Arresten vennootschaps- en rechtspersonenrecht


Hovuma/Spreeuwenberg, HR 14 maart 2003, NJ 2003, 327

 

Feiten

In deze zaak ging het om de vraag of een Commanditaire Vennootschap met één beherend vennoot een afgescheiden vermogen had. Hovuma Magazijninstellingen BV had hier cassatie ingesteld tegen Spreeuwenberg Beheer BV.

 

Casus

Spreeuwenberg was beherend vennoot bij commanditaire vennootschap Spreeuwenberg Magazijninrichting. Deze commanditaire vennootschap verkocht al haar activa aan Hovuma. Roggeveen, een verkoper, had een belangrijke rol in de CV en hij weigerde na de overdracht bij Hovuma in dienst te treden. In verband hiermee werd de verkoopprijs van genoemde transactie van ƒ 400 000 verminderd tot ƒ 100 000. Aan die vermindering van de koopprijs werd in de overeenkomst in art 11 een door Hovuma verschuldigde boete ad ƒ 300 000 verbonden voor het geval dat Roggeveen binnen twee jaren na 'heden' voor Hovuma of een daarmede verbonden vennootschap werkzaam zou zijn. De boete werd niet voor matiging vatbaar verklaard.

Roggeveen trad in november 1994 in dienst bij de firma Intra-Profiel BV, een firma die na een fusie in 1995 onder dezelfde firma viel als Hovuma,  Polypal Nederland BV.

Spreeuwenberg stelde dat Roggeveen voor Hovuma dan wel voor een met haar verbonden onderneming heeft gewerkt en deswege de overeengekomen boete verschuldigd is. De rechtbank wees de vordering af op de grond dat Intra-Profiel niet als een met Hovuma verbonden firma is aan te merken nu Hovuma in het geheel geen profijt van de indiensttreding van Roggeveen bij Intra-Profiel heeft gehad en Hovuma in deze laatste onderneming ook geen zeggenschap had. Spreeuwenberg heeft zich hiertegen geageerd terwijl Hovuma bestrijdt dat Spreeuwenberg bevoegd is de boete te vorderen omdat de commanditaire vennootschap opgeheven is en Spreeuwenberg niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze vordering aan haar is overgedragen.

 

Hoge Raad

Voor ons is van belang hier dat de Hoge Raad geoordeeld heeft dat: het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting indien het heeft geoordeeld dat een commanditaire vennootschap met één beherend vennoot geen afgescheiden vermogen kent en dat dit meebrengt dat vennootschapsvorderingen tot het vermogen van de beherend vennoot behoren en dat deze de vorderingen, ook na ontbinding van de commanditaire vennootschap, zonder meer kan instellen.”

 

ABN AMRO, HR 13 juli 2007, LJN BA7970

 

Casus

In april 2007 gaat het niet goed met ABN AMRO. Een aantal aandeelhouders zijn het niet eens met het gevoerde beleid. Deze aandeelhouders geven aan dat zij van mening zijn dat het bestuur een andere strategie moet volgen. ABN AMRO besluit haar Amerikaanse dochtervennootschap te verkopen en gaat op zoek naar een partner. Het bestuur ziet in Barclays Bank een goede partner. Barclays wil alle aandelen overnemen van de zittende aandeelhouders voor een bedrag van 60 miljoen euro. Barclays heeft echter een financieringsprobleem. Vervolgens komt de Bank of America in beeld. Deze bank wil het onderdeel LaSalle kopen voor 16 miljoen euro. LaSalle wordt vervolgens binnen drie dagen verkocht. Er is echter ook nog een vereniging van drie banken die de Amerikaanse dochtervennootschap wel wil kopen voor 70 miljoen euro, maar alleen indien LaSalle nog in het bezit is van ABN AMRO. De aandeelhouders vragen zich daarom af of de eerdere verkoop van LaSalle aan Bank of America nog ongedaan gemaakt kan worden.

 

Rechtsvraag

Was er toestemming van de algemene vergadering van aandeelhouders vereist ex artikel 2:107a BW voor de verkoop van LaSalle aan de Bank of America?

