Samenvatting verplichte stof deel 1

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


Reader Inleiding Recht

1. Jeugd en recht

Bunthof & Polak, S., Praktisch Jeugd(straf)recht, Groningen/Houten: Noordhoff Uitgevers, p. 13-34.

 

Positie jeugdigen in de samenleving

De term minderjarige wordt gedefinieerd door de Wet op de jeugdzorg (Wjz) als iemand die het achttiende levensjaar nog niet heeft bereikt. Een jeugdige is minderjarig of meerderjarig (boven de achttien), maar onder de 23 jaar. Het burgerlijk wetboek stelt dat minderjarigen ook als meerderjarig worden gezien als zij gehuwd zijn of geregistreerd staan maar nog geen 18 zijn.

 

Een rechtshandeling is een activiteit waaraan een rechtsgevolg vastzit, dus bij het kopen van een mobieltje (rechtshandeling) wordt jij de eigenaar (rechtsgevolg). Als een minderjarige een rechtshandeling uit wil voeren dan heeft deze toestemming nodig van de ouders. Aangezien dit vanwege praktische redenen niet altijd kan, is er voor gekozen om er vanuit te gaan dat kinderen toestemming hebben van ouders voor rechtshandelingen die bij hun leeftijd passen. Hoe ouder kinderen worden hoe meer rechten en plichten zij krijgen.

 

Wetgeving en minderjarigheid

De Wjz bepaalt op welke soorten zorg jeugdigen recht hebben. Daarnaast staat in deze wet aangegeven aan welke regels de jeugdzorg moet voldoen, hoe de kwaliteit gemeten wordt en hoe er toezicht gehouden wordt. De jeugdzorg wordt in de Wjz gedefinieerd als de zorg die jeugdigen en hun omgeving nodig hebben bij opgroei-, opvoedings- of bedreigende problemen. De Wjz hangt samen met de regels van de jeugdbescherming die beschreven staan in het Burgerlijk wetboek (BW) en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (BJJ). In de Wjz wordt ook een definitie gegeven van kindermishandeling, namelijk: “elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel” (artikel 1 sub p.). De ouders kunnen biologische, juridische of sociale ouders (stief- of pleegouder) zijn. Daarnaast vallen onder deze beschrijving ook mensen die vanuit hun beroep in relatie met het kind staan. Door de term onvrijheid vallen ook mensen die geen afhankelijkheidsrelatie met het kind hebben onder deze definitie.

 

Burgerlijk wetboek

Het belang van het kind staat centraal in het jeugdrecht en in het jeugdbeschermingsrecht. Hierdoor heeft de ouder de verantwoordelijkheid om het kind te verzorgen, op te voeden en gezag over het kind uitoefenen. Behalve de ouder heeft ook het kind plichten, namelijk om het gezag van de ouder te accepteren en te denken aan de belangen van de andere gezinsleden.

 

Naast dit staan in het Burgerlijk wetboek ook nog de regels over de omgang na een echtscheiding, het recht op informatie van de niet-verzorgende ouder, het recht op een naam en naamswijziging en de regels betreft adoptie. Ook de kinderbeschermingsmaatregelen, zoals de ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing en voogdijmaatregelen, staan beschreven in het Burgerlijk wetboek.

 

Vermogen

Ouders hebben niet automatisch de macht over het vermogen van hun kind. Mochten zij hier wel behoefte aan hebben, dan moeten zij zich wenden tot een kantonrechter die hierover een uitspraak zal doen.

 

WGBO

De Wet inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) heeft een dwingend karakter en deze wet versterkt de positie van de patiënt/cliënt. (Bijna) alle minderjarigen hebben toestemming nodig van de ouders voor een behandeling, echter minderjarigen van 16 of ouder mogen zelf beslissen of zij behandeld willen worden of niet, mits zij in staat zijn om een weloverwogen beslissing te maken. Als de ouders geen toestemming geven voor een behandeling, maar dit is wel nodig, dan is het mogelijk om met een kinderbeschermingsmaatregel toestemming te regelen via een voogdijinstelling of via een kinderrechter. Dit geldt echter alleen voor kinderen onder de 12 jaar, omdat kinderen tussen de 12 en de 15 jaar oud naast hun ouders ook toestemming moet geven. Kinderen van 16 of ouder mogen het zelf beslissen zonder de toestemming van hun ouders.

 

Strafrecht

Door middel van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan bepaald worden of iemand een overtreding of misdrijf heeft begaan die niet geoorloofd is. De strafrechtelijke procedures zijn te vinden in het Wetboek van Strafvordering (Sv).  In de Sr en Sv staan de regels van het jeugdstrafrecht onder ‘Bijzondere bepalingen voor jeugdige personen’. Dit zijn speciale regels omdat jeugdigen (van 12 tot 18 jaar) veelal op een andere manier gestraft en minder worden. Voor minderjarigen onder de 16 geldt een maximale gevangenisstraf van 12 maanden en voor 16 tot 17 jarige maximaal 24 maanden.

 

Leerplichtwet

Kinderen tussen de vijf en 16 jaar oud zijn verplicht om naar te school te zijn. Op 16 jarige leeftijd moet zij aan de kwalificatieplicht voldoen (minimaal mbo niveau 2), anders dan moeten zij tot hun 18e doorleren. Ouders zijn verplicht hun kind naar school te laten gaan (kinderen vanaf 12 jaar hebben zelf ook deze verantwoordelijkheid) en schoolverzuim dient gemeld te worden bij de leerplichtambtenaar. Schoolverzuim zonder reden is strafbaar en kan bestraft worden. In een geval van ernstig verzuim kan de leerplichtambtenaar als maatregel via de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de kinderbijslag stop laten zetten.

 

Nabestaandenwet

Volgens de Algemene nabestaandenwet krijgt een jeugdige na het overlijden van beide ouders een wezenuitkering.

 

Arbeidstijdenwet

Volgens de Arbeidstijdenwet is kinderarbeid (tot 16 jaar) in Nederland niet toegestaan, mede door de leerplichtwet. Echter zijn hierop uitzonderingen, zoals alternatieve straffen, de kranten rondbrengen en ander licht werk. Per leeftijd zijn regels en afspraken vastgelegd waaraan voldaan moet worden.

 

Wet werk en bijstand

De Wet werk en bijstand is een sociale voorziening die er voor zorgt dat mensen geld kunnen krijgen van de gemeente wanneer zij zelf te weinig verdienen en geen recht hebben op een andere uitkering (noodzakelijkheidscriterium). Aangezien dit de laatste voorziening is die mogelijk is, wordt het ook wel het stelsel voor complementariteit genoemd. De uitkering wordt gebaseerd op de omstandigheden, middelen en mogelijkheden die het individu heeft (individualiseringsbeginsel). De sluitstukfunctie houdt in dat het niet mogelijk is om op eerdere bijstand aanspraak te maken. Bij de beslissing om deze bijstand toe te kennen wordt ook het vermogen van de minderjarige kinderen meegenomen.

 

De Wet investeren in jongeren (WIJ) geeft jongeren tot 27 jaar geen uitkering, maar doet het een werkleeraanbod. Jongeren kunnen hier zich vrijwillig voor aanmelden.

 

De Wajong-uitkering wordt geregeld door het UWV en geeft mensen tussen de 18 en 65 jaar een uitkering voor arbeidsongeschiktheid als gevolg van een handicap.

 

Internationaal jeugdrecht

Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) houdt zich bezig met het belang en de rechten van het kind. Het IVRK stelt dat ook in de jeugdzorg de kinderrechten voorop moeten staan. Daarnaast moeten kindermishandeling, uitbuiting en mensenhandel voorkomen en bestreden worden. Het IVRK komt ook tot uiting in het jeugdstrafrecht. Het kind wordt in dit recht apart van volwassenen berecht.

 

Belang van jurisprudentie

De rechter heeft enige beleidsvrijheid bij het opleggen van een straf binnen een kader van regels en procedures. Maar in alle gevallen is het uitgangspunt van een straf binnen het jeugdrecht: algemene preventie, pedagogisch van karakter en in het belang van het kind. Jurisprudentie leidt niet alleen het strafrechtproces, maar vormt dit proces ook doordat er veranderingen in wetten of nieuwe wetten worden aangenomen als gevolg van nieuwe inzichten.

 

Internationale rechtspraak

De uitspraken van buitenlandse rechters, bijvoorbeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), werken door in het Nederlandse recht, bijvoorbeeld over het recht op een gezinsleven. Bij internationale zaken geldt zelfs dat als een buitenlandse rechter al een uitspraak heeft gedaan dat deze internationaal bindend, dus dat een andere rechter niet opnieuw een uitspraak kan doen.

 

Bevoegdheid minderjarige

Minderjarigen worden als handelingsonbekwaam gezien, waardoor ouders een rechtshandeling nietig kunnen laten verklaren op het moment dat de ouders het niet eens zijn met de rechtshandeling die de minderjarige heeft uitgevoerd. In plaats van handelingsonbekwaam kan ook de term oordeelsonbekwaam gebruikt worden. Dit houdt in dat de minderjarige nog niet in staat zijn om weloverwogen een rechtshandeling te doen.

 

De bevoegdheid van minderjarigen verschilt bijvoorbeeld bij medische behandelingen. Kinderen tot 12 jaar hebben altijd toestemming nodig van de ouder. Bij kinderen van 12 tot 16 jaar is er sprake van dubbele toestemming; zowel de ouders als het kind moeten toestemming geven. Kinderen vanaf 16 jaar kunnen zonder de toestemming van hun ouder behandeld worden, maar alleen wanneer dit ernstig nadeel voor het kind voorkomt en het kind in staat is om een weloverwogen keuze te maken. Ditzelfde geldt voor een aanvraag voor de jeugdzorg. Echter geldt in de jeugdzorg wel dat ouders ook een beslissing zonder de toestemming van hun 12 tot 16 jarig kind kunnen nemen, mocht dit nodig zijn.

