Samenvatting Juridische methoden, casusoplossen, jurisprudentie-analyse en argumenteren

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


 

Hoofdstuk 1: Belangrijke juridische vaardigheden

Dit boek bespreekt de belangrijkste vaardigheden die nodig zijn voor het beantwoorden van een juridische vraag. Deze vaardigheden zijn van belang om te voorkomen dat feiten verkeerd worden weergegeven, de juridische selectie van de feiten onjuist is, de rechtsvraag onjuist is geformuleerd of de rechtsregel verkeerd is geïnterpreteerd. Andere fouten kunnen de weergave van de argumenten van de wederpartij betreffen of de structuur van het juridisch betoog. Het boek sluit aan op de theoretische visie die is uiteengezet in Recht in Context. Kernvisie van dat boek is dat men het recht moet beschouwen in zijn context. Men moet niet alleen de rechtsbronnen kennen, maar ook letten op de wijze waarop juristen er onder invloed van de omstandigheden van een geval mee omgaan bij het argumenteren en het schrijven van vonnissen.

Het boek bespreekt de volgende vaardigheden als instrumenten voor het oplossen van casus. Hoofdstuk 2 richt zich op het opzoeken van de relevante wetsartikelen in wettenbundels en juridische internetsites. De analyse van rechtsregels komt aan de orde in hoofdstuk 3. Inzicht in de structuur van een rechtsregel vergemakkelijkt het opzetten van een betoog en bevordert een juiste inschatting van de argumentatie van de wederpartij. Hoofdstuk 4 richt zich op de opzet van een argumentatie en het inspelen op de argumentatie van de wederpartij. In hoofdstuk 5 tot en met 7 komt de analyse van rechterlijke uitspraken aan bod. Het gaat daarbij om vonnissen, arresten van het Gerechtshof en van de Hoge Raad. Daaraan vooraf gaat een inleiding op het juridische proces met aandacht voor de procespartijen, de rechterlijke instanties en enige belangrijke wettelijke bepalingen. De bespreking richt zich op de civielrechtelijke, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke uitspraken. Bij de bespreking van het bestuursrecht wordt ook aandacht gegeven aan het belangrijke begrip ‘belanghebbende.’

De wijzen waarop een rechtsregel kan worden uitgelegd (geïnterpreteerd) komt aan de orde in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 tenslotte richt zich op het argumenteren en het schrijven van een betoog.

 

 

Hoofdstuk 2: Vindplaatsen voor rechtsregels in de wet

Voor het oplossen van casusposities gaan juristen te rade bij rechtsbronnen, de vindplaatsen van het recht. Deze zijn: internationale verdragen, wet, rechtspraak, gewoonte en rechtsbeginselen. Dit hoofdstuk bespreekt hoe men een relevant wetsartikel vindt in de twee belangrijkste wettenbundels voor juridische studenten, te weten: de Verzameling Nederlandse Wetgeving van de Sdu Uitgevers en de Kluwer Collegebundel van Kluwer. Vervolgens komen de juridische internetsites aan bod.

 

2.1 De Verzameling Nederlandse Wetgeving van de Sdu

Deze wettenbundel bestaat uit drie delen, A. Staatsrecht, B. Burgerlijk Recht, C. Strafrecht. Ieder deel bevat een inhoudsopgave en een register dat ziet op het betreffende deel. De inhoudsopgave komt in twee versies: een systematische die de indeling volgt waarin de wetten staan opgenomen in het betreffende deel en een alfabetische. Per deel volgt hieronder nog een korte toelichting. De in de wettenbundel opgenomen wetten en regelingen zijn voorzien van trefwoorden in de marge om het zoeken te vergemakkelijken.

  1. Staatsrecht. Dit deel bevat het eigenlijke staatsrecht, bestuursrecht en bestuursprocesrecht en Verdragen.

  • Het staatsrecht bestaat uit rechtsregels die de organisatie en inrichting van de staat betreffen. Die regels stellen de organisaties in en regelen hun bevoegdheden. Een belangrijke staatsrechtelijke wet is de Grondwet (Gw).

  • Bestuursrecht ziet op rechtsregels die betrekking hebben op de verhouding tussen overheid en burger. Belangrijke wetten zijn in dit verband de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Ambtenarenwet en de Woningwet.

  • Het bestuursprocesrecht beslaat rechtsregels die bepalen hoe het bestuursrecht zelf (het materiële bestuursrecht) kan worden gehandhaafd. Hieronder valt bijvoorbeeld de Wet op de Raad van State.

  • Verdragen zijn afspraken tussen staten. In deel A. staan de publiekrechtelijke verdragen. Veel van deze verdragen vullen het nationale recht aan. Belangrijke voorbeelden zijn het Verdrag betreffende de Europese Unie (EU), het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Handvest van de Verenigde Naties (HvVN).

  1. Burgerlijk recht. Burgerlijk recht bestaat uit de rechtsregels die de rechtsbetrekkingen tussen burgers onderling regelen. Andere aanduidingen voor het burgerlijk recht zijn: privaatrecht of civiel recht. Dit deel omvat het:

  • Materiële burgerlijk recht: die zijn de rechtsregels die rechten verlenen, verplichtingen opleggen en bevoegdheden verschaffen. Hieronder vallen niet alleen het eigenlijke Burgerlijk Wetboek, maar ook het Wetboek van Koophandel (Handelsrecht), de Faillissementswet en andere wetten.

  • Burgerlijke rechtsvordering: wetten die de rechtsvordering of het burgerlijk procesrecht omvatten zien op de wijze waarop het materiële recht gehandhaafd kan worden. Deze regels zijn te vinden in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv), de wet op de Rechterlijke Organisatie (RO) over de instelling en het functioneren van de rechterlijke macht en bijv. de Advocatenwet (Adv.w).

  • Internationaal privaatrecht: dit rechtsgebied bevat de rechtsregels die bepalen welk nationaal recht van toepassing is op internationale privaatrechtelijke verhoudingen, bijv. een huwelijk tussen een Nederlander en een Belg.

  • Veel regels van internationaal privaatrecht liggen besloten in verdragen. Dit soort, met het burgerlijk recht verbonden, verdragen zijn opgenomen in Deel B.

  1. Strafrecht. Het strafrecht omvat de rechtsregels die bepaalde handelingen strafbaar stellen en daaraan een sanctie verbinden. Dit deel omvat het:

  • Materiële strafrecht: dit ligt voor een belangrijk deel besloten in het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarnaast zijn vele andere wetten en regelingen van belang, bijv. de Opiumwet.

  • Strafprocesrecht: deze rechtsregels regelen de handhaving van het materiële strafrecht. De regels staan voor het merendeel in het Wetboek van strafvordering (Sv). Daarnaast is bijv. de Politiewet (PolW) van belang.

  • Verdragen: hier zijn de met het strafrecht verbonden verdragen te vinden zoals het Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof (SRIS) en het Europese verdrag betreffende uitlevering (Evu).

 

2.2 Kluwer Collegebundel

Deze bundel van wetten bestaat uit twee delen. Deel I behandelt het Privaatrecht, Deel II het publiekrecht. De verdragen staan alle in Deel II. Voorin elk deel zit een volledige inhoudsopgave van beide delen. Ook het register achterin elk deel beslaat beide delen. Elk deel bevat diverse rubrieken, aangeduid met een romeins cijfer. Binnen elke rubriek staan dan de afzonderlijke wetten, aangeduid met een cijfer. Ook de Kluwer Collegebundel bevat trefwoorden in de marge.

 

Deel I, Privaatrecht omvat de volgende rubrieken:

  1. Burgerlijk Wetboek

  2. Aanverwante regelgeving Burgerlijk Wetboek

  3. Wetboek van Koophandel c.a. (dat is: ‘cum annexis’, met bijbehorende)

  4. Faillissementswet

  5. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering c.a.

  6. Wet op de Ruimtelijke ordening c.a.

Register

 

Deel II, Publiekrecht bevat de volgende rubrieken:

  1. Grondwet c.a.

  2. Decentralisatie

  3. Algemeen bestuursrecht/Bestuursprocesrecht

  4. Bijzonder bestuursrecht

  5. Wetboek van Strafrecht c.a.

  6. Wetboek van Strafvordering c.a.

  7. Verdragen c.a.

Register

 

Opmerkingen:

  • Verwijzingen naar wetgeving: Men moet naar de eigenlijke benaming van wetten verwijzen en naar het betreffende artikelnummer. Dus niet naar de rubrieksaanduidingen of paginanummers van de wettenbundels of naar hoofdstukaanduidingen, Titels of paragrafen in de wettekst. Alleen wet plus artikelnummer. Bij de bekendste wetten mag men de algemeen geaccepteerde afkorting gebruiken, bijv. Gw of BW.

  • Structuur van wetgeving: Veel wetten beginnen met een serie definities van belangrijke begrippen en opgave voor wie de wet van toepassing is en waarvoor. Verder zijn wetten vaak ingedeeld in hoofdstukken, titels en paragrafen. Deze geven een globaal overzicht van de structuur van de wettelijke regeling.

  • De meeste wetten in de bundels zijn wetgeving in formele zin. Hier gaat het om wetgeving afkomstig van de formele wetgever, dat is: Regering en Staten-Generaal (art. 81 Gw). De bundels bevatten daarnaast AMvB’s en andere regelingen. Een AmvB is een Algemene Maatregel van Bestuur. Het gaat hier om rechtsregels die zijn uitgevaardigd door de Regering of zelfs door een Minister.

 

2.3 Internetsites voor juristen

Hieronder worden de belangrijkste bronnen besproken die men kan bereiken via de startpagina van de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Erasmus Universiteit van Rotterdam (www.frg.eur.nl/start) en vervolgens de UB Portal Rechten. Men komt op de pagina ‘Resources on Law’ met de volgende bronnen:

 

Catalogues: verwijst naar de belangrijkste catalogi van de EUR.

  • University Library Catalogue: catalogus van de bibliotheek van de EUR zelf

  • Dutch Central Catalogue (DCC): verwijst naar PiCarta die alle catalogi van Nederlandse bibliotheken omvat.

 

Fields of Law: hierin staan de belangrijkste rechtsgebieden in het Engels (Civil Law, Criminal Law, European Law, Foreign and International Law, Labour and Social Law, Public Law, Tax Law). Per rechtsgebied vindt u relevante regelgeving, tijdschriften, E-journals e.d.

 

Wetgeving: deze rubriek omvat o.a. Lexplicatie (omvat regelgeving en bijbehorend commentaar, jurisprudentie en algemene vakliteratuur), OpMaat (van de Sdu, omvat verschillende databanken), Staten-Generaal Digitaal, www.wetten.overheid.nl (officiële databank vanuit de overheid met wetgeving).

 

Reference: deze rubriek omvat een onderdeel Juridische afkortingen, de Gids rechterlijke macht en een juridisch woordenboek (Stroud’s Judicial Dictionary on Words and Phrases).

 

Case Law: hier bevinden zich sites met jurisprudentie van onder anderen Kluwer (Kluwer Portal) en tijdschriften als de NJ (Nederlandse Jurisprudentie), RvdW (Rechtspraak van de Week) of Nederlandse Jurisprudentie Feitenrechtspraak (NJF). Van groot belang is de site www.rechtspraak.nl. Deze omvat een zeer uitgebreide hoeveelheid jurisprudentie van lagere en hogere gerechten, waaronder ook van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep (voor wetgeving op het gebied van sociale zekerheid) en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. De arresten van de Hoge Raad (HR) blijven over het algemeen beschikbaar. Uitspraken van lagere rechters kunnen na verloop van tijd weer van de site verwijderd worden. De site van rechtspraak.nl bevat ook nieuws en dossiers vanuit de Rechterlijke Macht en andere rechterlijke instanties zelf. Let verder op de Modellen voor de Rechtspraktijk binnen de Kluwer Portal. Hier vindt men per rechtsgebied en per artikel relevante modellen voor contracten, oprichting van een rechtspersoon e.d.

 

Internet: hier gaat het om RILL, ofwel de Rotterdam Internet Law Library. Van belang is hier onder meer de Leidraad juridische auteurs met belangrijke aanwijzingen voor verwijzingen naar bronnen in betogen).

 

E-journals: deze rubriek verwijst u door naar de belangrijkste juridische tijdschriften, waaronder het Nederlands Juristenblad (NJB), de Praktijkgids en Ars Aequi (tijdschrift voor juridische studenten waarop men zich als student gratis kan abonneren).

 

Links: deze rubriek verwijst u terug naar de faculteit rechtsgeleerdheid en het Sanders Instituut, een gespecialiseerde bibliotheek.

 

 

Hoofdstuk 3: Analyse van rechtsregels

Analyse van rechtsregels is van belang voor inzicht in de structuur ervan. Die structuur bestaat uit de kern van het voorschrift (het rechtsgevolg) en uit de voorwaarden voor het intreden van dat rechtsgevolg. Inzicht in die kern levert u een handvat voor het oplossen van een casus en voor het bestrijden van de argumentatie van de wederpartij. Het hoofdstuk behandelt allereerst de soorten van rechtsregels. Bij de structuur van rechtsregels komen de soorten van voorwaarden aan de orde. Na een bespreking van enkele lastige gevallen van voorwaarden volgt een eerste kennismaking met een eenvoudige rechterlijke uitspraak.

 

3.1 Types van rechtsregels

Een rechtsregel is een algemeen verbindend voorschrift. Het algemene karakter van een rechtsregel komt allereerst tot uiting in het feit dat de rechtsregel zich richt tot een abstract beschreven categorie van personen. Verder ligt het algemene karakter besloten in het feit dat het rechtsgevolg herhaalbaar is. De rechtsregels gelden voor een onbeperkt aantal van gevallen. Er zijn verder verschillende soorten van rechtsregels:

  • Normatieve rechtsregels richten zich op het sturen of beoordelen van gedrag. Ze bevatten geboden (wat men moet), verboden (wat men niet mag) en bevoegdheden (wat men mag).

