Laatste collegeaantekeningen

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


RC anatomie

 

De hypofyse bestaan uit twee delen, de neurohypofyse en de adenohypofyse.

De neurohypofyse zijn deel van de hersenen, er bevinden zich de axonen van zenuwen uit de hypothalamus . In deze zenuwen worden neurotransmitters, die ook hormonen zijn geproduceerd. Bij een grote hoeveelheid hormoon vormt dit in de hypofyse een bolletje, het lichaampje van Hering. Bij activatie geeft de zenuw de neurotransmitter af, zoals bij een synapsspleet. Het hormoon komt echter bij een gefenestreerde capillair en komt zo in de bloedbaan.

 

In het infundibulum bevinden zich ook zenuwuiteinden. Hier bevindt zich ook een (primair) capillairbed wat, via een portaalsysteem naar de adenohypofyse gaat. Zo kunnen hormonen uit de hypothalamus de adenohypofyse snel prikkelen met behulp van een secundair capillairbed. Dit draagt bij aan het regelsysteem.

De doorbloeding van de hypofyse, pars nervosa gaat via een externe arterie die niet door dit portale systeem gaat. Het pars distalis van de adenohypofyse gaat direct via de a. carotis en via het portale systeem

 

Wanneer iemands luchtweg wordt afgesloten, is een spoedoperatie, een tracheotomie nodig. Hierbij wordt onder de schildklier een gat gemaakt in de luchtpijp. Wanneer dit door de schildklier gebeurt (die onder het strottenhoofd ligt) ontstaan er heftige bloedingen en is de schildklier kapot.

 

De bijnierschors bestaat uit drie lagen. Het weefsel is in lagen die heen en weer gaan, van dieper naar oppervlakte en terug. De zona glomerulus is de laag direct onder de schors, deze bestaat uit rondjes. De zona fasiculata bestaat uit plaatjes. De zona reticulum ligt tegen het merg aan, en bestaat uit een soort netwerk. Hier worden vooral androgenen geproduceert en maar weinig testosteron.

 

Chromaffine cellen in bijniermerg produceren adrenaline (ook wel epifirine genoemd), een neurotransmitter. Deze cellen hebben een neurologische oorsprong uit neurale lijst cellen. Dit bijniermerg heeft dus ectodermale oorsprong. Het wordt omgeven door bijnierschors wat een mesodermale oorsprong heeft.

 

De bloedvoorziening van de bijnier gaat vanaf de aanvoerende arterie eerst naar de schors. Daar is een capillairbed waarin corticosteroïden worden afgegeven. Via een portaal systeem gaat dit bloed verder naar het merg waar chromaffine cellen zijn. Deze worden door glucocorticosteroïde gestimuleerd tot het produceren van adrenaline. De chromaffine cellen worden ook vanuit het sympathische zenuwstelsel geïnnerveerd. Deze innervatie zorgt ook voor het samentrekken van de mergvenen waarbij de adrenaline die hierin opgeslagen ligt in de circulatie komt.

 

Theca cellen in de ovaria produceren onder invloed van LH progesteron. Granulosa cellen ook in de ovaria produceren dit onder invloed van FSH. Onder invloed van LH produceren theca cellen ook androgenen die granulosacellen aanzetten tot productie van oestrogenen.

Granulosacellen gaan na de LH-piek progesteron produceren en worden dan gezien als luteïne cellen.

 

Plakken van Peyer (bestaande uit B-cellen) in het ileum liggen in de submucosa, over deze plakken heen liggen M-cellen deze presenteren bacteriën zodat er een immuunreactie ontstaat.

In de crypten van Lieberkuhn liggen stamcellen, die cel differentiatie mogelijk maken en zo enterocyten en andere cellen in de darm.

 

Bloed wat langs de darmen stroomt gaat niet direct naar de vena cava. In plaats daarvan gaat het door de vena porta naar de lever. Wanneer bij de lever een blokkade is zodat het bloed niet verder kan stromen, zoekt het bloed een manier om toch naar de vena cava te komen. Dit zijn de portocavale anastomoses. Een ervan gaat via de maag en via de oesophagus waar oesophagus varices ontstaan. Dit zijn verdikte bloedvaten met een grote kans op scheuren. Een andere weg is via de caput medussae, vaten rondom de navel in de buikwand. Een derde weg is bij de vaten rondom het rectum.

