Collegeaantekeningen deel 2

In week 6 was er geen hoorcollege en geen werkgroep.


Week 4

Hoorcollege

H.L.A. Hart

Zoals de titel van het artikel dat we deze week moeten lezen al verraadt, gaan we het hebben over het positivisme en de scheiding van recht en moraal.

H.L.A. Hart (1907-1992) is een Britse rechtsfilosoof en schreef deze tekst over de methode van de rechtswetenschap op basis van een lezing die hij had gegeven aan de Harvard Law School. Hij is een rechtspositivist. Na de Tweede Wereldoorlog vonden veel mensen de leer die betoogde dat de wet altijd moet worden gehandhaafd te strikt, daardoor wakkerde de discussie rondom de scheiding van recht en moraal nog meer aan. Zo worden rechtsbeginselen en mensenrechten door sommigen belangrijker gevonden.

Hart verdedigt in zijn artikel het positivisme in de wetenschap. In de Verenigde Staten is de natuurwetenschap de heersende leer, terwijl in het Verenigd Koninkrijk juist het positivisme heerst, wat tot hele verschillende perspectieven leidt. Later kwam zijn boek ‘Concept of Law’ uit waarin hij een analytische benadering van het recht beschrijft.

Filosofen die genoemd worden in het artikel

In zijn artikel haalt Hart veel verschillende filosofen aan en de belangrijkste zetten we hier op een rij.

  • Bentham: hij is de grondlegger van de benadering die Hart verdedigt in zijn artikel, namelijk het utilitarisme. Het utilitarisme wil een bedrage leveren aan het geluk/welzijn van de maatschappij. De ethische bijdrage die hierbij hoort is dat het grootste geluk voor de grootste hoeveelheid mensen wordt gehaald. Goed is wat nut heeft en bijdraagt aan geluk. Je moet volgens hen ook nooit je belangen nastreven ten koste van anderen.
  • Austin: hij treedt in de voetsporen van Bentham en wordt gezien als de grondlegger van het rechtspositivisme - ook hij is een utilist.

Hart gaat hun denkwijzen verdedigen op basis van de scheiding van recht en moraal en verzet zich daarmee tegen natuurrechtaanhangers. Blackstone was zo’n natuurrechtaanhanger die goddelijke en menselijke wetten van elkaar onderscheidde.

  • Holmes: hij is belangrijk geweest voor het rechtersrecht, hij vond namelijk dat het recht belangrijk was door de interpretatie van de rechter. Hij was een Amerikaans realist en schreef heel helder, dus ook al maakte hij fouten, dan kon het wel makkelijk gefalsifieerd worden.
  • Fuller: hij was een natuurrechtsaanhanger en een enorm tegenspreker van Hart, volgens hem waren recht en moraal namelijk intrinsiek verbonden met elkaar. Daarnaast is hij schrijver van juridische sprookjes.
  • Radbruch: hij is de man tegen wie Hart zich richt in zijn artikel. Radbruch werd verdedigd door Fuller, die wel op één lijn zaten. Hij was een Duitse jurist die na de Tweede Wereldoorlog zich afzette van het rechtspositivisme en vond dat we minder naar de wet en meer naar mensenrechten en rechtsbeginselen moesten kijken.
  • Blackstone: volgens hem staan de goddelijke wetten boven de menselijke wetten en moeten de goddelijke wetten daarom ook voorgaan.

Austin verzet zich hier tegen, want volgens hem is een goddelijke wet, geen wet. Je kunt volgens Austin het moraal niet de plaats van het recht laten innemen.

 

Scheiding moraal en recht

Volgens Hart waren Bentham en Austin bovenal liberalen en gebruikten ze het rechtspositivisme alleen maar om het recht te bekritiseren.
De scheiding van het recht en de moraal wordt vaak in verband gebracht met het Nazisme tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat door het rechtspositivisme en die scheiding, mensen zo makkelijk de wetten van Hitler uitvoerden. Volgens Hart klopt deze redenering niet, want in het Verenigd Koninkrijk zou zoiets nooit gebeurd kunnen zijn. Hij dacht juist dat het door de autoriteitsethos van de Duitsers kwam, dat Duitsers nooit hun leider in twijfel zullen trekken (Befehl ist Befehl). Daarom kon het in Duitsland in WOII zo uit de hand lopen, aldus Hart.