  • Niet-normatieve rechtsregels richten zich niet op het sturen of beoordelen van gedrag, maar hebben andere functies. Daaronder vallen:

    • Kwalificatieregels of definitiebepalingen: hier verschaft een rechtsregel een omschrijving van begrippen die in andere normatieve rechtsregels voorkomen. Vergelijk het artikel over de onrechtmatige daad, art. 6:162 BW. Kern van het artikel is de bepaling dat wie schade veroorzaakt aan een ander deze ander de schade moet vergoeden. Lid 2 van dit artikel bevat de definitie van wat onder een onrechtmatige daad moet worden verstaan; lid 3 definieert wanneer de daad ook kan worden toegerekend aan de dader.

    • Verwijzingsregels of schakelbepalingen: deze rechtsregels verklaren een rechtsregel van toepassing buiten de wettelijke regeling waarvan zij deel uitmaken. Zo bepaalt art. 3:89 BW dat de voorschriften voor de levering van onroerende zaken (bijv. een huis) ook van toepassing zijn op andere registergoederen (bijv. een hypotheek).

    • Constructies of ficties: bij een constructie vat de wetgever uiteenlopende verschijnselen onder één noemer. Dit dient de eenvoud van de wettelijke regelingen. Van een fictie spreken wij, indien de wetgever een bepaalde situatie benoemt alsof deze letterlijk het geval is, hoewel dat niet met de werkelijkheid overeenstemt. Bekend voorbeeld levert art. 1:3 BW: “het kind waarvan de vrouw zwanger is, wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert.” De fictie heeft tot gevolg dat een ongeboren kind bijvoorbeeld kan erven van zijn vader, indien deze voor de geboorte overlijdt. Reden om hier met een fictie te werken is, wat men noemt, ‘wetgevingseconomie’. De fictie voorkomt dat de wetgever met veel uitzonderingen zou moeten werken. Als de wetgever zou hebben gesteld dat een ongeboren vrucht een persoon is, zouden vervolgens uitzonderingen gemaakt moeten worden voor alle regels die niet behoren tot het erfrecht en enige andere regelingen.

 

3.2 Voorwaarden en rechtsgevolg van een rechtsregel

Een rechtsregel is een algemeen verbindend voorschrift. Dit voorschrift bepaalt dat een bepaald rechtsgevolg in werking treedt als aan bepaalde voorwaarden in de rechtsregel is voldaan. Een rechtsregel heeft dus de structuur van een voorwaardelijke norm. Hij bepaalt in essentie: als A dan B. De wetgever hanteert daartoe vaak de termen ‘als… dan’, ‘mits’, ‘indien … dan’, ‘ingeval’ etc. Bijvoorbeeld art. 1:151 BW:

Echtscheiding wordt op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is.

Maar veel rechtsregels bevatten deze ‘als…dan’ formule of varianten daarvan niet letterlijk. Vergelijk art. 1:169 BW:

Een verplichting van een echtgenoot om uit hoofde van scheiding van tafel en bed levensonderhoud te verschaffen aan een andere echtgenoot, eindigt bij ontbinding van het huwelijk.

Dit artikel moet gelezen worden als:

Indien het huwelijk wordt ontbonden, dan eindigt de verplichting van een echtgenoot om uit hoofde van scheiding van tafel en bed levensonderhoud te verschaffen aan de andere echtgenoot.

 

3.2.1 Voorwaarden

Het rechtsgevolg van een rechtsregel treedt in als een feitelijk geval aan bepaalde voorwaarden voldoet. De wetgever hanteert echter verschillende types van voorwaardelijke constructies:

 

Enkelvoudige voorwaarde: de rechtsgevel geeft slechts één voorwaarde. Zo hanteert het hierboven genoemde art. 1:151 BW als enige voorwaarde ‘het huwelijk is duurzaam ontwricht’ voor het rechtsgevolg ‘echtscheiding wordt op verzoek van één der echtgenoten wordt uitgesproken.’

 

Complexe voorwaarden: hier gelden meerdere voorwaarden voor het intreden van het rechtsgevolg. De rechtsregel kan zo geformuleerd zijn dat alle genoemde voorwaarden vervuld moeten zijn. Er is dan sprake van cumulatieve voorwaarden. Ze zijn herkenbaar aan de aanduiding met ‘en…en’.

Indien een geval slechts aan tenminste één van een serie voorwaarden moet voldoen, is sprake van alternatieve voorwaarden, herkenbaar aan de hantering van ‘of…of’ (of ‘danwel’).

Ter illustratie een aantal voorbeelden. Let daarbij op de notatie: ‘R’ staat voor rechtsgevolg. ‘V’ voor voorwaarde. Cumulatieve voorwaarden worden met nummers aangegeven; alternatieve voorwaarden met letters.

Art. 3:118 BW bevat twee cumulatieve voorwaarden:

Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijs als zodanig mocht beschouwen.

Te noteren als:

V1: de bezitter beschouwt zich als rechthebbende en

V2: de bezitter mocht zich redelijkerwijs als rechthebbende beschouwen

R: de bezitter is te goeder trouw

 

Zodra een casus niet voldoet aan één van deze twee voorwaarden, treedt het rechtsgevolg niet in.

Art. 3:117 BW bevat twee alternatieve voorwaarden:

Een bezitter van een goed verliest het bezit, wanneer hij het goed kennelijk prijsgeeft, of wanneer een ander het bezit van het goed verkrijgt.

Te noteren als:

V1a: de bezitter geeft het goed kennelijk prijs, of

V1b: een ander verkrijgt het bezit van het goed

R: de bezitter verliest het goed

Let op: voldoening aan één van de genoemde voorwaarden is al voldoende voor het intreden van het rechtsgevolg.

 

Combinaties van alternatieve en cumulatieve voorwaarden: dit is het geval bij veel rechtsregels. Zie daarvoor bijvoorbeeld art. 6:162 BW, het artikel over onrechtmatige daad (zoek op in de wettenbundel).

Lid 1 van dit artikel bevat allereerst vier cumulatieve voorwaarden voor de verplichting tot betaling van schadevergoeding:

V1: er moet sprake zijn van een onrechtmatige daad

V2: die daad moet toerekenbaar zijn aan de dader

V3: er moet schade zijn

V4: die schade moet het gevolg zijn van de daad (uitgedrukt door de term ‘dientengevolge’)

R: er is een plicht tot schadevergoeding

 

Lid 2 van dit artikel geeft aan in welke vijf gevallen er sprake kan zijn van een onrechtmatige daad, die immers voorwaarde nummer 1 was. Het stelt eveneens dat als een geval voldoet aan één van de vijf genoemde voorwaarden voor het zijn van onrechtmatige daad er daarnaast géén sprake mag zijn van een rechtvaardigingsgrond. Dit artikellid bevat dus vijf alternatieve voorwaarden en één cumulatieve voorwaarde. Een geval hoeft slechts te voldoen aan één van de genoemde voorwaarden, maar moet wel ook voldoen aan de cumulatieve voorwaarde.

V1a: een inbreuk op een recht

V1b: een doen in strijd met een wettelijke plicht

V1c: een nalaten in strijd met een wettelijke plicht

V1d: een doen in strijd met het geen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt

V1e: een nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt

V1.2: er is geen rechtvaardigingsgrond

R: er is sprake van een onrechtmatige daad

 

Limitatieve en niet-limitatieve opsommingen: dit onderscheid heeft betrekking op alternatieve voorwaarden. De wetgever kan een gelimiteerd aantal voorwaarden geven, aan één waarvan een geval in ieder geval moet voldoen wil het rechtsgevolg intreden. De wetgever kan echter ook een aantal alternatieve voorwaarden opsommen als voorbeeld. Bij niet-limitatieve voorwaarden spreken we ook wel van enuntiatieve voorwaarden. Bij deze enuntiatieve voorwaarden kan de rechtspraak die opsomming aanvullen met nog andere voorwaarden.

Voor een voorbeeld van een limitatieve opsomming kan men art. 1:88 BW nemen. Dit artikel bepaalt dat een echtgenoot voor een bepaald aantal rechtshandelingen de toestemming nodig heeft van de andere echtgenoot. Achtergrond van dit artikel is om het ‘gezinskapitaal’ of het ‘gezinshuis’ te beschermen tegen roekeloos gedrag van een echtgenoot. De wetgever somt de mogelijke rechtshandelingen waarbij van die toestemming sprake moet zijn limitatief op. Het is dus niet de bedoeling dat deze vrijheidsbeperkende bepaling ook nog in andere gevallen geldt.

Een voorbeeld van een enuntiatieve opsomming biedt art. 7:679 lid 1 en 2 BW. Hier gaat het om het geval dat een werknemer niet gehouden kan worden om nog voor een werkgever te werken. In wettelijke taal: ‘omstandigheden, die ten gevolge hebben dat van de werknemer redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.’ Lid 2 geeft dan een serie omstandigheden, maar laat de mogelijkheid open dat de rechter het in nog andere omstandigheden gerechtvaardigd vindt dat de werknemer zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst niet meer hoeft na te komen. Die interpretatievrijheid valt af te lezen aan het begin van lid 2: ‘Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden:….’

 

3.2.2 Complicaties bij voorwaarden

De wetgever formuleert voorwaarden soms op een gecompliceerde wijze. Men moet letten op de volgende situaties:

 

Negatieve voorwaarden: Voorwaarden kunnen negatief worden geformuleerd via het woordje ‘niet’. Vergelijk art. 1:93 BW. Het spreekt uit dat vanaf de huwelijksvoltrekking tussen echtgenoten een gemeenschap van goederen zal bestaan, tenzij er sprake is van huwelijkse voorwaarden. De structuur is:

V1: er is niet bij huwelijkse voorwaarden afgeweken van de algemene gemeenschap van goederen

R: van het ogenblik van de huwelijksvoltrekking bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege algemene gemeenschap van goederen

 

De wetgever kan ook voorwaarden in een ontkennende formulering gieten. Lees art. 1:35 lid 1 BW. De bepaling dat een minderjarige geen huwelijk mag aangaan zonder toestemming van zijn ouders bevat als voorwaarde toestemming van de ouders en als rechtsgevolg het mogen aangaan van een huwelijk.

 

Schijnbaar cumulatieve voorwaarden: de wetgever hanteert soms het woordje ‘en’, terwijl hij alternatieve voorwaarden noemt. Zie daarvoor het eerder genoemde art. 6:162 BW lid 2 waar er staat: “als onrechtmatige daad wordt aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten…” Hiervoor (par. 3.2.1) was al duidelijk dat het gecursiveerde ‘en’ als aanduiding van alternatieve voorwaarden gelezen moet worden.

 

Schijnbaar alternatieve voorwaarden: de wetgever hanteert soms het woordje ‘of’, hoewel hij cumulatieve voorwaarden geeft. Dikwijls wordt dit ‘of’ dan vergezeld door ‘niet’, ‘tenzij’, ‘behoudens’, ‘anders dan’. Vergelijk daarvoor art. 1:121 BW.

Partijen kunnen bij huwelijkse voorwaarden afwijken van de regels der wettelijke gemeenschap, mits die voorwaarden niet met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden, of de openbare orde strijden.

Het woordje ‘of’ in combinatie met het ‘mits … niet’ betekent dat de huwelijkse voorwaarden met geen van die genoemde voorschriften mogen strijden. Het rijtje van schijnbaar alternatieve voorwaarden geeft dus een serie cumulatief toepasselijke ‘verboden.’

 

3.3 Argumentatieve analyse van een rechterlijke uitspraak

Hierna wordt aan de hand van een eenvoudige rechterlijke uitspraak getoond hoe men de rechterlijke toepassing van de voorwaarden van een rechtsregel kan analyseren. Het betreft het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 20 juni 2007 zoals gepubliceerd in de NJF (Nederlandse Jurisprudentie Feitenrechtspraak) 2007/366. De uitspraak is ook op te zoeken op www.rechtspraak.nl onder nummer LJN (= Landelijk Jurisprudentie Nummer) BA7530. Hierna volgt een korte samenvatting van de uitspraak met uitleg over de tekstuele onderdelen van de uitspraak.

 

Tekstuele onderdelen

Samenvatting tekst uitspraak

Koptekst bevat aanduiding vindplaats, instantie, rechter, relevant wetsartikel, essentie (dat is: korte door de redactie toegevoegde aanduiding van de kern van de kwestie en uitspraak)

[zie uitspraak]

 

Aanduiding van partijen (‘eiser’ en ‘gedaagde’) en procureur en advocaat.

[zie uitspraak]

Overzicht van de feiten

[informele samenvatting] De postcodeloterij organiseert jaarlijks de Nationale postcodeloterij en heeft daarvoor vergunning. Een deelnemer doet mee met de postcode van zijn woonadres. In december wordt jaarlijks de “kanjerprijs” uitgereikt. Deze wordt verdeeld onder alle meespelende loten met de winnende postcode. De postcode kanjer in 2005 is gevallen op code 5256 AW in Heusden. Een bedrag van 13,9 miljoen wordt verdeeld onder de meedelende loten uit de betreffende straat. Bij de uitreiking wordt een feest georganiseerd. Een aantal bewoners die geen lot hadden gekocht, winnen niets. Twee Tilburgse onderzoekers hebben een artikel gepubliceerd waaruit blijkt dat deze constructie bewoners aanzet tot deelname aan de loterij om te voorkomen dat ze spijt krijgen door de confrontatie met rijke winnaars.

