Supersamenvatting Persoonlijkheidsleer

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


Inhoud

Hoofdstuk 1 – Inleiding persoonlijkheid 2

Hoofdstuk 2 – Persoonlijkheid meten 4

Hoofdstuk 3 - Eigenschappen 6

Hoofdstuk 4 – Theorie en meten 7

Hoofdstuk 5 – Persoonlijkheid door de tijd 9

Hoofdstuk 6 – Persoonlijkheid en genetica 11

Hoofdstuk 7 – fysiologie en persoonlijkheid 13

Hoofdstuk 8 – evolutie in de persoonlijkheidspsychologie 15

Hoofdstuk 9 – psychoanalytische benaderingen van persoonlijkheid 17

Hoofdstuk 10 – huidige psychoanalytische benaderingen 19

Hoofdstuk 11 – Motieven en dynamiek van persoonlijkheid 21

Hoofdstuk 12 – De cognitieve benadering 23

Hoofdstuk 13 – Intelligentie 25

Hoofdstuk 14 – Persoonlijkheid en emoties 27

Hoofdstuk 15 – Het zelf 29

Hoofdstuk 16 – de interpersoonlijke aspecten van persoonlijkheid 31

Hoofdstuk 17 – Persoonlijkheid, geslacht en sekse 32

Hoofdstuk 18 – Persoonlijkheid in verschillende culturen 34

Hoofdstuk 19 – Aanpassen en omgang met stress en gezondheid 36

Hoofdstuk 20 - Persoonlijkheidsstoornissen 38

Hoofdstuk 21 - Herhaling 40

Hoofdstuk 7 Psychologie en de multiculturele samenleving – gezondheidspsychologie in de pluriforme samenleving 42

Hoofdstuk 1 – Inleiding persoonlijkheid

Wat is persoonlijkheid?

Persoonlijkheid wordt omschreven als een verzameling geordende en relatief stabiele psychologische karaktereigenschappen en mechanismen. Ze omschrijven de gemiddelde tendens van een persoon en zijn onderling aan elkaar gekoppeld.

 

De drie functies van karaktereigenschappen zijn het omschrijven van mensen, het verklaren van gedrag en het voorspellen van toekomstig gedrag.

 

De meeste psychologische mechanismen bestaan uit drie processen: (1) het invoerproces – de persoon wordt geconfronteerd met een situatie, (2) nadenken – de persoon overweegt alle opties en maakt een beslissing, en (3) uitvoerproces – de persoon handelt in de situatie.

 

Persoonlijkheidspsychologie richt zich op interne factoren die gedrag veroorzaken.

 

Drie niveaus van persoonlijkheidsanalyse

Kluckhohn en Murray stelden drie niveaus van analyse voor persoonlijkheid vast:

  1. Het niveau van de menselijke aard (human nature level)

  2. Het niveau van individuele- en groepsverschillen

  3. Het niveau van individueel uniek zijn

 

Er zijn twee methoden voor onderzoek naar verschillen tussen individuen of groepen: de nomothetische methode heeft te maken met het vergelijken van statistieken van verschillende groepen. De idiografische methode concentreert zich op een enkel individu en resulteert meestal in een biografie of casusbeschrijving, niet generaliseerbaar.

 

Zes kennisdomeinen

Het dispositionele domein: onderzoekers zijn op zoek naar belangrijke verschillen tussen individuen. Men onderzoekt welke disponerende factoren ten grondslag liggen aan die verschillen en hoe ze zich ontwikkelen.

 

Het biologische domein: de basis is de gedachte dat de mens een biologisch systeem is dat gedrag, gedachten en emoties produceert met behulp van onder andere de hersenen en zenuwen. Kent 3 onderzoeksgebieden: genetica, evolutie en psychofysiologie.

 

Het intrapsychische domein: betreft de mentale mechanismen van de persoonlijkheid. Veel van deze mechanismen vinden plaats in het onderbewustzijn. Het cognitieve ervaringsdomein: spitst zich toe op cognitie en subjectieve ervaringen, gevoelens, overtuigingen en wensen.

 

Het sociale en culturele domein: in dit domein gaat men ervan uit dat er een wederzijdse beïnvloeding plaatsvindt tussen persoonlijkheid en de omgeving.

Het aanpassingsdomein: de kerngedachte is dat persoonlijkheid een belangrijke rol speelt in hoe mensen omgaan met levensgebeurtenissen.

 

Persoonlijkheidstheorieën

Vijf wetenschappelijke standaarden om een persoonlijkheidstheorie te evalueren:

  1. Omvattendheid is theorie overkoepelend?

  2. Heuristische waarde – leidt theorie tot nieuwe ontdekkingen?

  3. Testbaarheid – theorie empirisch te testen?

  4. Spaarzaamheid – (parsimony). Hoe minder aannames, hoe beter de theorie

  5. Verenigbaarheid met andere wetenschappelijke domeinen

Hoofdstuk 2 – Persoonlijkheid meten

Self-report data is informatie die direct van de participant komt. Wordt veelal verkregen door vragenlijsten: ongestructureerde vragenlijsten bevatten open vragen; gestructureerde vragenlijsten bevatten meerkeuze vragen. Een specifieke vorm is experience sampling: een groep proefpersonen wordt voor een lange periode gevraagd bij te houden hoe ze zich elke dag geestelijk/lichamelijk voelen.

 

Observer data – de onderzoeker maakt gebruik van waarnemers om gedrag te observeren. Er kan gebruik gemaakt worden van professionals of van naasten van de proefpersoon, dit ligt aan de situatie. Ook moet rekening gehouden worden met de setting.

 

Test data – gestandaardiseerde test wordt gebruikt om te zien hoe verschillende mensen reageren op een identieke testsituatie. Hieronder vallen onder andere fysiologische data en projectieve technieken.

 

Life outcome data – L-data geven informatie aan de hand van gebeurtenissen en activiteiten in iemands leven. Een psycholoog kan aan de hand van S-data en O-data de L-data voorspellen. L-data hebben echter niet alleen met persoonlijkheid te maken, maar ook met geslacht, ras, en de mogelijkheden die iemand krijgt in het leven. Triangulation is het na afloop van het onderzoek verschillende andere bronnen gebruiken, en deze vergelijken met het eerdere resultaat, waardoor je de betrouwbaarheid kan vaststellen.

 

Betrouwbaarheid

  1. Test-retest reliability – meet de test de tweede keer hetzelfde als de eerste keer?

  2. Correlatie van de items van een test – hoge correlatie = hoge interne consistentie

  3. Metingen door meerdere observatoren – hoge correlatie = goed

 

Validiteit

Validiteit is de mate waarin een test meet wat het beoogt te meten.

  1. Face validiteit – lijkt de test te meten wat het zou moeten meten?

  2. Predictieve validiteit – voorspelt de test criteria die onder het construct vallen?

  3. Convergente validiteit – correleert de test met soortgelijke metingen?

  4. Discriminatie validiteit – correleert de test niet met een heel ander construct?

  5. Construct validiteit – wanneer alle andere validiteitstypes niet worden geschaad

 

Generaliseerbaarheid

Er is sprake van een hoge generaliseerbaarheid wanneer het instrument valide blijkt in verschillende situaties. De steekproef komt dan overeen met de populatie.

 

Het ontwikkelen van een test

  1. De onderzoeker stelt de conceptuele definitie vast.

  2. De onderzoeker ontwikkelt items die het vastgelegde construct adequaat kunnen meten.

  3. Testen van de items in focus groups.

  4. Pilot study, waarna de betrouwbaarheid en validiteit van een test vastgesteld wordt. Ook zal de test worden herzien en geïmplementeerd.

 

Experimenteel onderzoek

Wordt vaak gebruikt wanneer men de oorzakelijkheid tussen twee variabelen wil aantonen. De variabelen moeten gemanipuleerd kunnen worden en de subjecten moeten gelijk aan elkaar zijn.

 

Correlationeel onderzoek

Hier worden ook verbanden tussen variabelen onderzocht, maar wordt niks gemanipuleerd. Het is erg belangrijk om te onthouden dat een correlatie geen garantie is voor causaliteit, dit is het richtingsprobleem.

 

Case study

Als men een diepte-onderzoek wil doen naar iemand, wordt meestal gebruik gemaakt van een case study. Deze biedt veel informatie, maar de uitkomst kan niet gegeneraliseerd worden.

 

Hoofdstuk 3 - Eigenschappen

Persoonlijkheidskenmerken kunnen worden gezien als interne causale eigenschap die een belangrijke veroorzaker is van gedrag. Persoonlijkheidskenmerken kunnen ook worden gezien als een beschrijvende samenvatting van gedrag, en dus niet de oorzaak.

 

De act frequency approach gaat ervan uit dat een eigenschap bestaat uit een categorie van handelingen en verloopt volgens drie stappen:

  1. Act nomination: welke handelingen horen bij welke eigenschap

  2. Prototypically judgement: welke handeling is het meest prototypisch

  3. Recording of act performance: informatie over daadwerkelijke prestaties

    Kritiek: context wordt niet meegenomen in deze benadering, en er wordt alleen naar extern, simpel gedrag gekeken.

