Oefenvragen Wetenschap Filosofie

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


1.    Alan Chalmers, 'Wat heet wetenschap?'

1. Wat is het belangrijkste kenmerk van een logisch geldige redenering?
2. In welk opzicht vormt logica alleen geen bron van nieuwe waarheden?
3. Waarin verschillen waarnemingsuitspraken van de algemene wetenschappelijke wetten?
4. Waarin verschillen inductieve redeneringen van deductieve redeneringen?
5. Welke problemen brengt het inductieprincipe met zich mee?
6. Wat betekent het inductivisme?
7. Wat is een manier om het inductieprobleem te vermijden?
8. Van het basale wetenschapsbeeld van de inductivist gaat een bepaalde aantrekkingskracht uit. Wat is die aantrekkingskracht?
9. Wat is de hoofdconclusie van dit stuk?

 

Antwoorden

1. Zie onderstaand voorbeeld.
   1. Alle boeken over filosofie zijn saai
   2. Dit boek is een boek over filosofie    
   3. Dit boek is saai.
In deze redenering zijn 1 en 2 de premissen, 3 is de conclusie. Men neemt aan dat duidelijk is dat als 1 en 2 waar zijn, 3 waar moet zijn. Dit is het belangrijkste kenmerk van een logisch geldige redenering: als de premissen waar zijn, dan moet de conclusie waar zijn.

2. De waarheid van feitelijke uitspraken die de premissen van een redenering vormen, kan niet worden vastgesteld door een beroep te doen op de logica. Logica kan alleen dat aan het licht brengen, wat volgt uit, of in zekere zin al ligt besloten in de uitspraken waarover we al beschikken. Tegenover deze beperking staat de kracht van de logica, dit is het waarheid beschermende karakter ervan.

3. Zij vormen de feiten die het bewijs leveren van algemene wetenschappelijke wetten. Ze vormen specifieke uitspraken over de stand van zaken op een bepaald tijdstip, dit zijn enkelvoudige uitspraken.

4. Dit zijn redeneringen die uitgaan van een eindig aantal feiten en die uitmonden in een algemene conclusie. Men moet ze onderscheiden van logische, deductieve redeneringen. Een kenmerk van inductieve redeneringen is dat zij verder reiken dan de inhoud van de premissen. Dit is vanwege het feit dat inductieve redeneringen overgaan van uitspraken over een eindig aantal gebeurtenissen op uitspraken over alle gebeurtenissen die specifiek van aard zijn.

5. Voorwaarde 1 betreft het probleem van de vaagheid van ´groot´. Het gaat gepaard met tal van problemen. Aan voorwaarde 2 zijn eveneens ernstige problemen verbonden. Deze vloeien voort uit de moeilijk te beantwoorden vraag wat geldt als een significante verscheidenheid aan omstandigheden. Het levert een probleem op voor een sterke versie van de uitspraak dat wetenschappelijke kennis door middel van inductie uit de feiten moet worden afgeleid. Zelfs voorwaarde 3 is problematisch, aangezien weinig wetenschappelijke kennis kan voldoen aan de eis dat uitzonderingen uitgesloten zijn.

6. De opvatting dat wetenschappelijke kennis moet worden afgeleid uit waarnemingsfeiten door middel van een of andere inductieve afleiding noemen we inductivisme.

7. Men zwakt de eis af dat de waarheid van wetenschappelijke kennis moet worden bewezen, en dat men genoegen neemt met de bewering als men kan aantonen dat wetenschappelijke uitspraken waarschijnlijk waar zijn, gezien het bewijs.

8. De aantrekkelijkheid ervan is gelegen in het feit dat het op formele wijze iets lijkt te verwoorden van de algemene intuïties over de bijzondere kenmerken van wetenschappelijke kennis.

9. Uit dit stuk blijkt vooral dat men niet bij machte is om een nauwkeurige beschrijving van inductie te geven, die helpt een onderscheid te maken tussen een verantwoorde generalisatie uit de feiten en een overhaaste of ondoordachte generalisatie. Dit is een enorme taak, gezien het vermogen van de natuur om ons te verbazen.

