Collegeaantekeningen Bestuursrecht


Hoorcollege 1. 31-03-15

Bevoegdheidstoedeling

Bestuursbevoegdheid kent twee definities. De ruime definitie is: juridisch vermogen om op grond van het recht het algemeen belang te behartigen. De definitie die de awb geeft is: de bevoegdheid tot het nemen van besluiten (1:3 awb). De awb biedt geen algemene bevoegdheid. De bevoegdheid moet volgen uit wettelijke regels. Dit is eigenlijk het legaliteitsvereiste. Ingrijpen in rechten van burgers is alleen toegestaan als het berust op een wettelijke grondslag.
Er bestaan drie manieren van bevoegdheidsverkrijging.

1.Attributie

Attributie is de bevoegdheid in het leven roepen door de overheid en toekennen aan een bestuursorgaan. Er wordt geattribueerd bij wettelijk voorschrift. Er is dus een wetgevende bevoegdheid nodig.

2.Mandaat

De definitie van mandaat is te vinden in artikel 10:1 awb. Een mandaat kan zowel schriftelijk als mondeling verkregen worden. Er is geen wettelijke grondslag vereist. Een mandaat kan tevens aan zowel een ondergeschikte als niet ondergeschikte worden verleend. In de praktijk is het verlenen van een mandaat aan een ondergeschikte het meest gebruikelijk.

3.Delegatie

De definitie van delegatie is te vinden in artikel 10:13 awb. Er wordt gedelegeerd bij besluit. Een wettelijke grondslag is hiervoor vereist. Delegatie aan een ondergeschikte is niet toegestaan.

Belanghebbende (1:2 awb)

Een adressaat van een besluit is altijd belanghebbende. Een feitelijk belang hebben is al voldoende om een belanghebbende te zijn in een zaak. Degene die derde-belanghebbenden zijn, moeten aan bepaalde criteria voldoen. Het moet ten eerste objectief bepaalbaar zijn, is het persoonlijk, eigen, rechtstreeks en actueel. In de jurisprudentie zijn nog een tweetal steuncriteria ontwikkeld. Dit heeft vooral te maken met besluiten van ruimtelijke ordening. Het eerste criterium is nabijheid en het tweede criterium is zicht.

Rechtspersonen kunnen ook belanghebbende zijn als zij algemene/collectieve belangen behartigen. De vereisten zijn dat er rechtspersoonlijkheid is, dat er een algemeen belang behartigd wordt, er moet een statutaire doelstelling zijn, er moeten feitelijke werkzaamheden verricht worden en de behartiging moet bijzonder zijn. Dit zijn cumulatieve eisen.

Hc 2, 7-4-15

Bestuurlijke beslissingsruimte

Er bestaan twee fasen om te kijken of er voldaan is aan het beslissingsruimte. De eerste fase is de beoordelingsfase. Hier wordt gekeken of er is voldaan aan de toepassingscriteria voor het kunnen nemen van het besluit. Er zijn dan nog twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat er geen beoordelingsruimte is (komt zelden voor). De tweede mogelijkheid is dat er wel een beoordelingsruimte is en die is ook weer verdeeld in twee categorieën. De eerste is de objectieve beoordelingsruimte en de tweede is beoordelingsvrijheid. De eerste vorm is een vage maar objectieve norm en de tweede is een subjectieve vage norm. Denk bij de laatste aan uitdrukkingen als ‘naar het oordeel van’ e.d.

De tweede fase is de besluitfase. Hierbij wordt er gekeken hoeveel beslissingsruimte het bestuursorgaan dan nog heeft ten aanzien van de inhoud van een besluit. Weer twee mogelijkheden. Ten eerste geen beleidsruimte en ten tweede beleidsvrijheid. Wanneer beide ontbreken dan spreken we van een bevoegdheid zonder beslissingsruimte.