 

Belangrijke kenmerken identificeren

Lexicale benadering begint met de lexicale hypothese waarin alle belangrijke individuele verschillen zijn verwoord in een taalsysteem. De identificatie moet aan twee voorwaarden voldoen:

  • Synoniemfrequentie – hoe meer synoniemen er zijn, hoe belangrijker

  • Cross-culturele universaliteit – hoe meer culturen, hoe belangrijker

  • Statistische benadering. Adjectieven, items of zinnen worden verzameld en vervolgens worden door factoranalyse persoonlijkheidskenmerken geïdentificeerd.

 

Theoretische benadering. Vanuit verschillende theorieën wordt bekeken welke variabelen belangrijk zijn.

 

Theorieën over persoonlijkheid

  • Hiërarchische persoonlijkheidsmodel van Eysenck:

    • extraversie-introversie,

    • neuroticisme,

    • psychoticisme.
      Hoofdeigenschap: nauwe eigenschap: habitual acts: specific acts.

  • Catell: het 16 persoonlijkheidsfactoren systeem.

  • Circumplex persoonlijkheidstheorieën.

    • Leary circumplexmacht (dominantie onderdanigheid) en liefde (liefde–haat).

    • Wiggins circumplex liefde en status.

    De relatie tussen eigenschappen: (1) nabijheid, (2) bipolariteit, (3) orthogonaliteit

  • Het Vijf-Factoren model:

    • Extraversie,

    • Consciëntieusheid

    • Emotionele stabiliteit

    • Openheid en intellect

    • Vriendelijkheid

  • HEXACO-model: Big-Five, met de extra factor eerlijkheid-bescheidenheid

Hoofdstuk 4 – Theorie en meten

Theorieën over persoonlijkheidskenmerken delen drie belangrijke assumpties: (1) betekenisvolle individuele verschillen, (2) stabiliteit over tijd, (3) consistent in verschillende situaties.

 

Er zijn drie manieren waarop persoonlijkheid met de situatie interacteert: (1) situationele selectie: mensen kiezen zelf hun situatie uit en bevinden zich op plaatsen die overeenkomen met hun persoonlijke voorkeur. (2) Evocatie: mensen creëren hun eigen situatie d.m.v. de reacties die ze bij andere mensen opwekken. (3) Manipulatie: mensen veranderen doelgericht gedrag van anderen door verschillende tactieken.

 

Aggregatie houdt in dat observaties worden samengevoegd om zo een betrouwbare en stabiele uitspraak te kunnen doen over persoonlijkheid.

 

Meetproblemen

Infrequency scale is een vraag die normaal gesproken altijd met ja/nee beantwoordt wordt; als mensen anders reageren dan verwacht is dit een signaal dat de resultaten niet betrouwbaar zijn. Ook kan men twee keer dezelfde vragen stellen op grote afstand van elkaar in de lijst.

 

Middle category endorsement: participanten geven het middelste/neutrale antwoord. Kan voorkomen worden door een forced choice format.

 

Bij vervalsing geeft iemand opzettelijk foute antwoorden omdat ze zichzelf beter/slechter willen voordoen. Om deze mensen op te sporen kan een fakeprofiel worden opgesteld.

 

Barnum statements zijn algemene stellingen die voor iedereen kunnen gelden; deze moeten voorkomen worden.

 

Psychologen denken dat iemand liegt terwijl hij/zij wel eerlijk is = fout negatief, als ze denken dat iemand eerlijk is terwijl die persoon liegt = fout positief.

 

Klassieke testtheorie neemt aan dat elke geobserveerde score (X) bestaat uit ware score (T) en mate van error (E), dus X = T+E. De item respons theorie stelt dat het antwoord van een persoon afhangt van de kenmerken van de persoon en het item.

 

Persoonlijkheid en selectie Persoonlijkheidstesten worden vaak gebruikt bij selectie. Er zijn richtlijnen om discriminatie op basis van ras, religie, sekse en etniciteit te voorkomen in het werkveld.

 

De Myers-Briggs Type Indicator (MBTI) is de meest gebruikte test om uit te zoeken of bepaalde mensen geschikt zijn voor een bepaalde baan. De test geeft informatie over acht fundamentele eigenschappen: extraversion – intraversion, sensing - intuition, thinking – feeling, judging - perceiving.

 

Ondanks dat er veel gebruik wordt gemaakt van de MBTI is er veel kritiek; lage test-hertest betrouwbaarheid. Er is tevens een lage validiteit en recent onderzoek heeft ook een erg lage bruikbaarheid uitgewezen.

 

Hoofdstuk 5 – Persoonlijkheid door de tijd

Persoonlijkheidsontwikkeling = stabiliteit/verandering van persoonlijkheid over tijd.

Rangorde stabiliteit staat voor het behoud van de relatieve positie in een groep.

Gemiddelde level stabiliteit staat voor het gelijk blijven van het gemiddelde level van een bepaalde eigenschap naarmate de populatie ouder wordt.

Persoonlijkheidscoherentie betekent dat er een stabiele rangorde is, maar dat de manifestaties van de eigenschap veranderen.

Persoonlijkheidsverandering = interne, blijvende veranderingen van een persoon.

 

Er kan op drie niveaus onderzoek gedaan worden naar persoonlijkheid. (1) Analyse op populatieniveau, (2) kijken naar groepsverschillen, (3) kijken naar individuele verschillen.

 

Stabiliteit door de tijd

Temperament bestaat uit individuele verschillen die vroeg in het leven al aanwezig zijn en een sterk genetische basis hebben. De zes factoren zijn activiteitsniveau, lachen, angst, stress, troostbaarheid, en oriëntatie. De stabiliteit van het temperament wordt groter naarmate het kind ouder wordt.

 

Longitudinaal onderzoek bekijkt de ontwikkeling, verandering en stabiliteit van kenmerken van dezelfde mensen over een langere periode.

 

Voor volwassenen geldt dat er sprake is van rangordestabiliteit van de Big Five eigenschappen. Ook eigenschappen zoals eigenwaarde, zelfvertrouwen en empathie blijken stabiel. Vrouwen scoren consistenter op neuroticisme en openheid dan mannen, voor consciëntieusheid geldt dit andersom.

 

Onderzoek naar het moment waarop de stabiliteit van kenmerken zijn piek bereikt wijst het volgende uit: Extraversie piekt vroeg en neemt af tussen 40-50 jaar; Openheid en Vriendelijkheid zijn het meest stabiel rond 50 jaar; Neuroticisme is het meest stabiel rond 50-60 jaar. Consciëntieusheid neemt hele leven toe.

 

Persoonlijkheidsverandering

Zelfwaarde = de mate waarin iemand de persoon is die hij zou willen zijn. Mensen met hoge zelfwaarde ervaren een klein verschil tussen hun actuele en ideale zelfbeeld.

 

Flexibiliteit, ambitie en impulsiviteit nemen af als men ouder wordt. Dominantie, leiderschap en autonomie nemen juist toe. Sensation seeking neemt eerst toe in de adolescentie en daarna langzaam af.

 

Als persoonlijkheid verandert door cohort-effecten, houdt dit in dat de verandering plaatsvindt door de generatie waarin je leeft en de sociale aspecten die hierbij komen kijken.

 

Uit een grootschalig longitudinaal onderzoek over verloving en huwelijk is gebleken dat drie persoonlijkheidsaspecten de kans op een ongelukkig huwelijk / scheiding vergroten: (1) neuroticisme van de vrouw, (2) neuroticisme van de man, (3) gebrekkige impulsbeheersing van de man.

 

Uit onderzoek is gebleken dat persoonlijkheidstest op relatief jonge leeftijd een goede voorspelling geven van latere ontwikkeling van problemen zoals alcoholisme of zware emotionele problemen. Persoonlijkheidskenmerken vroeg in het leven zijn zelfs betere voorspellers dan de hoeveelheid stress gedurende het leven.

 

Impulsiviteit heeft invloed op academische prestaties: Hogere zelfcontrole kan leiden tot positieve prestaties, maar dit effect is indirect: consciëntieusheid beïnvloedt self-efficiacy, en daarmee academische prestaties. Self-efficiacy is de mate waarin iemand overtuigd is van eigen kunnen. Niet alleen persoonlijkheid beïnvloedt later succes; het geldt ook andersom.

Hoofdstuk 6 – Persoonlijkheid en genetica

Het menselijk genoom

Onder het menselijk genoom wordt de complete set van genen van een organisme verstaan. Deze genen bevinden zich op 23 chromosomenparen. De nucleus van iedere cel bevat een complete set van het menselijk genoom. Alleen rode bloedcellen bevatten geen genetisch materiaal. Geslachtscellen bevatten geen chromosomenparen maar 23 enkele chromosomen.

 

Onderzoekers proberen vast te stellen in hoeverre verschillen in de persoonlijkheid worden veroorzaakt door ofwel de verschillen in genen, of door de omgeving. Verder onderzoeken ze hoe genen en omgeving interacteren met elkaar.

 

Eugenetica is het onderzoek naar het verbeteren van de genetische samenstelling van een populatie.

 

Erfelijkheid

Erfelijkheid is de proportie fenotypische variantie die toe te schrijven is aan genotypische variantie bij een mens. Fenotypische variantie bestaat uit geobserveerde individuele verschillen. Genotypische variantie bestaat uit individuele verschillen op het gebied van genen. Het percentage geobserveerde variantie dat niet kan worden toegeschreven aan genotype, kan worden toegeschreven aan omgevingsinvloeden.