Er zijn verschillende manieren om te kijken naar de scheiding tussen moraal en recht.

Een anarchist bijvoorbeeld vindt dat het goddelijke recht boven het menselijke recht staat. Volgens Hart is deze opvatting gevaarlijk, want door je te beroepen op God kun je je onttrekken aan de autoriteit en zijn wetten. Soms is het wel begrijpelijk om je op bijvoorbeeld een mensenrecht te beroepen, maar toch moet je er voorzichtig mee omgaan.
Bentham was ervan overtuigd dat je je moet houden aan de wet van de wetgever en hij vindt mensenrechten dan ook onzin.

Daarnaast kennen we ook nog de conservatief. Hij beredeneert dat omdat iets recht is, je het maar moet navolgen. Hart is het ook hier niet mee eens, want je moet niet zomaar al het recht navolgen (bijv. niet in WOII).

Rechtspositivisme van Bentham

Bentham onderscheidde drie verschillende punten in het rechtspositivisme:

  • de scheiding van recht en moraal
  • analytische benadering van de rechtsconceptie
  • de bevelstheorie van het recht

Deze drie punten hoef je alleen maar in grote lijnen te kennen voor het tentamen. Namelijk dat Hart zich wel kon vinden in de eerste twee punten, maar niet in het laatste punt. Volgens hem hoefde je de bevelstheorie namelijk niet noodzakelijk te verbinden met het rechtspositivisme en Hart neemt het ook niet over, omdat het recht veel meer dan alleen een bevel is, zo kennen we ook het procesrecht bijvoorbeeld.

Interpretatietheorie van het rechtspositivisme

Het is soms lastig om recht en moraal van elkaar te scheiden, een goed voorbeeld daarvoor is wanneer men naar de schaduwgevallen van een begrip kijkt. In het artikel en ook het hoorcollege wordt als voorbeeld gegeven een bord in het park waarop staat: ‘Verboden voor voertuigen’. Sommige kernbegrippen zullen we allemaal tot een voertuig rekenen, zoals een auto. Maar er zijn altijd twijfelgevallen, waarbij men van mening kan verschillen. Volgens Hart hebben critici daar wel een punt, want wanneer rechters over zo’n begrip moeten oordelen, kun je recht en moraal niet helemaal uit elkaar halen. Toch kan je door middel van een standaard het recht uitleggen als rechter, en niet alle standaarden zijn een moraal.
Aangezien de meeste gevallen in het recht de zogenoemde ‘kerngevallen’ betreffen en er maar weinig twijfelgevallen te vinden zijn, moeten we niet te veel focussen op die schaduwgevallen en kan het recht prima van het moraal worden gescheiden.

 

Tweede Wereldoorlog

Er woedt een discussie over welke juridische beschouwing het beste werkt om de voorkomen dat zoiets als het nazisme kan zegevieren. Zodra de wetten namelijk zo worden veranderd dat ze immoreel zijn, hoe moeten burgers daar dan op reageren? Wat biedt in dat geval de meeste waarborgen, het rechtspositivisme of het natuurrechts-denken?

Wanneer een burger bijvoorbeeld in de Tweede Wereldoorlog iets heeft gedaan, wat volledig in lijn was met de toen geldende wetten, maar in strijd met het moraal, en dat na de oorlog in strijd is met de wet, hoe moet je zo iemand dan behandelen?

Een natuurrechtaanhanger zou zeggen, dat je zo iemand moet veroordelen, omdat de wet die het feit legaal maakte in de oorlog, op het moment van berechting niet meer geldt. En er moet gehandeld worden naar de wet die op het moment van berechting geldt.

Een rechtspositivist zou de burger echter vrijuit lagen gaan, want een wet is een wet en dat moet je los zien van de moraal.