 

2.     The philosophical works of David Hume. Een onderzoek met betrekking tot het menselijk verstand

10. In welke twee variaties kunnen objecten van de menselijke rede of onderzoek natuurlijk worden onderverdeeld?
11. Waar of niet waar? Hume suggereert dat alles wat een contradictie impliceert niet duidelijk kan worden opgevat door de geest.
12. Waarop zijn motiveringen betreffende feitelijkheden gebaseerd volgens Hume?
13. Waar komt kennis van de relatie van oorzaak en gevolg vandaan?
14. Kunnen we de oorzaken van de algemene, ultieme oorzaken ontdekken?
15. Welke typen redeneringen bestaan er?
16. Wat is verplicht voor de misvatting van een cirkelredenering?
17. Wat stelt Hume betreffende conclusies uit de ervaring?

 

Antwoorden

10. Betrekkingen van ideeën, en feitelijke redenen. Objecten die behoren tot betrekkingen van ideeën zijn proposities die ofwel intuïtief of demonstratief bepaald zijn.

11. Waar.

12. Op de relatie van oorzaak en gevolg. Hij geeft zijn beroemde voorbeeld van een man die een horloge of een andere ding vindt op een onbewoond eiland, en zegt dat zo'n man zou concluderen dat er ooit mensen waren geweest op dat eiland.

13. Hume zegt dat dit niet voortkomt uit een a priori redenering, maar is afgeleid uit ervaring, als een constante samenhang tussen bepaalde objecten.

14. Nee, we zijn wel in staat om de vele bijzondere effecten in algemene oorzaken te verminderen, door middel van redeneringen uit analogie, ervaring en observatie." Maar wat de oorzaken van algemene oorzaken zijn, de ultieme oorzaken, kunnen we nooit ontdekken. Dus het beste wat we kunnen doen is het produceren van algemene principes om natuurlijke fenomenen te verklaren.

15. Alle redeneringen zijn te verdelen in twee soorten: demonstratief redeneren (over de relaties van ideeën) en moreel redeneren (met betrekking tot het feitelijke en het bestaan​​).

16. De veronderstelling van de ontbrekende schakel, om een premisse van waarschijnlijkheid te zijn, is verplicht voor de misvatting van een cirkelredenering.
Hier volgt het gereconstrueerde argument:  
•    Argumenten / redeneringen over zaken van feiten zijn gebaseerd op de relatie     van oorzaak en gevolg.
•    Onze kennis van de relatie van oorzaak en gevolg is gebaseerd op ervaring.
•    Onze conclusies uit ervaring hangt af van vermoedelijke argumenten.

17. Hij concludeert dat de conclusies uit de ervaring niet zijn gevestigd in argument of een proces van begrip.

 

3.     Hans Reichenbach, 'The rise of scientific philosophy'

18. Wat is de definitie van de term relevantie en wat is het belang ervan?
19. Wat betekent een antropomorfisme?
20. Welke vormen van valse generalisatie bestaan er?
21. Wat is de geometrische waarheid?
22. Wat wil Plato bereiken, met betrekking tot de wiskunde?

 

Antwoorden

18. De betekenis van de term relevant wordt als volgt gedefinieerd: relevant is dat  wat wordt vermeld als het voor de generalisatie nodig is. De scheiding van relevante van irrelevante factoren is het begin van kennis.

19. Dat betekent de overdracht van menselijke kwaliteiten naar fysieke objecten.

20. Twee vormen: onschuldige en verderfelijke vormen van valse generalisatie. De eerste leidt gemakkelijk tot correctie en verbetering in het licht van verdere ervaringen. De tweede leidt tot gevaarlijk dogmatisme.

21. De geometrische waarheid is een product van de rede, die superieur is aan empirische waarheid; welke is gevonden door de veralgemening van een groot aantal gevallen. Het resultaat van deze analyse is dat de rede algemene eigenschappen lijkt te kunnen ontdekken van fysieke objecten.

22. Wat Plato wil, is een uitleg over de mogelijkheden om de wiskundige waarheid te kennen. Zijn theorie van de ideeën is opgebouwd als een verklaring van kennis.