 

Wat betreft de aansprakelijkheid van kinderen voor schade bijvoorbeeld, geldt dat bij kinderen tot 14 jaar de ouders in alle gevallen aansprakelijk zijn. Bij 14 tot 15 jarige kinderen zijn de ouders in de meeste gevallen ook aansprakelijk, tenzij zij kunnen bewijzen dat zij het aanrichten van de schade niet hadden kunnen voorkomen. Als kinderen 16 tot17 jaar oud zijn, dan zijn zij zelf verantwoordelijk, tenzij aangetoond kan worden dat de ouders nalatig zijn geweest.

 

Privacy

De privacy en het zelfbeschikkingsrecht worden in de Grondwet gevormd door artikel 10: iedereen heeft recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer en artikel 11: iedereen heeft recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam. Daarnaast geldt er ook de Wet bescherming persoonsgegevens.

 

Beroepsgeheim in de medische zorg

Artsen hebben een geheimhoudingsplicht, echter deze mag geschonden worden voor het verlenen van informatie aan derden maar alleen wanneer ouders bij kinderen tot 12 jaar of zowel ouders als kinderen tussen de 12 en 16 jaar of 16 jarigen of ouder hier toestemming voor geven.

 

Ook in de jeugdzorg geldt er geheimhoudingsplicht met dezelfde leeftijdsregels als in de medische zorg. De geheimhoudingsplicht mag dus geschonden worden mits met toestemming van de juiste personen. Het verstrekken van informatie aan andere beroepskracht moet doelmatig zijn, dus het moet noodzakelijk zijn voor de hulpverlening. Dossiers kunnen vrij ingezien worden.

 

Bij een vermoeden van kindermishandeling mag het beroepsgeheim ook geschonden worden, omdat informatie aan derden geven nodig is om onderzoek te kunnen doen naar de mishandeling.

 

Er kan sprake van een conflict van plichten zijn wanneer het beroepsgeheim ten nadelen is van de cliënt. In een noodsituatie kan dit beroepsgeheim dan ook opgeheven worden. Echter zal schending van het beroepsgeheim goed beargumenteerd moeten worden.

 

Meldcode KNMG

Bij kindermishandeling geldt het ‘spreken, tenzij’ principe. Dit houdt in dat een arts kindermishandeling moet melden, tenzij hij of zij denkt het met de ouders zelf op te kunnen lossen. Hierbij staat het belang van het kind voorop.

 

Bij kinderen boven de 16 jaar is toestemming van de jeugdige nodig om informatie te verstrekken aan de ouders. Ook een ouder zonder gezag heeft recht op informatie van beroepskrachten en recht op informatie van de ouder met gezag. Echter kan de hulpverlener hier vanaf zien wanneer dit niet in het belang van het kind is.

 

Ook informatieverstrekking aan politie en justitie is niet verplicht, maar moet goed gemotiveerd en beargumenteerd worden wanneer het wel wordt gedaan. In een gedwongen kader is er minder toestemming nodig van de cliënt dan in een vrijwillig kader.

 

2. De rechtsgebieden

Verheugt, J. W. P. (2011). Inleiding in het Nederlandse recht. Den Haag: Boom Juridische uitgevers.

 

Er wordt in het recht onderscheid gemaakt tussen materieel en formeel recht. Materiaal recht houdt zich bezig met de rechten en plichten die mensen hebben en formeel recht (ook wel procesrecht) gaat over de manier waarop rechters procederen. Dit onderscheid kan gemaakt worden binnen het privaatrecht, strafrecht en het bestuursrecht. In het staatsrecht kan dit echter niet gedaan worden.

 

De rechtsgebieden

Het staatsrecht

De regels in het staatsrecht zijn van toepassing op de organisatie en bevoegdheden van de staat en zijn organen. Deze staan dan ook kort beschreven in de grondwet en worden in een organieke opbouw genoemd. In de grondwet staan ook de grondrechten, met de vrijheidsrechten, politieke rechten en sociale rechten. Er is sprake van een organieke wet wanneer bepaalde regels nader in een wet uitgewerkt worden.

 

Het bestuursrecht

Het bestuursrecht was voorheen onderdeel van het staatsrecht en werd ook wel het administratief recht genoemd. Door de toenemende zorg door de staat is het bestuursrecht een apart rechtsgebied geworden. Er zijn regels voor de manier waarop bestuursorganen op kunnen treden tegenover een burger (vastgelegd in beschikkingen) en het procesrecht waarmee conflicten worden beslecht.

 

Het strafrecht

Het strafrecht houdt zich bezig met het bestraffen van strafbare feiten. Ook hier kan weer een onderscheid gemaakt worden tussen het materieel recht, dat zich bezig houdt met welke feiten strafbaar zijn (beschreven in het Wetboek van Strafrecht (Sr)), wie de dader is en welke straffen kunnen worden opgelegd, en het formeel recht, wat zich bezig houdt met het strafprocesrecht, dus hoe het onderzoek, de rechtszitting en de straf uit wordt gevoerd (beschreven in het Wetboek van Strafvordering (Sv)). Een strafbaar feit kan gepleegd worden door een natuurlijk persoon of door een rechtspersoon, zoals een vereniging. Straffen die kunnen worden opgelegd, zijn: gevangenisstraf, hechtenis, taakstraf of geldboete of een combinatie hiervan.

 

Het burgerlijk recht

Het burgerlijk recht of ook wel privaatrecht of civiel recht staat beschreven in het Burgerlijk Wetboek (BW) en houdt zich bezig met juridische handelingen tussen burgers. Het materiële privaatrecht kan ingedeeld worden in regels over personen (personen-, familierecht en rechtspersonenrecht) en over het vermogen van personen. In het Burgerlijk Wetboek staat ook het handelsrecht beschreven.

 

Het arbeidsrecht en het sociaal zekerheidsrecht

Het arbeidsrecht gaat over regels en wetten over de arbeidsverhouding van personen in loondienst. Het arbeidsrecht staat beschreven in verschillende wetten. Het collectief arbeidsrecht gaat over gaat over groepen werkgevers en werknemers, zoals vakverenigingen. Het sociale zekerheidsrecht legt de bestaanszekerheid vast van zieke, bejaarde of werkloze werknemers.

 

Publiekrecht en privaatrecht

Er kan onderscheid gemaakt worden tussen publiekrecht, zoals het staatsrecht, bestuursrecht, strafrecht en het volkenrecht, en het privaatrecht, de betrekkingen tussen personen, alhoewel de scheidingsgrens niet altijd even duidelijk is. Het onderscheid kan namelijk gemaakt worden op basis van verschillen in belang, namelijk het algemeen belang (het publiekrecht) en het belang van het individu (privaatrecht). De onderverdeling kan echter ook gemaakt worden op basis van het type rechtsverhouding, namelijk rechtsverhoudingen tussen individuen (privaatrecht) of tussen staat en individu (publiekrecht). Als laatste is er een onderscheid mogelijk door verschil in karakter. Het privaatrecht heeft een horizontaal karakter gebaseerd op gelijkwaardige rechtsverhoudingen tussen personen en het publiekrecht heeft een verticaal karakter waarbij de staat machtiger is en de rechtsverhouding verschilt tussen staat en burger.

 

Andere indelingen van het recht

Behalve dit klassieke onderscheid kan er ook nog een onderscheid gemaakt worden in de afzonderlijke rechtsgebieden, waardoor bepaalde specialismes naar voren komen. Ook kunnen rechtsgebieden ingedeeld worden op basis van overeenkomende karakteristieken, waardoor er voorbij gegaan wordt aan de klassieke indeling. Als laatste kan er onderscheid gemaakt worden tussen het geschreven en ongeschreven recht. Het geschreven recht zijn alle wetten en dergelijke, terwijl tot het ongeschreven recht de uitspraak van de rechter behoort. Rechters baseren hun uitspraak vaak op uitspraken van gelijksoortig zaken, dit wordt precedentwerking genoemd.

 

 

3. Wat is recht in het Nederlands rechtssysteem?

P.W. Brouwer e.a., Recht een introductie, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011, p.123-124 en 139-146.

 

Formele en materiële rechtsbronnen

Wat recht is wordt gebaseerd op de algemene geldende of erkende normen in een samenleving, ook wel het positieve recht. Er is sprake van twee bronnen van het recht, namelijk formele en materiële rechtsbronnen. Formele rechtsbronnen bevatten wie bevoegd zijn om normen als rechtsnormen te erkennen en welke normen als rechtsnormen gezien worden. Daarentegen zijn materiële rechtsbronnen bepalend voor de inhoud van de rechtsnorm, dus aan welke criteria voldaan moet worden om wel of niet te voldoen aan de norm.

 

Wat formele rechtsbronnen zijn hangt af van het land en de tijdsperiode. In Nederland worden er binnen het positief recht vier formele rechtsbronnen erkend, namelijk:

·         Wet

·         Gewoonterecht

·         Jurisprudentie

·         Internationaal recht

 

Wet

Een formele rechtsbron wet moet aan vier voorwaarden voldoen:

1.      Het is een opgeschreven besluit, dat niet alleen aangenomen is maar ook bekend gemaakt is zodat het in werking kan treden.

2.      Het zijn normen die voor iedereen gelden, dus het is een algemeen verbindend voorschrift.

3.      Het is gevormd door een overheidsorgaan. Dit kan de overheid zijn, maar provincies, gemeenten, waterschappen en dergelijke zijn ook bevoegd om formele rechtsbron wetten te vormen. Dat er zoveel verschillende wetgevers zijn, komt ten eerste door de decentralisatie van de staat (dus de onderverdelingen in gemeenten en dergelijke). Deze decentralisatie kan gebeuren op basis van territorium (bijvoorbeeld provincies) of op basis van functie (bijvoorbeeld waterschappen en Landbouwschappen). Ten tweede komt dit door de delegatie van wetgeving, dit houdt in dat een overheidsorgaan enkele taken en wettelijke bevoegdheden overdraagt aan een ander overheidsorgaan.