Onder ‘het geschil’ de vordering van eisers en de argumenten

[informele samenvatting]

De verliezers eisen op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) schadevergoeding van de Postcodeloterij. Argumenten zijn onder meer: aantasting van de persoonlijke levenssfeer doordat zij als verliezers deel zijn gaan uitmaken van een loterij waaraan zij juist niet wilden deelnemen. Het groepskarakter van de loterij confronteert niet meespelende leden blijvend met hun status van verliezer van een spel waaraan zij niet wensten deel te nemen. Daarnaast worden zij ook nog eens blijvend geconfronteerd met hun verlies als gevolg van de toegenomen welvaart van de winnaars, een en ander benadrukt door feest en mediacircus. De postcodeloterij bedrijft hiermee ‘emotionele chantage’, waarvoor ter ondersteuning het artikel van de Tilburgse onderzoekers wordt aangehaald. Als gevolg ondervinden de verliezers psychische en fysieke schade.

Het kopje ‘de beoordeling’ bevat de overwegingen en het oordeel van de rechtbank

[informele samenvatting] De rechtbank overweegt dat:

  • De postcodeloterij vergunning heeft;

  • Er geen sprake is van inbreuk op het recht van privacy (art. 10 Gw, art. 8 EVRM), omdat het mediaspektakel slechts kortstondige overlast geeft, onderdeel is van het maatschappelijk leven en te ontlopen is

  • Postcodeloterij niet aansprakelijk is voor gevoelens van spijt door het verlies, aangezien onwelgevallige situaties tot het leven behoren.

  • Een postcode geen onderdeel is van de persoonlijke levenssfeer

  • Blijvende confrontatie met toegenomen welvaart van de winnaars niet aan de postcodeloterij kan worden toegerekend, maar samenhangt met het wonen in een kleine gemeenschap.

Eindbeslissing (ook wel: dictum) over de vordering met beslissing over de kosten van het proces.

[zie uitspraak] De vordering wordt afgewezen. Verliezers van het proces worden veroordeeld in de kosten.

 

De rechtbank toetst de relevante voorwaarden van art. 6:162 af (zie voor de voorwaarden hiervoor onder 3.2.1).

  • V1b (handelen in strijd met een wettelijke plicht) komt aan de orde in de overweging dat de postcodeloterij vergunning heeft;

  • V1a (inbreuk op een recht) wordt afgetoetst waar de rechter nagaat of de postcodeloterij ongerechtvaardigd inbreuk heeft gemaakt op het recht op een persoonlijke levenssfeer van art. 10 Gw/art. 8 EVRM. Het antwoord is ‘nee’, want er is geen inbreuk op een recht, aangezien een postcode niet tot de persoonlijke levenssfeer behoort;

  • V1d: er is geen strijd met ongeschreven maatschappelijke normen van zorgvuldigheid vanwege het kortdurende karakter van het spektakel;

  • V2: Geen toerekenbaarheid, want de gevoelens van spijt zijn niet veroorzaakt door de postcodeloterij en behoren in ieder geval tot het normale leven; de confrontatie met de winnaars is verder een eigenschap van de woonlocatie en wordt niet veroorzaakt door het handelen van de postcodeloterij.

 

 

Hoofdstuk 4: Argumenteren met rechtsregels

Een rechtsregel bepaalt een rechtsgevolg en de voorwaarden voor het intreden van dat rechtsgevolg. Deze structuur van de rechtsregel is naar voren gekomen in hoofdstuk 3. Dit hoofdstuk gaat over argumentatie en legt uit hoe men ter oplossing van een casus een redenering opbouwt op basis van deze structuur. Daartoe wordt een overzicht gegeven van de stappen van het casusoplossen en wordt vervolgens ingegaan op het redeneren met argumenten en op de types van argumentaties.

 

4.1 Casusoplossen in stappen

Het oplossen van een casus vergt de volgende stappen:

  1. Analyse van de casus:

    1. Kwalificatie van de feiten: hier gaat het om de selectie van de juridisch relevante feiten. Dit vereist dat men de casus analyseert en de juridisch belangrijke feiten eruit haalt.

    2. Bepaling van de mogelijke juridische actie: dit vereist dat men beoordeelt tot welk rechtsgebied de problematiek van de casus behoort en welke rechtsregel toepasselijk zou kunnen zijn.

  2. Formulering rechtsvraag en analyse van de rechtsregel op rechtsgevolg en voorwaarden.

  3. Opbouw argumentatie:

    1. Toepassing van de rechtsregel op de casus. Hier toetst men in hoeverre de feiten uit de casus voldoen aan de voorwaarden van de rechtsregel.

    2. Bepaling van het te verdedigen standpunt en de argumenten die men daartoe gaat aanvoeren met het oog op een procedure.

Let op: Bij de argumentatie moet men rekening houden met de tegenargumenten die naar voren kunnen worden gebracht door de wederpartij. In een civiele procedure bestaat die wederpartij uit een andere burgerlijke partij. Een strafrechtprocedure speelt zich af tussen verdachte en OM en een bestuursrechtelijke procedure tussen belanghebbende en overheidsorgaan.

Aan de hand van een fictief voorbeeld worden de stappen uitgelegd.

Stel dat een persoon X in een warenhuis inkopen doet. X rekent de boodschappen af bij de kassa op de benedenverdieping, maar vergeet een voorwerp af te rekenen dat hij op een bovenverdieping in zijn tas had gestopt met de bedoeling dit af te rekenen. Bij het verlaten van de winkel gaat het alarm af en doet de winkeleigenaar aangifte bij de politie.

Uitwerking:

  1. Het gaat hier om een casus die een strafrechtelijke vraag oproept.

  2. De rechtsvraag luidt: “is hier sprake van diefstal?” Rechtsregel is art. 310 Sr. Analyse levert op dat de volgende cumulatieve voorwaarden gelden wil er sprake zijn van diefstal:

V1: er is sprake van een goed

V2a: dat geheel aan iemand toebehoort

V2b: dat ten dele aan iemand toebehoort

V3: het goed is door iemand weggenomen

V4: met het oogmerk zich dat toe te eigenen

V5: en dat toe-eigenen was wederrechtelijk

R: er is sprake van diefstal

 

  1. Opbouw argumentatie: de officier van justitie zal ervoor zorgen dat zijn tenlastelegging alle feiten omvat die tegemoet komen aan de voorwaarden en deze feiten ondersteunen met bewijsmiddelen. Schematisch ziet dat er als volgt uit ( staat voor ‘want’ en duidt dus een argument aan):

X moet worden veroordeeld tot diefstal, want

Het gedrag van X is te kwalificeren als diefstal, want

Er is sprake van een goed

Dat aan iemand anders toebehoort

Het goed is weggenomen door X

Met het oogmerk zich dat toe te eigenen

En dat toe-eigenen is wederrechtelijk

Tenlastegelegde feiten

Tenlastegelegde feiten

Tenlastegelegde feiten

Tenlastegelegde feiten

Tenlastegelegde feiten

bewijsmiddelen

bewijsmiddelen

bewijsmiddelen

bewijsmiddelen

bewijsmiddelen

 

Een advocaat zal stellen dat de feiten uit de casus van X. niet voldoen aan voorwaarde 4 (oogmerk tot toe-eigening) en 5 (wederrechtelijkheid). Aangezien het gaat om cumulatieve voorwaarden is dat al voldoende om vaststelling van het rechtsgevolg ‘er is sprake van diefstal’ te verhinderen. De argumentatie van de advocaat ziet er zo uit:

Standpunt: X moet niet worden veroordeeld tot diefstal, want:

    • Zijn gedrag is niet te kwalificeren als diefstal;

    • Hij had niet het oogmerk zich het voorwerp wederrechtelijk toe te eigenen;

    • ontkrachting van de tenlastegelegde feiten;

    • ontkrachting van de gehanteerde bewijsmiddelen.

 

Bij een complexere casus wordt de argumentatie uiteraard ook ingewikkelder. Stel dat in de voorafgaande casus een niet-geüniformeerde beveiliger X had beetgegrepen en er een korte worsteling was ontstaan waarbij X viel en een hersenschudding opliep.

Men zou dan de art. 348 en 350 Sv bij de analyse moeten betrekken. Deze artikelen schrijven de rechter voor om bij iedere strafrechtelijke casus na te gaan of sprake is van een bevoegde vervolging (art. 348 Sv) en of de feiten voldoen aan de voorwaarden van de strafrechtelijke rechtsregel (art. 350 Sv). In deze casus zou een advocaat de bevoegdheid tot aanhouding kunnen betwisten. De casus zou bovendien aanleiding kunnen geven tot een civielrechtelijke eis tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Dit indien bewezen kan worden dat X. schade heeft geleden als gevolg van het handelen van de bewaker en dat ook aan de andere voorwaarden van art. 6: 162 BW is voldaan.

Het voorbeeld geeft aan dat casus en rechtsregel tot verschillende types van argumentatie kunnen leiden. Deze worden hierna behandeld.

 

4.2 Types van argumentaties

De structuur van een argumentatie wordt in eerste instantie bepaald door de structuur van de rechtsregel waarop de argumentatie berust. De rol van tegenargumenten komt in de volgende paragraaf aan de orde. In deze paragraaf kijken we eerst naar de basisstructuur van een juridische argumentatie, los van rechtsregels. Het gaat om een enkelvoudige argumentatie. Vervolgens komen meer complexe argumentatiestructuren aan de orde waarin ook een verband met rechtsregels wordt gelegd.

 

Enkelvoudige argumentatie

De basisstructuur van een argumentatie is een bepaald soort logische redenering, te weten het juridisch syllogisme, of in termen van logica, de modus ponens:

Premisse 1: als p dan q

Premisse 2: p (is het geval)

Conclusie: q

 

Een voorbeeld (waarbij de conclusie wordt aangeduid met =>)

  1. Als papier nat is, kreukelt het

  2. Het papier is nat

Concl.: Het papier kreukelt

 

Een juridisch voorbeeld:

  1. Echtscheiding wordt op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam is ontwricht (art. 1: 151 BW)

  2. Het huwelijk tussen A en B is duurzaam ontwricht

Concl.: Echtscheiding kan op verzoek van A worden uitgesproken.

 

In een rechtszaal zou echtgenoot A dan de volgende argumentatie hanteren:

Standpunt: Ik kan vorderen dat echtscheiding wordt uitgesproken

Argument1 : Het huwelijk is duurzaam ontwricht

Argument 2: Echtscheiding wordt op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam is ontwricht (art. 1: 151 BW)

 

Een enkelvoudige argumentatie ter ondersteuning van een standpunt bestaat dus uit twee argumenten: één stelt dat de feiten voldoen aan de voorwaarden van een regel, het tweede bestaat uit de rechtsregel.

Let op: het standpunt is in wezen de conclusie van het juridisch syllogisme. Het argument dat verwijst naar de feiten is gelijk aan premisse 2, het argument dat verwijst naar de rechtsregel is gelijk aan premisse 1.

 

Onderschikkende argumentatie

Vaak zal een argument nader moeten worden onderbouwd. In het geval van het voorbeeld van echtscheiding zou echtgenoot B op grond van bepaalde feiten kunnen betwisten dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Partij A. die de echtscheiding vordert zal zich genoodzaakt voelen om het argument dat het huwelijk wel duurzaam is ontwricht te ondersteunen. Daartoe kan A. te rade gaan bij de jurisprudentie waar voorwaarden voor duurzame ontwrichting nader zijn geëxpliciteerd. De onderschikkende argumentatie van A. zou er zo uitzien:

Standpunt: Ik kan vorderen dat de echtscheiding wordt uitgesproken

Argumentatie:

    • Het huwelijk is duurzaam ontwricht (onder verwijzing naar art. 1: 151 BW)

    • Ik kan niet meer met hem samenleven (onder verwijzing naar arrest Y van de Hoge Raad).

 

Meervoudige argumentatie

In geval van meervoudige argumentatie brengt men meerdere gelijkwaardige argumenten naar voren die ieder op zich het standpunt ondersteunen. In het hierboven gehanteerde voorbeeld zou A. naar voren kunnen brengen dat zij èn niet meer met B. kan samenleven èn echtgenoten daadwerkelijk al langere tijd niet meer samenleven. In schema:

Standpunt: Ik kan vorderen dat de echtscheiding wordt uitgesproken

Argumentatie:

  • Het huwelijk is duurzaam ontwricht (onder verwijzing naar art. 1: 151 BW)

    • Ik kan niet meer met hem samenleven

    • Wij leven al langere tijd niet meer samen

Beide nevenargumenten worden ondersteund onder verwijzing naar de voorwaarden voor duurzame ontwrichting als geformuleerd in arrest Y van de Hoge Raad.

 

Nadere aandachtspunten voor meervoudige argumentaties

Hieronder volgen nog enige nadere aandachtspunten bij types van argumentaties.

 

Meervoudige argumentatie en alternatieve voorwaarden: Meervoudige argumentatie kan raadzaam zijn als een rechtsregel alternatieve voorwaarden stelt.

Vergelijk art. 3: 44 BW. Dit stelt dat een rechtshandeling vernietigbaar is, wanneer zij door bedreiging, bedrog of door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Een partij die een rechtshandeling wil vernietigen zal zijn argumentatie sterker trachten te maken door te argumenteren dat sprake is van bedrog en van misbruik van omstandigheden. Faalt de ene argumentatie dan kan de andere immers nog blijven staan.

Sommige alternatieve voorwaarden zijn echter zo geformuleerd dat men gedwongen wordt tot een keuze. Vergelijk art. 267 Gemeentewet: Een besluit ten aanzien waarvan een verzoek om een administratiefrechtelijke voorziening aanhangig of nog mogelijk is, kan niet worden vernietigd. Hier moet men een keuze make: de voorziening is òf aanhangig òf nog mogelijk.