Hart is echter van mening dat je na de oorlog een wet zou moeten maken die met terugwerkende kracht het feit illegaal maakt, dat is volgens hem de beste oplossing.

Werkgroep

Utilitarisme

Utilitas betekent kortgezegd nut. Hume was de eerste utilitarist. Voor het recht betekent deze stroming dat het recht niet intrinsiek verbonden is met het moraal. Het recht werkt volgens hen slechts als instrument ter handhaving van de orde. Het utilitarisme kent ook een ethische de kant, namelijk dat de som van alle plezier moest worden verminderd met de som van alle pijn en de uitkomst dan positief zou moeten zijn.

Jeremy Bentham was ook een utilitarist en hij vond dat pijn en genot de enige belangrijke waarden van de mens waren. Hieruit komt ook de nutsregel voort: goed is wat de grootste hoeveelheid geluk voor de grootste hoeveelheid mensen oplevert. Het gaat daarbij niet om je daden, maar om de consequenties die daaraan verbonden zijn.

Scheiding recht en moraal

John Austin zei dat het utilitarisme wel degelijk een moraal had, namelijk het geluk. Austin doet afstand van alle moraal met betrekking tot het recht, dus ook van de utilitaristische moraal. Hij was de eerste rechtspositivist. Alle analyses die hij maakte, van regels, strafsancties en degene die de regels maakt, dat deed hij allemaal zonder morele waardering. Het rechtspositivisme komt wel voort uit het utilitarisme.

Hij vindt dus ook dat het rechtssysteem van het nazisme, wel degelijk een rechtssysteem is, wat lang niet alle filosofen vinden, want zodra je ook vindt dat wetten moreel moeten zijn, is het moeilijk te betogen dat in de tijd van het nazisme een rechtssysteem bestond.

Een rechtsstaat houdt in dat niet alleen burgers, maar ook de overheid wordt beperkt door het recht. En je hoeft geen natuurrechtsaanhanger te zijn om de rechtsstaat te kunnen verdedigen, ook vanuit de scheiding van recht en moraal kun je de rechtsstaat verdedigen.

Wanneer je bijvoorbeeld naar slaven gaat kijken vanuit de utilitaristische ethiek, dan zou je ze zo moeten behandelen dat ze meer plezier dan pijn ervaren. In die tijd was dat een totaal ander perspectief dan men gewend was om bijvoorbeeld naar slaven te kijken. In onze tijd, is dat niet meer dan normaal, maar als je die lijn door zou trekken, zou je er bijvoorbeeld ook voor moeten zorgen dat dieren meer plezier dan pijn ervaren. Hierdoor wordt de morele cirkel uitgebreid.

Toetsing aan hoger recht

Volgens Blackstone waren recht en moraal één en stond het goddelijke recht ook boven het menselijke recht. Bentham was het daar niet mee eens, hij was een rechter in de 18e eeuw en natuurrechtaanhanger en vond dat het recht van God geen juridische status zou moeten hebben in de menselijke wereld.

In Nederland worden wetten niet aan de Grondwet getoetst, omdat de rechter niet op de ‘stoel van de wetgever zou moeten zitten’, alhoewel deze bepaling nu irrelevant is, aangezien er wel aan verdragen mag worden getoetst. In de Verenigde Staten mag daarentegen wel aan het hoger recht worden getoetst, maar wel aan het hogere recht dat door mensen is geformuleerd. Blackstone pleitte ook voor toetsing aan een hoger orgaan, maar dan, verrassing, aan de wetten van God. De grondwettelijke toetsing komt wel voort uit zijn idee dat wetten getoetst zouden moeten worden aan ‘hoger recht’.

Rechtspositivisme

Het kenmerk van de rechtspositivisten is dat ook immorele wetten, wetten zijn. Utilitaristen denken daar overigens hetzelfde over. De bron voor het recht was aanvankelijk rechtvaardigheid, maar daar wordt nu anders over gedacht. Zo kan worden betoogd dat God de bron van het recht is (Augustinus), of de natuur van de mens (Aquino), of de instemming van de burger (contractfilosofen). Aquino vindt daarom dan ook dat een immorele wet een perversie van de wet is.

