Voorbeeld tentamenvragen bij Prota inclusief uitwerkingen

Deze samenvatting is geschreven in het studiejaar 2013-2014.


Hoofdstuk 2 – Procesrecht

1. Algemeen

  • Geef de definitie van het begrip procesrecht.

  • Geef de definitie van het begrip executoriale titel.

 

2. Soorten van tenuitvoerlegging

  • Het Romeinse recht kende slechts één executoriale titel, welke titel was dit?

  • Wat is het verschil tussen en tenuitvoerlegging en een reële executie?

  • Geef de definitie van het begrip parate executie.

 

3. Drie vormen van proces

  • Benoem de drie belangrijkste procesvormen ten tijde van het Romeinse rijk.

 

4. Het geding door middel van de wettelijke actie

  • Bij de procedure door middel van wettelijke actie werd het geding in twee fasen opgedeeld. Wat was het verschil tussen deze fasen?

  • Noem een belangrijk verschil tussen een scheidman in de Romeinse tijd en een scheidman zoals wij deze tegenwoordig kennen.

  • Het tweedelige proces zorgde ervoor dat er twee typen advocaten waren. Welke twee typen waren dit?

 

6. Overgang van wettelijke actie naar formulaproces

  • Geef drie voorwaarden waaraan een proces moest voldoen, wilde het een wettelijke proces zijn, volgens de Julische proceswetten.

 

7. Het formulaproces ofwel de normale procedure

  • Noem één punt waarop het formulaproces verschilde van de wettelijke actie.

 

9. De bekentenis

  • Wanneer een proces was begonnen, konden er situaties naar voren komen die het proces alsnog konden beëindigen. Noem een voorbeeld van zo'n situatie.

 

10. De formula

  • Een eis kon eindigen in condemnatio of absolutio. Wat is het verschil tussen beiden?

 

11. De restitutieclausule

  • De belangrijkste clausule was de exceptio. Wat hield deze clausule in?

 

12. Clausule van goede trouw

  • Beschrijf in eigen woorden wat de clausula bonae fidea inhield.

 

13. De fictie

  • Soms bevatte de formula een fictie. Leg uit wat deze fictie inhield.

 

14. Procesovereenkomst

  • Geef de definitie van het begrip procesovereenkomst.

 

15 Rechtsgevolgen van de procesovereenkomst

  • Benoem de twee rechtsgevolgen van de procesovereenkomst.

 

16. De procesfase ten overstaan van de rechter

  • Men kon naar hun inhoud twee soorten vonnissen te onderscheiden: het declaratoire vonnis en het constitutieve vonnis. Wat was het verschil tussen beiden?

 

17. De actie uit een vonnis

  • Leg in eigen woorden uit wat de actie uit het vonnis inhield.

18. De executie

  • Wat verstaat men onder het begrip missio in bona?

20. Overgang van de gewone naar buitengewone procedure

  • Welke verandering binnen het Romeinse Rijk zorgde ervoor dat het formulaproces aan het einde van de derde eeuw werd afgeschaft?

  • Wat was de grootste juridische consequentie van het feit dat het formulaproces werd afgeschaft?

Hoofdstuk 2 – Procesrecht - antwoorden

1. Algemeen

  • Het procesrecht handelt over de regels die de rechtsstrijd, de procedure, het geding of het proces beheersen.

  • Men gaat naar de rechter om van deze een vonnis te krijgen. Dit vonnis wordt een executoriale titel genoemd.

 

2. Soorten van tenuitvoerlegging

  • Het veroordelende of condemnatoire vonnis

  • Bij een tenuitvoerlegging krijg je in de eerste plaats een schadevergoeding, bijna nooit waar je oorspronkelijk recht op had. Gebeurt dit wel, dan is er sprake van reële executie.

  • Als er geen sprake is van een executoriale titel verleent de overheid toch heel soms haar

  • medewerking aan een tenuitvoerlegging; dit wordt parate executie genoemd.

 

3. Drie vormen van proces

a. Toen het rijk nog een boerenstaat was werd gebruik gemaakt van het stelsel der wettelijke acties.

b. Het Romeinse rijk groeide uit tot een wereldrijk en in die tijd werd geprocedeerd aan de hand van het formulastelsel.

c. Ten tijde van de volstrekte alleenheerschappij ontstond tenslotte de buitengewone rechtsgang.