 

Subsidiair argumenteren: Hier presenteert men meerdere argumenten, waarbij geldt dat het tweede argument een ruimer bereik heeft dan het eerste. Het effect is dat als de rechter meent dat de casus niet voldoet aan de strengere voorwaarde waarop het eerste argument ziet, een partij altijd nog kan terugvallen op de ruimere voorwaarde. Een tenlastelegging hanteert bijvoorbeeld een subsidiaire redeneervorm waar deze stelt dat een verdachte woonachtig is “in Haarlem, althans in Nederland”. In civiele procedures kan een partij schadevergoeding vorderen uit wanprestatie althans uit onrechtmatige daad.

In een arbeidsrechtelijke procedure zou een partij A. die zijn arbeidsovereenkomst ontbonden wil zien in eerste instantie voor anker kunnen gaan liggen van art. 7:685 lid 1 en 2, waar daarin gesteld wordt dat een arbeidsovereenkomst mag worden ontbonden indien sprake is van dringende redenen gelegen in het gedrag van verweerder. Subsidiair kan A. een beroep doen op lid 2 van genoemd artikel waar dit stelt dat ontbinding gerechtvaardigd kan zijn indien de omstandigheden zodanig zijn veranderd dat de overeenkomst billijkheidshalve behoort te eindigen. In schema:

Standpunt: De arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden.

Argumentatie:

  • Er zijn gewichtige redenen

Primair:

  • Er is een dringende reden

  • Want de verweerder heeft bepaald gedrag vertoond

Subsidiair:

  • Er is een verandering van omstandigheden die zodanig is dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve behoort te eindigen.

 

Meervoudige argumentatie wordt vaak gehanteerd in juridische procedures. Degene die hem hanteert kan er sterk door staan. Reeds als de rechter één van zijn argumenten accepteert, is zijn standpunt aanvaard. Omgekeerd moet de wederpartij alle aangevoerde argumenten weerleggen, wil hij de argumentatie van de eisende partij volledig ontkrachten.

 

Nevenschikkende argumentatie

Bij nevenschikkende argumentatie is sprake van een meervoudige argumentatie waarbij de argumenten met elkaar samenhangen. Ze vullen elkaar aan. Men zal deze argumentatie moeten hanteren bij een rechtsregel die cumulatieve voorwaarden stelt. Bijv. art. 3:118 BW (nummers tussen vierkante haken zijn toegevoegd):

Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich [1] als rechthebbende beschouwt en zich [2] ook redelijkerwijs als zodanig mocht beschouwen.

Een partij die stelt dat hij te goeder trouw is zal dus èn [1] moeten beargumenteren en [2].

De argumentatievorm wordt ook gehanteerd indien men zich beroept op meerdere samenhangende rechtsregels.

Combinaties van onderschikkende, meervoudige en nevenschikkende argumentaties: dit zal vaak voorkomen. Indien een partij een koopovereenkomst ontbonden wil zien op grond van dwaling (zie art. 6:228 BW) zal hiervan sprake zijn. De argumentatiestructuur ziet er dan zo uit:

Standpunt: De overeenkomst moet worden vernietigd

 

Argumentatie:

  1. De overeenkomst is tot stand gekomen o.i.v. dwaling

  2. Bij een juiste voorstelling van zaken zou de overeenkomst niet zijn gesloten

  3. De wederpartij had de dwalende behoren in te lichten (Onder verwijzing naar art. 6:228 BW)

    1. In verband met hetgeen zij wist omtrent de dwaling

    2. In verband met hetgeen zij behoorde te weten omtrent de dwaling

 

Toelichting:

  • Argumentatie-onderdelen (1), (2) en (3) zijn nevenschikkend in verband met de cumulatieve voorwaarden gesteld door art. 6:228 BW.

  • Argumentatie-onderdelen (a) en (b) zijn onderschikkende argumenten ter ondersteuning van argument (3) en zijn meervoudig.

 

 

4.3Tegenargumenten

De structuur van een argumentatie wordt in hoge mate bepaald door de structuur van de rechtsregel en het type voorwaarden dat deze stelt voor het intreden van het rechtsgevolg. Daarnaast moet bij een argumentatie echter rekening worden gehouden met tegenargumenten. Ter voorbereiding daarop kijken we eerst nog nader naar enige redeneervormen uit de logica.

 

Modus ponens: deze redeneervorm is in aan het begin van de vorige paragraaf aan de orde geweest bij het voorbeeld over gekreukeld papier. Als juridisch voorbeeld diende art. 1: 151 BW over de voorwaarde waaronder een vordering tot ontbinding van een huwelijk kan worden ingesteld. Zie aldaar.

 

Modus tollens: de basisstructuur daarvan is de ontkenning van het consequens (hetgeen achter ‘dan’):

  1. Als p, dan q

  2. Niet q

Concl.: Niet p

 

Een niet-juridisch voorbeeld:

  1. Als het heeft geregend zijn de straten nat.

  2. De straten zijn niet nat.

Concl.: Het heeft niet geregend

 

Een juridisch voorbeeld:

  1. Als er sprake is van dwaling, dan is de overeenkomst vernietigbaar

  2. Deze overeenkomst is niet vernietigbaar.

Concl.: Er is geen sprake van dwaling

 

4.3.1 Ongeldige redeneringen

Van een logisch ongeldige redenering kan sprake zijn in geval van ontkenning van het antecedens (foutieve logische stap wordt aangegeven via een onderstreping):

Logische ongeldige redeneervorm

  1. Als p dan q

  2. Niet p

Concl.: Niet q

 

Niet-juridisch voorbeeld:

  1. Als het heeft geregend zijn de straten nat

  2. Het heeft niet geregend

Concl.: De straten zijn niet nat

 

Eveneens ongeldig is de redenering in geval van bevestiging van het consequens:

  1. Als p dan q

  2. q

Concl.: q

 

In niet-juridisch voorbeeld:

  1. Als het heeft geregend zijn de straten nat

  2. De straten zijn nat

  3. Het heeft geregend

 

De oorzaak van deze ongeldigheid is dat er meerdere redenen kunnen zijn waarom straten nat zijn. Met andere woorden: regenen is wel een voldoende voorwaarde, maar geen noodzakelijke voorwaarde.

We vinden dit terug in de juridische voorbeelden:

Van ontkenning van het antecedens en dus van een ongeldige redenering is sprake bij:

  1. Als er sprake is van dwaling, dan is de overeenkomst vernietigbaar.

  2. Er is geen sprake van dwaling.

Concl.: Deze overeenkomst is niet vernietigbaar.

 

Er kunnen immers nog andere redenen zijn waarom de overeenkomst niet vernietigbaar is, zoals misbruik van omstandigheden.

Bevestiging van het consequens:

  1. Als er sprake is van dwaling, dan is de overeenkomst vernietigbaar.

  2. De overeenkomst is vernietigbaar.

Concl.: Er is sprake van dwaling.

 

Als gezegd is de oorzaak van deze ongeldigheid dat er meerdere oorzaken zijn die tot een consequens leiden. Dit leidt ertoe dat van deze ongeldigheid geen sprake is, indien de voorwaarde zowel noodzakelijk als voldoende is. Dit wordt aangeduid met ‘desda’ wat staat voor ‘dan en slechts dan.’

 

4.3.2 Noodzakelijke en voldoende voorwaarden

Hierna wordt de situatie van noodzakelijke en voldoende voorwaarden nader uitgewerkt en vervolgens toegepast op een juridisch voorbeeld.

Neem eerst het volgende niet strict juridische voorbeeld:

Dan en slechts dan als je een rijbewijs hebt, kun je legaal een auto besturen.

Modus ponens:

  1. Desda p dan q

  2. p

Concl.: q

 

Modus tollens:

  1. Desda p dan q

  2. Niet q

Concl.: Niet p

 

Ontkenning van het antecedens:

  1. Desda p dan q

  2. Niet p

Concl.: Niet q

 

Bevestiging van het consequens:

  1. Desda p dan q

  2. q

Concl.: p

 

Let op: de logische ‘desda’ formule komt in de natuurlijke taal slechts zelden voor. Immers: zelfs in het gegeven voorbeeld van het besturen van een auto, kunnen er uitzonderingen zijn die rechtvaardigen dat men toch een auto bestuurt ( bijv. een noodsituatie). Een term die niettemin wijst op de aanwezigheid van zo’n noodzakelijke en voldoende voorwaarde is ‘mits.’

 

4.3.3 Juridische toepassing

Inzicht in de logische structuur van argumenten is van belang voor het kunnen analyseren en ontkrachten van argumentaties van een wederpartij en uiteraard voor de constructie van een houdbare eigen argumentatie. Dit geldt met name voor het verschil tussen noodzakelijke en voldoende voorwaarden. Een voorbeeld geeft inzicht in de toepassing van hetgeen hierboven uiteen werd gezet. Hiervoor moet men de voorwaarden in herinnering halen die liggen besloten in art. 6:162 BW over onrechtmatige daad (zie par. 3.2.1).

Voorwaarden V1 tot en met V4 zijn ieder noodzakelijk en gezamenlijk voldoende. Een argumentatie moet derhalve al deze voorwaarden ondersteunen. Een gedaagde die één van deze argumenten weet te ontkrachten heeft een geslaagd verweer. Hij kan bijvoorbeeld volstaan met een enkelvoudige argumentatie als hij zijn pijlen richt op de afwezigheid van causaal verband (V4).

Voorwaarden V1a tot en met V1e zijn alternatieve voorwaarden, maar elk moet cumulatief worden aangevuld met V1.2. Eiser zal zijn vordering moeten ondersteunen door zowel één van de voorwaarden onder V1a tot en met V1e te bewijzen als V1.2. Een gedaagde kan deze argumentatie dan weer enkelvoudig bestrijden door te bewijzen dat er wel een rechtvaardigingsgrond is.

Indien de gedaagde meent dat er noch causaal verband is tussen daad en schade en dat deze hem niet kan worden toegerekend, moet hij een meervoudige argumentatie hanteren. Het voorbeeld maakt in ieder geval duidelijk dat de stelplicht van de eiser van een onrechtmatige daad omvangrijk is.

Het volgende schema maakt dit inzichtelijk:

 

Standpunt:

Ik heb recht op schadevergoeding, want:

 

Argumentatie

er is een onrechtmatige daad, want:

er is schade

er is causaal verband

de onrechtmatige daad kan worden toegerekend, want:

Art. 6: 162 lid 1 BW

 

er is een doen in strijd met de wet

er is geen recht-vaardigings-grond

 

 

Art. 6:162 lid 2 BW

 

 

 

de onrechtmatige daad is te wijten aan een oorzaak die krachtens de wet voor rekening van de dader komt

Art. 6: 162 lid 3 BW

 

 

 

Hoofdstuk 5: Analyse van civielrechtelijke uitspraken

De voorgaande hoofdstukken behandelden het opzoeken van rechtsregels en de analyse daarvan op rechtsgevolg en voorwaarden. Vervolgens is uiteengezet hoe men een argumentatie opzet over een casus aan de hand van een rechtsregel. De hoofdstukken 5 tot en met 7 gaan in op rechterlijke uitspraken van achtereenvolgens civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aard. Dit hoofdstuk verschaft eerst een kort overzicht van de civiele procedure en geeft daarna de hoofdstructuur van een civiel vonnis van een rechter en civiele arresten van Gerechtshof en Hoge Raad.

5.1 De civiele procedure

In een civiele procedure oordeelt de rechter in een geschil tussen twee burgerlijke partijen over een norm van privaatrecht. Als partijen kunnen optreden natuurlijke of rechtspersonen (bijv. een stichting, vereniging of BV). Let op: ook de overheid kan als burgerlijke partij optreden, bijvoorbeeld bij het aanbesteden van een bouwproject aan een aannemer. In kleine zaken oordeelt de sector kanton van de rechtbank. Het gaat dan om vorderingen tot 5.000 Euro of huur- en arbeidszaken.

De civiele procedure kent twee vormen: de dagvaardingsprocedure (over geschillen) en de verzoekschriftprocedure (over administratieve zaken als aanwijzing van een voogd). Een dagvaardingsprocedure speelt zich af tussen eiser en gedaagde en eindigt in een vonnis. Een dagvaarding bevat een vordering (petitum) en de grondslag ervoor (fundamentum petendi). Bij een verzoekschriftprocedure zijn een verzoeker (of rekwestrant) en verweerder (of gerekwestreerde) betrokken. De procedure eindigt in een beschikking.

Een civiele procedure kan tot verschillende uitkomsten leiden: de rechter kan zich onbevoegd verklaren, de eiser niet ontvankelijk vanwege redenen die buiten het eigenlijke geschil zijn gelegen als verloop van een termijn, de vordering afwijzen danwel geheel of gedeeltelijk toewijzen.

 

Hoger beroep

Partijen kunnen van een rechterlijke uitspraak (vonnis of beschikking) in hoger beroep gaan bij het Gerechtshof. Dit heet appèl. Het appèl van de eerste partij (appellant) die hoger beroep instelt heet principaal appèl. Indien de andere partij ook beroep instelt, heet dat incidenteel appèl. Het beroep speelt zich af tussen eiser die zijn standpunt en argumenten neerlegt in een memorie van grieven en een geïntimideerde die zijn verweer neerlegt in een memorie van antwoord. Het Gerechtshof oordeelt over de volledige zaak, dus behandelt opnieuw de vaststelling van de feiten en de juridische kwestie. Partijen kunnen nieuwe argumenten aanvoeren. De uitspraak (arrest) van het Gerechtshof kan het vonnis van de rechter bekrachtigen of vernietigen en een nieuwe uitspraak geven.