 

Rechtsregel

“In artikel 2:107a BW is omschreven welke besluiten van het bestuur zijn onderworpen aan de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders. Het besluit tot afsplitsing en verkoop van LaSalle kan niet worden aangemerkt als een besluit omtrent een ‘belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming’ als bedoeld in artikel 2:107a lid 1 BW. Bij de totstandkoming van artikel 2:107a BW kwam weliswaar aan de orde dat een rol voor de algemene vergadering van aandeelhouders ook is weggelegd bij besluiten die onder meer betrekking hebben op het beschikken over delen van de met de vennootschap verbonden onderneming, maar daaraan is toegevoegd dat dit alleen geldt in gevallen waarin die besluiten zo ingrijpend zijn dat zij de aard van het aandeelhouderschap veranderen in die zin dat de aandeelhouder daardoor als het ware kapitaal gaat verschaffen aan – en een belang gaat houden in – een wezenlijk andere onderneming. Daarvan is in dit geval geen sprake, ook al gaat het om een op zichzelf zeer omvangrijke transactie. Ook is geen van de in artikel 2:107a lid 1, onder a-c, genoemde gevallen aan de orde. Het eerste lid van artikel 2:107a BW kan geen analoge toepassing vinden als het gaat om een aangelegenheid die zozeer ‘raakt aan’ gevallen die in deze bepaling zijn voorzien dat zij daarmee bijna op een lijn is te stellen, aangezien de wetgever omwille van de rechtszekerheid een zodanig ruime reikwijdte aan deze bepaling heeft willen onthouden. Bij de toepassing van artikel 2:107a BW dient derhalve terughoudendheid betracht te worden. Hetgeen van het bestuur van een BV jegens haar AVA op de voet van artikel 2:8 BW wordt gevorderd door de redelijkheid en billijkheid kan daarom niet leiden tot een ruime uitleg van artikel 2:107a lid 1 BW. Het gaat derhalve in dit geval om een bevoegdelijk door het bestuur van de ABN AMRO Bank met Bank of America gesloten koopovereenkomst. Toestemming van de AVA was niet vereist voor de verkoop van LaSalle aan de Bank of America.”

 

Beklamel, HR 6 oktober 1989, NJ 1999, 286

 

Casus

Stimulan levert in februari 1981 veevoeder aan Beklamel bv voor een bedrag van ƒ71.535,--. Betaling bleef achterwege. Vandaar dat overleg werd gevoerd met Klaas, de directeur van Beklamel. Hier uit kwam de afspraak rollen, dat het geleverde veevoeder doorverkocht zou worden aan Verveka bv. Verveka beroept zich echter op verrekening, dus de schuld aan Beklamel was nog steeds niet voldaan. Beklamel wordt op 21 april 1982 failliet verklaard. Stimulan vordert nu van de DGA van Beklamel, Klaas, betaling van het veevoeder, omdat hij wist of moet hebben geweten, dat Beklamel haar verplichtingen uit hoofde van die koopovereenkomst niet kon nakomen.

 

Procesverloop

Stimulan vordert van Klaas voor de rechtbank Almelo betaling van de vordering. Deze eis wordt door de rechtbank afgewezen. Stimulan gaat in hoger beroep, doch het Hof Arnhem bevestigd het vonnis van de rechtbank. Stimulan gaat in cassatie.

 

Rechtsregel

Het Hof heeft getoetst aan het criterium of Klaas bij het aangaan van de overeenkomst wist, of er niet aan behoefde te twijfelen, dat Beklamel niet of niet binnen redelijke termijn aan de verplichtingen kon voldoen en geen verhaal aan Stimulan kon bieden voor schade, die Stimulan ten gevolge van de wanprestatie zou lijden. Het Hof heeft daarmee de juiste maatstaf toegepast.