Bestuurshandelingen

Het besluit begrip is van belang hierbij, onder meer voor de toepasselijkheid van de AWB regels en voor de rechtsbescherming van artikel 8:1 AWB. Wat er onder een besluit wordt verstaan is te vinden in artikel 1:3 AWB. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Om een besluit vast te kunnen stellen, zijn er 5 criteria die in acht genomen moeten worden. De criteria zijn: schriftelijk, beslissing, bestuursorgaan, rechtshandeling en publiekrechtelijk. Bij het criterium publiekrechtelijk gaat het om krachtens wettelijk voorschrift toegekende exclusieve bevoegdheid. Relevant is de aard van de bevoegdheid niet de plaats. De exclusieve bevoegdheid ziet op de bevoegdheden die alleen de overheid toekomen. Aan het criterium rechtshandeling wordt voldaan, zodra er een verandering in rechten en plichten plaatsvindt. Bij een beslissing moet je vooral kijken of er een standpunt wordt ingenomen of dat er een knoop wordt doorgehakt.

In hetzelfde artikel is ook een gelijkstelling met een besluit te vinden. Kijkend naar lid 2 zie je dat een afwijzing van een aanvraag van een beschikking ook een besluit is. Dit wordt ook wel een wettelijke gelijkstelling met een besluit genoemd. Er zijn in de wet nog wel een aantal van dit soort gevallen te vinden. Er zijn ook nog een drietal gelijkstellingen die uit de jurisprudentie voortkomen. De eerste is een bestuurlijk rechtsoordeel, de tweede is een gedoogbesluit en de derde is een verzoek om informatie als de verstrekking een wettelijke grondslag heeft. Bij een bestuurlijk rechtsoordeel moet je denken aan een zelfstandig bedoeld oordeel betreffende de toepasselijkheid van een wettelijk voorschrift.

Soorten besluiten

Er zijn twee soorten besluiten. Ten eerste zijn er de beschikkingen en ten tweede zijn er de besluiten van algemene strekking. Een beschikking is een besluit dat niet van algemene strekking is. Een besluit van algemene strekking is te verdelen in algemeen verbindend voorschrift, beleidsregels, plannen, concrete besluiten van algemene strekking en overige besluiten van algemene strekking.

Een algemeen verbindend voorschrift is een naar buiten werkende bindende regel die uitgaat van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent.

Een beleidsregel is een bij besluit vastgestelde algemene regel betreffende de afweging van belangen, de vaststelling van feiten en de uitleg van wettelijke voorschriften. De definitie is ook te vinden in artikel 1:3 lid 4 AWB.

Een plan is een samenhangend geheel van op elkaar afgestemde concrete beleidskeuzes. Dit heeft betrekking op de te nemen besluiten of te verrichten andere handelingen van de bestuursorgaan.

Een concreet besluit van algemene strekking spitst de algemeen verbindend voorschrift toe op plaats en tijd. Het is geen zelfstandige normstelling daar waar een algemeen verbindend voorschrift dat wel is.

Als het gaat over overige besluiten van algemene strekking dan moet je vooral denken aan besluiten tot onder andere goedkeuring, schorsing, vernietiging etc. van een algemeen verbindend voorschrift of beleidsregel. 

Hoorcollege 2. 07-04-15

Bestuurlijke beslissingsruimte

Er bestaan twee fasen om te kijken of er voldaan is aan het beslissingsruimte. De eerste fase is de beoordelingsfase. Hier wordt gekeken of er is voldaan aan de toepassingscriteria voor het kunnen nemen van het besluit. Er zijn dan nog twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat er geen beoordelingsruimte is (komt zelden voor). De tweede mogelijkheid is dat er wel een beoordelingsruimte is en die is ook weer verdeeld in twee categorieën. De eerste is de objectieve beoordelingsruimte en de tweede is beoordelingsvrijheid. De eerste vorm is een vage maar objectieve norm en de tweede is een subjectieve vage norm. Denk bij de laatste aan uitdrukkingen als ‘naar het oordeel van’ e.d.

De tweede fase is de besluitfase. Hierbij wordt er gekeken hoeveel beslissingsruimte het bestuursorgaan dan nog heeft ten aanzien van de inhoud van een besluit. Weer twee mogelijkheden. Ten eerste geen beleidsruimte en ten tweede beleidsvrijheid. Wanneer beide ontbreken dan spreken we van een bevoegdheid zonder beslissingsruimte.