Hart was het eens met de rechtspositivisten wanneer zij de scheiding tussen recht en moraal verdedigde, ook kon hij zich vinden in de analytische benadering van rechtsconcepten. Maar de bevelstheorie van het recht, dat kon hij niet verdedigen en wel om de volgende redenen. Hij vond het een te simplistische gedachte, volgens hem was het recht niet slechts te begrijpen als een bevel, omdat het recht meer doet dan louter verbieden. Het recht is soms ook normatief van aard en kan daarnaast bevoegdheden scheppen.

Problems of the penumbra

Critici, natuurrechtaanhangers, stellen vaak dat de ‘problems of the penumbra’ de scheiding tussen recht en moraal onderuit konden halen, maar zo zag Hart dat niet. De problems of the penumbra zijn overigens de grijsgebieden in het recht. Die gevallen waar een betekenis van een begrip op verschillende manieren geïnterpreteerd kan worden. Zaken waarbij het niet duidelijk is wat het recht is en de rechter dat moet toepassen. Daaruit concluderen natuurrechtsaanhangers dat de rechter toch moraal moet gebruiken om recht te spreken.

Hart erkent dat er wel grijsgebieden zijn, maar dat betekent niet dat er alléén maar grijsgebieden zijn, want er is wel degelijk een kern. En bij die kerngevallen hoeft niet naar de bedoeling van de regel te worden gekeken en als men zich daaraan vast houdt, hoeven de penumbra gevallen geen probleem te zijn.

Radbruch was een Duitse jurist die voor de Tweede Wereldoorlog een rechtspositivist was, maar zich na WOII bij de natuurrechtaanhangers voegde. Hij vond toch dat je recht moest toetsen aan moraal, want anders krijg je dat men zomaar alle wetten volgt (Befehl ist Befehl). Alhoewel je volgens Hart immorele wetten niet hoeft te volgen.

Week 5

Hoorcollege

Clifford – The Ethics of Belief

In dit college zal er vooral gefocust worden op de tekst van Clifford, het andere artikel is ook belangrijk, maar daar zal minder aandacht aan worden besteed, omdat de tekst van Clifford erg interessant is.

William Kingdon Clifford is slechts 33 jaar oud geworden, maar heeft in zijn korte leven veel bereikt. Hij was een wiskundegenie en een kritisch denker, hij wilde altijd alle dingen onderzoeken. Ook had hij kritiek op pretentieus denken.

Het artikel The Ethics of Belief dat we moesten lezen, staat in het boek Lectures and Essays (1879). De titel geeft, zoals wel vaker het geval is, goed de essentie weer. Het gaat echter niet over de ethiek van het geloof als in religie, maar over de ethische aanvaardbaarheid van geloof. Hij veronderstelt dan ook niet dat er wel of geen ethiek te vinden is in religies, maar het stelt zichzelf de vraag of het er kan zijn.

De centrale zin in zijn essay is: ‘It is wrong, always, everywhere, and for anyone, to believe anything upon insufficient evidence.’ Daarin leeft Clifford voort, veel mensen kennen hem alleen van die zin. Het komt er dus op neer dat je niets zomaar voor waar mag aannemen en dat dat voor iedereen, altijd en overal geldt. Dit geldt met name voor de wetenschap, maar ook in de rechtspraak, en voor gewone mensen (samenleving als geheel). Alle overtuigingen moeten kritisch doorgelicht worden. Wanneer je niet actief kritisch nadenkt, ben je de democratie niet waard, aldus Clifford. Deze gedachte komt voort uit het verlichtingsideaal van de 18e eeuw.