 

Nature-nurture methodes

Hieronder vallen: selectief fokken, tweelingstudies, familiestudies en adoptiestudies. Er moet hierbij wel rekening gehouden worden met de beperkingen van deze studies, zoals de ethische uitvoerbaarheid, de representativiteitsassumptie, en gedeelde omgevingen.

 

Belangrijke bevindingen in genetisch onderzoek

Persoonlijkheidseigenschappen zijn voor de helft door de omgeving bepaald en voor de helft door genen.

Het is niet duidelijk waarom sommige attitudes wel en sommige niet erfelijk zijn.

Er lijkt bewijs te zijn voor een gemiddelde en indirect invloed van genen op de seksuele voorkeur in de volwassenheid.

 

Gedeelde en niet-gedeelde omgeving

Onderzoeken die gemiddelde erfelijkheid laten zien, lijken goed bewijs te leveren voor het belang van omgevingsinvloeden. Voor persoonlijkheidskenmerken is een erfelijkheidsfactor van 30-50% gevonden en een omgevingsfactor van 50-70%.

 

Het zijn vooral de niet-gedeelde ervaringen die een belangrijke impact hebben op het bepalen van persoonlijkheid.

 

Genen en omgeving

De genotype-omgeving interactie gaat over de verschillende reacties van individuen met verschillende genotypes op dezelfde omgeving. De genotype-omgeving correlatie gaat over de verschillende blootstelling van individuen met verschillende genotypes aan verschillende omgevingen. Er zijn drie types genotype-omgeving correlaties en deze kunnen positief en negatief zijn:

  1. Actief: personen zoeken een bepaalde omgeving op, en creëren deze.

  2. Reactief: personen ontlokken bepaalde reacties

  3. Passief: personen ontvangen een bepaalde omgeving.

 

Moleculaire genetica

Binnen de moleculaire genetica wordt onderzoek gedaan naar welke genen met welke persoonlijkheidseigenschappen in verband staan. Meest gebruikte methode is de associatiemethode, waarbij wordt gekeken of mensen met een bepaald gen hoger of lager scoren op een bepaalde persoonlijkheidseigenschap dan mensen die het gen niet hebben.

Hoofdstuk 7 – fysiologie en persoonlijkheid

Persoonlijkheidsverandering na hersenletsel- of tumor

Hersenletsel kan leiden tot persoonlijkheidsverandering.

Een voordeel van een fysiologische benadering van persoonlijkheid is dat alles mechanisch te meten is. Persoonlijkheidspsychologen zijn vooral geïnteresseerd in verschillen in metingen bij verschillende mensen.

 

Fysiologische meetmethoden in persoonlijkheidsonderzoek

De meeste fysiologische meetmethoden maken gebruik van elektroden of telemetrie. Electrodermale activiteit van de huid zorgt dat de activiteit van het sympathische zenuwstelsel onderzocht kan worden.

 

Het cardiovasculaire systeem bestaat uit het hart en de bloedvaten eromheen. Bloeddruk is de druk van het bloed aan de binnenkant van de slagader en bestaat uit diastolische druk (rustdruk) en systolische druk. Type A personen laten eerder een verhoogde bloeddruk en hartslag zien dan type B personen, dit heet cardiac reactivity.

 

Ook kan er gebruik worden gemaakt van EEG en fMRI. En tevens kunnen neurotransmitters en biochemische analyse van bloed en speeksel belangrijke indicatoren zijn voor fysiologische studies.

 

Persoonlijkheidstheorieën gebaseerd op fysiologie

Eysenck beweerde dat introverte mensen hogere activiteit in het ascending reticular activating system (ARAS: controleert corticale arousal) hebben dan extraverte mensen. Introverten proberen stimulatie van het ARAS te verminderen, terwijl extraverten dit juist opzoeken, zij zijn minder snel aroused.

 

Gray: reinforcement sensitivity theory: de menselijke persoonlijkheid is gebaseerd op de BIS en de BAS.

 

Zuckerman geloofde dat bepaalde personen veel behoefte hebben aan sensatie omdat ze minder tolerant zijn voor deprivatie, dit zijn sensation seekers. De fysiologische basis voor sensation seeking wordt gevormd door neurotransmitters en MAO. Sterke sensation seekers hebben een laag MAO-niveau, wat zorgt voor hogere stimulatie doordat er veel neurotransmitters zijn. Er is dus minder inhibitie, en daardoor minder controle.

 

Persoonlijkheid en neurotransmitters

Cloningen: drie persoonlijkheidseigenschappen hangen samen met niveaus van drie neurotransmitters:

  • Bij abnormaliteiten van het serotonineniveau zou vermijding van onplezierige stimuli voorkomen

  • Bij een laag dopamineniveau zou men gericht zijn op sensation seeking

  • Bij een laag norepinefrineniveau zou men afhankelijk zijn van beloning

 

Ochtend- of avondmens

Mensen met kort bioritme bereiken hun hoogste lichaamstemperatuur en staat van alertheid vroeg op de dag. Dit zijn ochtendmensen. Iemand met een langer biologisch ritme is een avondmens.

 

Hersenasymmetrie

Elke kant van de hersenen heeft zijn eigen gespecialiseerde taken. Asymmetrie is een stabiele individuele eigenschap.

Hoofdstuk 8 – evolutie in de persoonlijkheidspsychologie

Evolutie en natuurlijke selectie

Onder evolutie wordt verandering door de tijd, aanpassing aan de omgeving en natuurlijke selectie verstaan. Natuurlijke selectie is een proces waarbij aanpassingen gecreëerd en veranderd worden door de tijd heen. Mechanismen die het resultaat waren van een lang en herhaald proces van natuurlijke selectie, worden aanpassingen genoemd.

 

Seksuele selectie kent twee vormen:

  • Interseksuele competitie wanneer leden van de ene sekse een partner van de andere sekse kiezen, gebaseerd op bepaalde gewenste kwaliteiten. De beste eigenschappen worden meest gekozen door de beste individuen, waardoor mindere eigenschappen “uitsterven”= differential gene reproduction.

  • Intraseksuele competitie: competitie tussen leden van hetzelfde geslacht voor seksuele toegang tot leden van het andere geslacht

 

Hamilton: inclusive fitness theory – risico’s voor welzijn van genetische verwanten nemen zodat eigenschappen van bloedverwanten overleven, om zo reproductie van eigenschappen te maximaliseren. De baten om iemand te helpen moeten groter zijn dan de kosten.

 

Evolutionaire ruis zijn willekeurige variaties die neutraal zijn wat betreft selectie.

Aanpassingen moeten domeinspecifiek zijn, talrijk en functioneel.

 

Het empirisch testen van evolutionaire hypotheses

  • Bottom up-onderzoek: een fenomeen wordt eerst geobserveerd, waarna een theorie ontwikkeld wordt die met observaties overeenkomt.

  • Top down onderzoek: men ontwikkelt eerst een theorie, waarna aan de hand van deze theorie onderzoek wordt gedaan.

 

Menselijke natuur

De evolutionaire theorie van need to belong gaat ervan uit dat mensen altijd bij een groep willen horen. Sociale pijn theorie stelt dat sociale uitsluiting het fysieke pijnsysteem daadwerkelijk triggert.

 

Emoties leiden tot doelen en zorgen dat iemand niet in situaties komt waarin hij niet zou willen komen. Er zijn een aantal universele emoties.

 

Sekseverschillen

Evolutionaire psychologen voorspellen dat mannen en vrouwen hetzelfde zijn in alle domeinen waarbij beide seksen dezelfde aanpassingsproblemen hebben ondergaan. Sekseverschillen zouden komen door verschillende informatieverwerkings- of aanpassingsproblemen.

 

Bewijs voor bepaalde beïnvloedingen die zorgen voor individuele verschillen

Er zijn drie oorzaken aan te wijzen voor individuele verschillen in de keuzes voor voortplantingsstrategieën:

  • Verschillen in omgevingsinvloeden: veel mechanismen zijn hetzelfde bij de mens, maar de omgeving waarin een persoon zich bevindt zorgt voor een bepaalde invloed waardoor zijn mechanisme kan verschillen.

  • Adaptive self-assessment van erfelijke eigenschappen

  • Frequency dependent selection, het proces waarbij reproductief succes afhankelijk is van hoe vaak het voorkomt bij de populatie.

Hoofdstuk 9 – psychoanalytische benaderingen van persoonlijkheid

De psychoanalytische theorie

Freud geloofde dat de hoeveelheid psychische energie die een individu bezig constant blijft gedurende zijn of haar leven. Persoonlijkheidsverandering beschouwde hij als een herverdeling van psychische energie. Volgens Freud waren de (aangeboren) instincten verantwoordelijk voor de levering van de energie. Freud onderscheidde een levensinstinct, het libido en het doodsinstinct, thanatos.

 

Volgens Freud bestaat de menselijke geest uit drie componenten: het conscious mind (bewuste), preconscious mind (onderbewuste) en het unconscious mind (onbewuste)

 

Beslissingen nemen

Onbewuste informatiewerking helpt bij het maken van complexe beslissingen. Dit is deliberation-without-awareness. Dit geldt niet voor een simpele beslissing.