 

Cassatie

Indien een partij het niet eens is met de uitspraak in hoger beroep kan hij cassatie instellen bij de Hoge Raad (HR). De HR oordeelt alleen over de juridische kwestie, dus de rechtsvraag. Hij beoordeelt of de voorgaande rechterlijke instantie procedurefouten heeft gemaakt (verzuim van vormen, bijv. een termijnoverschrijding) dan wel inhoudelijke fouten door een foutieve uitleg van het recht (schending van het recht, zie art. 79 Wet RO). Eiser tot cassatie (of in een verzoekschrift procedure, de verzoeker in cassatie) leggen hun standpunt en argumenten neer in cassatiemiddelen. De HR kan de uitspraak van de eerdere rechter bekrachtigen of vernietigen (casseren) en de zaak terugverwijzen naar die rechter, doorverwijzen naar een ander gerechtshof of zelf afdoen. De uitspraak van de HR heet arrest (in een dagvaardingsprocedure) of beschikking (in een verzoekschriftprocedure).

 

Kort geding

In een spoedeisende zaak kan een civiele partij een kort geding-procedure (KG) aanspannen. Denk hierbij aan het tegengaan van een staking of een onwelgevallige publicatie. Een KG wordt behandeld door de president van de rechtbank. Deze geeft een voorlopige voorziening die vooruitloopt op de voorziening in hoofdzaak in, wat men noemt, de bodemprocedure. Hoger beroep tegen een uitspraak in KG is mogelijk bij het gerechtshof. Tegen die uitspraak kunnen partijen eventueel zelfs cassatie instellen.

 

Schema civielrechtelijke instanties

Het hierna volgende schema geeft een kort overzicht van hetgeen hiervoor werd besproken.

 

Dagvaardings-procedure

Instantie

Partijen

Proces-stukken

Uitspraak

Wets-artikelen

1e aanleg

Rechtbank (Rb) of sector kanton

Eiser/ gedaagde

Dagvaarding/ conclusie van antwoord

vonnis

Art. 78 e.v. Rv, art. 93 e.v. Rv

Hoger beroep

Gerechtshof

Appellant/ geïntimideerde

Memorie van grieven/ van antwoord

arrest

Art. 332 e.v. Rv

cassatie

Hoge Raad

Eiser tot cassatie/ verweerder tot cassatie

Cassatie-dagvaar-ding met cassatie-middelen/ conclusie van antwoord

arrest

Art. 118 Gw, art. 78-81 Wet RO, art. 407 e.v. Rv

Rekest- of verzoekschrift-procedure

 

 

 

 

 

1e aanleg

Rb of sector kanton

Verzoeker / verweerder

Verzoek-schrift/ verweer-schrift

Beschik-king

Titel 3, boek 1 Rv

Hoger beroep

Gerechtshof

Appellant/ geïntimideerde

Beroep-schrift/ verweer-schrift

Beschik-king

Art. 358 -362 Rv

cassatie

Hoge Raad

Verzoeker tot cassatie/ verweerder in cassatie

Verzoek-schrift/ verweer-schrift

Beschik-king

Art. 118 Gw, art. 78-81 Wet RO, art. 426-429 Rv

Kort Geding

 

 

 

 

 

1e aanleg

President Rb

Eiser/ gedaagde

Verzoek-schrift/ verweer-schrift

Voorlo-pige voor-ziening

Art. 254 Rv

Hoger beroep

Gerechtshof

Appellant/ geïntimideerde

Beroep-schrift/ verweer-schrift

Beschik-king

Art. 358-362 Rv

Cassatie

Hoge Raad

Verzoeker tot cassatie/ verweerder in cassatie

Verzoek-schrift/ verweer-schrift

Beschik-king

Art. 118 Gw, art. 78-81 Wet RO, art. 426-429 Rv

 

5.2 civielrechtelijke vakliteratuur

Uitspraken van civiele rechters worden gepubliceerd in verschillende tijdschriften in papieren en vaak ook digitale versies. Het gaat hier om een selectie:

  1. Rechtspraak van de Week (RvdW): vooral arresten HR, publicatie tamelijk snel na de uitspraak

  2. Nederlandse Jurisprudentie (NJ): uitspraken van lagere rechters en arresten van de HR, publicatie kan enige tijd duren.

  3. Nederlandse Jurisprudentie Feitenrechtspraak: alleen uitspraken van lagere rechters

  4. Rechtspraak van de Week in Kort Geding (KG): publicaties van voorlopige voorzieningen.

  5. Ars Aequi (AA): korte bespreking (annotatie) van belangrijke uitspraken

  6. Jurisprudentie Online (JOL): digitale publicatie

  7. rechtspraak.nl: digitale publicatie

 

5.3 Checklist bij een vonnis en arresten

Hieronder volgt een checklist voor de bestudering van civielrechtelijke vonnissen en arresten. Dit zijn complexe teksten voor begrip waarvan ervaring vereist is. Die nauwkeurige lezing is nodig, omdat de rechter volgens art. 121 Gw en art. 5 Wet RO jo. Art. 30 Rv zijn beslissing moet motiveren. De teksten kennen echter wel een tamelijk vaste structuur. Aan de hand van de checklist volgt enige extra uitleg. De uitleg wordt nader toegespitst op arresten van het Gerechtshof en van de Hoge Raad.

Let op: De rechter kan ook gedurende een procedure een zogenaamd tussenvonnis wijzen waarbij hij bijvoorbeeld een bewijsopdracht geeft aan partijen. Het gaat hierna alleen om eindvonnissen.

Checklist rechterlijk vonnis met extra uitleg over arresten van Hof en Hoge Raad. (Rb. Staat voor rechtbank, Hof voor Gerechtshof en HR voor Hoge Raad).

 

  1. Wat is de globale structuur van de uitspraak?

  • Rb.: Let daarbij op de globale structuur als aangegeven in het eenvoudige rechtbankvonnis inzake de postcodeloterij (par. 3.3).

  • Hof: Arresten van het hof bevatten dikwijls een samenvatting van de gang van zaken tijdens de voorafgaande behandeling bij de Rechtbank. Onder ‘het geding in hoger beroep’ staan de vorderingen (grieven) en verweren daartegen en eventueel een vordering in reconventie. Vervolgens komen over het algemeen aan de orde: de feiten, beoordeling in hoger beroep waarin de relevante grieven en verweren worden besproken en tenslotte de beslissing met tevens het antwoord op de vraag voor wiens rekening de proceskosten komen. Voor de jurist is met name het oordeel van belang en niet de beslissing over de proceskosten.

  • HR: De structuur van een arrest van de HR is als volgt: na de redactionele toevoegingen en vermelding van partijen volgen: het geding in feitelijke instanties (weergave van het verloop van de procedure voor de lagere rechters), het geding in cassatie (vermelding van cassatieberoep en, indien, relevant weergave van de middelen van cassatie) en tenslotte de beoordeling van het middel/ de middelen (hier begint het eigenlijke arrest van de HR. Immers vanaf dit punt is de HR zelf aan het woord). In die beoordeling behandelt de HR de feiten waarvan in cassatie wordt uitgegaan (de HR gaat uit van de feiten als vastgesteld door de lagere instantie), de relevante oordelen en de argumenten waarop zij steunen van de lagere rechter (meestal het Hof). Vervolgens bespreekt en beoordeelt de HR het cassatiemiddel (soms meerdere). Sommige cassatiemiddelen zien op de toepassing door de lagere rechter van het recht ('schending van het recht'), andere richten zich op de kwaliteit van de motivering door de lagere rechter of andere procedurele fouten ('verzuim van vormen') . Onder Beslissing ('dictum') staat of de HR het cassatieberoep verwerpt (waarbij het vonnis van de lagere rechter in stand blijft), danwel het vonnis van de lagere rechter vernietigt ('casseert') en of de HR vervolgens de zaak zelf afdoet, deze terugverwijst naar de oorspronkelijke lagere rechter. Ook is mogelijk dat de HR de zaak doorverwijst naar een ander Hof. Het dictum bevat ook de beslissing over de proceskosten.

 

Een arrest van de HR gaat dikwijls vergezeld van een Conclusie van de A-G (of P-G). Dit is een beschouwing over de aanhangige cassatie-zaak door één van de leden van het parket bij de HR. De Conclusie is een advies. De HR is er niet aan gebonden. De conclusie bevat vaak een uitgebreide weergave van de feiten, bespreekt oordelen plus argumenten van de lagere rechters, bespreekt jurisprudentie en vakliteratuur en geeft een beargumenteerd oordeel over het cassatieberoep.

Ook treft men in publicaties van arresten van de HR vaak een noot aan. Dit is een rechtsgeleerd commentaar dat na de uitspraak wordt toegevoegd. De annotator plaatst het oordeel van de HR in de rechtsontwikkeling.

 

  1. Maak een samenvatting van de relevante feiten van de casus

  • Rb.: De redactie van het publicerend tijdschrift geeft bij de Essentie vaak al een samenvatting. Check deze met de feiten zoals ze aan de orde zijn bij de rechterlijke uitspraak. Bedenk daarbij dat een civiele rechter lijdelijk is. Als partijen het eens zijn over bepaalde feiten, zal hij verder niet vragen om bewijs.

  • Hof: in appèl kunnen partijen nieuwe feiten op tafel brengen. Indien dat zo is, stel deze vast. Wanneer dat niet gebeurt, gaat het Hof uit van de feiten als vastgesteld door de Rb.

  • HR: De HR gaat uit van de feiten als vastgesteld door het Hof.

 

  1. Wie zijn de partijen?

  • Algemeen: Men moet de namen (of bij anonimisering de verkorte aanduiding) van partijen aangeven, niet de namen van de advocaten of procureurs.

  • Hof: appellant(en) en geïntimideerde(n), maar let op in geval van een verzoekschriftprocedure.

  • HR: eiser(s) tot cassatie en verweerder(s) in cassatie (let op bij verzoekschriftprocedure).

 

  1. Bij Hof en HR: Welke beslissing(en) nam(en) de rechter(s) in lagere instantie?

 

  1. Wat wordt er gevorderd?

  • Hof en HR: stel vast wat er werd gevorderd bij de rechter(s) in lagere instantie.

  • Hof: Stel de grieven vast.

  • HR: Stel de cassatiemiddelen vast.

 

  1. Welke rechtsvraag of rechtsvragen staan centraal in de uitspraak?

  • Alg.: dat kan een kwalificatievraag zijn of een interpretatieve vraag of een kwestie van belangenafweging.

 

  1. Welke rechtsregel(s) is/ zijn van belang?

  • Let hiervoor op de redactionele toevoegingen in de koptekst.

 

  1. Analyseer de rechtsregel(s). Welke voorwaarden gelden, wil de vordering ingewilligd worden?

 

  1. Welke van deze voorwaarden staan in de uitspraak ter discussie?

 

  1. Welke argumenten voert eiser aan en hoe verhouden deze argumenten zich tot elkaar?

  • Hof of HR: argumenten ter ondersteuning van de grieven of cassatiemiddelen.

 

  1. Welke argumenten voert de gedaagde aan en hoe verhouden deze zich tot elkaar?

  • Hof of HR: argumenten ter ondersteuning van standpunt van geïntimideerde of verweerder in cassatie.

 

  1. Bij HR: Wat is het oordeel in de conclusie van de AG en op welke argumenten steunt dit?

 

  1. Hoe luidt het oordeel van de rechterlijke instantie en met welke argumenten onderbouwt deze dat oordeel? Let daarbij op hoe de argumenten zich tot elkaar verhouden.

  • De HR geeft een gezaghebbende interpretatie van de wet of jurisprudentie en geeft daarmee vaak een nieuwe rechtsregel. Deze interpretatie kan een bestaande rechtsregel bevestigen, de interpretatie van een rechtsregel verruimen of beperken, danwel een nieuwe rechtsregel verschaffen.

 

 

Hoofdstuk 6: Analyse van strafrechtelijke uitspraken

Evenals het vorige hoofdstuk over de analyse van civielrechtelijke jurisprudentie, geeft dit hoofdstuk eerst een kort overzicht van de strafrechtelijke procedure en geeft daarna de hoofdstructuur van een strafrechtelijk vonnis van een rechter en strafrechtelijke arresten van Gerechtshof en Hoge Raad.

 

6.1 De strafrechtelijke procedure

In de strafrechtelijke procedure staan als partijen tegenover elkaar enerzijds een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie (OM) en anderzijds de verdachte (meestal vertegenwoordigd door een raadsman). Het OM heeft een parket bij iedere rechterlijke instantie. Op het niveau van de Rechtbank gaat het om een officier van justitie (OvJ), bij het Hof om Advocaten-Generaal onder leiding van de Procureur-Generaal, bij de HR eveneens om Advocaten-Generaal onder leiding van de Procureur-Generaal bij de HR. Let op: het parket bij de HR heeft deels andere taken dan dat bij Hof en Rechtbank. Dit heeft gevolgen voor de rechtspositie van de leden van het parket bij de HR.

De strafrechtelijke procedure vangt aan met de dagvaarding uitgebracht door de OvJ. Deze dagvaarding bevat de de verdachte tenlastegelegde feiten. Tijdens de rechtszitting beantwoordt de rechter de formele vragen van art. 348 Sv en de materiële vragen van art. 350 Sv. De formele vragen betreffen de geldigheid van de dagvaarding, bevoegdheid van de rechter, ontvankelijkheid van de OvJ en mogelijke redenen voor schorsing van de vervolging. De materiële vragen hebben betrekking op het bewijs van de feiten (niet bewezen, dan vrijspraak), de strafbaarheid van de feiten (indien niet, dan ontslag van rechtsvervolging), strafbaarheid van de verdachte (indien niet omdat er schulduitsluitingsgronden van toepassing zijn, dan volgt eveneens ontslag van rechtsvervolging) en tenslotte op de straf of maatregel. Daarnaast behandelt de rechter andere relevante strafrechtelijke wetsartikelen.

Het hierna volgende schema vat het geheel samen en vermeldt relevante wetsartikelen.