 

4. Martin Gardner, 'A skeptical look at Karl Popper'

23. Wie was Karl Popper en wat was zijn bekendste conclusie?
24. Wat bedoelde Einstein met de kosmologische constante?
25. Wat betekent het ‘fallibilisme van de wetenschap’?
26. Wat was het meest indrukwekkende werk van Popper?
27. Tussen welke werelden maakte Popper als indeterminist onderscheid?

 

Antwoorden

23. Karl Popper werd algemeen beschouwd als de grootste filosoof van de wetenschap van Engeland, sinds Bertrand Russell. Popper zijn bekendste conclusie was dat wetenschap niet verder gaat door inductie (door het vinden van de bevestigende voorkomendheden van een vermoeden), maar door het vervalsen van gewaagde en riskante vermoedens.

24. Einstein stelde het gedurfde vermoeden voor, om een ineenstorting van het universum te voorkomen; dat het universum een geheimzinnige afstotende kracht bevatte en koesterde. Hij noemde dit de kosmologische constante.

25. Wetenschap is nooit absoluut zeker. Het is altijd corrigeerbaar, en onderhevig aan voortdurende verandering. Het fallibilisme van de wetenschap gaat terug tot de oude Griekse sceptici en is als vanzelfsprekend beschouwd door bijna alle latere denkers.

26. 'De open samenleving en haar vijanden'. Het centrale thema was niet nieuw, dat open democratische samenlevingen veruit superieur zijn aan gesloten totalitaire regimes. Popper verdedigt zijn mening met krachtige argumenten en geweldige geletterdheid. Popper stelde dat de toekomst onvoorspelbaar is, omdat we een vrije wil hebben.

27. Het externe fysieke universum, de innerlijke wereld van de geest, en de wereld van de cultuur.

 

5.     H. Dooremalen, H. de Regt & M. Schouten, 'Exploring humans: an introduction to the philosophy of the social sciences. Hoofdstuk 7: kritisch rationalisme'.

28. Waarom werd Popper geen lid van het Wiener Kreis?
29. Waarom was de eerste publicatie van Popper zo bijzonder?
30. Welk punt misten de positivisten over kennis en wetenschap?
31. Wanneer brak Popper met het marxisme?
32. Wat heeft Popper geleerd van het marxisme?
33. Wie was Adler en waarom brak Popper met Adler?
34. Wat betekent de vervalsing van de Newtoniaanse fysica?
35. Wat zijn belangrijke kenmerken van het falsificationisme van Popper?

 

Antwoorden

28. Hij was nooit lid van het Wiener Kreis omdat het hoofd hem niet wilde toelaten. Een van de redenen was dat hij Wittgenstein bekritiseerde tijdens een lezing voor het zijn van een dogmaticus. Hij viel ook Schlick aan tijdens het daaropvolgende debat. Echter, dat Popper briljant was stond buiten twijfel.
29. Zijn ideen waren niet bedoeld om in druk te verschijnen, tot een lid van het Wiener Kreis Popper aanmoedigde om de ideeën te publiceren. In 1934 werd de 'Logik der Forschung' geaccepteerd voor publicatie in een grote serie. Popper viel in dit werk een aantal van de positivistische doctrines aan, maar veel van de leden leken niet de verwoestende gevolgen van de kritiek van Popper op te merken. De meeste leden zagen Popper liever als een vriend in plaats van een vijand. De positivisten hebben zich zwaar vergist in het zien van Popper als een van hen. Dit werd pas duidelijk in Popper zijn boek.

30. Het punt dat de positivisten misten was dat er ook een rationeel aspect aan kennis en wetenschap zit. Dit rationele aspect beschouwde Popper van fundamenteel belang. Theorie komt altijd vóór en niet na observatie. Popper is daarom de belangrijkste voorstander van het rationalisme van de twintigste eeuw.