 

4. Het geding door middel van de wettelijke actie

  • de eerste fase speelde zich af voor de praetor (een overheidsmagistraat) en de tweede voor de rechter.

  • De huidige scheidsman heeft geen executoriale kracht, in tegenstelling tot die in het Romeinse recht.

  • Voor de eerste fase, de iurisconsultus. Voor de tweede fase de orator.

 

6. Overgang van wettelijke actie naar formulaproces

  • Ten eerste moesten de partijen Romeinse burgers zijn. Ook moest het proces plaatsvinden in Rome en tenslotte moest het vonnis worden gewezen door één rechter binnen een termijn van 18 maanden.

 

7. Het formulaproces ofwel de normale procedure

  • Het formulaproces verschilde van de wettelijke actie in die zin, dat vanaf nu niet meer bij de

  • praetor een mondelinge rituele spreuk hoefde te worden opgezegd, maar dat het resultaat van de voor de praetor gevoerde procedure schriftelijk in een akte werd vastgelegd.

 

9. De bekentenis

  • Een voorbeeld hiervan is de bekentenis. Als iemand bekende, werd diegene beschouwd als iemand die veroordeeld is.

 

10. De formula

  • Veroordelen tot een geldsom (condemnatio), vrijspraak (absolutio).

 

11. De restitutieclausule

  • Het verweer van de gedaagde. Dit was eentegenwerping waarin de eiser een nieuw feit stelde, dat de eis ontkrachtte.

 

12. Clausule van goede trouw

  • In een formula was vaak de clausule van de goede trouw ofwel de clausule van de redelijkheid en billijkheid opgenomen; clausula bonae fidei. De rechter moest dan zijn beslissing toetsen aan de regels van de redelijkheid en billijkheid.

 

13. De fictie

  • De rechter werd dan opgedragen te doen alsof een niet echt gebeurd feit werd geacht wel tot de werkelijkheid te behoren.

 

15. Rechtsgevolgen van de procesovereenkomst

  • Als de formula was samengesteld, werd deze uiteindelijk door het machtswoord van de praetor bezegeld; de procesovereenkomst.

 

16. De procesfase ten overstaan van de rechter

  • Alle vrijsprekende vonnissen zijn declaratoir; hierin stelt de rechter het bestaan van een rechtstoestand vast, hij bevestigt iets wat er al was. Alle veroordelende/condemnatoire vonnissen zijn constitutief; hierdoor wordt een rechtstoestand gewijzigd.

 

17. De actie uit een vonnis

  • Nadat de eiser een veroordelend vonnis had gekregen, moest hij een nieuwe actie instellen tegen de gedaagde voordat hij over kon gaan tot executie: de actie uit het vonnis.

18. De executie

  • De inbeslagneming van het gehele vermogen, de veroordeelde schuldenaar werd uit zijn gehele vermogen ontzet en de baten werden over de schuldeisers verdeeld.

20. Overgang van de gewone naar buitengewone procedure

  • Door de sterkte centralisatie van het keizerlijke bestuur werd het formulaproces aan het einde van de derde eeuw afgeschaft.

  • Door de afschaffing van de formula’s werd de actie het normale vervolg op een subjectief recht.

 

Hoofdstuk 4 - Goederenrecht

1. Absolute of volstrekte rechten

  • Wat zijn absolute of volstrekte rechten?

  • Wat is het verschil tussen relatieve / betrekkelijke rechten en absoluut rechten?

 

2. Kenmerken van absoluut recht

  • In welke drie onderdelen kan men het vermogen uiteenzetten?

  • In Nederland kent men het kwalitatieve recht. Wat houdt dit begrip in?

 

3. Droit de suite en droit de préférence

  • Wat is het belangrijkste kenmerk van het absoluut recht?

 

5. Lichamelijke en onlichamelijke zaken

  • Wat is het verschil tussen lichamelijke en onlichamelijke zaken?

 

6. Aan het rechtsverkeer onttrokken zaken

  • Noem een reden waarom zaken aan het rechtsverkeer kunnen worden onttrokken.

 

8. Res mancipi en res nec mancipi

  • Leg uit wat het verschil is tussen res mancipi en res nec mancipi.