Bestuurshandelingen

Het besluit begrip is van belang hierbij, onder meer voor de toepasselijkheid van de AWB regels en voor de rechtsbescherming van artikel 8:1 AWB. Wat er onder een besluit wordt verstaan is te vinden in artikel 1:3 AWB. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Om een besluit vast te kunnen stellen, zijn er 5 criteria die in acht genomen moeten worden. De criteria zijn: schriftelijk, beslissing, bestuursorgaan, rechtshandeling en publiekrechtelijk. Bij het criterium publiekrechtelijk gaat het om krachtens wettelijk voorschrift toegekende exclusieve bevoegdheid. Relevant is de aard van de bevoegdheid niet de plaats. De exclusieve bevoegdheid ziet op de bevoegdheden die alleen de overheid toekomen. Aan het criterium rechtshandeling wordt voldaan, zodra er een verandering in rechten en plichten plaatsvindt. Bij een beslissing moet je vooral kijken of er een standpunt wordt ingenomen of dat er een knoop wordt doorgehakt.

In hetzelfde artikel is ook een gelijkstelling met een besluit te vinden. Kijkend naar lid 2 zie je dat een afwijzing van een aanvraag van een beschikking ook een besluit is. Dit wordt ook wel een wettelijke gelijkstelling met een besluit genoemd. Er zijn in de wet nog wel een aantal van dit soort gevallen te vinden. Er zijn ook nog een drietal gelijkstellingen die uit de jurisprudentie voortkomen. De eerste is een bestuurlijk rechtsoordeel, de tweede is een gedoogbesluit en de derde is een verzoek om informatie als de verstrekking een wettelijke grondslag heeft. Bij een bestuurlijk rechtsoordeel moet je denken aan een zelfstandig bedoeld oordeel betreffende de toepasselijkheid van een wettelijk voorschrift.

Soorten besluiten

Er zijn twee soorten besluiten. Ten eerste zijn er de beschikkingen en ten tweede zijn er de besluiten van algemene strekking. Een beschikking is een besluit dat niet van algemene strekking is. Een besluit van algemene strekking is te verdelen in algemeen verbindend voorschrift, beleidsregels, plannen, concrete besluiten van algemene strekking en overige besluiten van algemene strekking.

Een algemeen verbindend voorschrift is een naar buiten werkende bindende regel die uitgaat van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent.

Een beleidsregel is een bij besluit vastgestelde algemene regel betreffende de afweging van belangen, de vaststelling van feiten en de uitleg van wettelijke voorschriften. De definitie is ook te vinden in artikel 1:3 lid 4 AWB.

Een plan is een samenhangend geheel van op elkaar afgestemde concrete beleidskeuzes. Dit heeft betrekking op de te nemen besluiten of te verrichten andere handelingen van de bestuursorgaan.

Een concreet besluit van algemene strekking spitst de algemeen verbindend voorschrift toe op plaats en tijd. Het is geen zelfstandige normstelling daar waar een algemeen verbindend voorschrift dat wel is.

Als het gaat over overige besluiten van algemene strekking dan moet je vooral denken aan besluiten tot onder andere goedkeuring, schorsing, vernietiging etc. van een algemeen verbindend voorschrift of beleidsregel. 

 

Hoorcollege 3 14-4-15

Bestuursrechtelijke rechtsbescherming

In het bestuursrecht bestaan er vier vormen van rechtsbescherming. De eerste vorm is bescherming op basis van een voorziening bij het orgaan zelf, bezwaar is hier een voorbeeld van. De tweede vorm is een voorziening instellen bij een ander orgaan, bijvoorbeeld administratief beroep. De derde vorm is de voorziening bij de bestuursrechter en als laatste kan je nog een voorziening instellen bij een andere rechter, met name de burgerlijke rechter.

Voor een democratische rechtsstaat is het essentieel dat er bescherming bestaat tegen de overheid. Waarom is er een bestuursrecht?

De overheid moet zich aan andere normen houden dan burgers en kent daarom ook een afzonderlijk procesrecht.

Bestuursrechters zijn onder andere de bestuursrechtelijke kamers van de rechtbanken en de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Nog andere belangrijke bestuursrechters zijn ook de Centrale Raad van Beroep en College van Beroep voor het bedrijfsleven. Deze laatste twee colleges gaan alleen over zaken in eerste aanleg.