31. In 1919 brak Popper met het marxisme nadat een demonstratie van socialisten en communisten eindigde in geweld, toen 12 ongewapende demonstranten werden gedood door de politie. Op dat moment krijgt hij twijfels over de wetenschappelijke referenties van de marxistische theorie over de onvermijdelijke ontvouwing van de geschiedenis. Hij vroeg zich af ​​of het mogelijk is om de politieke en sociale theorie over Marx als een wetenschappelijke theorie beschouwen. Hij rangschikte toen al snel de marxistische theorie onder de pseudowetenschappen.

32. Popper heeft twee lessen geleerd van zijn korte ontmoeting met het marxisme: Allereerst leerden deze gebeurtenissen hem dat de mens aansprakelijk is om fouten te maken. Er is geen ontkenning van het feit dat mensen feilbaar wezens zijn. Het tweede wat hij heeft geleerd is dat er een groot verschil bestaat tussen dogmatische theorieën (de marxistische theorie van de geschiedenis) en kritisch denken.

33. Adler was een ontrouw lid van het psychoanalytische beweging van Sigmund Freud. Hij had een eigen theorie ontwikkeld; die hij individuele psychologie noemde. Adler was gericht op verschillen in de omgeving van het kind. Een van zijn meest bekende concepten is dat van het minderwaardigheidscomplex. Popper confronteerde Adler met een zaak die niet leek te passen bij de theorie van Adler. Adler was in staat om een toelichting te geven; maar zijn theorie boog niet. Popper was echter niet onder de indruk. Zijn reactie op Adler was vol ironie.

34. Tijdens de zonsverduistering van 1919 ontwierp Arthur Eddington een ingenieuze test om te beslissen tussen de Newtoniaanse vervorming en de Einsteinse doorbuiging. Uit de gegevens van de foto's van Eddington bleek dat de voorspellingen die zijn gebaseerd op de theorie van Newton over het gedrag van licht in de buurt van grote objecten, onjuist waren. Dit, terwijl de voorspellingen gebaseerd op de theorie van Einstein juist waren.

35. De falsificeerbaarheid is het criterium van de afbakening.
Het erkent een fundamentele opmerking over mensen (hun feilbaarheid).
Alleen theorieën die falsifieerbaar zijn informatief.
Alleen door vervalsing kan wetenschappelijke kennis groeien.

 

6.     Jasper Doomen, 'De rechtsgeleerdheid als strenge wetenschap'

36. Leg de falsificatietheorie van Popper uit aan de hand van het voorbeeld van de witte zwaan.
37. In welke gebieden lijkt plaats te zijn voor de rechtsgeleerdheid?

 

Antwoorden

36. Een theorie is alleen wetenschappelijk als deze falsifieerbaar is, dit betekent dat een theorie potentieel weerlegbaar is door een empirische observatie. Een klassiek voorbeeld is dat van de witte zwaan: het bestaan van één zwarte zwaan is al voldoende om de uitspraak te weerleggen dat alle zwanen wit zijn. Popper stelt derhalve voor om te beginnen aan de andere kant, met een eventueel te weerleggen hypothese door te stellen dat er (minstens) één zwarte zwaan is. Dit kan wel empirisch bevestigd of weerlegd worden.

37. Binnen de overgeleverde categorieën waarin wetenschap wordt ingedeeld lijkt weinig plaats te zijn voor de rechtsgeleerdheid aangezien ze geen systematisch gebruik maakt van empirische gegevens. Het typische kenmerk van de rechtsgeleerdheid moet daarom waarschijnlijk gevonden worden in de poging om een eenheid te vinden in datgene wat de rechtsbronnen aanleveren.

 

7.     C.E. Smith, W. Geelhoud e.a., 'Criteria voor goed rechtswetenschappelijk onderzoek. De omgekeerde route'

38. In hoeverre neemt de rechtswetenschapper een intern en een extern perspectief in?
39. Welke twee benaderingen zijn er over rechtswetenschappelijk onderzoek?
40. Bestaat er één wetenschappelijk methode voor rechtswetenschappelijk onderzoek volgens Popper?
41. Wat is vooral wezenlijk voor de rechtswetenschap wanneer het de rechtspraktijk voorlicht?
42. Wat is de precisering van het probleem dat in het debat aan de orde is?
43. Wat bepaalt de juistheid van de antwoorden?
44. Wat betekent dit voor het wetenschappelijk gehalte van de normatieve uitspraken van rechtswetenschappers?
45. Is goed rechtswetenschappelijk een zaak van de individuele onderzoeker, of van de gehele wetenschappelijke discipline?