4.      De wet is afkomstig van een overheidsorgaan die tot wetgeving is bevoegd. Het is niet zo dat elk overheidsorgaan bevoegd is tot wetgeving. In Nederland is er namelijk sprake van een machtenscheiding tussen: de wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechterlijke macht. Het onderscheid tussen wetgeving en bestuur is op alle niveaus, zoals de overheid, de provincies en de gemeenten, terug te vinden. Het niveau bepaalt wel hoe ver de wetgevende macht reikt. Echter is de scheiding tussen wetgeving en bestuur niet altijd even strak, soms is er sprake van een bestuurlijke functie met wetgevende bevoegdheid, bijvoorbeeld door delegatie.

 

Verschil tussen wetten en beleidsregels

Er is een verschil tussen wetten die een algemeen verbindend voorschrift bevatten en beleidsregels bedacht door het bestuur. Voor beleidsmakers is er enige vrijheid om beleidsregels op te stellen binnen het wettelijk kader. Zij bepalen op welke manier bepaalde bevoegdheden uitgevoerd worden. Beleidsregelgeving kan op twee manieren plaatsvinden. Ten eerste doordat het bevoegde bestuursorgaan zelf beleidsregels opstelt over de uitvoering van zijn of haar eigen bevoegdheid. Ten tweede wanneer een bestuursorgaan regels stelt over de uitvoering van de bevoegdheid van anderen die ondergeschikt zijn.

 

Aangezien burgers wel een aanspraak op beleidsregels kunnen doen, maar er geen wetgevende bevoegdheid is, wordt er ook wel gesproken van pseudo-wetgeving. Echter is deze term niet geheel passend, omdat het niet gaat over wetgeving maar over bestuurlijke regels. Beleidsregels kunnen wel bindend zijn voor het bestuur tegenover burgers, omdat zij vertrouwen bij de burger hebben gewekt dat zij bepaalde zaken altijd op dezelfde manier afhandelen en daarom bij een volgende vergelijkbare zaak ook hetzelfde moeten handelen (vertrouwensbeginsel).

 

Wet in formele en materiële zin

Er kan onderscheid gemaakt worden tussen de wet in formele en wet in materiële zin. In de formele zin komt elk besluit van de Staten-Generaal en de regering samen. Zij zijn samen de formele wetgever. Wetten in de materiële zin zijn wetten van lagere wetgevers. Echter niet elke wet bevat een algemeen verbindend voorschrift. Sommige voorschriften gelden alleen voor bepaalde individuen in bepaalde situaties. Wetten in de materiële zin hebben een algemene werking waarbij er een inhoudelijk criterium bepaald is. Zij sluiten elkaar echter niet altijd uit. Een wet in de formele zin kan ook een wet in de materiële zin zijn. Formele rechtsbronnen zijn echter altijd wetten in de formele en materiële zin. Bij een wet in de formele zin wordt het woord wet altijd genoemd in de officiële naam van de wet, terwijl bij wet in de materiële zin vaak gebruik wordt gemaakt van wettelijke regeling, voorschrift of verbindende bepaling.

 

Gecodificeerd rechtsstelsel

In een gecodificeerd rechtsstelsel, zoals in Nederland, zijn alle rechten vastgelegd in teksten met verbindende voorschriften zoals wetten en wetboeken. Andere landen, zoals Engeland en Amerika, hebben een common-law-stelsel, waarbij het recht grotendeels bestaat uit het ongeschreven recht (judge-made law). Sommige wetten worden vastgelegd (statutes), maar deze zijn complementair en niet vervangend aan de common law. Hetzelfde geld voor het recht, dat is soms vastgelegd en complementair aan de common law.

 

Gewoonterecht

Dit recht bestaat uit regels die niet door de overheid zijn gemaakt, maar nageleefd worden door groepen personen omdat zij denken dat mensen zich volgens die regels zouden moeten gedragen.

 

Jurisprudentierecht

De jurisprudenties houdt zich bezig met rechtspraak en is een formele rechtsbron wanneer (hogere) rechters uitspraken doen op aanvulling van de wettelijke regels. De rechterlijke macht wordt gecontroleerd door middel van hoger beroep en cassatierechtspraak. In het geval van hoger beroep is er een hogere rechter die nogmaals de zaal behandeld en opnieuw uitspraak doet. Het doel is om het recht te beschermen. In het geval van cassatierechtspraak wordt door de Hoge Raad alleen bekeken of de rechtsuitspraak op de juiste manier gedaan is zonder procedures en regels te schenden, maar er wordt hierbij niet gekeken naar de werkelijke feiten. Dit heeft als taak rechtseenheid en rechtsvorming.

 

Jurisprudentie is een vorm van formele rechtsbron omdat rechters hun uitspraken baseren op eerdere uitspraken. Daarnaast beïnvloeden de maatschappelijke behoeften en opvattingen hoe een wet wordt geïnterpreteerd en toegepast. Nieuwe opvattingen kunnen leiden tot rechtsontwikkeling, waardoor wetten aangepast worden. Dit kan ook komen doordat algemene wetten toegepast moeten worden op individuele gevallen.

 

Het jurisprudentierecht bestaat echter niet uit algemeen verbindende voorschriften, omdat rechters wel de bevoegdheid hebben tot rechtspraak maar niet tot wetgeving. Het jurisprudentierecht is gebaseerd op erkenning door gezaghebbende organen, zoals rechters maar ook door het bestuur en door wetgevers.

 

Internationaal recht

Het internationaal recht is ontstaan als gevolg van afhankelijkheid tussen staten en landen in de wereld. Er is echter nog wel sprake van soevereiniteit, dus staten hebben recht op gezag op eigen grondgebied en soevereine staten mogen zich niet zomaar bemoeien met andere soevereine staten. Het volkenrecht bevat het rechtsverkeer tussen soevereine staten.

 

Het internationale recht is begonnen als gewoonterecht, maar kent tegenwoordig ook andere vormen van formele rechtsbronnen, zoals besluiten van internationale organisaties en jurisprudentie van internationale rechtbanken.

 

Een afspraak tussen twee of meerdere staten wordt een verdrag genoemd. Hierin staan normen beschreven waar beide staten zich aan moeten houden. Naast staten kunnen het ook afspraken zijn tussen staten en internationale organisaties en tussen internationale organisaties onderling. Er zijn twee soorten bepalingen, namelijk die tussen staten en/of internationale organisaties zijn en bepalingen die rechtstreeks doorwerken in de nationale oftewel Nederlandse rechtsorde. Alleen deze laatste behoren tot formele Nederlandse rechtsbronnen en komen voort uit verdragen die Nederland ondertekend heeft of de internationale organisaties waar Nederland toebehoort. Daarnaast moet de bepaling bekend zijn gemaakt.

 

Het internationaal recht is belangrijker geworden in Nederland door de Tweede Wereldoorlog met de totstandkoming van het EVRM. In het EVRM staan mensenrechten geformuleerd die fundamentele rechten zijn, zoals het recht op leven, het folterverbod, het verbod op slavernij, het recht op een eerlijk proces, het recht op een gezinsleven en de vrijheid van meningsuiting garanderen. Dit internationaal verdrag heeft een directe inwerking op de Nederlandse wetten en staat boven de nationale wetten. Later werd ook het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) opgericht die kijkt of het EVRM nageleefd wordt. Ook de jurisprudentie die uit dit hof voortkomt is van invloed op de gang van zaken in het Nederlands recht.

 

4. Internationale rechtspraak

M.M. Henket, bewerkt door J. Tigchelaar. Grondslagen van het recht. Deel 3 Vaardigheden, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2010, p.103-107.

 

De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) verschilt van de manier waarop de Hoge Raad in Nederland dat doet. Het EHRM behandelt klachten van individuen over het schenden van een staat van de rechten van de mens (EVRM). Het EHRM neemt echter alleen klachten in behandeling wanneer een individu alle procedures en handelingen binnen de eigen staat doorlopen heeft. Het EHRM geeft beslissingen en oordelen. Met beslissingen geeft het EHRM aan dat de klacht niet in behandeling genomen wordt en het oordeel gaat over de gegrondheid van de klacht.

 

Een arrest van het EHRM bestaat uit meerdere onderdelen:

1.      Op het voorblad wordt de naam van de aanklager, de staat die beklaagd wordt, de datum waarop de uitspraak heeft plaatsgevonden en het applicatienummer genoemd.

2.      Daarna wordt vernoemd door welke kamer en welke rechters de uitspraak is behandeld. De meeste zaken worden behandeld door de gewone kamer, bestaande uit zeven rechters, en belangrijke zaken worden behandeld door de grote kamer, bestaande uit zeventien rechters.

3.      Ook de procedure wordt beschreven, dus hoe en wanneer de zaak aangenomen is, wie er bij de zaak betrokken zijn en eventuele bijzonderheden.

4.      De feiten, dus relevante feiten voor de zaak over wat er gebeurd is en welke stappen er daarna ondernomen zijn. Hierin wordt ook gespecificeerd waarover het EHRM een uitspraak doet.

5.      Het nationaal recht dat van toepassing is op deze zaak wordt naar voren gebracht.

6.      Het individu brengt naar voren welke rechten er geschonden zijn.

7.      Vervolgens worden de argumenten van de klager vastgelegd en het weerwoord van de staat waartegen geklaagd is.

8.      De EHRM legt uit wanneer een bepaalt recht geschonden wordt. Hier worden ook relevante overwegingen door het EHRM genoteerd.

9.      Als laatste doet het EHRM een uitspraak aan de hand van de eerder gestelde voorwaarden en overwegingen en de gepresenteerde feiten. Eventueel kan de conclusie zijn dat een bepaalde regel aangepast moet worden.

10.  Daarnaast kan er eventueel een straf, zoals een schadevergoeding opgelegd worden aan een lidstaat wanneer het individu benadeelt is en schade heeft geleden.

11.  De conclusie, waarbij het EHRM aangeeft welke beslissing het heeft genomen en op basis waarvan.

 

Er wordt een beslissing genomen op basis van een meerderheid van de rechters. Wel kunnen rechters hun eventuele mening uitschrijven en bij het rapport voegen. Zij kunnen dan aangeven dat zij niet of wel eens zijn met de uitspraak en dit beargumenteren.

 

5. Casus oplossen

M.M. Henket, bewerkt door J. Tigchelaar. Grondslagen van het recht. Deel 3 Vaardigheden, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2010, p.153-162.