 

Strafzaken

Instantie

Partijen

Processtukken

Uitspraak

Wetsartikel

1e aanleg

Rb, evt. sectie kanton, kinderrechter, politierechter

OvJ/ verdachte

Dagvaarding met tenlaste-legging

Vonnis

Art. 258 e.v., art. 382 e.v., art. 488 e.v., art. 367 e.v., alle uit Sv

Hoger beroep

Gerechtshof

A-G/ Verdachte

Dagvaarding

Arrest

Art. 404 e.v. Sv

Cassatie

Hoge Raad

Requirant tot cassatie/ gerequireerde

Dagvaarding/ cassatie-schriftuur

Arrest

Art. 427 e.v. Sv

 

6.2 Algemene opmerkingen over strafrechtelijke vonnissen en arresten

Een strafrechtelijk vonnis heeft ongeveer dezelfde tekstuele structuur als een civielrechtelijk vonnis. De motiveringseis staat geformuleerd in art. 121 Gw en art. 5 Wet RO jo. 359 Sv. Een einduitspraak bevat een dictum met de uiteindelijke beslissing van de rechter op de vragen van art. 348 en 350 Sv. Let wel op het volgende:

  • de verdachte is geanonimiseerd

  • de strafrechter heeft, anders dan de civiele rechter, een actieve rol bij de terechtszitting

  • het kopje 'de bewijsbeslissing' duidt op de materiële vraag uit art. 350 Sv naar het bewijs van de feiten.

  • Het hof toetst feitelijke en juridische vragen, de HR beantwoordt alleen rechtsvragen. Het antwoord van de HR op rechtsvragen kan als gezaghebbende jurisprudentie weer een bestaande interpretatie van een rechtsregel bevestigen, beperken of verruimen. Ook is mogelijk dat de HR een nieuwe rechtsregel vormt. Wel is de mogelijkheid tot rechtsvorming in het strafrecht beperkter dan in het civiele recht.

  • Ook bij strafrechtelijke cassatieuitspraken levert een AG van het parket bij de HR een conclusie.

 

6.3 Checklist bij strafrechtelijke uitspraken

Ook voor de bestudering van een strafrechtelijk vonnis of arrest is het nalopen van een checklist nodig. De aandachtspunten zijn grotendeels gelijk aan die welke van toepassing zijn op civielrechtelijke uitspraken. Dus:

  • globale structuur van de uitspraak;

  • relevante feiten, vaststelling van partijen;

  • vordering bij rechter in eerste instantie en gronden van beroep of cassatiemiddelen bij rechters in hogere instantie;

  • beslissing van de rechter in lagere instantie;

  • toepasselijke rechtsregel(s);

  • rechtvraag of –vragen;

  • analyse van rechtsregel op toepasselijke voorwaarden;

  • analyse van de argumentaties van partijen in het licht van die voorwaarden;

  • oordeel van rechter (Hof of HR) en argumenten waarop dit oordeel steunt ;

  • indien van toepassing, het oordeel en de argumentatie van de Conclusie.

 

Let daarbij opnieuw op de onderlinge verhouding van de argumenten. Houd bij dit alles goed in gedachten dat de structuur van een strafrechtelijke uitspraak samenhangt met de vragen van de art. 348 en 350 Sv en de structuur van het strafrechtartikel waarop de tenlastelegging steunt.

 

 

Hoofdstuk 7: Analyse van bestuursrechtelijke uitspraken

De bestuursrechtelijke procedure heeft eigen kenmerken die terugkomen in de bestuursrechtelijke uitspraken. Daarover volgt hieronder kort enige informatie, voorafgaand aan de bespreking van de structuur van de uitspraken van dit rechtsgebied.

 

7.1 De bestuursrechtelijke procedure

Het bestuursrecht regelt de verhouding tussen overheid en burger (natuurlijke of rechtspersoon) en tussen overheidsorganen onderling. Het bestuursrecht bepaalt met name de voorwaarden waaraan besluiten (overheidsbeslissingen van algemene strekking) en beschikkingen (besluiten gericht tegen één persoon) moeten voldoen. Het algemeen deel van het bestuursrecht is te vinden in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestuursrecht is vertakt over vele deelgebieden: sociaal zekerheidsrecht, belastingrecht, ruimtelijke ordeningsrecht, ambtenarenrecht, vreemdelingenrecht etc. Deze deelgebieden staan in afzonderlijke wetten.

 

De bestuursrechtprocedure vinden plaats bij de bestuursrechter (een gespecialiseerde rechter bij de rechtbank) en in hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak bij de Raad van State (ABRvS), de Centrale Raad van Beroep (CRvB, ambtenarenrecht of sociaal verzekeringsrecht) of het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb, inzake handelingen en besluiten van publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties). Maar aan deze eigenlijke beroepsprocedure gaat vooraf de bezwaarschriftprocedure. In deze voorfase kan iemand (eiser of andere belanghebbende(n)) die het niet eens is/ zijn met een beslissing van een bestuursorgaan bezwaar indienen bij dit orgaan. Is een partij het vervolgens niet eens met de beslissing op bezwaar, dan stelt hij beroep in bij de bestuursrechter. Als de bestuursrechter (of hogere instantie) het beroep gegrond verklaart, verwijst hij in beginsel de zaak terug naar het orgaan. Na een nieuw besluit, kan opnieuw bezwaar worden ingesteld, enzovoort. Anders dan de (lijdelijke) civiele rechter stelt de bestuursrechter zich actief op bij het onderzoek naar de feiten en bij de te hanteren rechtsgronden.

 

Let op het begrip ‘belanghebbende’ in het bestuursrecht: dit omvat niet alleen de direct door een overheidsbesluit getroffen partij, maar ook anderen die door dit besluit in hun belangen zijn getroffen. Voor een rechtspersoon vallen onder deze belangen ook de belangen die deze persoon collectief behartigt (bijv. bij een stichting).

 

De hoofdzaken van de bestuursrechtelijke procedure in schema:

Bestuurs-geschillen

Instantie

Partijen

Proces-stukken

Uitspraak

Wets-artikel

Bezwaar/ beroep

Bestuursorgaan/ beroepsorgaan

Klager/ reclamant (belanghebbende)

Bezwaar-schrift/ beroepschrift

Beslissing of bezwaar of op beroep

Hfdst. 7 Awb

Beroep (evt. voorlopige voorziening)

Rechtbank

Eiser (belanghebbende)/ Verweerder (bestuursorgaan

Beroepschrift/ Verweerschrift

Uitspraak

Hfdst. 8 Awb (iz beroep), hfdst. 8.2.6 Awb (iz uitspraak)

Hoger beroep

ABRvS, CRvB, CBb

Appellant (belanghebbende)/ Verweerder (bestuursorgaan) of:

Appellant (bestuursorgaan)/ Verzoeker (belanghebbende)

Beroepschrift/ Verweerschrift of: Beroepschrift/ Antwoord

Uitspraak

Hfdst. 2 Wet Raad van State, Titel 2 Beroeps-wet, Titel 3 Wet bestuurs-rechtspraak bedrijfs-organisatie (Wbbo)

 

Checklist bestuursrechtelijke procedure

Evenals bij civiele en strafrechtelijke uitspraken moet men bij het bestuderen letten op de hoofdpunten van de checklist die hiervoor werd gegeven voor de civiele procedure. Bij een bestuursrechtelijke procedure moet men bovendien goed letten op de beslissing in de voorafgaande bezwaar- of beroepsfase. Indien men te maken heeft met een uitspraak in hoger beroep moet men uiteraard nagaan wat de beslissing van de bestuursrechter was.

 

 

Hoofdstuk 8: Problemen van interpretatie

De voorgaande hoofdstukken behandelden de structuur van rechtsregels en de types van daarmee samenhangende argumentatie. Deze zijn terug te vinden in de rechterlijke uitspraken. Een belangrijk onderdeel van het juridische argumentatie steunt op interpretatie. Juristen hanteren daarvoor verschillende methoden. Deze komen in dit hoofdstuk aan de orde.

 

8.1 Waarom interpreteren?

Interpreteren is het toekennen van een betekenis aan juridische termen. De aanleiding voor juridische interpretatie is echter diverser dan alleen de uitleg van onduidelijke termen. Allereerst kan de toepassing van een regel problemen opleveren, omdat onduidelijk is of hij past bij de feiten van de casus. De feiten moeten worden gekwalificeerd. Dat kwalificeren gebeurt echter met in gedachten de betekenis van de rechtsregels. Daar kunnen verschillende problemen schuilen. Allereerst kan het rechtssysteem twee rechtsregels verschaffen die met elkaar botsen. Verschillende voorrangsregels of conflictregels helpen de rechter met het maken van een keuze. Het gaat hier om richtlijnen en geen letterlijke regels.

 

Die voorrangsregels zijn:

  • de hogere regel gaat boven de lagere regel (lex superior derogat legi inferiori)

  • de jongere regel gaat boven de oudere regel (lex posterior derogat legi priori)

  • de bijzondere regel gaat boven de algemene regel (lex specialis derogat legi generali)

 

Verder kan interpretatie nodig zijn, doordat de betekenis van een term uit een wettelijke regel onduidelijk is: valt bijvoorbeeld het aftappen van electriciteit onder het wegnemen van een goed zoals art. 310 Sr diefstal definieert (zie HR 23 mei 1921, NJ 1921, 564)?

De onduidelijkheid van de termen kan verder te wijten zijn aan het feit dat de wetgever vage termen gebruikt. In dat geval spreken we van open normen. Een reden hiervoor kan zijn dat de wetgever nadere uitleg van die termen wenst over te laten aan de rechtspraak, omdat de gevallen te divers zijn om in nauwkeurige wettelijke termen te vangen of omdat de toekomstige rechtsontwikkeling niet goed is te voorspellen voor de wetgever. Ook kan het voorkomen dat de wetgever geen keuze wenst te maken.

 

Verder kan uitleg nodig zijn, omdat de wetgever evaluatieve begrippen gebruikt. Het gebruik van dit soort begrippen vraagt om een waardeoordeel. Neem bijvoorbeeld: redelijkheid en billijkheid, goede trouw, algemeen belang, ernstige bezwaren. De rechterlijke uitleg en toepassing van dit soort begrippen brengt een waardering van de bij een geval betrokken belangen met zich mee.

Tenslotte kan uitleg noodzakelijk zijn, omdat het rechtssysteem geen regel biedt die toepasselijk is op het gegeven geval – we spreken dan van een leemte in de wet – of dat letterlijke toepassing van een rechtsregel zou leiden tot een onbevredigend resultaat. De rechterlijke interpretatie kan in zo’n geval de reikwijdte van de bestaande wettelijke bepalingen uitbreiden of juist beperken. Bij uitbreiding spreken we over extensieve interpretatie, bij beperking van restrictieve interpretatie. De rechtsregel is dan op meer gevallen of juist minder gevallen van toepassing, dan men op grond van een letterlijke lezing zou verwachten. Voor de beperking van de werking van een wettelijke regel hanteert de rechter soms rechtsbeginselen als de redelijkheid en billijkheid. Het beginsel staat in de weg aan (‘derogeert aan’) de letterlijke toepassing.

De rechter hanteert hiertoe verschillende interpretatiemethoden en redeneerwijzen. Hierna komen allereerst de interpretatiemethoden aan de orde.

 

8.2 Interpretatiemethoden

Hieronder volgen negen interpretatiemethoden. Er is geen regel of beginsel dat stelt welke methode de voorrang heeft. In lastige kwesties zal de rechter zijn oordeel en argumentatie laten steunen op meerdere interpretatiemethoden.

 

Grammaticale of taalkundige interpretatie

Hierbij doet de rechter voor de uitleg van de wettelijke term een beroep op het spraakgebruik of op de juridisch-technische betekenis waarin die term wordt gehanteerd. De rechter verwijst in dat laatste geval naar de doctrine of hanteert een zinsnede als ‘de tekst der wet’ of ‘in de wet staat geschreven dat.’ Soms wordt verwezen naar een woordenboek als de Van Dale. Een voorbeeld van grammaticale interpretatie levert HR 16 december 1947, NJ 1948, 118. De HR moest beslissen of onder ‘verlaten’ uit art. 256 Sr behalve het te vondeling leggen van een kind ook viel het geval van een moeder die haar kind aan een pleeggezin had overgelaten. Het antwoord was ‘nee’, want ‘verlaten’ impliceert ‘in de steek laten’, zo redeneerde de rechter.

 

Systematische interpretatie

Van deze methode maakt een rechter gebruik, indien hij voor de betekenis van een wettelijke regel verwijst naar de plaats die deze regel inneemt in het systeem van de betreffende wettelijke regeling, of nog ruimer, in het geheel van de wet, een wetboek of het rechtsgebied. Zo oordeelde de rechter dat onder ‘grond’ in art. 461 Sr ook valt ‘water’ waar dit artikel een ander de toegang tot een gebied ontzegt (Kantongerecht Middelburg 22 februari 1978, NJ 1978, 479). Bij systematische interpretatie speelt mee de overweging om de eenheid van het recht te bewaren. Ook de interpretatie van Nederlandse rechtsregels in overeenstemming met richtlijnen van de EU (‘richtlijnconforme interpretatie’) is een vorm van systematische interpretatie.

 

Wetshistorische interpretatie

Bij wetshistorische interpretatie verwijst de rechter voor de betekenis van een term naar de bedoelingen van de wetgever op het moment van de totstandkoming van de wet. De rechter verwijst daartoe over het algemeen naar de Parlementaire geschiedenis. Het gaat hier om diverse parlementaire stukken als een memorie van wet (toelichting op een wet door de indiener ervan), Memorie van Antwoord (antwoord van de regering op vragen uit de Kamer) enz. De hoeveelheid en de aard van deze parlementaire stukken maken duidelijk dat er niet één wetgever is met één onmiskenbare bedoeling. De rechter moet de diverse stukken dan ook tegen elkaar afwegen om daaruit conclusies te kunnen trekken.