 

9. Vervangbare en onvervangbare zaken

  • Wat zijn vervangbare zaken?

 

11. Vruchten

  • Er bestaan naast lichamelijke/natuurlijke vruchten ook burgerlijke vruchten. Wat is het verschil tussen beiden?

 

16. t/m 20.

  • Er bestaan verschillende oorspronkelijke wijzen van eigendomsverkrijging. Geef de verschillende vormen van oorspronkelijke wijzen van eigendomsverkrijging en leg deze kort uit.

21. t/m 25. Afgeleide wijzen van eigendomsverkrijging

  • Geef de vier vormen van eigendomsoverdracht en leg deze kort uit.

21. t/m 25. Eigendomsoverdracht

  • Geef de drie vormen van eigendomsoverdracht.

28. Bezitsverkrijging

  • Men verkrijgt bezit door een zaak voor zichzelf te gaan houden. Uit deze omschrijving leidden de Romeinen twee bestanddelen af, namelijk corpus en animus. Wat is het verschil tussen beiden?

34. Bezitsverschaffing

  • In ons rechtsstelsel zijn drie manieren waarin het bezit wordt verkregen zonder dat hieraan het corpus te pas komt van groot belang. Benoem deze drie manieren en leg deze kort uit.

37. Interdicten

  • Wat is het verschil tussen een interdictum uti possidetis en interdictum utrubi?

40. + 41.

  • Wat is het verschil tussen een causaal stelsel en een abstract stelsel?

46. Nemo plus-regel

  • Geef de definitie van het begrip beschikkingsbevoegdheid.

  • Leg uit wat de Nemo plus-regel inhoudt.

 

47. t/m 53. Verjaring

  • De verkrijgende verjaring is een hele makkelijke manier om iemands eigendom te bewijzen, leg uit waarom.

  • Wat is het doel van verjaring?

  • De vereisten voor de verjaring werden in het Romeinse recht samengevat in de volgende hexameter: Rés habilís titulús fidés posséssio témpus. Welke vereisten waren dit?

 

54. Actio Publiciana

  • Leg uit op welke manier de actio Publiciana werd ingezet.

 

55. Verkrijgende en bevrijdende verjaring

  • Geef de definitie van het begrip bevrijdende verjaring.

58. Erfdienstbaarheden

  • De erfdienstbaarheden ware de oudste Romeinsrechtelijke genotsrechten. Wat hielde deze erfdienstbaarheden in?

 

63. + 64. Vruchtgebruik

  • Wat hield het recht van vruchtgebruik in?

  • Welke verplichtingen had de vruchtgebruiker?

 

67. Opstal

  • De grondeigenaar kon aan een derde het recht van opstal verlenen. Wat hield dit in?

69. Vuistpand

  • Hoe noemt men de meest gebruikelijke vorm van pand, waarbij de pandhouder het pand onder zich krijgt?

 

73. Terughoudingspand, vervalpand, executiepand

  • Er zijn drie opvattingen geweest over de manier waarop het zekerheidsrecht verwerkelijkt kon worden indien de schuldenaar in gebreke bleef. Benoem deze drie opvattingen.

 

75. Tenietgaan van pand en hypotheek

  • Op welke manieren kunnen een pand en hypotheekrecht tenietgaan?

 

Hoofdstuk 4 - Goederenrecht - Antwoorden

1. Absolute of volstrekte rechten

  • Absolute of volstrekte rechten zijn subjectieve rechten die je behalve tegen de wederpartij waarmee je hebt gehandeld, ook tegen derden kunt inroepen en handhaven. Een subjectief recht dat enkel is in te roepen tegen de partij waarmee iemand gehandeld heeft en niet tegen derden, wordt een relatief, betrekkelijk of persoonlijk recht genoemd.

  • Een absoluut recht kan men, in tegenstelling tot een relatief recht, ook handhaven tegen een opvolger onder bijzondere titel.

 

2. Kenmerken van absoluut recht

  • In relatieve rechten, in absolute rechten en in schulden.

  • Dit is een persoonlijk (relatief) recht, dat niet vast zit aan de persoon van degene die het recht verkregen heeft, maar aan het object waar dit recht op gevestigd is, bijvoorbeeld een huis.