 

In een juridische casus worden gebeurtenissen en feiten gepresenteerd, waarbij er sprake is van een juridisch probleem dat opgelost moet worden. Het is afhankelijk van de situatie, degene die de casus voorlegt en de persoon aan wie de casus voorgelegd wordt, hoe de casus opgelost wordt en hoe het uiteindelijke antwoord wordt geformuleerd.

 

Het oplossen van een casus is een cyclisch proces, dat houdt in dat op basis van bepaalde bevindingen in een stap eerdere stappen soms opnieuw gedaan of aangepast moeten worden.

 

Er zijn drie hoofdstappen met daarbinnen enkele tussenstappen:

Stap 1 Oriënteren op de casus

1.1       Oriënteren op de feiten. De casus wordt gelezen en eventueel wordt er aan de hand de feiten een tijdslijn of situatieschets gemaakt.

1.2      Formuleren van de vraagstelling en het plaatsen van de casus in een rechtsgebied. Later kan de vraagstelling nog eventueel aangepast en verder gespecificeerd worden. Er kan ook sprake zijn van meerdere vraagstellingen. Het kiezen van een rechtsgebied houdt in dat er minder rechtsregels toepasbaar zijn.

1.3       Het selecteren en kwalificeren van de gegeven feiten. Feiten worden geselecteerd op basis van de relevantie voor de zaak.

1.4       Het specificeren van de vraagstelling

 

Stap 2 Het vormen van de argumentatie

2.1       Het opzoeken van relevante en toepasselijke rechtsregels. Dit kan gedaan worden in wetten en daarnaast ook in jurisprudentie.

2.2       Het interpreteren van de toepasselijke rechtsregels

2.3       Een eerste opzet van het betoog, het betoog toetsen en eventueel bijstellen. Er wordt gekeken of er geen zwakheden en lacunes in het betoog zitten.

 

Stap 3 De presentatie van de oplossing

3.1       Structuur aanbrengen en argumenten formuleren. Dit kan gedaan worden door eerst de conclusie te beschrijven en daarna de argumenten uit te werken of door vanuit de argumenten naar de conclusie toe te werken.

3.2       De tekst controleren

 

Men moet vanuit de rechtsregels de feiten beoordelen, maar ook van vanuit de feiten op zoek gaan naar de toepasselijke rechtsregels. Vooral de eerste stap en tussenstappen hebben een tijdelijk karakter. Dit houdt in dat zij in het verloop van het proces nog aangepast kunnen worden aan de hand van eventuele nieuwe inzichten. Dit stappenplan is bedoeld als leidraad in het proces van het oplossen van een juridische casus.

 

In sommige casussen kan het nodig zijn om van de populaire interpretatie af stappen en te beargumenteren waarom in deze casus een bepaalde wet of bepaalde feiten op een andere manier geïnterpreteerd zouden moeten worden. Echter moet dit bijzonder goed beargumenteerd worden. Er moet niet alleen aangetoond worden waarom dit zou kunnen gezien de wetten of feiten, maar ook waarom dat in deze casus zou moeten gebeuren.

 

Reader Literatuur

 

1 Handboek Internationaal Jeugdrecht

 

1.1 Het internationaal verdrag inzake de Rechten van het kind.

In 1959 kwam het internationaal verdrag inzake de Rechten van het kind (IVRK) tot stand, echter werd het verdrag pas om 1898 verplichtend. In 1990 trad het verdrag dan ook pas echt in werking. Het IVRK is het meest breed geaccepteerde en geratificeerde mensenrechteninstrument ter wereld. In Nederland is het verdrag in 1995 in werking getreden.

 

Het verdrag heeft een toegevoegde waarde ten opzichte van andere regelingen omdat het alle rechten van kinderen bundelt in één verdrag. Hierin worden dan ook niet allen burgerlijke en politieke rechten besproken, maar ook economische, sociale en culturele rechten. Alle rechten zijn specifiek afgestemd op kinderen. Aan het verdrag lift een positief kind- en mensbeeld ten grondslag. Het verdrag is gericht op het bieden van bescherming en kansen aan het kind. Het verdrag is op verschillende manieren vernieuwend. Zo besteedt het verdrag onder andere aandacht aan de steun en hulp aan slachtoffers van verschillende vormen van geweld en bevat het beginselen en normen die voorheen slechts in niet bindende regelingen waren opgenomen. Binnen het verdrag staan twee pijlers centraal, het belang van het kind en de zich ontwikkelende vermogens van het kind.

 

1.1.2 Totstandkoming IRVK

De voorgeschiedenis van de IRVK begint met het Verdrag van Geneve waarin wordt gereageerd op de ellende die kinderen in Europa hadden meegemaakt in de Eerste Wereldoorlog. Binnen deze bevinden zich artikelen te weten: het recht op een normale ontwikkeling, recht op voedsel en zorg, recht op eerste hulp, bescherming tegen uitbuiting en opvoeding tot dienstverlening aan anderen.

 

In 1946 richtten de VN het United Nations Children’s Emergency Fund (UNICEF) op. In 1948 werd in navolging hiervan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens opgericht, die van toepassing was op alle mensen, dus ook kinderen. In 1959 wordt er dan de Verklaring van de Rechten van het Kind opgericht. In deze verklaring zijn algemene beginselen opgenomen zoals non discriminatie, recht op naam en nationaliteit, recht op liefde , begrip en ouderlijke zorg, bescherming tegen mishandeling, uitbuiting en kinderarbeid, en opvoeding tot begrip en verdraagzaamheid.

 

In 1989 wordt het Internationaal Verdrag inzake Rechten van het Kind opgesteld.

 

In 2000 is het verdrag uitgebreid met twee facultatieve protocollen ter bescherming van kinderen in gewapende conflicten en kinderen die verhandeld en geëxploiteerd kunnen worden. In 2011 werd nog een derde protocol aangenomen dat een kennisgevingsprocedure over het IVRK bij het Comité voor de Rechten van het Kind mogelijk maakt.

 

1.1.3 Status, werking en functies van het IVRK

Het IVRK is juridisch bindend voor landen die de verklaring hebben geratificeerd. Dit zijn op dit moment alle landen ter wereld behalve de V.S, Soemalië en Zuid Soedan. Regeringen hebben de internationale verplichting het Verdrag uit te voeren.

 

Verdragen kunnen rechtstreeks toepasbare rechten voor burgers bevatten, dit wordt ook wel een rechtstreekse werking van rechten genoemd. Om vast te stellen of een bepaling een rechtstreekse werking heeft, houdt een rechter rekening met de formulering van het artikel, ratificatie, discussies en rechtspraak. Rechtstreekse werking kan binnen de rechtspraak worden toegekend aan een bepaling waar ratificatie niet over gesproken is.

 

Een verdrag bindt de overheid die het verdrag ratificeert, maar een verdrag kan ook aan burgers en hun onderlinge relatie verplichtingen opleggen. Dit noemt men de horizontale werking van een verdrag.

 

De rechten van het kind zoals geformuleerd in de IRVK zijn niet altijd absoluut. Mensenrechten kunnen beperkt worden wanneer deze een bedreiging vormen voor andere belangen zoals openbare orde of veiligheid, of wanneer deze botsen met andere grondrechten.

Het IVRK kan als een juridisch middel, een pedagogische boodschap of een sociaal politiek instrument dienen.

 

1.1.4 Kenmerken van het IVRK

Alomvattend

Het verdrag is een internationale afspraak die betrekking heeft op alle aspecten van het leven van kinderen. Met deze alomvattendheid wil men bereiken dat reeds bestaande algemene mensenrechten voor kinderen uit andere verdragen worden bevestigd, de normen van bepaalde mensenrechten voor kinderen worden verhoogd en dat er rechten worden opgesteld die alleen en specifiek gelden voor kinderen.

 

Holistische benadering

Het IVRK gaat uit van een holistische benadering, waarbij men ervan uitgaat dat het geheel van rechten die in het verdrag staan opgesteld essentieel zijn voor de ontwikkeling van het kind. Alle rechten zijn hierbij even belangrijk en noodzakelijk.

 

Belang van het kind

Binnen de verklaring stelt men dat er bij alle maatregelen uit moet worden gegaan van de belangen van het kind. Het belang van het kind is een juridische formule die met behulp van sociale wetenschappers nader moet worden ingevuld.

 

Ontwikkelende vermogens van het kind

De ontwikkelende vermogens van het kind is een ander begrip dat centraal staat binnen IVRK. In het verdrag heeft men gekozen voor een open, niet juridische formulering, die voor ruime interpretatie vatbaar is, naar leeftijd en naar culturele diversiteit.

 

Ouders in het IVRK

Het gezin dient als kern van de samenleving waarbinnen het kind dient op te groeien. Ouders hebben de primaire verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de kinderen. Ouders moeten hierbinnen de rechten van kinderen respecteren en rekening houden met de zich ontwikkelende vermogens van het kind. De overheid moet ouders ondersteunen bij hun opvoedingsverantwoordelijkheid. Kinderen worden geacht bij hun ouders te wonen, mits het echt niet anders kan. Wanneer ouders en kinderen gescheiden zijn, zal de overheid helpen deze band weer te herstellen.

 

Minimumvoorziening

Het IVRK is te beschouwen als een minimumvoorziening. Het bevat minimumstandaardwaarden waarover men het na onderhandelingen eens is geworden.

 

Product van de tijd

Het IVRK is een product van de tijd en weerspiegelt daarmee de actuele politieke situatie. Echter spelen er nieuwe problemen waarmee men binnen het IVRK nog geen rekening heeft gehouden, denk bijvoorbeeld aan de opkomst van aids en de social media.

 

Sociaal economische achtergronden

Belangrijk zijn de mondiale verschillen tussen arm en rijk. Kinderen in ontwikkelingslanden bevinden zich in een kwetsbare positie. Binnen het IVRK spreekt men met betrekking tot de economische, sociale en culturele rechten over implementatie in de ruimste mate waarin de hun ter beschikking staande middelen dit toelaten. Men probeert internationale samenwerking te bevorderen.