Waarheid

Clifford was alleen maar bezig met de waarheid vinden, dat was zijn ultieme doel. Kennis vergaren zou ook het ultieme doel moeten zijn van studenten. Hij was tegen de grotmythe van Plato en kon zich meer vinden in de gedachten van Aristoteles. Kennis is een doel op zichzelf in deze wereld en om die kennis te vinden, moeten we methodisch te werk gaan.
Er is volgens hem maar één juiste methode om kennis te vergaren en die is voor alle soorten kennis gelijk (natuur- en sociale wetenschappen bijvoorbeeld). Dat is geen vanzelfsprekende veronderstelling en gaat tegen hermeneutiek in, maar is verwant aan het positivisme. Metafysica en theologische problemen bijvoorbeeld zouden volgens hem met dezelfde vrijheid moeten worden bediscussieerd.

Dat zou dus overal op aarde moeten kunnen, blijkt uit zijn centrale zin in het essay, maar dat is natuurlijk zeker niet het geval. Kijk maar naar Saoedi-Arabië, waar een blogger een enorme straf heeft gekregen (1000 stokslagen en 10 jaar gevangenisstraf) omdat hij zijn mening in een blog had verkondigd waarin hij kritische vragen stelden over sommige praktijken in Saoedi-Arabië.

Betrouwbare kennis

Dan vraag je je waarschijnlijk af: wanneer is geloof of vertrouwen dan wel verantwoord? Dat is alleen maar het geval als je voldoende bewijsmateriaal hebt voor datgene wat je gelooft. Wanneer je dat bewijs niet hebt, is het immoreel om er toch in te geloven. In het artikel wordt een voorbeeld aangehaald, dat ook in het college wordt besproken.

Het gaat daarbij om een reder die zijn schip de zee opstuurt, terwijl hij twijfelt over de zeewaardigheid van het schip. Maar hij denkt: ‘ach, het schip heeft het al zolang gedaan, het zal nu ook wel goedkomen’. Maar het schip vergaat. Door zijn goede geloof in het schip, is de reder schuldig aan de dood van de mensen. Zijn geloof was namelijk niet gebaseerd op bewijs of goed onderzoek, maar op de twijfels die hij had te onderdrukken. Hij is verantwoordelijk, omdat hij niet alles heeft gedaan om te onderzoeken of het schip wel echt zeewaardig was. Zijn geloof was dus niet verantwoord, en het geloof dat je in iets hebt, moet altijd gefundeerd zijn. Het is daarom ook belangrijk om je te realiseren, dat het niet uitmaakt of het schip wel of niet was vergaan. Want ook als het schip wel de tocht had overleefd, was zijn geloof nog steeds niet gerechtvaardigd geweest, want het was niet gebaseerd op bewijsmateriaal en onderzoek.

Geloof is nooit een privéaangelegenheid, daarom mag je niet alles geloven wat je wilt. Mensen handelen op basis van iemand anders geloof, dus als mensen verkeerde dingen geloven, kan dat consequenties hebben voor de samenleving.

 

Burke

Burke, een Iers politicus en de vader van het conservatisme, geloofde in de diepere betekenis van tradities, want die overleven al generaties, dus hebben zich al bewezen. Door schaven en veilen aan tradities, kom je steeds verder. De volgende opvatting van Clifford, noemt Cliteur dan ook een ‘Burkiaans’ element, want het lijkt op de gedachte van Burke.

Clifford: onze opvattingen zijn gemeenschappelijk, en worden steeds meer geperfectioneerd, omdat steeds anderen er naar kijken en ze een beetje aanpassen. Toch zijn er ook verschillen tussen de opvattingen van die twee. Clifford legt meer de nadruk op botsingen van meningen, want volgens hem kan een vrij gevoerd debat ons verder brengen

Traditie en autoriteit

Je bent verantwoordelijk voor je eigen gedachten, want het denken staat in dienst van de mensheid. Wanneer heb je het recht om iets te geloven? Door lange ervaring moet een geloof zich hebben bewezen, en je moet vrij en kritisch vragen kunnen stellen over dat geloof. Ook ‘gewone’ mensen zouden aan hun kinderen deze gedachte mee moeten geven, want het is niet uitsluitend voor wetenschappers weggelegd.