 

Staleman/Van de Ven, HR 10-01-1997, 360 

 

Feiten

Staleman en Richelle waren bestuurder van Van de Ven Automobielbedrijf BV. Tijdens hun directeurschap vanaf 1987 hebben zij een aantal lease-activiteiten ontwikkeld. Deze leidden echter tot zwaar verlies. De vennootschap spreekt hen aan op grond van onbehoorlijk bestuur. De directeuren beriepen zich op décharge die de algemene vergadering van aandeelhouders aan hen had verleend voor het gevoerde beleid. De jaarrekening bevatte geen informatie over hetgeen de bestuurders later zou worden verweten.

Het hof overwoog dat als en voorzover de décharge samenhing met de vaststelling van de jaarrekening, die vaststelling geen instemming met het litigieuze beleid impliceerde. Het hof onderzocht of op basis van de informatie die aan de AVA was verstrekt kon worden gesteld dat de bestuurders ter zake van het litigieuze beleid waren gedéchargeerd.

In cassatie betoogde het middel dat het hof het bereik van de décharge te zeer had ingeperkt. In cassatie gaat het dan vooral om de vraag wanneer een bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin van art. 2:9 BW. En in hoeverre kunnen bestuurders zich beroepen op een door de AVA aan hen als bestuurders verleende decharge.

 

Hoge Raad

Voor ernstige verwijtbaarheid van een bestuurder in de zin van art. 2:9 BW stelt de Hoge Raad dat dit moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
Te weten, o.a. de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.

T.a.v. de reikwijdte van een decharge stelt de Hoge Raad dat deze niet te ruim moet worden gezien: “De onderdelen zijn tevergeefs voorgesteld, aangezien zij zowel aan een – volgens de statuten van de betrokken vennootschap – uit vaststelling van de jaarstukken voortvloeiende décharge, als aan een door de algemene vergadering van aandeelhouders bij vaststelling van de jaarrekening expliciet verleende décharge, een ruimere werking toekennen dan met de aard van een dergelijk ontslag van aansprakelijkheid overeenstemt. In het bijzonder kan niet worden aanvaard dat een décharge zich ook zou uitstrekken tot informatie waarover een individuele aandeelhouder uit anderen hoofde (buiten het verband van de algemene vergadering van aandeelhouders) de beschikking heeft gekregen, of tot gegevens die niet uit de jaarrekening blijken of niet anderszins aan de algemene vergadering van aandeelhouders zijn bekendgemaakt voordat deze de jaarrekening vaststelde.”

Aldus verwerpt de Hoge Raad het middel ten eerste omdat het uitgaat van een te ruime (en daarmee onjuiste) opvatting over de reikwijdte van de décharge. Ook blijkt duidelijk dat de aandeelhouder geen onderzoeksplicht heeft. De Hoge Raad gaat uit van de leer van een beperkte reikwijdte van decharge i.p.v. een ruime reikwijdte die onder omstandigheden wordt gecorrigeerd met behulp van de redelijkheid en billijkheid.

 

Conclusie: art. 2:9 BW bepaald expliciet dat het bestuur jegens de vennootschap tot een behoorlijke taakvervulling is gehouden. Als de bestuurder tekortschiet in een behoorlijke taakvervulling is hij volgens de Hoge Raad op grond van art. 2:9 BW aansprakelijk jegens de vennootschap als hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Door décharge te verlenen doet de vennootschap afstand van het recht om bestuurders aan te spreken uit hoofde van art. 2:9 BW. De reikwijdte van de décharge is afgegrensd in dit arrest.

 

Berghuizer Papierfabriek, HR 29 november 2002, NJ 2003, 455

 

Feiten

I.c. gaat het om verweerster (een vennootschap die zich bezighoudt met het produceren van papier) en de eiser die als bestuurder van de vennootschap aan een derde partij een optierecht had verleend om aandelen in een deelneming te kopen tegen een vooraf vastgestelde prijs. De optie werd ook uitgeoefend. Hierna vorderde de vennootschap van de bestuurder schadevergoeding omdat de bestuurder zijn taak onbehoorlijk zou hebben vervuld door het verlenen van de optie tot aankoop en de verkoop van die aandelen. De bestuurder wist namelijk dat de bedongen optieprijs te laag was en ook had hij de optie verleend zonder de (op grond van de statuten) vereiste goedkeuring van de raad van commissarissen.