 

De leverlobjes kunnen worden ingedeeld naar verschillende functies. Het bloed stroomt van de drie eenheid van Kiernan naar de centrale vene. Rond deze vene is de minste zuurstof, bij een zuurstof tekort vind daar als eerste afsterving en verbindweefseling plaats. Dit gebeurt in de richting van het gal, van de centrale vene naar de driehoekjes toe.

 

Het omentum majus (vetschort) is een uitstulping van het dorsale mesenterium van de maag.

De draaiing van het darmpakket zorgt ervoor dat het colon transversum over het jejunum gaat aan de ventrale zijde. De pancreas ligt retroperitoneaal. De ductus choledochus ligt in het ligament hepatoduodenale.

Het gevolg van een galsteen in de ductus cysticus is dat er geen extra gal meer kan worden aangevoerd tijdens de maaltijd. Ditzelfde effect wordt bereikt wanneer de galblaas wordt verwijderd.

 

De arterie mesenterica inferior voorziet het distale colon transversum, colon descendens, en het proximale rectum van bloed. Het distale rectum wordt ook vanuit de arteria iliaca voorzien van bloed.

 

RC gehele stof

 

De cholesterol en triglyceriden (of triacylglycerol) uit de voeding worden door in chylomicronen vervoerd naar de lever. Deze chylomicronen worden (alleen) door de darm gevormd en zijn 100-1000 nm groot. Ze worden als ze klein genoeg zijn in de gefenestreerde capillairen opgenomen. Wanneer ze daarvoor te groot zijn worden ze opgenomen door de lactealen, lymfevaatjes die in de villi van de mucosa in de dunne darm lopen. Ze komen dan via het lymfatisch systeem in de bloedbaan. Onderweg naar de lever staan chylomicronen via LPL triglyceriden af aan de weefsels. Hierdoor worden ze kleiner (‘remnant’) maar bevatten nog steeds cholesterol en triglyceriden als ze bij de lever aankomen. De schil bestaat uit fosfolipiden en eiwitten.

In de lever worden de chylomicronen remnants in de ruimte van Disse geëndocyteerd. Hier worden ze afgebroken. De vitaminen die dan in de hepatocyt terecht komen worden naar de itocel getransporteerd. Uit de cholesterol en triglyceriden die dan in de hepatocyt zitten worden VLDL-partikels (40-80 nm) gemaakt. Dit zijn nieuw gevormde partikels die alleen in de lever worden gevormd. Deze worden afgegeven aan de bloedbaan en geven daar triglyceriden af. Wanneer de lipoproteïne geen triglyceride meer bevat, ontstaat er een LDL-partikel (23-25 nm) dat alleen nog cholesterylesters vervoert. Deze kan opgenomen worden door cellen met een LDL receptor en op die manier cholesterol afstaan, voor het maken van onder andere steroïdhormonen in de ovaria, testes of bijnieren. Na de endocytose die LDL (en VLDL remnants) kunnen ondergaan worden ze geheel afgebroken.

 

HDL-partikels worden door de lever gemaakt om cholesterol op te nemen, wanneer dit zich in de bloedvaten opstapelt. Het is het kleinste partikel en maar 8-12 nm groot.

 

Insuline zorgt voor afbraak van triglyceriden in VLDL partikels. Het stimuleert LPL wat triglyceriden omzet in vetzuur en glycerol. Met alpha glycerolfosfaat en glucose wordt het weer omgezet in triglyceriden en opgeslagen in adipocyten. Het zorgt dus voor lypolyse van het circulerende triglyceride. Met te veel insuline wordt men dus ook dikker. Insuline is een anabool hormoon.

Insuline stimuleert dus de lypogenes uit glucose en remt de vorming van VLDL partikels in de lever. Er is dus een tijdelijke opstapeling van cholesterol en vetzuren in de lever. Na de maaltijd verdwijnt insuline en daarmee de opstapeling weer en wordt het in de weefsel opgenomen. Bij een teveel aan koolhydraten zal er een te vette lever ontstaan.

 

Bij insulineresistentie zoals deze bij diabetes type 2 optreedt is er een stijging van de hoeveelheid triglyceriden in VLDL. Er is namelijk minder LPL en de triglyceriden worden niet opgenomen door de weefsels. Er worden steeds meer VLDL met triglyceriden gemaakt door de lever. Door de aanwezigheid van CETP en de grote hoeveelheid VLDL wordt HDL afgebroken door de lever. Insulineresistentie zorgt dus secundair voor een verlaging van het HDL.