 

3. Droit de suite en droit de préférence

  • Het belangrijkste kenmerk van een absoluut recht is dus dat je het ook kunt handhaven tegen een opvolger onder bijzondere titel.

 

5. Lichamelijke en onlichamelijke zaken

  • Met de term lichamelijke zaken worden in het Nederlandse en het Romeinse recht eigenlijk eigendomsrechten op lichamelijke zaken aangeduid. Onder onlichamelijke zaken worden meestal de vermogensrechten verstaan, behalve het recht van eigendom.

 

6. Aan het rechtsverkeer onttrokken zaken

  • Dit kan zijn omdat ze uit godsdienstig standpunt niet mogen worden verhandeld zoals kerken of omdat ze voor het gebruik van de overheid of van alle mensen bestemd zijn.

 

8. Res mancipi en res nec mancipi

  • Res mancipi waren de grond in Italië, de slaven, getemde dieren en de landelijke erfdienstbaarheid, een beperkt zakelijk recht. Onder res nec mancipi vielen alle andere zaken.

 

9. Vervangbare en onvervangbare zaken

  • Vervangbare zaken, ook wel soortzaken genoemd, worden bepaald bij getal, gewicht of maat en derhalve kan ieder voorwerp van die soort dienen om aan een bepaalde overeenkomst te voldoen.

 

11. Vruchten

  • Natuurlijke vruchten zijn aard regelmatig terugkerende opbrengsten van een zaak. Burgerlijke vruchten zijn uit hun aard regelmatig terugkerende opbrengsten van vorderingsrechten zoals renten en huurtermijnen

 

16. t/m 20.

  • Toe-eigening, vindt plaats door het in bezit nemen van een voorwerp dat geen eigenaar heeft.
  • Schatvinding, als de schat op eigen grond wordt gevonden, wordt de vinder volledig eigenaar; op een ander zijn grond gevonden wordt de schat voor de helft eigendom van de vinder en voor de andere helft van de grondeigenaar.
  • Natrekking, alles wat onlosmakelijk met de grond is verenigd, is door natrekking eigendom van degene van wie de grond is waarop de zaak is gebouwd.
  • Vermenging, deze wijze van eigendomsverkrijging ontstaat wanneer twee hoeveelheden soortzaken van verschillende eigenaren zo worden vermengd dat ze niet meer te onderscheiden zijn.
  • Zaaksvorming, hierbij wordt materiaal van een ander verwerkt tot een nieuwe zaak.

21. t/m 25. Afgeleide wijzen van eigendomsverkrijging

  • Mancipatio, diende uitsluitend voor res mancipi en kenmerkte zich door formele en rituele handelingen. Fiduciaire eigendomsoverdracht, mancipatie met beding. De in iure cessio, had vooral betrekking op onlichamelijke zaken, vooral op de vestiging en overdracht van beperkte rechten.

  • Traditio, de drie vereisten waaraan moest zijn voldaan waren levering, een geldige titel en ten derde bezitsverschaffing door een beschikkingsbevoegde.

21. t/m 25. Eigendomsoverdracht

  • Mancipatio, in iure cessio en traditio.

28. Bezitsverkrijging

  • Voor zover de verkrijging voor uiterlijke waarneming vatbaar is werd deze aangeduid als corpus en voor zover niet, als animus.

 

34. Bezitsverschaffing

  • Constitutum possessorium (letterlijk bezitsbesluit). In dit geval maakt iemand die eerst bezitter van een zaak was zich door wilsverandering tot houder van deze zaak voor iemand anders, die nu bezitter is geworden. Dus de bezitter wordt houder.
  • Traditio brevi manu (bezitsverschaffing met de korte hand). In dit geval wordt de houder van een goed bezitter, doordat de vorige bezitter hem het bezit verschaft.
  • Traditio longa manu (bezitsverschaffing met de lange hand). In dit geval houdt iemand eerst voor de vervreemder van de zaak en na de overdracht voor de ontvanger van de zaak. De zaak blijft onder de derde.

37. Interdicten

  • Een interdict voor onroerende zaken werd interdictum uti possidetis genoemd en een interdict voor roerende zaken interdictum utrubi.

40. + 41.