 

Rechtshistorische interpretatie

In sommige gevallen grijpt de rechter voor de uitleg van een wettelijke term verder in het verleden terug dan alleen de totstandkoming van de wettekst. Hiervan is sprake als de rechter een wetsartikel plaatst in de historie waarlangs een leerstuk zich heeft ontwikkeld.

 

Rechtsvergelijkende interpretatie

De rechter kan voor uitleg van een term te rade gaan bij de betekenis waarin deze term wordt gehanteerd in andere rechtsgebieden binnen het eigen rechtssysteem (interne rechtsvergelijking) of in buitenlandse rechtsstelsels (externe rechtsvergelijking). Voor de vraag of onder te vergoeden letselschade ook immateriële (emotionele) schade moet vallen te rade bij onder meer het Franse, Zwitserse en Belgische recht (HR 21 mei 1943, NJ 1943, 455, Van Kreuningen/Bessem).

 

Anticiperende interpretatie

Hiervan is sprake indien de rechter bij de uitleg van een wettelijke regel vooruitgrijpt op toekomstige wetgeving, die wel gedeeltelijk tot stand is gekomen, maar nog niet in werking is getreden. Zo interpreteerde het Hof Amsterdam het begrip ‘schuld’ in het artikel over onrechtmatige daad uit het Oude BW (art. 1401) ruimer dan tot dan toe gebruikelijk was, onder verwijzing naar de ontwerptekst van het Nieuwe BW (Hof Amsterdam, 27 mei 1977, NJ 1978, 9).

 

Interpretatie op basis van een rechtsbeginsel

Rechtsbeginselen zijn algemene normen die een wenselijkheid uitdrukken. Rechtsbeginselen hebben een dimensie van gewicht. Voorbeelden van rechtsbeginselen zijn: ‘gerechtvaardigd vertrouwen moet worden beschermd. Of: ‘gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld.’ Rechtsbeginselen hebben verschillende functies: ze kunnen de wet aanvullen, de reikwijdte van de wet beperken (derogerende werking) of de wet nader ondersteunen (legitimerende functie). Indien meerdere rechtsbeginselen van toepassing zijn (en dat is al snel het geval), moet de rechter de beginselen tegen elkaar afwegen. Zo zal een beperkende uitleg van een wetsartikel met een beroep op de redelijkheid en billijkheid afgewogen moeten worden tegen het beginsel van rechtszekerheid.

 

Teleologische interpretatie

Hiervan is sprake indien een regeling wordt uitgelegd met een beroep op het doel, de strekking of de ratio ervan. Dit is in wezen het geval bij iedere andere methode van interpretatie. Bij teleologische interpretatie steunt men die uitleg met het oog op het doel niet met een beroep op de wetsgeschiedenis, het systeem van de wet e.d. De HR verklaarde de regels van huurbescherming bijvoorbeeld ook van toepassing op verhuurde kamers vanuit het doel van de bescherming van huurders. Tekst noch wetsgeschiedenis gaven hier duidelijkheid over (HR 20 september 1985, NJ 1986, 20).

 

Interpretatie op basis van precedenten

Het Nederlandse rechtssysteem kent officiëel geen precedentenwerking. Hiervan is sprake indien een lagere rechter uitspraken van oudere en hogere rechters moet volgen zoals in de Verenigde Staten het geval is (stare-decisis-regel). Omwille van de rechtsgelijkheid, rechtseenheid en rechtszekerheid wordt oudere en hogere rechtspraak toch als gezaghebbend gevolgd.

Indien een rechter zich beroept op oudere en hogere rechtspraak zal hij vaak ook aan gevalsvergelijking doen. Hierbij vergelijkt hij het voor hem liggende geval met andere gevallen. Soms kan een rechter ook aan hypothetische gevalsvergelijking doen. Zo vergeleek de HR in het Hyster Karry Krane arrest dat ging over een geval van imitatie in het kader van de octrooibescherming het voorliggende geval met twee alternatieve hypothetische gevallen. Aan de ene kant zou er imitatie kunnen zijn, wanneer een fabrikant streeft naar een zo deugdelijk mogelijke machine en aan de andere kant kan imitatie het gevolg zijn van het opzettelijk in verwarring brengen van de consument. In het eerste geval is er geen inbreuk op het octrooi, in het tweede wel. De HR gebruikte de zo ontdekte criteria voor de bepaling of het voorliggende geval een inbreuk op het octrooirecht van een andere partij opleverde (HR 26 juni 1953, NJ 1954, 90)

 

8.3 Andere redeneerwijzen ter ondersteuning van argumentatie

Een rechter kan ook langs andere weg dan uitleg van de betekenis van een term de wet toepassen op een geval. Bij die redeneerwijze is uitbreiding of de beperking van de betekenis van een wettelijke term het gevolg van een redeneerwijze.

 

Analogieredenering

Hierbij construeert een rechter een regel op basis van het bestaande recht door te stellen dat de feiten van een geval op relevante punten lijken op de juridische feiten van wel in de wet geregelde gevallen. De relevantie wordt bepaald aan de hand van strekking van de wettelijke regel. Zo verklaarde de kantonrechter Enschedé (3 oktober 1991, Praktijkgids 1992, 3641) dat het verbod van een arbeidsovereenkomst (art. 1637i BW) tussen gehuwden ook van toepassing is in het geval van samenwonenden, omdat deze regel wil voorkomen dat er een gezagsverhouding bestaat binnen een intieme relatie. Een analogische redenering is niet altijd waterdicht. Indien men, zoals een commentator op het vonnis van de kantonrechter stelt dat het genoemde verbod te maken heeft met het erfrecht, dan wordt duidelijk dat analoge toepassing op samenlevers niet voor de hand ligt. Tussen hen bestaat immers geen automatische erfrechtelijke relatie. De keuze van het vergelijkingscriterium moet dus gerechtvaardigd worden door de rechter.

 

A contrario-redenering

De pendant van de analogie-redenering is de a contrario redenering. Dan stelt men dat op basis van de onvergelijkbaarheid van de wettelijk geregelde gevallen en de voorliggende feiten een wetsregel juist niet van toepassing is op die feiten. De commentator (zie vorige alinea) van de uitspraak van de kantonrechter hanteerde deze redenering: juist omdat een samenlevingsrelatie op een, in het licht van de strekking van het wetsartikel, essentieel punt verschilt van een gehuwde relatie, is het wetsartikel niet van toepassing. Een rechter zal al snel een a contrario redenering hanteren, indien een rechtsregel via het gebruik van termen als ‘slechts’ of ‘uitsluitend’ de toepassingsvoorwaarden voor het rechtsgevolg aanmerkt als noodzakelijke voorwaarden. De rechtsregel kan dan niet van toepassing is op andere gevallen. Zo’n regel laat analogisch redeneren dan niet toe.

 

8.4 Belangenafweging

Een rechter zal zich laten leiden door de wet. De wet vormt een objectief element bij het rechterlijk oordeel. De rechtsgeleerde Wiarda spreekt ook van een heteronoom element: de rechter laat zich leiden door iets anders dan zijn eigen oordeel (heteronoom is ‘anders’).

In sommige gevallen moet de rechter ook subjectieve of autonome elementen een rol laten spelen. Dit zal het geval zijn, indien hij meent dat een bepaald belang zwaarder weegt dan andere belangen die worden gediend door een wettelijke regel of die bij een juridische kwestie betrokken zijn. Er is dan sprake van conflicterende belangen en het subjectieve oordeel van de rechter speelt een rol bij de waardering ervan. Zo moest de HR in zijn arrest van 12 april 1978, NJ 1979, 533 beslissen of hij een belastingrechtelijke regel moest uitleggen volgens de wet of dat hij de belastingplichtige gelijk moest geven die stelde dat hij een ambtelijke toezegging tot vrijstelling had ontvangen. De HR moest hier het rechtszekerheidsbeginsel afwegen tegen het vertrouwensbeginsel, dat inhoudt dat de overheid het bij een burger opgewekte vertrouwen gestand moet doen. De HR formuleerde in dit geval een afwegingsregel waarin hij een aantal factoren opnoemde die latere rechters die ook voor zo’n afweging komen te staan als leidraad moeten nemen. Tot die factoren kunnen behoren de mate van vertrouwen, de bevoegdheid en status van degene die de toezegging deed en de vraag of de toezegging is gepubliceerd.

De rechter zal ook moeten afwegen in geval van botsende grondrechten, bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting en het recht op privacy (grondrecht van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer). De formulering van zo’n afwegingsregel is dan vaak moeilijker dan in geval van botsende rechtsbeginselen.

 

Belangenafweging en de positie van de rechter in het staatsbestel

De organisatie van de Nederlandse staat volgt het model van de Trias Politica. Ideaal gesproken zegt dit model dat de drie staatsmachten naar organen en functies gescheiden zijn. Het gaat hier om de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Met andere woorden: de rechter mag niet op de stoel van de wetgever gaan zitten, dat is: geen rechtsvorming plegen. Dit principe kan in de praktijk niet strict worden gehandhaafd. De rechter moet de wet uitleggen en soms laat de wetgever de rechter nadrukkelijk deze vrijheid, omdat de feiten uit de werkelijkheid erg divers zijn en veranderlijk. De rechter zal daarom, indien hij aan rechtsvorming doet (via interpretatie, de toepassing van redeneerwijzen of bij belangenafweging) zijn oordeel zo goed mogelijk motiveren. Deze motivering bevat vaak verwijzingen naar de positie van de rechter in het staatsbestel.

 

Twee voorbeelden van rechtspositionele argumentaties

Zo voerde de HR in het Harmonisatiewet-arrest vele argumenten op die met die positie van de rechter te maken hebben (HR 14 april 1989, NJ 1989, 469). Eisers in cassatie bestreden de toepassing van een onlangs aangenomen wet inzake studiefinanciering; deze wet beperkte de rechten van bestaande studenten met terugwerkende kracht. Hoewel terugwerkende kracht het rechtszekerheidsbeginsel schendt, wenste de HR toch geen inbreuk te maken op deze recentelijk aangenomen formele wet. Hij voerde tal van argumenten aan om die beslissing te rechtvaardigen. Deze argumenten zagen alle op het verbod van de rechterlijke toetsing van een formele wet. Daarvan is sprake, indien de rechter een oordeel geeft over de gerechtvaardigdheid van een wet waarover de formele wetgever (regering en Staten-Generaal) zich heeft uitgesproken. Dit is een duidelijk geval van een rechtspositioneel argument.

Ook in het arrest over het homohuwelijk voerde de HR zo’n rechtspositioneel argument op (HR 19 oktober 1990, NJ 1992, 129). In de tijd dat de wet nog niet uitdrukkelijk het homo-huwelijk toestond, voerden twee lesbiënnes aan dat, omdat art. 1:33 BW niet uitdrukkelijk vermeldde dat een huwelijk moet worden gesloten tussen één man en één vrouw, daaruit wel geconcludeerd mocht worden dat een huwelijk ook mogelijk moest zijn tussen twee mensen van hetzelfde geslacht. De HR wees deze letterlijke interpretatie af met een beroep op de strekking van de wet. Deze liet niet toe dat er door de rechter van wordt afweken (lees: het is aan de wetgever en niet de rechter om de wet aan te passen). Verdere argumenten waren de openbare orde en de rechtszekerheid.

 

8.5 Oriëntatiepunten voor beoordeling van de rechterlijke motivatie

De rechter moet zijn oordeel motiveren. Een sluitende motivering is het middel tot controle van de rechtspraak die immers onafhankelijk is. In HR 4 juni 19 juni 1993, NJ 1993, 659 (Vredo/ Veenhuis) gaf de HR een omschrijving van die motiveringsplicht. Kernpunten daaruit zijn: de gedachtegang van de rechter moet voor partijen en voor derden, waaronder de hogere rechter, begrijpelijk, dat wil zeggen, navolgbaar, zijn, de rechterlijke motivering moet controleerbaar zijn en aanvaardbaar. Van onbegrijpelijkheid is bijvoorbeeld sprake bij een tegenstelling tussen feiten als vermeld in de processtukken enerzijds en de rechterlijke vaststelling of uitleg van die feiten anderzijds. Een andere reden voor onbegrijpelijkheid is als de rechter zijn gedachtegang niet inzichtelijk maakt, dus als hij zijn argumenten niet uitdrukkelijk formuleert of als hij redeneerfouten maakt. Bij die redeneerfouten kunnen zijn argumenten het standpunt niet ondersteunen, is er een lacune of is de motivering vaag. De rechter moet werkelijk het verband leggen tussen wetsartikel en toepassen; de vermelding van alleen een wetsartikel is onvoldoende.

De rechtsgeleerde Vranken heeft de eisen van de HR in Vredo/Veenhuis voor de rechterlijke motivering nader gepreciseerd. Er is sprake van een gedifferentieerde motiveringsplicht. Of de rechter kan volstaan met enkele regels danwel uitgebreid moet argumenteren, hangt af van de volgende factoren:

  • De aard van het recht: indien een oordeel rechten beperkt die de primaire levensbehoeften (wonen, werk, sociale zekerheid, relaties) van mensen betreffen, dient de rechter uitgebreider te motiveren dan bij oordelen over meer technisch-juridische vragen (bijv. of de belastingdienst een bepaald zekerheidsrecht kan uitwinnen).

  • De aard van het rechtsgebied: rechtsgebieden met rechtsregels die minder nauwkeurige voorwaarden bevatten verlangen een uitgebreidere motivering dan rechtsgebieden met nauwkeurig geformuleerde rechtsregels. Zo heeft de rechter in het verbintenissenrecht meer interpretatievrijheid en bestaat een grotere mogelijkheid tot het toepassen van vage beginselen als de redelijkheid en billijkheid. Hier is een uitgebreidere motivering geboden dan in het statische goederenrecht.