Insulineresistentie zorgt ervoor dat er meer insuline komt, de nieren die niet resistent worden, gaan dan steeds meer vocht en zout vasthouden.

 

Lactaat is de precursor voor gluconeogenese. Uit lactaat kan dus glucose gevormd worden.

Glycogenolyse is glycogeenafbraak en dus vorming van glucose.

Glycogeensynthese is het maken van glycogeen uit glucose.

GTP bevat evenveel energie als ATP.

Wanneer de glucose op is en er vetzuren worden verbrandt ontstaat er acetly CoA wat de krebscyclus moet doorlopen. Bij een teveel hiervan worden ketonzuren gevormd, die de hersenen ook als brandstof kunnen gebruiken.

 

Bij diabetes type 2 worden statines voorgeschreven om het cholesterol gehalte omlaag te brengen. Ze remmen de cholesterolsynthese wat zorgt voor minder LDL. Statines helpen ook tegen ontsteking van de bloedvaten daarom heeft dit ook bij een normaal cholesterolgehalte nut.

 

Beta cellen bij diabetes type 2 gaan na langere tijd kapot. Het is bekend dat ze meer produceren om de insulineresistentie te compenseren. Het is niet bekend of de overproductie de oorzaak is van het kapot gaan. Er is medicatie die de productie verder stimuleert, dit heeft voordeel omdat het lichaam zo zelf de insuline kan regeluren en er geen hypoglycemie zal ontstaan.

Bij diabetes type 1 is dit geen optie omdat er helemaal geen productie is. De behandeling bestaat dan uit insuline spuiten, kortdurende bij maaltijden en langdurige voor de basishoeveelheid insuline.

Wanneer deze basishoeveelheid er niet is ontstaat er een ketoacidose. De oxidatie van vetzuren wordt dan namelijk niet geremd en er komt teveel acetyl coA en daardoor ketonzuren. Bij diabetes type 2 gebeurt dit dus niet omdat de cellen wel insuline produceren.

De alphacellen kunnen ook insuline resistent zijn, en daardoor kan er ook meer glucagon worden geproduceerd.

 

RC gehele stof deel 2

 

Bij een afwijkende hoeveelheid groeihormoon kan de productie gemeten worden met een glucose tolerantie test. Bij een normale productie gaat dan de hoeveelheid groeihormoon omlaag. Als het groeihormoon door een tumor wordt geproduceerd zal het niet dalen.

 

Bilirubine is het afbraakproduct van rode bloedcellen, het geeft kleur aan darmsappen. Het is echter niet belangrijk in vertering, maar slechts een afvalstof uit lever. Ongeconjugeerde bilirubine wordt door de levercel omgezet in geconjugeerde bilirubine en uitgescheiden, dit is wel water oplosbaar. Wanneer het bilirubine gehalte stijgt zal er geelzucht (icterus) optreden. Bij een posthepatische oorzaak bijvoorbeeld galstenen in de ductus choledochus zal het geconjugeerde bilirubine verhoogd zijn. Bij een ontsteking van de lever zijn beide vormen verhoogd en bij een prehepatische oorzaak is het ongeconjugeerde bilirubine verhoogd. Dit is wanneer er te veel bloed afgebroken moet worden.

Na de geboorte kan een baby twee dagen een beetje geel zijn omdat de lever nog op gang moet komen. Is die langer dan is er wel iets mis wat slecht is voor de hersenen. De kupfercellen die vooral in de lever liggen en macrofagen breken bloedcellen af.

 

T3 remt samen met T4 de afgifte van TRH en TSH uit de hypothalamus en hypofyse. Het meerendeel van T3 en T4 is gebonden.

Bij de ziekte van Hashimoto worden antistoffen tegen TPO gemaakt, dit veroorzaakt een primaire hypothyreoïdie.

Bij een teveel aan jodium wordt er meer schildklierhormoon gemaakt in eerste instantie. Het Wolf-Chaikov effect compenseert dit zodat geen hypertherioïdie ontstaat. Ook de negatieve terugkoppeling naar de hypothalamus en hypofyse speelt hierin een rol.

TSH functioneert behalve dat het TH productie stimuleert ook als groeihormoon. Bij jodiumtekort is TSH constant verhoogd. Hierdoor gaat de schildklier groeien en ontstaat er een struma.

 

 

 

 

 

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  3. Search tool: quick & dirty - not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is available at the bottom of most pages or on the Search & Find page
  4. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Quick links to WorldSupporter content for universities in the Netherlands

Follow the author: Vintage Supporter
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.