  • In een causaal stelsel gaat de eigendom dus niet over als een geldige titel ontbreekt. Het aanwezig zijn van een titel is niet genoeg, hij moet ook geldig zijn. In een abstract stelsel vindt overdracht wel gewoon plaats zonder dat een geldige titel is vereist. Het eigendom gaat dus ondanks een ongeldige titel toch over op de verkrijger.

46. Nemo plus-regel

  • De bevoegdheid om over een zaak of een goed te beschikken, oftewel het vervreemden (overdragen) en bezwaren (vestigen van een absoluut beperkt recht op het goed).

  • De regel gaat ervan uit dat niemand meer recht kan overdragen op een ander dan hij zelf heeft.

 

47. t/m 53. Verjaring

  • Als de bezitter kon bewijzen dat hij gedurende zekere tijd onder bepaalde voorwaarden had bezeten (waarbij hij de tijd van het bezit van zijn voorganger mocht optellen), kon hij hiermee aantonen dat hij eigenaar was geworden.
  • Het doel van de verjaring is dat na verloop van tijd de bezitter eigenaar wordt.
  • de zaak moest ontvankelijk zijn voor privé eigendom en daarmee voor verjaring
  • de zaak moest een geldige titel hebben
  • subjectieve goede trouw
  • tijdens de verjaringstermijn moet de bezitter de zaak onafgebroken in zijn bezit hebben gehad
  • tijdsduur

 

54. Actio Publiciana

  • Iemand die zijn bezit op onrechtmatige wijze verloor, maar geen eigenaar was van deze zaak omdat de tijdsduur van de verjaring nog niet was voltooid, kon de actio Publiciana inroepen. Er werd dan gedaan alsof de verjaringstermijn al was verlopen en alsof iemand al eigenaar was geworden. Ze slaagde tegen iedereen die de bezitter in zijn bezit stoorde, behalve tegen de eigenaar.

 

55. Verkrijgende en bevrijdende verjaring

  • Nieuwe verjaring die titelgebrek kon opheffen en waarbij het enige vereiste was dat iemand te goeder trouw gedurende dertig jaar de zaak had bezeten.

58. Erfdienstbaarheden

  • Een erfdienstbaarheid is een last, waarmee een onroerende zaak, het dienende erf, is belast ten voordele van een andere onroerende zaak, het heersende erf.

 

63. + 64. Vruchtgebruik

  • Het recht van vruchtgebruik is het recht goederen die aan een ander toebehoren te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten.

  • Hij moet de zaak gebruiken en onderhouden naar het inzicht van een verstandig man. Hij hoeft echter schade ontstaan door overmacht of grove verwaarlozing door de eigenaar niet te herstellen. Aan het eind van het vruchtgebruik moet de zaak worden teruggegeven in oorspronkelijke staat.

 

67. Opstal

  • Een derde werd absoluut gerechtigde en van wat hij op de grond bouwde of plantte, dit gebeurde vaak tegen betaling van een geldsom; de retributie.

69. Vuistpand

  • Vuistpand.

 

73. Terughoudingspand, vervalpand, executiepand

  • De pandhouder mocht het goed houden totdat de schuldenaar alsnog betaalde.
  • Vervalpand, in het geval van wanbetaling werd het pand van rechtswege eigendom van de schuldeiser door middel van een toe-eigeningsbeding.
  • Bevreemdingsbeding, bij wanbetaling mocht de pandhouder het goed verkopen en de opbrengst verrekenen.

 

75. Tenietgaan van pand en hypotheek

  • Een pand en hypotheekrecht kunnen tenietgaan door voldoening, vermenging van de hoedanigheid van eigenaar en pandhouder, door afstand van het pandrecht door de pandhouder en door tenietgaan van de verpande zaak.

 

Hoofdstuk 6 – Erfrecht

1. Opvolging onder algemene titel

  • Wat verstaat men onder opvolging onder algemene titel?

 

11. De verdeling der nalatenschap

  • Uit welke drie onderdelen bestaan het nalatenschap?

Hoofdstuk 6 – Erfrecht - Antwoorden

1. Opvolging onder algemene titel

  • Het erfrecht is het geheel van regels die gelden voor de opvolging door een levende in het vermogen van de erflater. Het overgaan van dit gehele vermogen wordt opvolging onder algemene titel genoemd

 

11. De verdeling der nalatenschap

  • Uit de absolute of volstrekte rechten, de relatieve of persoonlijke rechten (vorderingen) en de schulden.