 

Meer normatief dan instrumenteel

Het IVRK bevat maar weinig specifieke en uitgewerkte regelgeving. Hierdoor heeft een meer normatief dan instrumenteel karakter. Dit blijkt ook uit de verschillende open formuleringen en. Het IVRK geeft een kader waarbinnen de juiste aanpak gevonden dient te worden.

 

1.1.5 Inhoud van het IVRK

Het verdrag bevat, naast een preambule met verwijzingen en overwegingen, 54 artikelen die in drie delen zijn ondergebracht. Het eerste deel bestaat uit materiele rechten, het tweede deel uit toezicht en rapportage en het derde deel uit procedurele voorschriften.

 

Men kan de rechten binnen het IVRK indelen naar aanleiding van de 3 p’s: provision (voorzieningen), protection (bescherming) en participation (participatie). Daarnaast bestaat er de categorie algemene beginselen, waarbinnen onder andere het beginsel van non discriminatie, het belang van het kind, realisatie van rechten van kinderen, rol van de ouders en het recht op identiteit centraal staan. Een andere categorie is de categorie van speciale zorg waarbinnen kinderen die speciale zorg nodig hebben, zoals adoptiekinderen, kinderen uit minderheidsgroepen of kinderen met een handicap, centraal staan.

 

Rechten van kinderen houden plichten voor de overheden in. De overheid moet bijvoorbeeld zorgen voor goede voorzieningen, onderwijs en een professioneel apparaat van instellingen en diensten. Ook voor volwassenen brengt dit plichten met zich mee. Zij moeten er bijvoorbeeld voor zorgen dat kinderen kunnen opgroeien tot een volwaardig lid van de samenleving. Kinderen hebben de plicht om naar school te gaan.

 

1.1.6 Toezicht en rapportage

Het Comité voor de Rechten van het Kind houdt toezicht op de naleving van het verdrag. Dit Comité bestaat uit 18 onafhankelijke deskundigen, die drie keer per jaar bijeen komen om te vergaderen.

 

Het Comité mag geen sancties opleggen en kan geen bindende uitspraken doen.

Wanneer staten toetreden tot het verdrag dan kunnen zij verklaringen maken ten aanzien van bepaalde artikel.

 

1.1.7 IVRK in Nederland

In 1995 is het IVRK in Nederland in werking getreden. Het koninkrijk der Nederlanden (inclusief Aruba en de Antillen) vormen hierbij één verdragspartij. Ook na de veranderde indeling van het koninkrijk in 2010 houdt dit stand.

 

De Nederlandse regering vond het IVRK een belangrijke stap io weg naar de erkenning van de menselijke waardigheid van kinderen. Daarnaast vond men het gunstig dat ook veel andere landen lid wilden worden van het IVRK.

 

Nederland heeft drie voorbehouden bij het verdrag geplaatst. Ten eerst bij artikel 26, waarbij de regering geen zelfstandig recht van kinderen op sociale zekerheid aanvaart. In artikel 37 gaat het over het toepassen van het volwassenenstrafrecht op minderjarigen en de mogelijkheid om kinderen en volwassenen bij een cellentekort in één cel te kunnen plaatsen. En in artikel 40 behoudt de Nederlandse regering de mogelijkheid om voor delicten van lichte aard de zaak af te doen zonder raadsman en hoger beroep.

 

Daarnaast heeft de Nederlandse regering bij verschillende artikelen een verklaring gegeven met betrekking tot de manier waarop artikelen worden geïnterpreteerd.

 

Door de ratificatie van het IVRK heeft de Nederlandse regering zich verplicht zich te conformeren aan de internationale minimumnormen ter bescherming en bevordering van rechten van minderjarigen. Nederland staat daarnaast onder het toezicht van het Comité van de Rechten van het Kind en moet verantwoording aan het Comité afleggen.

 

De rechter bepaalt in Nederland of de verdragsbepaling een rechtstreekse werking heeft. Hierbij let de rechter op de aard, inhoud, bedoelingen, strekking en formulering van de bepaling.

In 1995 stichtten de Raad boor het Jeugdbeleid, Defence for Children International, het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn, UNICEF Nederland en de Nederlandse Kinderrechtswinkels het Kinderrechtencollectief op. Het doel van dit collectief is om opdrachten en uitdagingen binnen het IVRK uit te voeren. Dit collectief komt twee keer per jaar samen en stelt rapporten op.

 

Toezicht op de implementatie van het IRVK wordt onder andere geregeld door de Kinderombudsman. Dit kan hij doen door voorlichting te geven en advies te verstrekken aan de regering. Daarnaast kan er gebruikt worden gemaakt van indicatoren. Vaak gaat het hierbij om childhood indicators die worden gebruikt om inzichtelijk te maken hoe het met kinderen is gesteld in een bepaald gebied, hoe gelukkig zij zijn. Hoe zij opgroeien en hoe ze worden opgevoed. Deze indicatoren hoeven niet perse iets te zeggen over de kinderrechten.

 

Artikel 19 IVRK Bescherming tegen kindermishandeling

In artikel 19 wordt vermeld dat staten die partij zijn wettelijke en bestuurlijke maatregelen en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied moeten nemen om het kind te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, terwijl het kind onder de hoede is van ouders of andere verzorgers. Daarnaast dienen de maatregelen doeltreffende procedures te omvatten voor de invoering van sociale programma’s en te voorzien in de ondersteuning van het kind en zijn / haar verzorgers.

 

Mishandeling, misbruik en verwaarlozing van kinderen door ouders of verzorgers is een wereldwijd probleem en komt voor in alle lagen van de bevolking. Staten die aangesloten zijn bij het verdrag hebben de positieve en actieve verplichting om kinderen te beschermen tegen geweld.

 

Bij de totstandkoming van artikel 19 heeft Nederland een actieve rol gespeeld, dit heeft ervoor gezorgd dat de tekst van artikel 19 daadwerkelijk in het verdrag is opgenomen.

Onder geweld tegen kinderen verstaat men in artikel 19 ‘alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik.

 

Het artikel heeft niet alleen betrekking op het beschermen van kinderen tegen geweld in de gezinssituatie, maar ook op andere situaties waarbinnen kinderen het slachtoffer kunnen worden van geweld. Het gaat hierbij om situaties waar kinderen maar enkele tijd van de dag verblijven zoals scholen en kinderopvang, of situaties waar kinderen voor langere tijd worden opgevangen zoals pleegzorg en jeugdinrichtingen.

 

In het verdrag worden verschillende maatregelen genoemd:

  • Passende ondersteuning van ouders en verzorgers van kinderen;

  • Procedures voor andere vormen van preventie, actief preventief beleid;

  • Geweld moet zo vroeg mogelijk worden gesignaleerd;

  • Men moet melding kunnen maken bij vermoedens van geweld tegen kinderen;

  • Kinderbescherming, jeugdzorg, gezondheidsorganisaties, politie en justitie moeten nauw samenwerken en moeten kunnen doorverwijzen;

  • Meldingen of vermoedens van geweld moeten worden onderzocht door gekwalificeerde beroepskrachten

  • Slachtoffers dienen te worden ondersteund en krijgen psychosociale of psychotherapeutische behandelingen.

  • Overheid moet zorgen voor goede toegang tot rechtelijke instanties voor minderjarige slachtoffers en vaststellen of deze rechtelijke instanties daadwerkelijk moeten worden i ngeschakeld.

 

De VN is in 2002 een onderzoek gestart naar het geweld tegen kinderen. De uitkomst van dit onderzoek heeft gezorgd voor de aanstelling van een Speciaal Vertegenwoordiger op het gebied van geweld tegen kinderen. De Speciaal Vertegenwoordiger heeft als opdracht ervoor te zorgen dat er wereldwijd aandacht wordt besteed aan de gevolgen van geweld op kinderen, waardoor op alle niveaus actie wordt ondernomen om het geweld tegen kinderen te stoppen.

 

De raad van Europa richt zich op preventie van geweld tegen kinderen op basis van drie thema’s: geweld in de opvoeding, seksueel misbruik en kinderhandel. De Raad ondersteunt en stimuleert lidstaten hun beleid ter bescherming van kinderen tegen geweld aan te scherpen.

 

De aanpak van geweld tegen kinderen behoort tot de taken van de Europese Unie. Zo heeft de Europese Commissie speciale financieringsprogramma’s om de aanpak van geweld tegen kinderen te bevorderen.

 

Ook in Nederland wordt er veel aandacht besteed aan het geweld tegen kinderen, dit komt onder andere terug in de grondwet en het burgerlijk wetboek. Zo staan er in het burgerlijk wetboek kinderbeschermingsmaatregelen die het mogelijk maken dat kinderen onder toezicht of uit huis mogen worden geplaatst wanneer er sprake is van geweld tegen het kind. Daarnaast zijn er instanties zoals het advies- en meldpunt kindermishandeling. Ook zijn alle beroepskrachten die met kinderen werken verplicht met een meldcode kindermishandeling te werken.

In Nederland is slechts in een beperkt aantal zaken beroep gedaan op artikel 19.

 

Wereldwijd wordt er een brede definitie gebruikt voor het begrip kindermishandeling. Deze brede definitie is een kracht en een zwakte. De brede definitie biedt de ruimte om te reageren op verschillende vormen van geweld tegen kinderen, maar heeft ook het risico dat te veel problemen als geweld worden aangeschreven. Baartman gaat ervan uit dat er een nieuwe indeling in categorieën van kindermishandeling moet worden gemaakt, te weten: geweld, verwaarlozing, seksueel misbruik, exploitatie, schending van het recht op zelfbeschikking en munchausen by proxy.

 

Geweld tegen kinderen komt overal ter wereld voor en wordt voornamelijk gepleegd door mensen in de directe omgeving van kinderen. Op basis van de resultaten van het onderzoek worden verschillende aanbevelingen gedaan zoals het versterken van (inter)nationale en lokale betrokkenheid en het vergroten van de capaciteit van mensen die met kinderen werken. Pinheiro stelt vervolgens een vervolgrapport op waarin hij aangeeft dat regeringen te weinig aandacht besteden aan preventie en lange termijn bescherming van kinderen.