Antwoorden

38. De rechtswetenschapper houdt zich niet slechts bezig met kwesties van technische aard, maar bestudeert het recht ook vanuit het standpunt van het rechtssubject. Dit omdat men ander voorbij gaat aan het normatieve karakter van regels. Het recht moet namelijk ook bestudeerd worden van uit het verstehend of intern perspectief, het perspectief van de justitiabele.

39. - In de ene benadering worden niet zozeer methoden van (rechts)wetenschappelijk onderzoek genoemd, maar eisen die daaraan dienen te worden gesteld.
- In de andere benadering worden drie minimumvereisten voor methodologische verantwoording genoemd: een scherp omlijnde probleemstelling, zorgvuldig bronnengebruik en een consistente presentatie van onderzoeksresultaten en conclusies in het licht van de gekozen probleemstelling.
Het verschil tussen deze twee visies is een verschil van perspectief. De eerste is gericht op het resultaat, en de tweede is gericht op het proces van onderzoek. Wat beide benaderingen gemeen hebben, is dat de beoordelingscriteria c.q. methoden niet specifiek gelden voor rechtswetenschappelijk onderzoek, maar voor álle vormen van wetenschapsbeoefening.

40. Popper zei dat dé wetenschappelijke methode niet bestaat. Hij wil hiermee zeggen dat er geen onfeilbare methode van kennisverwerving bestaat, en dat de uiteindelijke proeve van de juistheid van een theorie daarin bestaat dat deze ook de krachtigste pogingen tot weerlegging doorstaat.

41. Voor het voorlichten van de rechtspraktijk is het van belang dat de rechtswetenschap een wettelijke regeling of uitspraak beoordeelt in het licht van fundamentele rechtswaarden zoals rechtvaardigheid, rechtszekerheid en doelmatigheid. Echer, vooral dit laatste aspect doet men laten twijfelen aan het wetenschappelijke karakter van de rechtswetenschap.

42. De vraag is niet of de rechtswetenschap een wetenschap is. Het betreft evenmin de vraag naar de juiste methoden van rechtswetenschappelijk onderzoek, omdat het er niet zozeer om gaat hoe de onderzoeker tot zijn bevindingen is gekomen, maar op welke wijze de houdbaarheid of aanvaardbaarheid van het onderzoek kan worden beoordeeld. De juiste vraag is eigenlijk welke eisen moeten worden gesteld aan de verantwoording van de normatieve bevindingen van het onderzoek met het oog op hun kritische beoordeling.

43. Wie de wetgever, de rechterlijke macht en de samenleving wil overtuigen, zal enerzijds moeten aantonen dat de door hem voorgestane oplossing inpasbaar is in het rechtssysteem, anderzijds dat die oplossing in overeenstemming is met de politiek-morele uitgangspunten van het rechtssysteem. De beslissing moet dus zowel passen in het rechtssysteem (de eis van fit), als gerechtvaardigd kunnen worden met een beroep op fundamentele rechtswaarden (de eis van justification).

44. Wie zich uitspreekt over de gerechtigheid van een wettelijke regeling of van de jurisprudentie, kan dit volgens de rechtswetenschappelijke standaarden alleen met succes doen na een grondige, zorgvuldige analyse van het betreffende rechtsgebied, met oog voor de verhoudingen tussen de verschillende rechtswaarden die alle om verwerkelijking vragen, en besef van de effecten die het recht in de samenleving zelf heeft. Goed rechtswetenschappelijk onderzoek vereist de bovenstaande kwaliteiten. Het bewijst zichzelf doordat het bestand is tegen kritiek, zowel met betrekking tot het meer beschrijvende, empirische deel van het onderzoek, als tot die aspecten van het onderzoek waarbij de balans wordt opgemaakt en de regeling of ontwikkeling in de rechtspraak wordt gewaardeerd.