 

Hoofdstuk 5 – Verbintenissenrecht

4. Natuurlijke verbintenis

  • Wat is een natuurlijke verbintenis?

 

6. Facultatieve verbintenis

  • Wat is een facultatieve verbintenis?

 

7. Pluraliteit van schuldenaren en schuldeisers

  • Wat wordt er bedoeld met pluraliteit van schuldenaren en schuldeisers? Wanneer doet dit zich voor?

  • Geef de definitie van het begrip hoofdelijkheid.

10. Schuldeisersverzuim

  • Wat verstaat men onder het begrip schuldeisersverzuim?

 

12. Schuld

  • Er bestaat een nauwe samenhang tussen de begrippen zorgplicht en wanprestatie. Leg dit uit.

 

13. Tekortkoming in de nakoming; wanprestatie

  • Welke drie soorten tekortkomingen omvat een wanprestatie?

 

14. Gevolgen van de wanprestatie

  • Wat is het belangrijkste gevolg van een wanprestatie?

 

17. Inbetalinggeving

  • Men kan overgaan tot inbetalinggeving. Wat houdt dit in?

 

19. Schuldvernieuwing

  • Geef de definitie van het begrip stipulatio.

21. Rechtsfeiten

  • Geef de definitie van het begrip blote rechtsfeiten.

 

23. Stilzwijgende en formele rechtshandelingen

  • Wat is het verschil tussen een uitdrukkelijke wilsverklaring en een stilzwijgende rechtshandeling?

 

26. Simulatie

  • Geef de definitie van het begrip simulatie.

 

28 t/m 31 Wilsgebrek

  • Er bestaan verschillende vormen van wilsgebrek, benoem deze vormen en leg deze kort uit.

33. Vertegenwoordiging

  • Geef de definitie van het begrip volmacht.

39. Onbenoemde overeenkomsten

  • In het Romeinse recht zijn bijzondere overeenkomsten de enige mogelijke overeenkomsten. De traditionele opsomming van overeenkomsten bevatte de volgende overeenkomsten: verbruiklening, bruiklening, bewaargeving, vuistpandgeving, de mondelinge belofte, koop-verkoop, huur-verhuur, maatschap en lastgeving. De overeenkomsten die hier buiten vielen waren de onbenoemde overeenkomsten. Deze kunnen worden onderverdeeld in vijf groepen. Benoem deze groepen.

 

40. Benoemde overeenkomsten

  • De verbintenisscheppende overeenkomsten met een eigen naam konden in drie groepen worden ingedeeld. Welke groepen waren dit?

 

41. Verbruiklening

  • Wat verstaat men onder het begrip verbruikleningsovereenkomst?

 

42. t/m 44. Wederkerige overeenkomsten

  • Geef drie voorbeelden van onvolmaakte wederkerige overeenkomsten.

 

45. + 46. Stipulatie

  • Geef de definitie van het begrip stipulatie.

  • Een goed voorbeeld van stipulatie was het boetebeding. Hoe ging dit in z'n werk?

  • Geef de definitie van het begrip arbitrageovereenkomst.

 

49. t/m 51. Koop / Verkoop

  • Noem twee verplichtingen die de verkoper heeft binnen een koop / verkoop contract.

 

52. Koop op de proef

  • Wat wordt er bedoeld met het begrip koop op de proef?

  • Wat wordt er bedoeld met het begrip verval beding?

 

55. Maatschap

  • Geef de definitie van het begrip maatschap.

 

56. Lastgeving

  • Geef de definitie van het begrip lastgeving.

 

58. Cessiemandaat

  • De Romeinen maakten gebruik van het cessiemandaat. Wat hield dit in?

 

59. Schenking

  • Geef de definitie van het begrip schenking.

61. Zaakwaarneming

  • Geef de definitie van het begrip zaakwaarneming.

 

66. Open en gesloten stelsels van onrechtmatige daden

  • Het Romeinse recht kende maar een paar, strikt omschreven, onrechtmatige daden. Geef hiervan drie voorbeelden.

 

67. Diefstal

  • Diefstal was in het Romeinse recht een breder begrip dan onze omschrijving tegenwoordig. Leg dit uit.