 

Doordat kindermishandeling een ingewikkeld verschijnsel is, is het voor regeringen moeilijk om een samenhangende en effectieve aanpak te organiseren. In Nederland heerst de kritiek dat er sprake is van een reactief in plaats van een preventief stelsel.

 

De onderzoeksraad voor veiligheid stelt dat kinderen tussen 0 en 12 jaar in Nederland onvoldoende worden beschermd tegen kindermishandeling in het gezin. De professionaliteit van verantwoordelijke professionals laat te wensen over, zij zijn niet in staat om een goede kwaliteit te leveren.

 

2. The rights of children in international law – Rights of the child in a nutshel and in context

 

Geweld tegen kinderen is van alle tijden, landen, omgevingen enzovoorts. Er bestaat niet alleen geweld tussen een volwassene en een kind, maar ook tussen kinderen onderling. Kinderen die behoren tot een minderheidsgroep binnen de maatschappij hebben een hoger risico geweld mee te maken. Geweld heeft een grote invloed op de ontwikkeling, de gezondheid en de leermogelijkheden van kinderen.

 

Geweld wordt gedefinieerd als “alle vormen van fysiek en mentaal geweld, verwonding, verwaarlozing, misbruik of uitbuiting, inclusief seksueel misbruik” (CRC, art. 19).

 

De wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2002 berekend dat wereldwijd jaarlijks 53.000 kinderen sterven als een gevolg van huiselijk geweld. Andere getallen (wereldwijd) staan in de tabel hieronder weergegeven:

 

 

Kinderen

Jongens

Meisjes

Gepest in de afgelopen 30 dagen

20-65 procent

 

 

Seksueel misbruik

 

150 miljoen

73 miljoen

Besnijdenis

 

 

100-140 miljoen

Kinderarbeid

218 miljoen (zwaar werk: 126 miljoen)

 

 

 

In het beginsel werd nog aangenomen dat huiselijk geweld een zaak was voor dokters en psychologen. Wettelijk was er op dit gebied niets geregeld. Tegenwoordig richten de internatinale mensenrechtenwetten zich erop dat geweld een rechtstreekse aanval is op iemands waardigheid. Daarnaast zijn er internationale wetten tegen kinderarbeid. Ook zijn er wetten opgesteld die kinderen beschermen tegen de doodstraf of andere ‘volwassen’ straffen.

 

De Convention on the Rights of the Child bemoeit zich met geweld tegen kinderen, onder meer middels preventie en rehabilitie. De economische en sociale sensitiviteit van kinderen moet worden beschermd door ervoor te zorgen dat hen geen fysiek of mentaal onrecht wordt aangedaan.

 

·         Artikel 19 uit de Convention on the Rights of the Child verplicht de regering actie te ondernemen zodat een kind beschermd wordt tegen alle vormen van geweld door alle verschillende partijen (ouders, voogd, anderen). Ook in dit artikel wordt aangekaart dat er een noodzaak is voor ondersteuning van zowel het kind als de ouders in geweldszaken.

 

·         Artikel 39 uit de Convention on the Rights of the Child gaat over de rehabilitatie en reïntegratie van het kind. Alle mogelijkheiden voor fysiek en psychisch herstel en sociale reïntegratie moeten aan het kind worden geboden.

 

De OPSC en de OPAC bieden meer gedetailleerde bescherming aan slachtoffers van bepaalde vormen van geweld (OPSC: prostitutie en kinderporno; OPAC: kindsoldaten).

 

De Europese Raad nam in 2007 een wet aan gericht op geweld tegen kinderen: the Convention on the Protection of Children against Sexual Exploitation and Sexual Abuse.

 

Een studie uit 2006 heeft aangetoond dat geweld tegen kinderen niet nodig is; er moet dus veel aandacht worden besteed aan preventie. De beste manier om geweld tegen kinderen een halt toe te roepen is dan ook door geld te steken in het opzetten van preventieprogramma’s.

 

Veel geweld tegen kinderen is en blijft verborgen doordat kinderen bang zijn, in het bijzonder wanneer de functie van de geweldspleger aanzien heeft in de maatschappij (bijvoorbeeld politieagent).

 

Ook al is er overal geweld tegen kinderen, in landen met lage inkomens is het risico op geweld als doodsoorzaak twee keer zo hoog dan in landen met hogere inkomens. De meeste kinderen die sterven als gevolg van geweld zijn jongens tussen de vijftien en zeventien jaar. Kinderen tot vier jaar hebben een vergroot risico op fysiek geweld en kinderen in de puberteit hebben juist meer risico op seksueel misbruik. Jongens hebben vaker te maken met fysiek geweld en meisjes met seksueel misbruik. Ook kinderen met een handicap (fysiek of mentaal), kinderne uit minderheidsgroepen en kinderen die de wet breken hebben vaker met geweld te maken.

 

In 2011 werd de General Comment No. 13 on The Right of the Child Freedom From All Forms of Violence aangenomen. Alle mogelijke vormen van geweld zijn hierin opgenomen.

 

3. Report of the independent expert for the United Natoins Study on violence against children

 

Introduction

Elk kind heeft het recht op de eigen fysieke en persoonlijke integriteit en op bescherming tegen geweld. Dit staat vastgelegd in verschillende mensenrechtenverdragen. Ook moeten kinderen bij wet beschermd worden tegen criminaliteit en kinderarbeid.

 

In 1948 werd de Universal Declaration of Human Rights aangenomen. Hierin zijn ruim zestig verdragen opgenomen over slavernij, rechtsbedeling, de status van vluchtelingen en minderheden en mensenrechten. De basis van al deze verdragen is non-discriminatie, gelijkheid en het herkennen van de waarde van anderen. Deze verdragen zijn toepasselijk op iedereen, dus ook op kinderen.

 

Kinderen zijn gerechtigd tot de rechten en procedurtes uit de International Bill of Rights, waaronder het internationale convenant van economische, sociale en culturele rechten en het internationale conventant van burger- en politieke rechten.

 

De Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women geldt in zijn volledigheid ook voor alle meisjes onder de achttien jaar. Hierin is onder andere een minimumleeftijd voor trouwen vastgesteld.

 

Mensenrechten voor kinderen met een beperking worden momenteel (dit artikel is uit 2006) vastgelegd in de Convention on the Rights of Persons with Disabilities.

 

Elk land dat de bovenstaande verdragen accepteert is verplicht om geweld tegen kinderen aan te pakken en uit te bannen.

 

The Convention on the Rights of the Child

De Convention on the Rights of the Child (CRC) werd aangenomen in 1989. Dit is het meest geaccepteerde verdrag wereldwijd (door 192 landen). De CRC omvat onder andere de preventie van geweld en reacties om kinderen tegen alle vormen van geweld te beschermen. Volgens General Comment no. 8 uit de CRC moet elke vorm van geweld worden verboden. Er is echter wel erkenning voor sommige vormen van straf om kinderen te beschermen. De disciplinevormen die ouders jegens hun kinderen mogen hanteren zijn beduidend anders dan het geweld tegen kinderen waar in de rest van de CRC over gesproken wordt.

 

Andere artikelen uit de CRC (in chronologische volgorde):

Artikel

Beschrijving

2

Alle rechten zijn van toepassing op alle kinderen, zonder uitzonderingen.

3

Bij alle acties waarbij kinderen betrokken zijn staat het welzijn van het kind voorop.

6

Het kind heeft recht op leven en op een maximale overlevings- en ontwikkelingscapaciteit.

9

Een kind mag niet gescheiden worden van de ouders, tenzij het in het belang van het kind is dat dit wel gebeurt.

12

Het kind heeft het recht zijn of haar mening ter geven over zaken die het kind aangaan.

12 t/m 17

Gaan over de mensenrechten gerelateerd aan vrijheid van uiten, informatie, religie en privacy.

18

Landen moeten ouders/voogden ondersteunen in het grootbrengen van hun kinderen.

19

Kinderen moeten in ieder geval worden beschermd tegen alle vormen van fysiek of mentaal geweld, verwonding of misbruik, verwaarlozing en uitbuiting.

20

Kinderen die niet opgroeien in een familieomgeving hebben recht op bescherming van de staat.

21

Adoptiegerelateerde rechten.

22

Rechten van kinderen met de vluchtelingenstatus.

23

Rechten van kinderen met een beperking.

24

Het recht op gezondheid en toegang tot gezondheidsinstellingen.

25

Het recht op een periodieke review van plaatsing of behandeling.

27

Het recht op een adequate levensstandaard.

28

Schoolse straffen moeten worden uitgevoerd met respect voor de waarde van het kind.

28 en 29

Het recht op onderwijs.

32 t/m 36

Een kind is bij wet beschermd tegen alle vormen van uitbuiting.

38

Gaat over de rechten van kinderen in landen met gewapende conflicten.

37 en 40

Kinderen die een wetsovertreding hebben begaan moeten behandeld worden op een manier die de kinderen in hun waarde laat.

 

Er zijn twee uitbreidende optionele protocollen aan de CRC toegevoegd in 2000:

·         Het optionele protocol over de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderporno.

·         Het optionele protocol over kinderen in gewapende conflicten (onder andere over het niet recruteren van kindsoldaten).

 

International criminal, humanitarian, refugee and labour law

De bescherming van kinderen op basis van de mensenrechten geldt altijd. Vluchtelingenkinderen hebben daarnaast nog veel andere rechten, bijvoorbeeld het recht niet teruggestuurd te worden naar een land waar ze veroordeeld worden.

 

Daarnaast zijn er verschillende wetten en conventies die zowel volwassenen als kinderen beschermen tegen mensenhandel. Inmiddels hebben 105 landen wereldwijd het Trafficking Protocol geaccepteerd. Dit protocol biedt slachtoffers van mensenhandel ondersteuning en bescherming. Daarnaast moeten landen die dit protocol aanhangen mensenhandel als strafbaar beschouwen.

 

Ook zijn er verschillende conventies gericht tegen kinderarbeid. De belangrijkste bescherming wordt geboden in de Minimum Age Convention en in de Worst Forms of Child Labour.