 

Bevoegdheid

Men kan een beroep instellen tegen besluiten als bedoeld in 1:3 AWB. Er zijn uitzonderingen waarop dus geen beroep open staat. Om welke besluiten dat gaat, is te vinden in de artikel 6:3, 8:3, 8:5 en 8:6 AWB.
Het voorgaande is samen te vatten in een stappenplan (welke mogelijkheden staan er open?). Deze bevat 5 stappen. De eerste stap is om te kijken of de bijzondere wet iets regelt. De tweede stap is dan om te kijken of er een beroep mogelijk is bij de bestuursrechter, 8:1 en 8:6. De derde stap is als beroep mogelijk is om dan een bezwaarschrift op te stellen, 7:1. De vierde stap is vervolgens hoger beroep, 8:104 en 8:105. En als laatste stap geldt als er geen beroep mogelijk is, dan kan er nog een actie bij de burgerlijke rechter ingesteld worden.

 

Rechtsbescherming burgerlijke rechter

De burgerlijke rechter kan op twee manieren in beeld komen. De eerste is als het gaat om niet appellabele handelingen en de tweede is als het gaat om appellabele besluiten. Bij niet appellabele handelingen moet je denken aan handelingen die geen besluiten zijn, de handeling is wel een besluit maar kan geen beroep tegen ingesteld worden en wanneer de eiser geen belanghebbende is.
Wanneer het gaat om appellabele handelingen dan is de burgerlijke rechter altijd bevoegd. Hierbij moet wel gelet worden op het feit of de eiser niet ontvankelijk is. Als de eiser namelijk nog bezwaar of beroep kan instellen dan heeft de bestuursrechter voorrang. Wanneer de eiser bijvoorbeeld te laat is om beroep in te stellen, is de burgerlijke rechter wel bevoegd, maar zal dan uitgaan van de formele rechtskracht van de rechtmatigheid van het besluit. Dit is bepaald in het arrest Heesch-Van den Akker. In bepaalde gevallen kan een uitzondering bestaan op de leer van de formele rechtskracht (komt zelden voor). Een andere variant is dat als de bestuursrechter wel een uitspraak heeft gedaan, de burgerlijke rechter zich dan conformeert aan het oordeel van de bestuursrechter (arrest Van Gog/Nederweert).

 

Normering

In het algemeen wordt bestuurshandelen genormeerd door geschreven en ongeschreven recht. Uit hoofdstuk 2 van de AWB volgt een vijftal punten die van toepassing zijn op alle handelingen van de bestuursorgaan. Van toepassing zijn:

  1. bijstand en vertegenwoordiging,

  2. doorzendplicht,

  3. onpartijdigheid,

  4. geheimhouding en

  5. taal.

 

De normen die in hoofdstuk drie staan zijn van toepassing op besluiten en de normen die in hoofdstuk vier staan, zijn van toepassing op bijzondere besluiten (subsidies bijvoorbeeld). Bij de normering door ongeschreven recht, moet je vooral denken aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

 

Wijziging en intrekking beschikkingen

Om begunstigende beschikkingen te wijzigen of in te trekken, heb je vaak een wettelijke grondslag nodig. Toch is de grondslag niet een hard vereiste. Wanneer het namelijk gaat om een beleidswijziging of omdat er gewijzigde omstandigheden zijn, heb je geen grondslag nodig. Deze heb je ook niet nodig bij wijze van herstelsanctie, wanneer onjuiste gegevens zijn aangeleverd of als de beschikking onjuist is. Bij wijze van een bestraffende sanctie heb je wel weer een grondslag nodig.

Of de wijziging/intrekking geoorloofd is, dien je te toetsen aan twee punten. Ten eerste moet je kijken naar de toepasselijke regelgeving. Ten tweede ga je naar het materiële rechtszekerheidsbeginsel kijken. Betreffende beleidsinzichten wordt er slechts ex nunc getoetst. Er moet sprake zijn van een redelijke overgangstermijn en er kan een eventuele compensatie plaatsvinden. Bij verstrekking van onjuiste gegevens mag er ex tunc getoetst worden en als het gaat om een fout van de bestuursorgaan, wordt er vaak een compensatie aangewezen als de fout niet kenbaar was.

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.