  • Men sprak eveneens van diefstal wanneer het ging om verduistering en het ongeoorloofde gebruik van andermans zaak. Iemand kan zich echter ook schuldig maken aan diefstal als hij zijn eigen zaak bedrieglijk ontvreemdt.

 

68. Zaaksbeschadiging

  • Geef de definitie van het begrip lex Aquilia.

  • Een onrechtmatige daadsactie omvat drie bestanddelen. Welke bestanddelen zijn dit?

Hoofdstuk 5 – Verbintenissenrecht - Antwoorden

4. Natuurlijke verbintenis

  • Men spreekt over een natuurlijke verbintenis wanneer de schuldeiser de schuldenaar niet kan aanspreken doordat de verbintenis rechtens niet afdwingbaar is, terwijl deze wel een schuld heeft. De schuldeiser heeft in dit geval wel een rechtsgeldige vordering, maar geen actie waarmee hij de vordering kan afdwingen door middel van een proces.

 

6. Facultatieve verbintenis

  • Een facultatieve verbintenis is een enkelvoudige verbintenis. De schuldeiser kan hier dus enkel nakoming vorderen van deze enkelvoudige prestatie.

 

7. Pluraliteit van schuldenaren en schuldeisers

  • Er zijn verbintenissen mogelijk waarbij aan één kant of aan beide kanten meerdere schuldenaren of schuldeisers voorkomen. Dit wordt pluraliteit van schuldenaren en schuldeisers genoemd. Dit doet zich voor wanneer een verbintenis ondeelbaar is of wanneer de schuldenaren tot de prestatie hoofdelijk zijn verbonden.

  • Iedere schuldenaar kan bij een ondeelbare verbintenis worden aangesproken tot algehele voldoening.

10. Schuldeisersverzuim

  • Als blijkt dat de schuldeiser ten onrechte de betaling heeft afgewezen, noemt men dit schuldeisersverzuim.

 

12. Schuld

  • Als een bepaalde zaak door gebrek aan zorg is beschadigd of tenietgaat, kan worden gesteld dat dit is gebeurd door schuld.

 

13. Tekortkoming in de nakoming; wanprestatie

  • Het niet, niet behoorlijk en niet tijdig nakomen van een verbintenis.

 

14. Gevolgen van de wanprestatie

  • Het belangrijkste gevolg van de wanprestatie is dat de schuldenaar de hieruit voortvloeiende schade moet vergoeden.

 

17. Inbetalinggeving

  • Inbetalinggeving vindt plaats als de schuldenaar de schuldeiser een andere dan de verschuldigde prestatie aanbiedt en de schuldeiser hiermee genoegen neemt.

 

19. Schuldvernieuwing

  • Een stipulatio is een overeenkomst waarbij één partij in bepaalde bewoordingen iets aan de andere partij beloofde.

 

21. Rechtsfeiten

  • Feiten die simpelweg plaatsvinden, onafhankelijk van een gedraging van het rechtssubject, worden blote rechtsfeiten genoemd.

 

23. Stilzwijgende en formele rechtshandelingen

  • Men spreekt van uitdrukkelijke wilsverklaring als de verklaring is uitgesproken of opgeschreven. Bij een stilzwijgende rechtshandeling heeft de verklaring woordeloos plaatsgevonden.

 

26. Simulatie

  • Dit gebeurt wanneer iemand legt een met de wil overeenstemmende verklaring af terwijl hij een andere rechtshandeling op het oog had.

 

28. t/m 31. Wilsgebrek

  • Dwang, als iemand zelf of een derde onrechtmatig wordt bedreigd met enig nadeel in persoon of goed, dan kan de onder bedreiging verrichte rechtshandeling worden vernietigd.

  • Bedrog, kan bestaan in het doen van een opzettelijk onjuiste mededeling, in het opzettelijk zwijgen waar spreken geboden is of in een andere kunstgreep.

  • Dwaling, gaat om een dwaling die een ongebrekkige wil in het leven roept die zich vervolgens in een met die wil overeenstemmende verklaring heeft geopenbaard.

33. Vertegenwoordiging

  • Men kan aan een ander de bevoegdheid verlenen om in diens naam rechtshandelingen te verrichten.

