Nederland wil niet heffen. Dat Nederland niet mag heffen hoeft niet getoetst te worden, omdat het al spaak loopt op stap 1. Extra uitleg kan natuurlijk nooit kwaad, maar het hoeft niet.

Vanwege de tax rulings kan er ook aan tax planning gedaan worden. De tax planning houdt in dat er gezocht wordt naar manieren om zo min mogelijk belasting te moeten betalen. Agressieve vormen van tax planning zijn echter omstreden. Het is legaal, maar vaak immoreel omdat de belasting de gemeenschappelijke prijs van beschaving is. Deze prijs moet dus door iedereen gedragen worden, dus een bedrijf wat met schaduwgevallen honderden miljarden wegsluist, is dus immoreel bezig en dit leidt tot discussie.

De politiek is, net als haar kiezers, van mening dat de agressievere vormen van tax planning aangepakt moeten worden. Ook de Europese Unie wil een einde maken aan de fiscale voordelen die de belastingparadijzen bieden. Tot nog toe zijn er vooral veel woorden en weinig daden.

Hoorcollege Week 7

Responsiecollege

Bepaalde zaken komen op elk tentamen terug. Deze zijn geaccentueerd in het responsiecollege en deze worden aangeduid.

Bekend fenomeen zijn de “duo’s”, die vrijwel tegelijk gepresenteerd zijn en toch verschillend zijn. Een klein aantal vragen zal dus ook gaan over het herkennen van de verschillen tussen deze duo’s in een korte tekst. Voorbeelden van duo’s in dit vak zijn fiscale eenheid en deelnemingsvrijstelling, aanslag en aangifte, naheffing en navordering, verzuim en vergrijp. Deze worden hier allemaal, net als in het college, nader behandeld.

Fiscale eenheid en deelnemingsvrijstelling

 

De eerste is het onderscheid tussen de fiscale eenheid en de deelnemingsvrijstelling, omdat deze beiden in de wet vpb staan en dus vrijwel gelijktijdig aan de student geïntroduceerd zijn. Toch zijn ze heel verschillend.

De fiscale eenheid staat in art. 13 vpb. De fiscale eenheid vereist dat een rechtspersoon een aanmerkelijk belang (5%) heeft in een andere rechtspersoon. De belasting die geheven wordt aan de onderneming voor het dividend die deze uitkeert aan de rechtspersoon met een aanmerkelijk belang, wordt van rechtswege toegepast. Geen aanvraag, dat gebeurt gewoon.

De deelnemingsvrijstelling staat in art. 15 vpb. Dit vereist meer dan 5%, namelijk minstens 95% van de aandelen, winstbewijzen of andere zaken die een dergelijke invloed hebben. Dat is dus afwijkend van aanmerkelijk belang of wat de fiscale eenheid vereist. Deze moet aangevraagd worden.

Aangifte en aanslag

 

Alweer twee punten vrijwel tegelijk geïntroduceerd zijn, maar waar toch een scherp onderscheid aanbevolen is.

Aangiftebelastingen staan in hoofdstuk 2 AWR. Hier wordt een uitnodiging gestuurd door de inspecteur om aangifte te doen (verplichte aangifte), die de inspecteur vervolgens controleert. Om naderhand onbelaste inkomensbestanddelen toch te kunnen belasten is geen nieuw feit vereist. Het begrip nieuw feit is irrelevant voor aangiftebelasting. Hiervoor bestaat het instrument naheffing.

Aanslagbelasting staat in hoofdstuk 3 AWR. Hiervoor gaat de inspecteur zelf op onderzoek uit en belast deze de inkomensbestanddelen. Een onbelast inkomensbestanddeel kan alleen na een nieuw feit belast worden, in het kader van rechtszekerheid. Uitzondering staat limitatief opgesomd in art. 16 lid 2 AWR. Het instrument wat hiervoor gebruikt worden is de navordering.

Om te bepalen of een belasting een aangifte- of aanslagbelasting is, staat in de wet. Dat vloeit dus niet voort uit de AWR. Dat kan ook niet, want zo zou de AWR gewijzigd moeten worden bij een nieuwe wet met een geheel nieuwe belastinggrondslag. Hiervoor zijn de artikelen 27 lid 5 LB, 14 OB, 24 lid 1 vpb en 9.1 IB.

Naheffing en navordering

Vervolg op de naheffing en de navordering.

Nieuw feit is irrelevant voor de naheffing.

Navordering vereist een nieuw feit, behoudens uitzonderingen.

Sommige wetsartikelen gaan strikt over naheffing en andere artikelen over navorderingen, dus dit onderscheid scherp uit elkaar houden met aparte kleur markers of omcirkelen in plaats van onderstrepen wordt hier erg aanbevolen, omdat hier zo snel een fout in gemaakt kan worden.

Verzuim en vergrijp

 

Weer een duo samen gepresenteerd met enkele verschillen.

Verzuim is niet betalen, ongeacht opzet of schuld. Dit wordt geschaard als de minder ernstige fiscale delicten (overtredingen). Beboeting is daarom lager. Rechtvaardigingsgronden hebben hier ook geen vat op. Straf bestaat uit betaling met rente.

Vergrijp is opzettelijk of grofschuldig niet betalen. Dit is een misdrijf en de AWR pakt dit dus strenger aan. Strafrecht kan hier ook voor gebruikt worden, maar dan niet samen met fiscaal recht of een bestuurlijke boete (una via-beginsel). Strafrecht is doorgaans nog strenger dan de AWR. Rechtvaardigingsgronden kunnen gebruikt worden, maar alleen avas (afwezigheid van alle schuld). Straf bestaat uit betaling met rente, maar ook gevangenisstraf kan bij vergrijp opgelegd worden.

Bezwaar

 

Bezwaar mag alleen tegen datgeen in art. 26 AWR genoemd staat, namelijk aanslagbelastingen en voor bezwaar vatbare beschikkingen. De aangiftebelastingen zijn dus niet voor bezwaar vatbaar.

 

Aanmerkelijk belang bepalen

 

Een indirect en een direct percentage voor het bepalen van het aanmerkelijk belang moeten worden samengenomen. Zodra er een percentage langskomt lager dan 5% met de bepaling van indirect aanmerkelijk belang, gelijk ophouden met tellen. Verder tellen mag immers niet meer, want daarna wordt het ook geen aanmerkelijk belang meer. Overigens wordt schematiseren uitdrukkelijk aanbevolen.

Box 3

Voor box 3 is het het belangrijkst om te onthouden dat er belast wordt over dat wat er in het begin van het jaar op de rekening staat. Inkomsten later in het jaar doen er niet toe.

Bepaling binnenlands of buitenlandse belastingplichtige (IB)

 

Een binnenlands belastingplichtige wordt belast volgens de artikelen 2.1 lid 1 sub a, dan afhankelijk van de box de artikelen in hoofdstuk 3, 4 en 5.

Een buitenlands belastingplichtige wordt belast volgens de artikelen 2.12 lid 1 sub b, dan artikel 7.1 en afhankelijk van de box afdeling 7.2, 7.3 of 7.4.

Btw en OB

 

Omzetbelasting was een onderwerp wat vorig jaar tentamenstof was, maar dit jaar niet meer. Elke vraag over btw kan worden overgeslagen. Het enige wetsartikel van de wet OB wat gebruikt kan worden is art. 14 OB, wat bepaalt dat de wet OB een aangiftebelasting is.

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
18