 

De persoonlijkheidsstructuur

Seksuele en agressieve instincten kunnen leiden tot driften die botsen met de realiteit. Een deel van de geest creëert deze driften (het id), een ander deel bezit kennis over de verwachtingen van de maatschappij (superego) en nog een ander deel probeert deze driften binnen de beperkingen van de samenleving te bevredigen (ego).

 

De drie delen van persoonlijkheid zijn in constante interactie met elkaar. Omdat elk een ander doel nastreeft, zijn er dikwijls interne conflicten binnen het individu. Een intern conflict zorgt voor gevoelens van angst. Wanneer angst optreedt, zal een individu er alles aan doen om van dit onplezierige gevoel af te komen door middel van een van de vele verdedigingsmechanismen.

 

Freud onderscheidde drie soorten angst: objectieve angst (externe factoren zijn een reële bedreiging), neurotische angst (conflict tussen Id en Ego), en morele angst (conflict tussen Ego en Superego)

 

Verdedigingsmechanismen

  • Conversion reaction: conflict wordt omgezet in een fysiek symptoom

  • Repressie: onacceptabele gedachten/driften worden geprobeerd buiten bewuste te houden.

  • Ontkenning: betrokken persoon houdt vol dat een situatie niet zo is als hij lijkt.

  • Displacement: onderdrukte, onacceptabele driften die zich niet richten op de oorspronkelijke bron, maar op een minder bedreigend doel.

  • Rationalisatie: de onderdrukte gedachten komen toch in het bewuste, maar worden anders geïnterpreteerd en worden niet herkend voor wat ze eigenlijk zijn.

  • Reaction formation: de onderdrukte wens wordt omgezet in precies het omgekeerde. De wens blijft echter wel bestaan.

  • Projectie: we projecteren bepaalde eigenschappen en wensen die we zelf hebben, op andere mensen.

  • Sublimatie: kanaliseren van onacceptabele seksuele of agressieve instincten in sociaal wenselijke activiteiten

 

Psychoseksuele stadia van persoonlijkheidsontwikkeling

Freud geloofde dat iedereen een aantal fases doorliep in zijn ontwikkeling. Kinderen dienden een aantal specifieke conflicten op te lossen die vooral betrekking hadden op het verkrijgen van een bepaalde seksuele voldoening. Als dit conflict niet wordt opgelost, kan een kind gefixeerd blijven in een fase.

 

Orale fase (geboorte tot 1,5 jaar)  Anale fase (1,5 tot 3 jaar)  Fallische fase (3 tot 6 jaar)  Latentie fase (6 jaar tot puberteit)  Genitale fase (vanaf puberteit).

 

Conflicten

Twee grote conflicten zijn het Oedipus conflict (onbewuste wens van jongen om zijn moeder voor zichzelf te hebben) en het Elekracomplex.

 

Persoonlijkheid en psychoanalyse

Psychoanalyse is een psychotherapeutische methode waarmee o.a. mensen met een mentale stoornis geholpen konden worden. Het doel is het bewust maken van het onbewuste. Hiertoe worden eerst de onbewuste gedachten geïdentificeerd, vervolgens dienen mensen realistisch en volwassen om te gaan met de onbewuste driften, gedachten en herinneringen. Dit gebeurt met behulp van vrije associatie, droomanalyse en projectieve technieken.

 

Hoofdstuk 10 – huidige psychoanalytische benaderingen

De huidige psychoanalyse is gebaseerd op vijf stellingen:

  • Het onbewuste speelt een grote rol, maar niet zo groot als Freud dacht.

  • Gedrag reflecteert compromissen tussen mentale processen.

  • De kindertijd speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van persoonlijkheid

  • Interacties worden geleid door mentale representaties van het zelf en relaties

  • Persoonlijkheidsontwikkeling is niet alleen afhankelijk van het beheersen van agressieve en seksuele gevoelens, sociale rollen spelen ook een rol

 

Repressie

Er is sprake van een verdrongen herinnering. Er moet zorgvuldig worden gekeken naar het proces waarbij de herinneringen naar boven zijn gekomen, om vast te stellen dat een persoon geen valse herinneringen creëert. Er moet rekening gehouden worden met suggestieve vragen, hypnose, imaination inflation effect en de confirmatory bias.

 

Het onbewuste

Men gelooft wel dat gedrag beïnvloed kan worden door het onbewuste, maar niet dat het onbewuste een geheel eigen motivatie heeft.

  • Motivated unconscious visie: informatie wordt met een doel buiten het bewustzijn gehouden

  • Cognitive unconscious visie: heel goed mogelijk dat informatie ons geheugen binnendringt zonder dat we er ons bewust van zijn

  • Subliminale perceptie: waarneming vindt plaats zonder bewustwording. Informatie geassocieerd met de onbewust waargenomen stimulus wordt in het geheugen geprimed waardoor het materiaal makkelijker toegankelijk wordt.

 

Het grote verschil met de visie van Freud is dat de huidige psychologie het onbewuste over het algemeen als rationeel, rustig en zachtaardig beschouwt.

 

Egopsychologie

Erikson, leerling van Freud, ontwikkelde de egopsychologie. Binnen deze benadering ligt de nadruk op de verschuiving van de focus op het Id naar het Ego. De belangrijkste functie van het Ego is het creëren van een stabiele identiteit. Wanneer iemand geen stabiele identiteit weet te ontwikkelen, kan dit leiden tot een identiteitscrisis.

 

Ontwikkelingsstadia volgens Erikson

  1. Vertrouwen versus wantrouwen (1e jaar)

  2. Autonomie versus schaamte en vertwijfeling (2e jaar)

  3. Initiatief versus schuld (3e jaar)

  4. Industry versus minderwaardigheid (4e jaar)

  5. Identiteit versus rolverwarring (5-15e jaar).

  6. Intimiteit versus isolatie (15-50e jaar)

  7. Continuïteit versus stagnatie (50+)

  8. Integriteit versus wanhoop (65+)

 

Objects relation theory (aannames)

  1. De interne wensen, driften en verlangens van het kind zijn niet zo belangrijk als de ontwikkelende relaties met externen, voornamelijk met de ouders.

  2. Externen, vooral de moeder, raken geïnternaliseerd door het kind in de vorm van een mentaal object. Deze mentale representatie stelt het kind in staat om in lijfelijke afwezigheid toch een relatie te onderhouden.

 

Hechting

Bowlby en Ainsworth komen tot drie verschillende hechtingsstijlen: veilige hechting, vermijdende hechting en ambivalente hechting.

 

Later onderzoek gebaseerd op de object relations theorie ontdekte drie

corresponderende relatiestijlen. Er blijkt een matig positieve correlatie te zijn tussen hechtingsstijl in kindertijd en relatiestijl in volwassenheid. Ook blijkt er een verband te zijn tussen steun vragen en geven aan de partner en hechtingsstijl. Bowlby en Ainsworth zijn van mening dat mensen met ambivalente of vermijdende relatiestijl wel een meer veilige hechtingsstijl kunnen aanleren in een positieve en ondersteunende relatie.

 

 

Hoofdstuk 11 – Motieven en dynamiek van persoonlijkheid

Binnen de motivationele psychologie vraagt men zich vooral af welke drijfveren mensen hebben voor gedrag. Alle theorieën hebben twee basis aspecten.

  1. Alle theorieën beschouwen persoonlijkheid als bestaande uit enkele algemene motieven die alle mensen bezitten (of in staat zijn om te bezitten)

  2. Deze motieven hebben hun werking via mentale processen, binnen of buiten de bewustwording, waardoor er een intrapsychische invloed uitgeoefend wordt op het gedrag van die persoon

 

Basis concepten

Motieven zijn interne staten die voor opwinding zorgen en gedrag in de richting van een bepaald doel sturen. Een motief wordt vaak veroorzaakt door een bepaald gebrek. Motieven zijn dus vaak gebaseerd op behoeften (needs). Deze behoeften kunnen worden gezien als spanning in een individu. Deze spanning kan worden weggenomen door in de behoefte te voorzien.

 

Motiefpsychologen hebben enige overeenkomst met psychoanalisten en dispostionele psychologen.

 

Murray kwam met een theorie over menselijke motivatie. Hij definieerde behoefte als “de gereedheid om onder bepaalde omstandigheden op een bepaalde manier te reageren”. Niet de staat van ontspanning, maar het proces van spanningsreductie zou voor bevrediging zorgen. Het state level van een behoefte is een momentopname van een behoefte; het trait level van een behoefte geeft de algehele behoefte van een persoon weer.

 

Impliciete motivatie voorspellen voor de lange termijn. Expliciete motieven zijn betere voorspellers voor situaties in de nabije toekomst.

 

The Big Three’ motieven

  • De behoefte aan achievement is het verlangen goed te presteren, succesvol te zijn en een gevoel van competentie te hebben.

  • Behoefte aan power is het verlangen een impact op anderen te hebben

  • Behoefte aan intimacy is het verlangen warme en bevredigende relaties met anderen op te bouwen. Het is echter niet hetzelfde als extraversie.

 

De humanistische benadering

Legt de nadruk op het bewust zijn van behoeften, keuzes, en persoonlijke verantwoordelijkheid. Vanuit deze traditie ontstond het zelfactualisatieconcept; ieder individu heeft de behoefte te groeien tot het uiterste van het individuele kunnen. Maslow kwam met hiërarchie van behoeften, met op de eerste plaats fysiologische behoeften, dan veiligheidsbehoeften, dan behoefte aan sociaal contact, vervolgens behoefte aan waardering en erkenning, en ten slotte behoefte tot zelfactualisatie.