39. Onbenoemde overeenkomsten

  • afspraken waarbij men aan een ander gratis gebruik toestaat mits men deze gunst te allen tijden kan herroepen.
  • afspraken waarbij de ene partij aan de wederpartij de eigendom van een zaak overdraagt, waartegen de wederpartij toezegt ook een zaak te zullen leveren
  • afspraken waarbij de ene partij een zaak levert, waartegenover de wederpartij toezegt iets te zullen doen
  • afspraak waarbij de ene partij iets doet, waartegenover de wederpartij toezegt een zaak te leveren
  • afspraken waarbij ik iets doe opdat gij iets zult doen

 

40. Benoemde overeenkomsten

  • In reële, verbale en consensuele overeenkomsten.

41. Verbruiklening

  • Eigendom wordt overgedragen van een hoeveelheid vervangbare zaken aan de wederpartij, die zich verbindt een gelijke hoeveelheid zaken van dezelfde soort terug te geven. Er ontstaat dus maar één verbintenis, die tot het teruggeven van andere gelijksoortige zaken.

 

42. t/m 44. Wederkerige overeenkomsten

  • Bruiklening, bewaargeving en vuistpandgeving.

 

45. + 46. Stipulatie

  • Bij een stipulatie vraagt de ene partij de ander iets te geven of te doen, waarna de ander dit bevestigt. Er vloeit altijd maar voor één partij een verbintenis uit voort.

  • Bij het boetebeding werd een geldsom vastgesteld die de schuldenaar bij wanprestatie moest betalen in plaats van de dan te vergoeden schade.

  • Een overeenkomst waarbij partijen beslechting van een tussen hen bestaand geschil overlaten aan één of meer raadslieden.

 

49. t/m 51. Koop / Verkoop

  • Verkoper is verplicht tot levering en tot vrijwaring tegen uitwinning en tegen verborgen gebreken.
  • Verplicht in te staan voor feitelijke gebreken die pas na het sluiten van de koopovereenkomst aan het licht komen.

 

52. Koop op de proef

  • De koper mag gedurende een bepaalde termijn kijken of de zaak hem bevalt.

  • De koper heeft het recht de overeenkomst als ongedaan te beschouwen, als de koopprijs binnen een bepaalde termijn niet is betaald.

 

55. Maatschap

  • Overeenkomst waarbij twee of meer personen zich verbinden iets in te brengen met het oogmerk het daaruit ontstane voordeel met elkaar te delen.

 

56. Lastgeving

  • Lastgeving is een consensuele overeenkomst waarbij de ene partij, de lasthebber, zich ten aanzien van de andere partij, de lastgever, verbindt in diens opdracht één of meer handelingen te verrichten.

 

58. Cessiemandaat

  • Dit is een lastgeving tot inning. De lastgever (cedent) machtigt de lasthebber (cessionaris) een vordering van de lastgever op een schuldenaar te innen, met de bedoeling dat deze laatste het geïnde zelf mag houden.

 

59. Schenking

  • Een schenking is een consensuele overeenkomst die tot stand komt wanneer de schenker kenbaar maakt gratis een goed te willen overdragen aan de begiftigde, die op zijn beurt laat blijken de gift te willen aanvaarden

 

61. Zaakwaarneming

  • Onder zaakwaarneming verstaat men het zich willens en wetens en op redelijke grond inlaten met de behartiging van eens anders belang, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.

 

66. Open en gesloten stelsels van onrechtmatige daden

  • Drie van de volgende: roof met geweld, kwetsing en belediging, diefstal en zaaksbeschadiging.

 

67. Diefstal

  • Men sprak eveneens van diefstal wanneer het ging om verduistering en het ongeoorloofde gebruik van andermans zaak. Iemand kan zich echter ook schuldig maken aan diefstal als hij zijn eigen zaak bedrieglijk ontvreemdt.

 

68. Zaaksbeschadiging

  • De Romeinse actie uit zaaksbeschadiging.

  • Onrechtmatigheid, schuld en causaal verband

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
53 1
Selected Categories
Promotions
wereldstage wereldroute

Tussenjaar of sta je op het punt op kamers te gaan?

Wereldroute biedt jou een leerzaam en onvergetelijk Student Prepare Program aan