 

Regional human rights systems

Er zijn verschillende regionale systemen die ervoor zorgen dat de mensenrechtenwetten in hun regio’s goed worden uitgevoerd. Zij hebben tegenstand geboden aan verschillende vormen van geweld tegen kinderen, bijvoorbeeld lijfstraffen of seksueel misbruik. Op pagina 47 van de reader (pagina 40 van het artikel) staat een overzicht met de belangrijkste regionale verdragen met betrekking tot geweld tegen kinderen.

 

Non-binding instruments

De internationale en regionale mensenrechtenverdragen worden ondersteund door verdragen, conventies enzovoortsdie richtlijnen geven voor handelen. Deze instrumenten zijn niet wettelijk bindend, maar stellen wel standaarden, bijvoorbeeld wanneer het gaat over geweld tegen vrouwen of kinderen. Een voorbeeld van zo’n instrument is A World Fit for Children, door de General Assembly.

 

Hoewel deze documenten geen wettelijke grond hebben, hebben ze wel een grote invloed op het uitvoeren van de mensenrechtenverdragen.

 

 

4. Internationale verplichtingen ter bescherming van kinderen tegen kindermishandeling

 

Het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (VRK) en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) zorgen ervoor dat de Nederlandse regeringen verplichtingen wordt opgelegd met het oogpunt op de bescherming van kinderen tegen geweld binnen het gezin. Het EVRN is hierbij van grotere betekenis omdat al deze bepalingen een rechtstreekse werking hebben. De Nederlandse wetgeving moet voldoen aan de bepaling en iedere burger kan een beroep doen op deze bepalingen.

 

Het VRK en de bescherming tegen kindermishandeling

Voornamelijk artikel 19 is hierbij erg belangrijk, Nederland heeft een actieve rol gespeeld bij de ontwikkeling van dit artikel. Lidstaten hebben de verplichting te zorgen voor voldoende maatregelen ter ondersteuning van het kind en van degenen die de zorg over het kind hebben. Dit standpunt sluit aan bij verschillende andere artikelen binnen het VRK waarbinnen de rol van ouders / verzorgers verder wordt uitgewerkt. Zo hebben de ouders de eerste opvoedingsverantwoordelijkheid voor het kind , de overheid ondersteunt de ouders hierbij. Ouders mogen de opvoeding van hun kinderen zelf vormgeven, daarnaast mogen kinderen niet zomaar van hun ouders worden gescheiden. Lidstaten hebben hierbij de opdracht ouders te adviseren en in te lichten over hun verantwoordelijkheid.

 

Het Comité voor de Rechten van het Kind is een voorstander van opvoedcursussen als een instrument om sociale problemen aan te pakken. Het Comité stelt dat het basisinstituut in de samenleving voor bescherming en ontwikkeling van het kind het gezin is. De integriteit van het gezin moet dan ook worden behouden en het gezin moet voldoende worden beschermd. Dit zijn dan ook aanbevelingen die het Comité aan de Nederlandse regering doet. Daarnaast streeft men naar een landelijk dekkend netwerk van specialistische diagnostiek voor complexe gevallen van kindermishandeling. Een laagdrempelig hulpaanbod.

 

Het EVRM en bescherming tegen kindermishandeling

Europees Hof voor de Rechten van de mens oordeelde vaker tegen Groot Brittannië over de vraag of een kind binnen opvoedingssituaties ter correctie geslagen mag worden. Het Hof gaat ervan uit dat het slaan van kinderen ter correctie een inbreuk kan zijn op het recht om niet onderworpen te worden aan onmenselijke of een vernederende behandeling. Het uitdelen van een corrigerende tik kan dan ook een schending betekenen van artikel 3 uit het EVRM. Daarnaast kwam men met het Verenigd Koninkrijk in conflict over het gebruik van Staten die aangesloten zijn bij het EVRM moeten bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregelen de verplichting hebben om het kinderen de ouders te herenigen of het recht op gezinsleven te garanderen.

 

Het niet of onvoldoende ingrijpen in het gezinsleven ter bescherming van het kind, kan een schending van artikel 3 opleveren. Dit komt omdat het recht van het kind om beschermd te worden tegen onmenselijke en vernederende behandeling dan niet voldoende wordt gegarandeerd. Wanneer dit gebeurd kan een lidstaat een boete opgelegd krijgen in de vorm van een materiele en immateriële schadevergoeding.

 

De invloed van internationale bepalingen op het Nederlandse beleid

De Nederlandse regering heeft aangekondigd dat er een er in het Burgerlijk Wetboek een verbod op het gebruik van alle vormen van geweld in het kader van de opvoeding zal worden ingevoerd. Ook in verschillende andere landen is deze maatregel al ingevoerd.

 

De regering zal zich moeten richten op de preventie en aanpak van kindermishandeling. Dit kan onder meer door de invoering van opvoedingsvoorlichting, opvoedingsondersteuning en meldrecht / meldplicht van professionals die met kinderen werken, zonder dat zij hierbij hun beroepsgeheim schenden.

 

 

5 Geweld tegen kinderen

 

Geweld tegen kinderen: internationale inspanningen om het in te dammen

De inspanningen om het geweld tegen kinderen in te dammen zijn voornamelijk gericht op het IVRK. Honderdeenennegentig landen hebben zich aan dit verdrag gecommitteerd, waardoor het een bijna universeel commitment is. Toezicht op naleving van het Verdrag is in handen van het VN comité voor de rechten van het kind. Landen rapporteren aan dit Comité, welke deze rapporten vervolgens bespreekt met een delegatie van de betreffende regeringen. Hierbij worden dan aanbevelingen gedaan aan de regeringen.

 

Binnen de aanbevelingen is er steeds meer aandacht voor specifiekere en diverse vormen van geweld tegen kinderen. Dit komt doordat het comité voor de Concluding Observations een structuur gebruikt waarbinnen aanbevelingen worden geclusterd en alle vormen van geweld worden besproken in een duidelijk herkenbaar cluster.

 

De internationale samenleving heeft zich door middel van verdragen, optionele protocollen, resoluties en de benoeming van Special Representatives gecommitteerd aan inspanningen om het geweld tegen kinderen in te dammen. Er worden veel aanbevelingen voor conrete acties ter voorkoming van geweld tegen kinderen gedaan.

 

De vraag is of de inspanningen tegen geweld tegen kinderen het gewenste resuslaat hebben. Dit blijkt in de praktijk tegen te vallen, maar er wordt wel vooruitgang geboekt. Zo hebben veel landen wetgevende maatregelen getroffen tegen het gebruik van lijfstraffen en andere vormen van onmenselijke of vernederende behandeling van kinderen, neemt het aantal kindsoldaten en werkende kinderen af en zijn veel maatregelen van sociale en educatieve aard gericht op het voorkomen van kindermishandeling.

 

Geweld tegen kinderen: nationale inspanningen om het in te dammen

Gevallen van ernstige kindermishandeling eind jaren 60 zorgen voor een hernieuwde aandacht voor het probleem. Dit leidt in 1972 tot de aanstelling van vier vertrouwensartsen inzake kindermishandeling. Deze vertrouwensartsen hebben zich laten ontwikkeld naar het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Het AMK vormt een belangrijk instrument voor het signaleren van kindermishandeling en het organiseren van hulpverlening aan kind en eventueel het gezin.

 

 

Binnen Nederland is er veel aandacht voor de aanpak van kindermishandeling. Dit blijkt onder andere uit:

  • Wijzingen binnen het Burgerlijk wetboek waarbij het ouders wordt verboden binnen de opvoeding gebruik te maken van geestelijk of lichamelijk geweld of een andere vorm van vernederende behandeling.

  • De opstelling van het Actieplan Aanpak Kindermishandeling (RAAK-aanpak). Kindermishandeling moet worden voorkomen en meldingen moeten worden gevolgd door een snelle en passende hulpverlening.

  • Meldcode kindermishandeling. Het is belangrijk dat deze codes goed op elkaar worden afgestemd en dat het onderscheid tussen meldcodes en meldplicht voor iedereen duidelijk is.

 

Buiten het gezin kan er onder andere sprake zijn van kindermishandeling in de vorm van seksuele exploitatie en kinderhandel. De overheid onderneemt hiertegen verschillende stappen. Wanneer het gaat om seksuele exploitatie wordt er onder meer verwezen naar het Nationaal Actieplan aanpak seksueel misbruik (NAPS) en het aanscherpen van bepalingen rondom seksuele exploitatie zoals kinderporno.

 

Mensenhandel is strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht, hieronder valt ook de handel in kinderen. De regering biedt kinderen die het slachtoffer zijn van mensenhandel een permanente verblijfsvergunning. Daarnaast bestaat er een Nationaal Actieplan Mensenhandel, maar de aandacht hiervoor is maar zeer beperkt.

 

Geweld tegen kinderen is niet alleen een schending van het recht van het kind op bescherming, maar vormt ook de een belemmering bij het verwezenlijken van andere rechten van het kind zoals erkend in het IVRK, zoals onderwijs etc.

 

 

6 Domein 2: ‘Bescherming tegen exploitatie en geweld’

 

2.2 Relevante artikelen uit het Kinderrechtenverdrag

Het kinderrechtenverdrag kent een aantal specifieke bepalingen die kinderen beschermt tegen exploitatie en geweld. Belangrijk hierbinnen is artikel 19 IRVK waarin staat dat ieder kent recht heeft op bescherming tegen alle vormen van lichamelijke en geestelijke mishandeling en verwaarlozing zowel binnen het gezin als daarbuiten. De term geweld moet hierbij op een brede manier worden uitgelegd, het gaat hierbij om alle vormen van geweld. Daarnaast is het beschermen van de menselijke waardigheid van kinderen van essentieel belang.

 

Artikel 32 tot en met 36 richten zich op de bescherming van kinderen tegen uitbuiting en exploitatie.

 

Het optionele protocol bij het IVRK over de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderporno specificeert de verplichtingen van de overheid op deze gebieden.