 

Carl Rogers richtte zich op de manier waarop mensen het niveau van zelfactualisatie kunnen bereiken. Volgens Rogers zouden mensen onder bepaalde omstandigheden afdwalen van hun zelfactualisatiedoel; maar er zijn manieren om mensen weer op de goede weg te helpen.

 

Rogers dacht dat alle kinderen worden geboren met positive regard = verlangen naar liefde en acceptatie door ouders en anderen. Positive regard wordt door ouders vaak onder voorwaarden (conditions of worth ) gebruikt; conditional positive regard. Rogers stelde voor dat positive regard onvoorwaardelijk moest zijn, unconditional positive regard. Mensen die dit ontvangen, accepteren zichzelf compleet met tekortkomingen en zwakheden, dit is positive self-regard.

Hoofdstuk 12 – De cognitieve benadering

Cognitie betekent bewustzijn en denken, maar kan ook staan voor specifieke mentale acties zoals herinneren en geloven. Er zijn 3 niveaus van cognitie die interessant zijn voor persoonlijkheidspsychologen: perceptie, bewuste doelen en interpretatie.

 

Cognitie kan persoonlijk zijn en worden gekoppeld aan wat een persoon zelf heeft meegemaakt in het leven. Ook bestaat er een objectieve cognitie waarbij de persoon naar de objectieve feiten kijkt.

 

Persoonlijkheid en perceptie

Iemand is veldonafhankelijk wanneer hij zich op details en eigen sensaties kan focussen in plaats van op de samenhang met achtergrondinformatie. Wanneer iemand veldafhankelijk is, ziet hij het geheel in plaats van de details.

 

Door verschillen in zenuwstelsels zijn er individuele verschillen in pijntolerantie. Tegenwoordig wordt aangenomen dat individuen verschillen in gevoelsstimulatie. Mensen met een lage pijntolerantie hebben een zenuwsysteem waarbij de subjectieve impact toeneemt in geval van gevoelssensatie (augmenters). Mensen met een hoge pijntolerantie (reducers) hebben een zenuwsysteem dat juist verminderde subjectieve effecten laat zien bij gevoelssensaties.

 

Persoonlijkheid en interpretatie

George Kelly is één van de grondleggers van cognitieve revolutie in de persoonlijkheidspsychologie. Mensen zoeken volgens hem verklaringen voor de gebeurtenissen in hun levens. Hierbij gebruiken ze constructen om de wereld te interpreteren, namelijk de persoonlijke construct theorie. Een construct staat niet op zichzelf, maar is een verzamelnaam voor verschillende observaties.

 

Constructen die een persoon vaak gebruikt om gebeurtenissen te interpreteren, noemt Kelly persoonlijke constructen. Dat mensen verschillende persoonlijke constructen hebben zorgt ervoor dat situaties verschillend worden geïnterpreteerd.

 

Kelly was een postmodernist: hij geloofde dat ieder persoon en iedere cultuur een versie van de realiteit bezit die uniek is. De theorie van Kelly ging uit van the fundamental postulate, wat inhield dat processen in een persoon psychologisch gekanaliseerd worden door de manier waarop gebeurtenissen geïnterpreteerd worden.

 

Locus of control

Beschrijft in hoeverre iemand het gevoel heeft dat hij gebeurtenissen onder controle heeft. Interne locus of control betekent dat gebeurtenissen als controleerbaar worden gezien; externe locus of control geloven dat gebeurtenissen buiten eigen controle liggen.

 

Cognitieve sociale leertheorie

Bandura legde de fundamenten voor de cognitieve sociale leertheorie. Deze theorie gaat over het cognitieve en sociale proces waardoor mensen leren, en streven naar doelen. Een belangrijk construct is self-efficiacy (het vertrouwen om een bepaalde actie uit te kunnen voeren om daardoor een doel te bereiken).

Hoofdstuk 13 – Intelligentie

Oordelen over het niveau van intelligentie die worden gebaseerd op het gedrag en uiterlijk van de persoon worden impliciete theorieën genoemd. Expliciete theorieën over intelligentie zijn gebaseerd op conclusies uit overzoeken over intelligentieverschillen tussen individuen.

 

De Binet-Simon Scale of Intelligence bestaat uit 30 taken die werden gerelateerd aan dagelijkse levenstaken. De uitkomst van deze test gaf de mentale leeftijd van een kind. Voor volwassenen is dit een minder goede maat omdat de cognitieve ontwikkeling niet met dezelfde mate toeneemt als die van een kind.

 

Wilhem Stern introduceerde het concept van de Intelligence Quotient in 1912. IQ = (mentale leeftijd / chronische leeftijd) x 100.

 

Charles Spearman introduceerde zijn theorie over general intelligence, g. Hij gebruikte factoranalyse als methode om de relaties tussen intellectuele prestatietaken te onderzoeken. Raymond Catell kwam met een theorie die g opsplitst in gekristaliseerde intelligentie die feitelijke kennis bevat, en vloeiende intelligentie bestaand uit het vermogen om relaties te zien tussen ideeën en objecten zonder hiervoor geleerd te hebben.

 

Intelligentietests

De Stanford-Binet test en Wechsler Schalen worden gezien als de gouden standaard van intelligentietests.

 

De Raven’s Progressive Matrices bestaan uit een matrix die een participant moet aanvullen. De moeilijkheidsgraad loopt op.

 

Andere benaderingen voor intelligentietests

  • Psychofysische meetmethoden zodat er geen sprake is van culturele bias.

  • Biologische meetmethoden zoals EEG en ERP. Hieruit blijkt dat een hoog IQ geassocieerd is met een hoge activatie in selectieve hersengebieden.

 

Genen, omgeving en ras

Erfelijkheid van intelligentie is niet eenduidig, correlatie tussen 0.4 en 0.7.

Erfelijkheid van cognitieve vaardigheden is minder bij individuen met een lage sociaal-economische status.

 

De omgeving heeft een grote invloed. Kind dat borstvoeding krijgt zal bijvoorbeeld 6-8 punten hoger scoren. De complete mechanismen zijn niet bekend omdat het moeilijk is alle factoren los te onderzoeken.

 

Flynn effect houdt in dat IQ in een populatie toeneemt bij elke succesvolle generatie.

 

Emotionele intelligentie

Het vermogen om accuraat te redeneren over emoties en deze emoties te gebruiken om zo de eigen gedachtegang te versterken.

 

Culturele context

De definitie van intelligentie verschilt tussen culturen.

 

Hoofdstuk 14 – Persoonlijkheid en emoties

Problemen in emotieonderzoek

Een emotie kan gedefinieerd worden door het bestaan van 3 aspecten: (1) de associatie met subjectieve gevoelens, (2) gaat samen met verschillende actiemogelijkheden (action tendencies), (3) gaat samen met lichaamsveranderingen, vooral in zenuwstelsel,

 

Een emotionele staat is tijdelijk en heeft meer te maken met de situatie waarin een persoon verkeert dan met de persoon zelf. Een emotionele trek is een patroon van emotionele reacties die een persoon consistent laat zien bij verschillende levenssituaties.

 

De dimensionele benadering ziet emoties als ervaringen. Er is een tweedimensionaal model dat suggereert dat elke emotie beschreven kan worden als combinatie van plezierigheid versus onplezierigheid en low versus high arousal.

 

De categoriale benadering focust op het identificeren van een klein aantal primaire emoties binnen alle complexe termen die ervoor bestaan.

 

Emotionele content en emotionele stijl

Emotionele content is een emotionele ervaring van een individu, onderverdeeld in plezierige en onplezierige emoties.

 

De emotionele stijl van een persoon is afhankelijk van hoe diegene emoties ervaart. Dit is stabiel over tijd en situaties, en betekenisvol in het maken van onderscheid.

 

Blijheid en gelukkig zijn

Inglehart ontdekte dat omstandigheden waarin mensen gelukkig zijn over tijd veranderen en dat geluk op alle leeftijden evenveel voor kan komen. Etniciteit en sekse zijn niet gerelateerd aan gelukkig voelen.

 

Casta en McCrae: een hoge score op extraversie en een lage score op neuroticisme zorgen voor meer geluk dan geslacht, leeftijd, en andere demografische kenmerken.

 

Onplezierige emoties

Studies tonen aan dat emotie is geassocieerd met een toenemende activiteit van de anterior cingulate cortex. Bij sociale afwijzing neemt activiteit in de anterior cingulate toe, wat zorgt voor bedroefdheid en stress. Personen die succesvol zijn in het reguleren van emoties, tonen vergrote activiteit in de rechter ventral medial prefrontal cortex.

 

Bij cognitieve theorieën over neuroticisme gaat men ervan uit dat neuroticisme veroorzaakt wordt door de stijl van informatieverwerking. Mensen met een hoge mate van neuroticisme zien vooral negatieve informatie, terwijl anderen ook positieve dingen zien.

 

Vijandelijkheid wordt geassocieerd met een hoge score op neuroticisme en een lage score op vriendelijkheid.