45. Goed rechtswetenschappelijk onderzoek is niet een zaak van de individuele onderzoeker, maar van de wetenschappelijke discipline als geheel. De individuele onderzoeker maakt daar vervolgens deel van uit. De kwaliteit van het rechtswetenschappelijk onderzoek staat of valt met een kritische beoordeling ervan door de gemeenschap van rechtswetenschappers aan de hand van de strengste (rechts)wetenschappelijke maatstaven.

 

8.     Ernest van den Haag, 'The death penalty once more'

46. Is de doodstraf toegestaan volgens de Supreme Court?
47. Is de doodstraf afschrikwekkender dan andere straffen?
48. Is de doodstraf te zwaar of te ernstig?
49. Waarom is het vreemd dat veel religieuze leiders zich verzetten tegen de doodstraf?

Antwoorden

46. Sommige auteurs beweren dat de Supreme Court aangeeft dat de zich ontwikkelende fatsoensnormen rechterlijke instanties wrede straffen toelaten; gemachtigd door de grondwet. Het Supreme Court verwierp de afschaffing van de doodstraf. De Supreme Court is ervan overtuigd dat de procedure voldoet aan de constitutionele vereisten van non willekeur.

47. Statistieken hebben niet duidelijk geconcludeerd dat de doodstraf wel of niet afschrikwekkender is om moorden te plegen dan andere straffen. De auteur is van mening dat de doodstraf waarschijnlijk meer dan andere straffen afschrikt, omdat mensen banger zijn voor de dood dan voor iets anders.

48. De doodstraf staat in een klasse apart. Executie is onherstelbaar. Daarentegen zijn alle andere misdaden en bestraffingen herstelbaar. De doodstraf is dus harmonieus met de morele en materiële ernst van het misdrijf.

49. Veel religieuze leiders verzetten zich tegen de doodstraf. Dit is verrassend, omdat er geen Bijbelse grond voor hun verzet bestaat. Religieuze leiders lijken rechtvaardigheid en liefde te vermengen, om te concluderen dat de doodstraf verkeerd is, omdat het is onbarmhartig is. Kerken delen niet meer de wereldlijke macht.

 

9.     Ars Aequi Taalgids voor juristen, 'Verbeter je tekst'

50. Welke vier soorten centrale vragen (probleemstellingen) bestaan er?
51. In welke vier stappen kun je een tekst het beste schrijven?
52. Welke standaardstructuren bestaan er voor de indeling van verschillende tekstsoorten?
53. Wat is het belang van het gebruiken van titels en tussenkopjes?
54. Wat zijn de kenmerken van een goed geschreven alinea?
55. Wat is de klassieke indeling van een betoog?
56. Wat zijn de belangrijkste redeneerfouten (drogredenen)?
57. Met welke (retorische) middelen kun je je argumentatie sterker maken en de lezer overtuigen van je argumenten?

Antwoorden

50.    Er zijn vier soorten centrale vragen:
- Beschrijvend: informatie over een situatie of verschijnsel wordt geordend, beschreven en op een rij gezet.
- Verklarend: de oorzaken worden blootgelegd.
- Beoordelend: een oordeel, negatief of positief, wordt ontwikkeld. Een hypothese wordt ter discussie gesteld.
- Adviserend: een advies wordt gegeven, wat moet er gedaan worden om het probleem op te lossen.
De eerste twee vragen leveren informatieve teksten op, de laatste twee leiden tot betogende teksten.

51.    - Onderzoeken: het onderwerp bepalen, de literatuur verkennen en informatie verzamelen.
- Plannen: een globaal plan maken, wanneer wat aan de orde komt.
- Concepttekst schrijven: dit mag rammelen, het gaat erom dat je op papier krijg wat in je hoofd zit als concept.
- Herzien: de tekst herzien, nadat je deze een tijdje hebt laten liggen.