De Rechtbank oordeelde dat kan worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van de eiser dat geen toestemming van de raad van commissarissen vereist was voor het aangaan van de optieovereenkomst. Het Hof oordeelde dat de eiser door het aangaan van de overeenkomst zonder de vereiste toestemming van de raad van commissarissen ernstig verwijtbaar had gehandeld en zijn taak als bestuurder onbehoorlijk had vervuld.

 

Hoge Raad

De Hoge raad moet daarna uitspreken of de toestemming van de raad van commissarissen wel of niet impliciet was verkregen door de bestuurder. Hierover stelt de Hoge Raad dat dit niet het geval was. De omstandigheden dat de raad van commissarissen bekend was gemaakt met een mogelijke verkoop van de deelneming dan wel dat de commissarissen lieten blijken verder geen belang in de zaak te stellen brengen niet mee dat de raad van commissarissen de formeel vereiste toestemming heeft gegeven noch dat toestemming niet meer vereist was.

Verder moet de Hoge Raad onderzoeken of het hof zijn oordeel dat door het aangaan van de optieovereenkomst zonder toestemming van de raad van commissarissen als ernstig verwijtbaar en dus als onbehoorlijk bestuur is aan te merken, onvoldoende heeft gemotiveerd.

 

Voor aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van dat ernstig verwijt sprake is, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Het feit dat in strijd is gehandeld met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, moet dan als een zwaarwegende omstandigheid worden gezien, die in principe de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. Als de aangesproken bestuurder echter feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan men zou kunnen aannemen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert, moet de rechter deze feiten en omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel betrekken. I.c. bijvoorbeeld het feit dat bij de vennootschap het patroon bestond dat niet-bestuurders vergelijkbare (des)investeringen deden zonder de raad van commissarissen om toestemming te vragen, en dat de raad bijvoorbeeld geen interesse had getoond in de onderhavige investeringskwestie.
Kern: de door de bestuurder als verweer aangevoerde feiten en omstandigheden moeten door de rechter uitdrukkelijk in zijn oordeel worden meegewogen.

 

Janssen Pers II, HR 10 maart 1995, NJ 1995/595

 

Casus

De casus (welke zeer complex is) komt neer op het volgende: enig aandeelhouder, Janssen, trekt eerder genomen besluiten tot statutenwijziging in en ontslaat de bestuurder van de betrokken vennootschap. Deze besluiten (van Janssen) waren buiten vergadering genomen.

 

Rechtsregel

Art 2:238 vereist voor besluitvorming buiten vergadering dat de stem schriftelijk moet worden vastgelegd. Als het besluit schriftelijk wordt vastgelegd is hier ook aan voldaan. Ook bij besluitvorming buiten vergadering moet de raadgevende stem van het bestuur (art 2:227 lid 4) gehandhaafd worden. Schending van art 2:227 lid 4 levert vernietigbaarheid op grond van art 2:15 lid 1 sub a op.

De verhoudingen binnen een vennootschap worden beheerst door de redelijkheid en billijkheid (art 2:8).

 

Kleuterschool Babbel, HR 6 april 1979, NJ 1980/34 m.nt. C.J.H. Brunner

 

Voor de vraag of een gemeente voor de gedragingen van een wethouder kan worden aangesproken, is niet beslissend of de wethouder in de Gemeentewet als orgaan van de gemeente wordt erkend. De gedragingen van een wethouder kunnen immers ook dan een onrechtmatige daad van de gemeente opleveren, wanneer zij in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van de gemeente hebben te gelden.

Het gaat hier dus om een tweede grondslag waarop een rechtspersoon aansprakelijk gesteld kan worden voor onrechtmatig handelen. Niet alleen wanneer door een formeel bevoegd orgaan namens de rechtspersoon onrechtmatig wordt gehandeld, maar ook wanneer de gedragingen van een niet-formeel bevoegde persoon toch aan die rechtspersoon toegerekend omdat zij in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van die rechtspersoon hebben te gelden (‘vereenzelviging’).