 

Emotionele stijl

Emotionele content slaat op het ‘wat’ van iemands emotionele leven, terwijl stijl slaat op het ‘hoe’. Hoe hoog iemand scoort op emotionele content, wordt uitgedrukt in beïnvloedingsintensiteit. Mensen met een lage beïnvloedingsintensiteit ervaren emoties mild, ervaren alleen graduele schommelingen en zijn emotioneel stabiel.

 

Interactie van emotionele content emotionele stijl

Hedonische balans is de balans tussen positieve en negatieve emoties. Hedonische balans en beïnvloedingsintensiteit zijn niet gerelateerd, maar interacteren wel.

Hoofdstuk 15 – Het zelf

Het zelfconcept is de basis waardoor iemand zichzelf kan begrijpen. Zelfvertrouwen gaat over hoe iemand zich voelt over zichzelf. De sociale identiteit van een persoon is het beeld dat naar de omgeving wordt gepresenteerd.

 

Ons zelfbeeld is aan verandering onderhevig door ons leven heen.

 

De ontwikkeling van het zelfconcept

  1. Een baby realiseert zich op een gegeven moment dat hij los staat van anderen

  2. 1,5-2 jaar: kind herkent zichzelf in de spiegel, kan daardoor ook beginnen met naspelen van situaties en het gebruiken van persoonlijke voornaamwoorden

  3. 2-3 jaar: uitbreiding van het zelfconcept door referenties van familie

  4. Rond 3 jaar: kinderen beginnen zichzelf te identificeren met sekse en leeftijd

  5. 3-12 jaar: zelfconcept vooral gebaseerd op ontwikkelen van kunde en talenten

  6. 5-6 jaar: ontwikkeling van sociale vergelijking met anderen.

  7. Tienerjaren: kinderen leren perspectief van ander in te nemen, ze leren ook over objectief zelfbewustzijn. Wanneer objectief zelfbewustzijn chronisch is, is er sprake van verlegenheid/sociale angst. Wanneer ouders hun kinderen pushen (tough love) om contact te hebben met anderen, blijken deze kinderen minder verlegen te zijn.

    Bij verlegen mensen is er sprake van evaluatie-ongerustheid.

 

Een zelfschema is een specifieke kennisstructuur/cognitieve representatie van het zelfconcept dat bestaat uit het verleden, heden, en de toekomst van ideeën.

 

Het ideale zelf is degene die de persoon wil zijn; het verwachte zelf is hoe de persoon denkt dat de omgeving vindt dat hij of zij zou moeten zijn.

 

Zelfrespect is de som van de positieve en negatieve reacties t.o.v. alle aspecten van het zelfconcept. Mate waarin zelfrespect schommelt, verschilt sterk tussen personen.

 

Sociale identiteit

Sociale identiteit is wat iemand van zichzelf aan anderen laat zien, het deel dat wordt gebruikt om een impressie te creëren en anderen te laten weten wat ze kunnen verwachten. Identiteit bestaat uit elementen die sociaal te observeren zijn en die publiekelijk toegankelijk zijn.

 

Identiteit heeft twee belangrijke eigenschappen: continuïteit betekent dat mensen morgen meestal dezelfde persoon zijn als vandaag; contrast wil zeggen dat iedereen een andere sociale identiteit heeft, waardoor iedereen uniek is.

 

Identiteitscrisis

Freud: is gevoel van angst wanneer iemand zijn Id wil veranderen.

Erikson: is de angst die samengaat met verandering van de sociale reputatie van een persoon

Baumeister: 2 soorten; identiteitsproblemen (er wordt geen juiste identiteit gevormd. Komt vaak voor wanneer mensen oude ideeën verwerpen om er nieuwe voor in de plaats te zetten) en identiteitsconflicten (twee of meer aspecten van de identiteit komen in conflict).

Hoofdstuk 16 – de interpersoonlijke aspecten van persoonlijkheid

Veel van de belangrijkste individuele verschillen en persoonlijkheidseigenschappen spelen een rol in interpersoonlijke relaties.

 

Er zijn drie manieren waarop persoonlijkheid sociale interactie vergroot:

  1. Evocatie: persoonlijkheidseigenschappen roepen reacties op bij anderen en eigenschappen van anderen roepen op hun beurt reacties op.

  2. Selectie: men zoekt sociale situaties op waarin men zichzelf kan ontwikkelen

  3. Manipulatie: men wil in positieve en negatieve zin invloed hebben op anderen

 

Persoonlijkheid ontstaat dus niet passief in een persoon, maar beïnvloedt ook de omgeving.

 

Evocatie

Expectancy confirmation komt op hetzelfde neer als self-fulfilling prophecy.

Een specifieke vorm van expectancy conformation is het Pygmalion effect – de kans is groot dat je zal slagen in een taak, als iemand je vertelt dat hij verwacht dat je zal slagen.

Hostile attributional bias komt voor wanneer iemand zich vijandig gedraagt naar anderen vanwege hun onzeker of onduidelijke gedrag.

 

Persoonlijkheid en partner selectie

Complementary needs theorie: mensen worden naar elkaar toegetrokken door sterk verschillende of tegenovergestelde persoonlijkheidseigenschappen

Attraction similarity theorie: mensen voelen zich aangetrokken tot personen die gelijkenissen vertonen in persoonlijkheidseigenschappen. Bewijs is assortative mating.

 

Manipulatie

11 manipulatietechnieken geïdentificeerd: charmeren, dwingen, stilzwijgen, redeneren, regressie (zeuren), zelfvernedering (gehoorzaam zijn), verantwoordelijkheidsoproep, hardball, plezierinductie, sociale vergelijking, en geldbeloning.

 

Self-concealment en sociale interactie

Self-concealment is een persoonlijkheidsdimensie die wordt gekarakteriseerd door het verborgen houden van informatie over jezelf voor anderen.

Hoofdstuk 17 – Persoonlijkheid, geslacht en sekse

Sekse stereotype is wat men gelooft over de verschillen tussen man en vrouw, los van wat de echte verschillen zijn.

 

Mannen zijn iets beter dan vrouwen in wiskundige en ruimtelijke vaardigheden. Vrouwen zijn iets beter dan mannen wat betreft verbale vaardigheden. Maar in termen van persoonlijkheid is er slechts één verschil: mannen zijn agressiever dan vrouwen.

 

Effectgrootte is het verschil tussen twee gemiddelden in standaarddeviaties uitgedrukt. D=.20 is klein, d =50 is gemiddeld, d =.8 is groot. Een hele grote d betekent echter niet noodzakelijk dat het effect ook geldt voor één individu.

 

Minimalisten (in deze context): personen die sekseverschillen als klein en onbelangrijk interpreteren. Maximalisten hechten juist veel meer waarde aan de gevonden sekseverschillen; kleine verschillen kunnen volgens hen belangrijke gevolgen hebben.

 

Sekseverschillen in persoonlijkheid

Meisjes zijn beter in het in bedwang houden van niet gepast gedrag dan jongens, en hebben dus een betere inhibitory control. Ook zijn meisjes beter in het opmerken van subtiele stimuli in de omgeving, waardoor ze een hogere perceptual sensitivity hebben.

 

Jongens blijken hoger te scoren op impulsiviteit, toenaderingsgedrag (surgency), en fysieke agressie.

 

In de volwassenheid scoren vrouwen hoger op emotionele instabiliteit, wat gerelateerd is aan negatieve affectiviteit. Hier zijn eerder nog geen verschillen te vinden.

 

De Big Five – sekseverschillen per onderdeel

  • Vriendelijkheid. Vrouwen zijn iets betrouwbaarder en veel gevoeliger dan mannen..

  • Extraversie. Het enige significante sekseverschil werd gevonden op assertiviteit, waarop mannen hoger scoorden dan vrouwen. Verder hechten mannen meer belang aan sociale status en dominantie tegenover anderen.

  • Consciëntieusheid. Alleen op het gebied van orde zijn er kleine verschillen; vrouwen zijn ordelijker.

  • Openheid voor ervaringen. Mannen en vrouwen verschillen hierop niet.

  • Emotionele stabiliteit. Vrouwen zijn minder emotioneel stabiel dan mannen.

 

Feminiteit, masculiniteit en androgynie

Masculiniteit en feminiteit zijn niet onafhankelijk: mannen zijn meer instrumenteel en vrouwen meer expressief; androgene personen bezitten aspecten van beide seksen.

 

Instrumentaliteit bestaat uit persoonlijkheidseigenschappen die te maken hebben met het werken met objecten, taken afmaken en onafhankelijkheid tonen.

 

Bij expressiviteit laat men emoties zien, leeft men mee met anderen en helpt men hen wanneer nodig

 

Stereotypes: een cognitief-, affectief-, en gedragscomponent

  • Cognitieve aspect slaat op de manier waarop sociale categorieën worden gevormd

  • Affectieve component slaat op de manier waarop mensen naar elkaar kijken op basis van de sociale categorie waartoe iemand behoort

  • Gedragscomponent slaat op de manier waarop mensen zich tegenover bepaalde sociale categorieën gedragen

    Cross-cultureel onderzoek liet de universaliteit van geslachtsstereotypen zien.

 

Theorieën over sekseverschillen

  • Traditionele theorieën over sekseverschillen hebben te maken met sociale factoren.