Wanneer je een bepaalde overtuiging hebt, moet je altijd openstaan voor dingen die je overtuiging onderuit kunnen halen. Stel dat iemand met een boek aankomt, waarin jouw geloof onderuit wordt gehaald, zou je dat wel moeten lezen. Je oren sluiten voor tegenovergesteld bewijsmateriaal, dat is een zonde voor de mensheid.

Clifford speelt ook religies tegen elkaar uit, want er zijn zoveel religies dat ze niet allemaal waar kunnen zijn. In elkaars perspectief kunnen ze natuurlijk niet gelijk hebben. Vanuit Boeddha kan Allah niet bestaan en andersom, dus ze kunnen niet allebei echt zijn. Je kan dan ook niet zomaar naar een leider (bijvoorbeeld de dalai lama) luisteren, tenzij er redelijke bewijzen zijn dat de leider weet waar hij het over heeft.

Maar je mag wel op autoriteit vertrouwen, bijvoorbeeld op een dokter. Want een dokter doet dezelfde aanbevelingen die zijn collega ook zou doen. Tenzij de dokter een kwakzalver is, en buiten de medische wetenschap staat. Ook kan je eventueel zelf op internet zoeken of het klopt wat de dokter heeft gezegd.
De Dalai lama daarentegen zegt iets, wat anderen juist tegenspreken, daarom mag je niet op zijn autoriteit vertrouwen.

De gemeenschappelijke ervaring van de mensheid is een goede fundering voor een geloof. Generalisaties zijn namelijk de basis van de wetenschap, en op basis van de uniformiteit van de natuur, mag je generalisaties voor de toekomst maken.

 

Werkgroep

W.K. Clifford

De afgelopen tijd hebben we besproken waar kennis vandaan komt en onszelf de vraag gesteld wat de grondslag is van het kennen, rationalisme of empirisme? Deze week gaan we daar dieper op in, namelijk waar die rationele overtuigingen überhaupt vandaan komen. Het artikel dat we deze week moesten lezen is geschreven door Clifford, die tot de stroming van de evidentialisten hoort. Zij proberen antwoord op die vraag te vinden en ook hoe je een rationale overtuiging kunt ontwikkelen en hoe je een al bestaande overtuiging rationaal kunt funderen. Veel mensen geloven nu eenmaal in iets (weersvoorspelling, God) zonder dat ze dat rationeel kunnen beredeneren.

Het principe van Clifford is dat het onjuist is (sommigen zeggen irrationeel) om iets aan te nemen dat je helemaal niet toereikend kunt bewijzen. Je zou idealiter een oordeel moeten vellen over het bewijs en vanuit dat bewijs een geloof moeten creëren.

Er schuilt volgens hem een groot gevaar in een geloof dat niet is gebaseerd op rationaliteit. Je moet namelijk onthouden dat je geen idee hebt wat de invloed is van zo’n overtuiging op jezelf. Daarnaast is niemand helemaal alleen en ben je deel van een groter geheel, dus de kans dat anderen jouw ‘rare’, onjuiste ideeën overnemen is aanwezig en daar moet je voor oppassen.

Kritiek op Clifford

Toch waren er ook mensen die kritiek hadden op Clifford, zoals William James, die het boek ‘De wil tot geloven’ schreef. Er zijn namelijk twee soorten levensovertuigingen. De negatieve variant slaat dan op Clifford met het evidentialisme. De roep naar rationele funderingen voor een geloof leidt namelijk ook tot behoedzaamheid en de angst om fouten te maken. De aanhangers van de positieve levensovertuiging zijn al tevreden met de bereikbare waarheid, zij willen best risico lopen en blind vertrouwen op iemand of een geloof.

De ethiek van het geloof

Waar moet een geloof dan aan voldoen om rationeel te zijn? Er zijn drie vereisten, waarvan de eerste inhoudt dat je de waarheid moet proberen te vertellen, dus dat je niet moet liegen, maar geloofwaardig overkomen. Daarnaast moet je natuurlijk wel kennis hebben over het feit en ook de mogelijkheid hebben gehad om die kennis te vergaren. Als laatste moet uit die kennis een goed oordeel geveld worden, de conclusie moet logisch volgen. Je zou ook nog kunnen zeggen dat de juiste kritische vragen stellen, tot een voorwaarde behoort.