  • De stand van de discussie (rechtsgeleerde en maatschappelijk): uitgebreide motivering is noodzakelijk bij betwiste kwesties waarover in doctrine of samenleving veel uiteenlopende standpunten naar voren worden gebracht.

Ondanks al deze richtlijnen, blijven vele rechterlijke oordelen voor betwisting vatbaar. Twijfel en argumentatie maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de rechtspraktijk.

 

 

Hoofdstuk 9: Betogen en pleiten

Dit hoofdstuk behandelt het opzetten van een schriftelijk betoog en geeft enige tips voor de mondelinge verwoording ervan, het pleiten. De behandelde onderwerpen vormen daarmee het sluitstuk van de vaardigheden die eerder besproken werden, te weten: het vinden en analyseren van rechtsregels, het argumenteren, het lezen van juridische uitspraken en het begrijpen en hanteren van interpretatiemethoden. Hieronder volgen eerst aanwijzingen voor het opzetten van een argumentatiestructuur, vervolgens aanwijzingen voor het opzetten van een betoog. Daarna wordt ingegaan op het pleidooi en het pleiten.

 

9.1 Opzet van een argumentatiestructuur

De opzet verloopt in drie stappen: 1) vaststelling van de argumenten die het eigen argument ondersteunen (pro-argumenten), 2) anticiperen op tegenargumenten (contra-argumenten), 3) beoordelen en weerleggen van de contra-argumenten.

 

Opzet pro-argumenten

De opzet volgt de in de eerdere hoofdstukken uiteengezette stappen, te weten de bestudering van de casus en selectie van de juridisch relevante feiten, het opzoeken van de relevante rechtsregel en het nalopen van de voorwaarden voor het rechtsgevolg. Men formuleert het standpunt en ondersteunt dit met argumenten die aansluiten op de voorwaarden van de rechtsregel en verwijzen naar de feiten van de casus. Let daarbij op de aard van de voorwaarden. Deze bepaalt de structuur van de argumentatie. Zo vragen cumulatieve voorwaarden om een nevenschikkende argumentatie, waarbij ieder argument nader kan worden ondersteund via een onderschikkende argumentatie. Voor een voorbeeld, ontleend aan art. 6:162 BW over onrechtmatige daad in schema, zie par. 4.3.3 In dat voorbeeld luidt het standpunt van eiser dat hij recht heeft op schadevergoeding. Hij ondersteunt dit met een samenhangende argumentatie, inhoudende dat er sprake is van:

        1. onrechtmatige daad;

      • omdat er sprake is van een handelen in strijd met de wet;

      • en er geen rechtvaardigingsgrond is (art. 6: 162 lid 2 BW);

        1. schade;

        2. causaal verband;

        3. toerekening van de onrechtmatige daad (argumenten 1-4 onder verwijzing naar art. 6:162 lid 1 BW);

      • omdat de oorzaak van de onrechtmatige daad voor rekening van de dader komt (art. 6:162 lid 3 BW).

 

Opzet contra-argumenten

Het ging in het gegeven voorbeeld om een samenhangende argumentatie. Een wederpartij behoeft in wezen slechts één argument succesvol te bestrijden. Reeds dan immers blijkt dat er aan de cumulatieve voorwaarden van de rechtsregel niet is voldaan. Een eiser moet er echter mee rekening houden dat een wederpartij zijn argumentatie op meerdere onderdelen van de juridische kwestie zal richten:

  1. betwisting van de geldigheid of de relevantie van de gekozen rechtsnorm;

  2. betwisting van de interpretatie van de rechtsnorm (bijvoorbeeld onder verwijzing naar jurisprudentie);

  3. betwisting van bepaalde feiten;

  4. betwisting van de juridische kwalificatie van bepaalde feiten;

  5. stellen dat toepassing van de rechtsnorm leidt tot een onrechtvaardig resultaat met een beroep op de redelijkheid en billijkheid;

  6. stellen dat de rechtsnorm leidt tot een afweging en tegenover de afweging van de eiser een andere afweging stellen.

 

In het gegeven voorbeeld van de vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, zou de wederpartij kunnen stellen:

  1. er is geen sprake van een onrechtmatige daad;

  2. er is geen schade;

  3. mocht de rechtbank toch onrechtmatige daad en schade vaststellen, dan nog is er geen causaal verband aanwezig;

  4. en, dan nog kan deze aan gedaagde niet worden toegerekend (de laatste twee argumenten zijn subsidiaire argumenten).

 

Let bij dit alles op het feit dat de eiser in het gegeven voorbeeld een positief beroep doet op de rechtsregel, dus stelt dat het rechtsgevolg (schadevergoeding) wel moet plaatsvinden en de gedaagde er een negatief beroep op doet.

 

Beoordeling en weerlegging van contra-argumenten

Men moet als eiser de mogelijke tegenargumenten in de eigen argumentatie verwerken. Zie de hiervoor gegeven punten 1-6. Daarnaast moet men letten op de kwaliteit van de argumentatie (van zichzelf en anderen) bij elk van die zes punten. Men moet letten op:

  1. de inhoudelijke aanvaardbaarheid van argumenten

  2. de relevantie van de argumenten

  3. de logische geldigheid van de redeneringen

  4. de consistentie van de argumentatie

 

Een kritische evaluatie van de argumentatie kan erop wijzen dat er drogredenen worden gehanteerd. Dit zijn redeneringen die overtuigend lijken, maar bij kritische beschouwing ongefundeerd zijn. Hieronder volgen de belangrijkste drogredenen:

  1. Argumentum ad baculum: dreigende argumentatie die de andere partij belet om twijfel of kritiek te uiten;

  2. Argumentum ad hominem: persoonlijke aanval op de tegenstander door diens kennis in twijfel te trekken, zijn intelligentie of zijn goede trouw;

  3. Verschuiven van de bewijslast: ofwel onder de eigen verdedigingsplicht uitkomen door te stellen dat de ander zijn punt maar moet bewijzen;

  4. Ontduiken van de bewijslast: dit door een standpunt als vanzelfsprekend voor te stellen of persoonlijk garant te staan voor de waarheid van het standpunt (‘geloof me nou maar!’);

  5. Stroman: verdraaien van het standpunt van de tegenstander zodat het eenvoudiger te bestrijden is;

  6. Ignoratio elenchi (irrelevante argumentatie): argumenten zien niet op de standpunten;

  7. Argumentum ad populum: inspelen op de vooroordelen van het publiek door het standpunt als juist voor te stellen, omdat iedereen dit zo ziet;

  8. Argumentum ad misericordiam: beroep doen op het medelijden van het publiek;

  9. Argumentum ad verecundiam: een misplaatst beroep op deskundigheid;

  10. Cirkelredenering: de verdediging van een standpunt is het standpunt zelf, maar dan in andere woorden;

  11. Post hoc ergo propter hoc: uit een chronologische volgorde een oorzakelijk verband afleiden

  12. Secundum quid: overhaast generalisatie;

  13. Argumentum ad consequentiam: een beschrijving beoordelen op de aanvaardbaarheid van de consequenties ervan;

  14. Argumentum ad ignorantiam: uit een onvoldoende verdedigd standpunt de conclusie trekken dat het tegengestelde standpunt moet gelden.

 

Na het opzetten van de argumenten pro waarbij rekening wordt gehouden met mogelijke tegenargumenten, moet men de redenering in een begrijpelijk betoog zetten. Daarover gaat de volgende paragraaf.

 

9.2 Structuur en stijl van een betoog

Een betoog bevat over het algemeen de volgende onderdelen in de gegeven volgorde:

  1. Inleiding: hier zet men kort uiteen waarover het geschil gaat. Daarbij formuleert men tevens de rechtsvraag. In een langer betoog is het raadzaam de inleiding af te sluiten door aan te geven hoe het betoog is opgebouwd. Ook kan het te verdedigen standpunt al expliciet gegeven worden.

  2. Uiteenzetting van de feiten: hier zet men de juridisch relevante feiten op een samenhangende wijze uiteen. De samenhang bestaat dikwijls uit de chronologische volgorde.

  3. Vordering/ eis of verweer: dit is het hoofdstandpunt van het betoog

  4. Argumentatie, inclusief weerlegging van de contra-argumentatie: dit deel bevat de gestructureerde uiteenzetting van de argumenten die de eis of het verweer ondersteunen. Let daarbij op de structuur en behandel primaire argumenten eerst en daarna de subsidiaire argumenten. Let ook op de sterkte van de argumenten. Vaak begint men met het sterkste argument en benadrukt dit aan het einde van de argumentatie nog eens. Soms werkt men met argumenten die opklimmen in sterkte en presenteert men het sterkste argument als een climax. Houd rekening met de voorschriften voor referenties en voetnoten zoals aangegeven in de Leidraad voor Juridische Auteurs (op internet).

  5. Afsluiting: hier herhaalt men het standpunt met een samenvatting van de (belangrijkste) argumenten.

 

Dit is een basismodel. In de praktijk kunnen rechtsgebied, fase in de rechtsgang en de complexiteit van de casus leiden tot afwijkingen.

 

Stijl van het betoog

De formulering van een betoog behoort, in overeenstemming met het zakelijke en formele karakter van dit type tekst, ook zakelijk en formeel te zijn. Formeel wil echter niet zeggen hoogdravend of stijl. Het gaat erom dat men geen populair taalgebruik hanteert. Dus let op de volgende aspecten:

  1. Begrijpelijke formuleringen. Vermijd lange zinnen met verwijswoorden die tot verwarring kunnen leiden.

  2. Taalkundig en stilistisch correcte zinnen, dus geen taalfouten of kromme zinnen.

  3. Logische structuur van de argumentatie. Gebruik signaalwoorden als ‘ten eerste’, ‘ten tweede’, ‘verder’, ‘in tegenstelling tot’ enzovoort om de structuur van de argumentatie duidelijk aan te geven. Deel de tekst op in paragrafen en alinea’s.

Nadere aanwijzingen zijn te vinden in J. Renkema, Schrijfwijzer compact (Den Haag, Sdu uitgevers).

 

9.3 Het houden van een pleidooi

Een pleidooi is een mondeling betoog. Veel rechtszaken verlopen schriftelijk, maar het is toch nodig om in staat te zijn om het betoog te verwoorden in een pleidooi. Daartoe maakt men een pleitnota, dat is de volledig uitgeschreven tekst van het betoog zoals men dat in de rechtszaak zal houden. De pleitnota wordt overhandigd aan de rechter en zal verder als processtuk dienen in het geding. De presentatie van het pleidooi zelf dient zoveel mogelijk ‘los van het papier’ te gebeuren. Het is raadzaam om daarvoor een pleitschema te maken. Dit schema bevat de inhoud van het pleidooi in korte bewoordingen.

 

Aandachtspunten bij het opstellen van een pleidooi

Bij het opstellen moet men rekening houden met de volgende punten:

  • Het rechtsgebied en de opstelling van de rechter. De civiele rechter stelt zich lijdelijk op. In het strafrecht en bestuursrecht moet men voorbereid zijn op een rechter die actief vragen stelt.

  • Positie in de procedure: in een civiele procedure zal de eiser als eerste pleidooi houden. Dit heeft gevolgen voor de inhoud van het pleidooi van de verweerder: een volledige uiteenzetting van de feiten is niet meer nodig. Een verweerder concentreert zich op aanvullingen en correcties.

 

Structuur van het pleidooi

Een pleidooi heeft in beginsel dezelfde basisstructuur als een geschreven betoog. Op sommige punten liggen de accenten anders. Hierna worden deze specifieke kenmerken per onderdeel aangegeven:

  1. Inleiding: begin met een pakkend begin, bijvoorbeeld een anecdote of een element uit het feitencomplex. Geef rechtsvraag aan, eventueel standpunt en de opbouw van de rest van het betoog.

  2. Uiteenzetting van de relevante juridische feiten: houd u aan de chronologische volgorde, verzin geen nieuwe feiten die het standpunt moeten ondersteunen. Benadrukken en uitweiden kan wel.

  3. Vordering/ eis of verweer: let op logische structuur, helderheid en volgorde, in het licht van de overtuigingskracht van het pleidooi.

  4. Conclusie: idem als betoog.

    1. Afsluiting: Geef duidelijk aan wat u van de rechter verwacht, bijvoorbeeld vrijspraak, toewijzing van schadevergoeding.

 

Presentatie

Hier volgen nog enige tips voor de presentatie:

  • Woordkeuze: gebruik zoveel mogelijk algemeen bekende woorden en houd ook de zinnen in uw pleitnota eenvoudig. Leg complexe termen uit.

  • Spreektempo: niet te gejaagd, niet te traag. Las een pauze in om de toehoorder de kans te geven het gestelde te verwerken.

  • Intonatie: Niet te monotoon, leg klemtonen en accenten die de aandacht vasthouden.

  • Stopwoorden: vermijd deze.

  • Oogcontact: Houd oogcontact met de rechter(s).

 

Tot slot nog even de aanspreektitels op een rijtje:

  • Rechter in enkelvoudige rechtbank: ‘Geachte rechter.’

  • Kantonrechter: ‘Mijnheer/mevrouw de kantonrechter.’

  • Meervoudige rechtbank: ‘Mijnheer/mevrouw de president/voorzitter’ of ‘geacht college.’ ‘Edelachtbaar’ wordt over het algemeen als uit de tijd beschouwd.

  • Tegenpleiter: Aanspreken met achternaam of ‘Geachte tegenpleiter.’

 

 

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  3. Search tool: quick & dirty - not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is available at the bottom of most pages or on the Search & Find page
  4. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Quick links to WorldSupporter content for universities in the Netherlands

Follow the author: Vintage Supporter
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.