  • Socialisatietheorie stelt dat jongens en meisjes verschillend zijn omdat ze verschillend worden behandeld door de omgeving. De sociale leertheorie van Bandura is hier een variant op; deze stelt dat jongens en meisjes leren door individuen van hun eigen geslacht te observeren, ook als er geen directe bekrachtiging is.

  • Sociale roltheorie: mannen en vrouwen verschillende rollen in het gezin. De vrouw verzorgt, man verdient het geld.

  • Hormoontheorieën: mannen en vrouwen verschillen niet vanwege omgeving, maar vooral vanwege verschil in hormonen.

 

Evolutionaire psychologen letten alleen op de oorsprong van sekseverschillen. Zij zeggen dat mannen en vrouwen alleen verschillen in de domeinen waar de seksen verschillende aanpassingsproblemen hadden in de evolutie van de mens.

Hoofdstuk 18 – Persoonlijkheid in verschillende culturen

Culturele persoonlijkheidspsychologie

Mensen leven in verschillende culturen waartussen meerdere verschillen bestaan. Deze verschillen worden culturele variatie genoemd. Culturele persoonlijkheidspsychologie heeft drie doelen, namelijk de onderliggende principes van culturele diversiteit ontdekken, ontdekken hoe de menselijke psychologie cultuur kan vormen, en ontdekken hoe culturele begrippen onze psychologie vormen.

 

Psychologen hebben drie punten gevonden om persoonlijkheidsverschillen tussen culturen uit te kunnen leggen:

  • Opgeroepen cultuur: eigenschappen die elk mens bezit, maar die alleen in sommige culturen naar voren komen

  • Overdracht van cultuur: representaties die door interactie ‘in hoofden van anderen gezet worden’. Ook het zelfconcept, dat per cultuur verschilt, is bij overdracht van cultuur erg belangrijk.

  • Culturele universelen: dat wat in alle culturen gelijk is.

 

Overdracht van cultuur

In westerse culturen ligt de nadruk vooral op de manier waarop een persoon zich onderscheidt van de groep (onafhankelijkheid), terwijl in niet-westerse culturen de nadrukt vooral ligt op de manier waarop iemand zich relateert aan anderen binnen de groep (interafhankelijkheid).

 

Het verschil in zelfconcept in verschillende culturen kan doorgetrokken worden naar een verschil in informatieverwerking: Japanners beschrijven gebeurtenissen op een holistische manier. Zij benadrukken relaties en de omgeving. Amerikanen leggen gebeurtenissen echter analytisch uit en scheiden voorwerpen af van de omgeving.

 

Recent onderzoek waarbij de evolutionaire psychologie gecombineerd werd met de culturele psychologie bracht een nieuwe verklaring. Dit is de hypothese dat mensen beide mechanismen in zich hebben, en zich naar de omgeving vormen.

 

Een ander cultuurverschil is zichtbaar op het gebied van zelfhandhaving. Dit is de neiging van een ander individu om zichzelf positieve en/of sociaal gewaardeerde waarden toe te kennen.

 

Verschillen in persoonlijkheidsprofielen

Sociale klasse kan effect hebben op persoonlijkheid. Uit een studie bij 51 verschillende culturen naar verschillen in de Big Five kwam naar voren dat het grootste verschil in extraversie zit. Amerikanen en Europeanen scoren hoger dan Aziaten en Afrikanen; de verschillen zijn echter klein. De meeste verschillen bevinden zich binnen en niet tussen culturen. Verschillen binnen culturen kunnen komen door verschillende aanwezigheid van bronnen, onder andere verschillen in opgroeien in verschillende socio-economische klassen.

 

Culturele universelen

Verschillende culturen hebben verschillende woorden om emotionele ervaringen te beschrijven. Toch zijn ervaringen en uitingen van de emoties geluk, woede, angst, verdriet, verbazing en walging universeel.

De Worfian hypothesis of inguistic relativity stelt dat taal gedachtes en ervaringen creëert.

Hoofdstuk 19 – Aanpassen en omgang met stress en gezondheid

Gezondheidspsychologie richt zich op de invloed van psychologische en gedragsmatige factoren op gezondheid, vaak in combinatie met de omgeving. Stress staat hierin centraal. Stress is een subjectief gevoel dat het gevolg is van oncontroleerbare en bedreigende gebeurtenissen (stressoren).

 

Personen met veel stress in hun leven, hebben veel psychologische en fysiologische symptomen.

 

Er zijn verschillende soorten stress: acute stress, traumatische stress, episodische acute stress en chronische stress.

 

Stress response

Wanneer een persoon wordt blootgesteld aan stress, volt er een patroon van emotionele en fysiologische reacties. Dit patroon wordt door het General Adaptation Syndrome beschreven in 3 fases: de alarmfase, de weestandfase en de uitputtingsfase.

 

Coping strategieën die te maken hebben met positieve emoties zijn positieve herwaardering, probleem-focus coping en het creëren van positieve gebeurtenissen.

 

Lazarus: twee cognitieve gebeurtenissen moeten plaatsvinden om stress te creëren. De eerste is primaire waardering die ontstaat doordat de gebeurtenis druk legt op de persoonlijke doelen van een persoon. Hierop moet secundaire waardering volgen, waarbij de persoon doorheeft dat hij of zij niet de bronnen heeft om met de gebeurtenis om te gaan.

 

Copingstijlen en strategieën

Goede coping stijlen zijn het actief aanpakken van het probleem, het zoeken van sociale steun, en het oproepen van geruststellende gedachten. Slechte coping stijlen zijn het probleem vermijden en het aannemen van een passief-depressief reactiepatroon.

 

Er zijn drie belangrijke dimensies van attributiestijlen, namelijk intern versus extern, globaal versus specifiek, en stabiel versus instabiel.

 

Zelfonthullig (self disclosure) houdt in dat een persoon een privé gegeven over zichzelf vertelt aan iemand anders. Pennebaker concludeert echter dat het zowel opschrijven als vertellen van een geheim de beste combinatie is om het probleem voor jezelf te interpreteren. Ten eerste leidt het tot opluchting en een verminderde mate van stress; ten tweede leidt het ertoe dat iemand de situatie herinterpreteert, beter begrijpt, of er iets positiefs in gaat zoeken.

 

Type A gedrag en management van emoties

Type A gedrag kan worden beschreven met de termen prestatiedrang, gejaagdheid, vijandigheid, en frustratie. Vijandigheid lijkt een sterke voorspeller te zijn voor het krijgen van hart- en vaatziekten.

 

Emotionele repressie

Emotionele onderdrukking heeft volgens sommige wetenschappers negatieve gevolgen. Chronische onderdrukking van emoties leidt tot een hogere mate van arousal van het sympathische zenuwstelsel. Ook wees onderzoek uit dat emotionele expressiviteit goed is voor onze psychologische gezondheid en aanpassing.

 

Hoofdstuk 20 - Persoonlijkheidsstoornissen

Een psychologische stoornis bestaat uit een patroon van gedrag of ervaring dat voor stress of pijn zorgt bij een persoon en dat kan leiden tot onvermogen of beschadiging in verschillende levensdomeinen.

 

Een persoonlijkheidsstoornis is een langdurig patroon van ervaringen en gedrag dat erg verschilt met de verwachtingen van de cultuur van de persoon. Deze afwijkende patronen van iemand zijn persoonlijkheid komen voort uit ervaringen, gedachtes en interacties met de wereld.

 

De symptomen van een persoonlijkheidsstoornis kunnen zeer variërend zijn en verschillende domeinen beslaan waardoor het normaal functioneren van een individu bemoeilijkt wordt. Vaak is de persoon zich hier niet eens van bewust, omdat de symptomen al als persoonlijkheidseigenschappen worden waargenomen (= ego syntoon). Ego dystoon wil zeggen dat de persoon de symptomen als niet passend bij zijn/haar persoonlijkheid ziet en deze als zeer vervelend ervaart.

 

Om persoonlijkheidsstoornissen te begrijpen kan gekeken worden naar:

  • Motivatie: beschrijft wat mensen willen en waarom ze zich gedragen op een bepaalde manier.

  • Trekken van persoonlijkheid beschrijven de consistenties in gedrag. Gedachten en acties representeren betekenisvolle verschillen tussen personen

  • Cognitie: bevat mentale activiteit die gebruikt wordt tijdens het waarnemen, interpreteren en plannen van dingen.

  • Emoties: kenmerkend voor mensen met een persoonlijkheidsstoornis is dat de ervaringen van emoties extreem kunnen variëren.

 

Clusters persoonlijkheidsstoornissen

  • Cluster A: vreemde, excentrieke cluster. Schizoïde, paranoïde en schizotypische persoonlijkheidsstoornis

  • Cluster B: dramatische, emotionele, impulsieve cluster. Borderline, antisociale, narcistische en theatrale persoonlijkheidsstoornis

  • Cluster C: angstige cluster. Afhankelijke, ontwijkende en obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis.

 

DSM-V en comorbiditeit

In de DSM-V worden deze persoonlijkheidsstoornissen duidelijk gecategoriseerd en deze categorische benadering wordt wereldwijd gebruikt. Er is weinig wetenschappelijk onderzoek die deze benadering ondersteunt. Een ander kritiekpunt is dat er vaak sprake is van comorbitieit bij stoornissen.

 

Er bestaat ook een dimensionale benadering waar elke stoornis gezien wordt als een continuüm, variërend van normaal aan de ene kant en ernstig onvermogen/verstoring aan de andere kant.