Vaak vertrouwen we automatisch op tradities of autoriteit. Omdat het al eeuwen of generaties wordt doorgegeven, zal het wel waar zijn, maar dat soort informatie zouden we steeds weer opnieuw moeten uittesten. Om op een autoriteit te vertrouwen is dan al beter, een jurist zal wel weten waar hij het over heeft als hij iets over het recht zegt. Het is ook je natuurlijke instinct om daarop te vertrouwen, daar kun je moeilijk tegen vechten. Toch is het belangrijk dat je zo’n autoriteit alleen maar kunt vertrouwen over kennis dat daadwerkelijk in zijn straatje ligt. Zodra een jurist medisch advies gaat geven, is het tijd om daar vraagtekens bij te zetten.

Laudan

Het andere artikel dat we moesten lezen is ‘Is reasonable doubt reasonable?’ van Laudan. Hij is een wetenschapsfilosoof en aanhanger van het pragmatisme. Daarnaast geeft hij graag kritiek op het positivisme en relativisme. Hij heeft veel geschreven over het principe van ‘beyond a reasonable doubt’, dat afgekort wordt als BARD. Deze term werd namelijk gehanteerd in het Amerikaans rechtssysteem waarbij de jury beyond a reasonable doubt overtuigd moest zijn van de schuld van de verdachte.

De geschiedenis van het schuldprincipe is, in het kort, als volgt:

  • De presumptie van onschuld – heel vroeger moest zeker vaststaan dat iemand schuldig was. De straffen waren vroeger dermate streng dat het tamelijk belangrijk was of iemand echt schuldig was.
  • Door het denken van de Verlichting kwam men erachter dat de mens nooit helemaal zeker kan zijn van zijn zaak, daarom werd er over gegaan op de ‘morele zekerheid’ die gebaseerd was op betrouwbaar bewijs. Bij morele zekerheid mag geen sprake zijn van rationele twijfels.
  • In 1850 kwam het BARD-criterium op.

 

Beyond A Reasonable Doubt

Maar tegenwoordig wordt ook het BARD-criterium niet meer gehanteerd, want het zou leiden tot morele waardeoordelen en niet tot redelijke twijfel. Daarmee viel de filosofische fundering weg van BARD.

Het probleem met BARD was onder andere dat er geen universele definitie bestond over was het nu precies inhield. Grofweg waren er maar liefst vijf verschillende uitleggen van het criterium. Op al deze vijf interpretaties, was natuurlijk kritiek.

  • ‘De analogie met belangrijke levensbeslissingen’: maar grote levensbeslissingen worden in onzekere omstandigheden genomen en die omstandigheden zijn altijd een bron van twijfel.
  • ‘Redelijke twijfel waardoor een redelijk mens aarzelt’: maar redelijke twijfels zijn niet de enige twijfels die ons doen twijfelen, soms ook twijfelen we, terwijl er rationeel gezien een duidelijke uitkomst is.
  • ‘Het hebben van een aanhoudende overtuiging’: maar overtuiging heeft niets met rationaliteit te maken.
  • ‘Twijfel op grond van een reden’: maar soms twijfelen we over iets zonder dat we kunnen beredeneren waarom precies en wanneer dat het geval is, kunnen we al helemaal niet beoordelen of die twijfel rationeel is of niet.
  • ‘De mate van waarschijnlijkheid dat de verdachte schuldig is’: maar dat is erg onzeker. Discussie wanneer je tot bewezenverklaring kunt komen.

Het probleem is ook dat bij al deze definities niet hetzelfde idee ten grondslag ligt.

Laudan pleit dan ook dan we af moeten van het BARD criterium en we voor minder ernstige misdrijven de civielrechtelijke standaard moeten gebruiken.

Toch kan er ook worden betoogd dat het positief is dat BARD een vaag principe is, immers zijn veel begrippen in het recht expres vaag opgesteld, zodat ze naar tijd en plaats kunnen worden geïnterpreteerd.

 

 

 

 

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
21