 

Bruil, HR 29 juni 2007, RvdW 2007, 637

 

Casus

Bruil-Kombex heeft van Bruil-Beheer een perceel industrieterrein gekocht voor de koopprijs van 580.000 gulden. Bruil was ten tijde van de koopovereenkomst directeur en grootaandeelhouder van zowel Bruil-Kombex (enig aandeelhouder) als Bruil-Beheer (samen met zijn vader en zuster). Bruil heeft beide vennootschappen bij de koopovereenkomst en levering vertegenwoordigd. Over en weer zijn voorkeursrechten verleend zodat er geen percelen verkocht zouden worden door Bruil-Kombex of Bruil-Beheer zonder dat deze eerst aan de ander waren aangeboden. Deze voorkeursrechten zijn opgenomen in de leveringsakte. De aandelen in Bruil-Beheer worden vervolgens in 1994 verkocht aan Ballast Nedam. In 1998 draagt Bruil-Beheer, samen met Bruil Verenigde Bedrijven BV een aantal percelen industrieterreinen over aan Fernhout BV. Bruil-Kombex vordert vervolgens van Bruil-Beheer de boete die staat op de overtreding van het voorkeursrecht en verlangd dat het voorkeursrecht gerespecteerd zal worden. Bruil-Beheer verweert zich hiertegen en stelt dat zij destijds wegens tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:256 BW onbevoegd vertegenwoordigd is en dat zij daarom niet aan het voorkeursrecht gebonden is. Het Hof is uitgegaan van de opvatting dat het moet beoordelen of ‘in abstracto’ een tegenstrijdig belang bestaat en is tot de conclusie gekomen dat niet relevant is of de betrokken belangen, achteraf bezien, ook daadwerkelijk en in de concrete omstandigheden van dit geval tegenstrijdig waren.

 

Rechtsvraag

Wanneer is er sprake van een tegenstrijdig belang in de zin van artikel 2:256 BW?

 

Rechtsregel

De Hoge Raad komt tot het volgende oordeel. “Bij het ontbreken van een inhoudelijk afwijkende regeling in de statuten, kan een beroep op artikel 2:256 BW ter aantasting van een namens de vennootschap(pen) verrichte rechtshandeling slechts slagen als een persoonlijk belang van de bestuurder tegenstrijdig was met het belang van de vennootschap(pen) en de daaraan verbonden onderneming op grond van daartoe naar voren gebrachte, voldoende geadstrueerde, omstandigheden die zodanig van invloed kunnen zijn geweest op de besluitvorming van de betrokken bestuurder dat hij zich op grond van deze bepaling niet in staat had mogen achten het belang van de vennootschap(pen) en de daaraan verbonden onderneming met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen en zich van de desbetreffende rechtshandeling had moeten onthouden. Mede in aanmerking genomen de ingrijpende gevolgen die aan een geslaagd beroep op artikel 2:256 BW zijn verbonden, is immers niet aanvaardbaar dat wordt volstaan met het aanvoeren van de enkele mogelijkheid van een tegenstrijdig belang, zonder dat dit beroep wordt geconcretiseerd op de wijze als hiervoor omschreven. Het is niet in het belang van het handelsverkeer en het strookt niet met de strekking van artikel 2:256 BW dat achteraf met een beroep op deze bepaling een rechtshandeling van de vennootschap zou kunnen worden vernietigd zonder dat is aangetoond dat de daaraan ten grondslag liggende besluitvorming van de betrokken bestuurder inhoudelijk ondeugdelijk was wegens een ontoelaatbare samenloop van tegenstrijdige belangen.” Het Hof is derhalve uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

 

 

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  3. Search tool: quick & dirty - not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is available at the bottom of most pages or on the Search & Find page
  4. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Quick links to WorldSupporter content for universities in the Netherlands

Follow the author: Vintage Supporter
Check more of topic:
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.