 

Oorzaken voor ontwikkelen persoonlijkheidsstoornissen

Onderzoek wordt gedaan naar de biologische en omgevingsfactoren van een individu met een persoonlijkheidsstoornis, waarbij wordt gesteld dat beide factoren van invloed zijn.

 

Borderline: genetische factoren spelen minder een rol, omgevingsfactoren meer. Schizotypische en antisociale persoonlijkheidsstoornis: genetische factoren grotere rol.

Hoofdstuk 21 - Herhaling

Het doel van persoonlijkheidspsychologie is het begrijpen van het geheel van de menselijke natuur. Het volledige begrip komt door het combineren en integreren van de zes kennisdomeinen.

 

Het biologische domein – fysiologie, genetica en evolutie:

Mensen zijn biologische systemen en er wordt in dit domein veel onderzoek gedaan naar de invloed van het lichamelijk en biologisch functioneren op de persoonlijkheid. In de toekomst zal er meer worden gekeken naar de psychologie van de toenadering en vermijding. Toenadering komt doordat de mens graag positieve emoties wil benaderen wanneer deze aanwezig zijn, vermijding door geen negatieve emoties willen ervaren. Tevens zal er meer onderzoek worden gedaan naar de invloed van genen op persoonlijkheid tegenover de invloed van de omgeving. Evolutionaire verklaringen zullen verder worden onderzocht.

 

Het intrapsychische domein – psychoanalyse, motivatie en dynamica

Dit domein gaat over de invloed van factoren in ons bewustzijn op gedrag, gedachten en emoties. Freud heeft een enorm grote invloed gehad in dit domein en kwam met de theorie dat de motivatie van de mens bestond uit seksuele en agressieve driften en conflicten. De nieuwste visie richt zich meer op sociale crises in plaats van seksuele conflicten. Grote theorieën bevinden zich op het human nature niveau

 

Het dispositionele domein – eigenschappen, taxonomie en stabiliteit

Dit domein bekijkt welke aspecten van persoonlijkheid stabiel zijn en wat mensen zo verschillend maakt van elkaar. Het is bij uitstek goed te meten aangezien er nieuwe statistische technieken zijn, in de toekomst zullen nog meer nieuwe volgen. Ook zal er samenwerking plaatsvinden met onderzoekers die persoonlijkheidsverschillen op een andere manier benaderen. Als laatste zal men zich blijven richten op de interactie tussen personen en situaties

 

Het cognitieve ervaringsdomein – cognitie, intelligentie, emotie en zelf

Dit domein staat voor de subjectieve ervaringen en andere mentale processen zoals gedachten, gevoelens en overtuigingen over zichzelf en anderen. Het belangrijkste concept binnen dit domein is het zelfbeeld. Intelligentie speelt ook een belangrijke rol doordat het een grote invloed heeft op persoonlijkheid. Tevens blijven emoties belangrijk.

 

Het sociaal-culturele domein – relaties, sekse en cultuur

De sociale en culturele aspecten van persoonlijkheid staan centraal. Persoonlijkheid wordt zeer beïnvloed door deze aspecten, net zoals sekseverschillen. Ook de omgang met mensen uit verschillende culturen in het dagelijks leven, het begrijpen waarom mensen verschillen en overeenkomen, en cross-culturele verschillen zullen onderzocht blijven worden.

 

Het aapassingsdomein – stress, coping en stoornissen

Dit domein ontfermt zich over de rol van persoonlijkheid en positieve emoties met betrekking tot gezondheid. Persoonlijkheid is namelijk gerelateerd aan de mate van gezonde of ongezonde gedragingen.

Hoofdstuk 7 Psychologie en de multiculturele samenleving – gezondheidspsychologie in de pluriforme samenleving

7.1 Leefstijl

Factoren met betrekking tot de leefstijl worden wel samengevat onder de afkorting BRAVO – bewegen, roken, alcohol, voedsel en veiligheid, en ontspanning. De culturele afkomst speelt hierin een rol.

Bepaalde etnische minderheden sporten minder – dit geldt voornamelijk voor vrouwen. Op het gebied van veiligheid (pil en condoom) wordt laag gescoord bij allochtone groepen.

 

7.1.1 Determinanten

Welke factoren een rol spelen in de levensstijl van allochtonen verschillen per doelgroep en gedraging. Vaak hangt levensstijl in minder positieve zin samen met sociaal economische status. Ook cultuur en moraal speelt mee. Eetpatronen hangen samen met cultuur. Vrijen en drinken hangen samen met religie en tradities.

 

7.1.2 Ethische vraagstukken

Gezondheidsbevordering is vol van westerse middenklassewaarden en de veronderstellingen die daaraan ten grondslag liggen. Door de verschillende culturen in ons land ontstaan ethische discussies

 

7.1.3 Dynamiek, differentiatie en intersectionaliteit

In de loop van generaties kunnen verschillen in autochtone en allochtone bevolking verdwijnen. Etniciteit omvat meer dan een persoonskenmerk van afkomst, en bestaat uit: sekse, leeftijd, persoonlijke psyche, een lichamelijke, economische, sociale en culturele dimensie. Deze dimensies zijn bovendien voortdurend in beweging en worden ook het intersectionele diversiteitsperspectief genoemd.

 

7.2.1 Stress op psychisch en sociaal gebied

Stress kan men omschrijven als het ontbreken van evenwicht in de mate waarin situaties bedreigend zijn en de mate om deze situaties op te lossen. In een multiculturele samenleving kan stress tussen culturen ontstaan door onderliggende factoren als religie, waarden en taalbarrières. Bovendien kan stress ontstaan door migratie, acculturatie, maatschappelijke beeldvorming en discriminatie.

 

7.3 Het gebruik van zorg(instellingen)

Het gebruik van zorg kan men interpreteren als een relatie tussen hulpverleningskenmerken en patiëntkenmerken.

Ziektesymptomen worden verwerkt in 4 fasen: het in kaart brengen van de klacht, het omgaan met ziektestress, het zoeken van de juiste behandeling, het evalueren van de uitkomsten en het terugkoppelen naar de oorspronkelijke klacht.

 

7.3.1 In kaart brengen van de klacht

Het inzien van de oorzaak van ziek zijn en het in kaart brengen ervan is mede cultureel bepaald. Het kan door de psychologische kenmerken van het individu, kenmerken van de natuur, de sociale wereld en de bovennatuurlijke wereld. Gemeenschappen verschillen in soorten klachtverklaringen, en toegestane behandelingen.

 

7.3.2 Omgaan met klachten

Het omgaan met een ziekte vraagt om een specifieke coping strategie en deze is mede cultureel bepaald. Mannen kiezen vaan een vecht-vlucht model en vrouwen een tend and befriend model (koesteren en erover praten). Naast het omgaan met klachten is van belang over welke gezondheidsvaardigheden een patiënt beschikt: health literacy.

 

7.3.3 Hulp zoeken

Ziek zijn is zowel een persoonlijke als sociale beslissing. Het bepalen van het onderscheid tussen normaal en abnormaal verschilt per cultuur. Het zoeken en accepteren van de juiste zorginstelling wordt beïnvloed door de verwachtingen die men heeft over de gezondheidszorg, en is afhankelijk van de beschikbaarheid en betaalbaarheid ervan

 

7.3.4 Evaluatie van gezondheidsacties

Bij de evaluatie van gezondheidsacties spelen ook culturele aspecten een rol. Maar een goed evaluatieproces hangt niet alleen af van de opstelling van de patiënt, maar ook van de opstelling van artsen en hulpverleners.

 

7.3.5 Arts en patiënt

Het gaat bij communicatie niet alleen om het spreken, maar ook de referentiekaders, doelen en de conventies van het gesprek. Pinto geeft drie fasen weer, die het omgaan met patiënten vanuit verschillende culturen moet verbeteren. De eerste stap is het leren kennen van de eigen cultuur. De tweede is het leren kennen van de andere cultuur en de spelregels, waarbij (eigen) meningen niet verward mogen worden met feiten. Derde: vaststellen hoe men met verschillen in cultuur omgaat, en deze communiceren met de ander.

 

7.3.6 Systeem en patiënt

Somatisatie: niet-westerse patiënten presenteren hun psychische klachten in de vorm van lichamelijke klachten. Voor optimalisatie van hulpvraag en zorg is tijd en moeite nodig.

In de zorg ziet men tegenwoordig vaak dat etnische minderheden worden benaderd door de vereniging van de Eigen Taal en Cultuur en door allochtone zorgconsulenten. Hoewel dit goed kan werken voor immigranten van de eerste generatie, geven migranten van de tweede en derde generatie vaak de voorkeur aan Nederlandse of neutrale benadering

 

7.4 Afsluiting

De universalistische benadering in de gezondheidszorg is niet bevorderlijk voor allochtone patiënten. Met deze benadering worden namelijk inherente westerse vertekeningen, symbolen en waarden over het hoofd gezien. Diversiteitsbewuste gezondheidszorg draagt bij aan de pluriforme samenleving.

 

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  3. Search tool: quick & dirty - not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is available at the bottom of most pages or on the Search & Find page
  4. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Quick links to WorldSupporter content for universities in the Netherlands

Follow the author: Vintage Supporter
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.