52.    - Methodisch onderzoeksverslag: de beschrijving volgt nauwgezet het verloop van het     onderzoek, met veel aandacht voor de methode. Eerst inleiding, dan de     literatuurbespreking, de methode, de resultaten, de discussie en de conclusie tot slot.
- Informatief verslag: dit heeft tot doel iets te beschrijven, te inventariseren of op te sommen. Welke indeling geschikt is, hangt af van het onderwerp. Werk stuk voor stuk de subvragen uit die gesteld worden bij de centrale vraag.
- Beoordelend verslag: zo een tekst werkt toe naar een onderbouwd oordeel. Start met een beschrijving van het onderwerp dat je beoordeelt, geef dan de criteria, en beargumenteer vervolgens je oordeel.
- Adviserend verslag: dit zet een stap verder dan een evaluatie, je geeft aan wat er moet gebeuren om een probleem op te lossen. Neem de problematische situatie als uitgangspunt, inventariseer de mogelijke oplossingen en maak een beargumenteerde keuze.
- Literatuuroverzicht: hierin breng je de actuele literatuur over een onderzoeksonderwerp in kaart. Dit kan op een informatieve, neutrale of op een kritische manier.
53.     Het loont de moeite om goed stil te staan bij titels en koppen. Zij maken het mogelijk     om snel tot de kern van de tekst door te dringen en om de tekst selectief te     raadplegen. In een langer stuk geef je elk hoofdstuk en paragraaf een zakelijke,     informatieve titel. Gebruik geen titels en koppen die de lading niet dekken, omdat ze     bijvoorbeeld te algemeen zijn.

54.     Een goede alinea bestaat uit samenhangende zinnen die alle bijdragen aan één     kernpunt. Dit kernpunt moet op een prominente plaats van de tekst staan: aan het     begin of aan het einde van de tekst. Het is beter om de kern van een alinea aan het     begin van de tekst te zetten. Zet de kern liever niet in het midden, dit is niet duidelijk.     Het onderwerp van de alinea kan ook bekend gemaakt worden door middel van een     vraag die in de rest van de alinea behandeld wordt. Dit is een sterk middel. Over de     lengte van een alinea bestaan geen strikte richtlijnen.

55.    Een aantal stappen worden gemaakt in het schrijven van een betoog:
1. Zet het oordeel uiteen
2. Onderbouw dat met je eerste argument
3. Geef een bijkomend argument
4. Handel mogelijke tegenargumenten af
5. Kom met de conclusie

56.     - Autoriteitsargument: is de autoriteit wel betrouwbaar en gaat het wel om een actueel     citaat? Een bron van internet is bijvoorbeeld voor lang niet iedereen een autoriteit.
- ‘Daarna, dus erdoor’:  als A later is opgetreden dan B, betekent dit niet meteen dat B de oorzaak is van A.
- Cirkelredenering: het standpunt wordt in andere woorden herhaald, waardoor het lijkt alsof dit elkaar ondersteunt.
- Overhaaste generalisatie: een incident of individueel geval wordt als kenmerkend gezien voor een veel grotere kwestie.
- Populistisch argument: een standpunt ondersteunen met ‘wat de mensen vinden’.

57.     Ten eerste: voorbeelden. Om een generalisering of een abstracte gedachte overtuigend weer te geven, is het handig om voorbeelden in te zetten. Dit maakt je tekst levendiger en het betoog blijft beter hangen bij de lezer.
Ten tweede: herhaling. Je kunt je argumentatie overtuigender maken door herhaling. Door zo een parafrase heeft de lezer eerder het idee dat hij het helemaal begrijpt. De herformulering geeft een rustpuntje in de tekst en het geeft de lezer meer kans om de stelling op zich in te laten werken.
Ten derde: vergelijkingen. Een vergelijking kan de bewering verhelderen of aannemelijker maken. Het maakt de lezer vertrouwd met iets nieuws, of een abstracte gedachte kan hierdoor worden verhelderd.  Een vergelijking verduidelijkt het standpunt, maar draagt ook bij aan de overtuigingskracht van een tekst.

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  3. Search tool: quick & dirty - not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is available at the bottom of most pages or on the Search & Find page
  4. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Quick links to WorldSupporter content for universities in the Netherlands

Follow the author: Vintage Supporter
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.