 

2.3 Minderjarige slachtoffers van delicten in het algemeen

 

2.3.1 Aard en omvang

Bijna een kwart van de kinderen van 15 tot 18 jaar is al eens het slachtoffer geworden van een gewelddelict, vermogensdelict of vandalisme. Iedereen die te maken krijgt met een delict of ongeval kan hulp krijgen van slachtofferhulp Nederland.

 

Autochtone jongens krijgen iets vaker hulp vanwege een zedendelict, allochtone jongens vanwege een vermogensdelict. Bij meisjes worden autochtone meisje vaker geholpen voor een zedendelict. Allochtone meisjes ontvangen vaker hulp naar aanleiding van een geweldsdelict.

 

2.3.2 Rechten jeugdige slachtoffers en beleid

Sinds 2004 kan men schriftelijke slachtofferverklaringen indienen voor misdrijven en sinds 2005 hebben slachtoffers spreekrecht in de rechtszaal. Kinderen vanaf 12 jaar mogen gebruik maken van deze regelingen. Het is onmogelijk om ouders of anderen te laten horen. In 2011 is de Wet ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces in werking getreden. Het slachtoffer heeft daardoor de positie van een zelfstandige procesdeelnemer en heeft daarmee recht op betere informatieverstrekking en verbeterde mogelijkheden om schade te verhalen.

 

In 2012 is er een uitbreiding van het spreekrecht doorgevoerd. Ouders van 12-minners hebben een afgeleid spreekrecht en ouders van alle minderjarigen hebben zelfstandig spreekrecht.

 

2.3.3 Kinderrechtenbeschouwing

In de UN Guidelines on Justice in Matters Involving Child Victems and Witnesses of Crime wordt gesteld dat leeftijd geen barrière mag zijn voor het recht om volledig deel te nemen in het strafbedelingsproces. Ieder kind dient te worden behandeld als een individu met eigen noden, wensen en gevoelens. Kind slachtoffers mogen dan ook niet worden uitgesloten op basis van leeftijd.

 

2.4 Kindermishandeling

Bij kindermishandeling kan het gaan om lichamelijke, seksuele, emotionele mishandeling of verwaarlozing. Wanneer het kind getuige is van geweld tussen de ouders onderling dan is dit een vorm van kindermishandeling.

 

2.4.1 Aard en omvang

Kindermishandeling komt in Nederland op grote schaal voor, jaarlijks worden rum 118.000 kinderen verwaarloosd of mishandeld. In 2015 zal er opnieuw onderzoek gedaan worden naar deze cijfers. Het aantal keren dat mensen contact opnamen met het Advies- en Meldpunt Kindermishandel (AMK) is dan ook gestegen.

 

Het is belangrijk dat wachtlijsten binnen het AMK worden voorkomen. Wanneer dit toch dreigt te gebeuren dan worden medewerkers van Bureau Jeugdzorg ingezet om dit op te vangen. Voor de doorlooptijd tussen de melding en het de beëindiging van het onderzoek staat 13 weken. In het geval van spoed zouden deze doorlooptijden korter moeten zijn.

 

Wanneer een beller om advies vraagt aan het AMK dan blijft deze zelf verantwoordelijk voor het ondernemen van verdere stappen. Wanneer de AMK besluit dat er nader onderzoek nodig is dan verandert het advies in een onderzoek.

 

De aard van de meldingen is veranderd, pedagogische verwaarlozing, affectieve verwaarlozing en getuige zijn van geweld binnen gezinnen wordt relatief vaker gemeld dan in andere jaren.

 

Jeugdzorg Nederland bepleit de opkomst van een Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling waarbij mensen vermoedens van kindermishandeling kunnen melden, waarna er direct (vrijwillige) hulp op gang kan worden gebracht. Dit heeft als doel tijdverlies te voorkomen.

 

2.4.2 Commissies kindermishandeling

In 2012 is de Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik ingesteld. Deze ziet erop toe dat het Actieplan aanpak Kindermishandeling wordt uitgevoerd. Het bevat maatregelen ter preventie , signalering en bestrijding van kindermishandeling.

 

Het eindrapport van de commissie Samson heeft mensen doordrongen van de ernst van de problematiek van seksueel misbruik in de Jeugdzorg. Het rapport gaat ervan uit dat overheid, instellingen en pleegzorg tekort geschoten zijn omdat zij geen weet hadden van het misbruik van kinderen of vanwege een gebrek aan professionaliteit en durf.

 

Uit huis geplaatste jongeren maken meer kans om misbruikt te worden. Onder uit huis geplaatste jongeren met een licht verstandelijke beperking komt dit nog vaker voor. Het kabinet wil met instellingen, provincies en gemeenten en alle bij jeugdzorg betrokken partijen aan de slag gaan om de noodzakelijke verbeteringen in de jeugdzorg door te voeren.

 

Slachtoffers van seksueel misbruik hebben behoefte aan erkenning en hulp. De hulpvraag van het slachtoffer moet dan ook centraal staan. De Hulplijn Seksueel Misbruik moet de toegang tot hulp vereenvoudigen. Daarnaast worden er voor slachtoffers twee financiële regelingen opengesteld: de civiele vordering tot schadevergoeding en de vangnetregeling.

 

Naar aanleiding van de commissie Samson is later de commissie Rauvoet ingesteld om seksueel misbruik in de jeugdzorg te voorkomen.

 

2.4.3 Preventie en hulpverlening bij kindermishandeling

Er is nog veel onduidelijkheid over welke interventies effectief zijn in het voorkomen of stoppen van kindermishandeling. Vooral over de aanpak van emotionele mishandeling en verwaarlozing ontbreekt kennis.

 

Ouders kunnen met vragen over de opvoeding terecht bij een Centrum voor Jeugd en Gezin. De jeugdgezondheidszorg stelt een aantal richtlijnen op om ouders optimaal te kunnen ondersteunen.

 

Publiekscampagnes kunnen de alertheid op kindermishandeling vergroten, hiervoor worden onder andere tv spotjes ingezet. Ook bestaan er speciale campagne websites met signalen waaraan mensen kindermishandeling kunnen herkennen.

 

2.4.4 Signalering van kindermishandeling

In 2013 is de wet verplichte meldcode huiselijk geweld in werking getreden. Dit is een meldcode voor professionals, maar bevat geen meldplicht. De meldcode bevat een stappenplan waarin staat hoe professionals moeten omgaan met het signaleren en melden van huiselijk geweld en kindermishandeling.

 

De meldcode geldt voor geweld in de huiselijke kring. In het geval van geweld door een professional geldt in bepaalde sectoren wel meldplicht.

 

Bij evaluaties wordt aangegeven dat er een gebrek aan signaleringskwaliteiten is. Dit is een groot probleem omdat een adequate en tijdige signalering van kindermishandeling op de huisartsposten essentieel is voor een snel en effectief ingrijpen. Een nieuwe regeling is de NODO procedure waarbij artsen verplicht zijn om na het overlijden van een minderjarige altijd te overleggen met een gemeentelijk lijkschouwer. Pas wanneer beiden zijn overtuigd van een natuurlijke dood, wordt een overlijdensverklaring afgegeven.

 

2.4.5 Strafrechtelijke aanpak van kindermishandeling en beleid

Het Verdrag van Lanzarote is voor Nederland in werking getreden in 2010. Dit heeft in Nederland geleid tot wetswijzingen betreffende de aanpak van kinderporno en grooming.

 

Daders van verjaarde zedenmisdrijven kunnen niet alsnog worden vervolgd. Wel is er ruimte om nog lopende verjaringstermijnen te verlengen of op te heffen.

 

Politie, Openbaar Ministerie en de reclassering maken afspraken over een verbeterde inzet van het strafrecht bij kindermishandeling. Het haar hierbij on der onder over dossiervorming, forensische expertise en het inzetten van buurtonderzoeken.

 

Binnen de jeugdgezondheidszorg wordt gewerkt met het Standpunt Preventie Vrouwelijke Genitale Verminking. Ouders afkomstig uit risicolanden worden hierbij voorgelicht over de gevolgen van meisjesbesnijdenis. Meisjesbesnijdenis is in Nederland strafbaar en wordt gezien als schadelijk voor de gezondheid. De wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling geldt ook voor meisjesbesnijdenis. Tussen de 40 en 50 meisjes in Nederland lopen jaarlijks het risico op besnijdenis. Het risico wordt pas echt reëel wanneer deze meisjes hun land van herkomst bezoeken.

 

Ook jongensbesnijdenis krijgt steeds meer aandacht.

 

2.4.6 Kinderrechtenbeschouwing

De overheid heeft de verplichting alle kinderen dit niet thuis kunnen wonen te beschermen tegen geweld. Toch lijkt dit in de praktijk niet genoeg te gebeuren. Actieplannen moeten niet alleen bestaan uit mooie beloftes. Het ontbreekt in actieplannen vaak aan een alomvattend beleidskader met budget en coördinatiemechanismen. Het Kinderrechtencomité stelt dan ook dat een dergelijk actieplan plaats zou moeten maken voor een national coordinating framework.

 

De verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling is een belangrijke stap in de goede richting. Het is belangrijk dat de invoering van de meldcode goed wordt gemonitord. Ook preventieprojecten vormen een stap voorwaarts. Ook in dit geval kunnen publiekscampagnes mensen meer bewust maken over de gevolgen van kindermishandeling.

 

2.5 Minderjarige slachtoffers in de mensenhandel

 

2.5.1 Aard en omvang

Economische uitbuiting van kinderen lijkt in Nederland weinig voor te komen. Toch vinden er met betrekking tot bijbaantjes van minderjarigen veel wetsovertredingen plaats, vooral op het gebied van minimumleeftijden en arbeidstijden.

 

Onder mensenhandel wordt binnen Nederland verstaan: iedere vorm van exploitatie van gedwongen (seksuele) dienstverlening en het profiteren van die omstandigheden zoals strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Uitbuiting van minderjarigen is altijd strafbaar, ook wanneer de minderjarige vrijwillig meewerkt, dit verklaard waarom loverboys worden gezien als mensenhandelaars. Bij mensenhandel is er meestal sprake van fysieke dwang.

 

2.5.2 Aanpak van mensenhandel

De aanpak van mensenhandel valt onder de verantwoordelijkheid van Taskforce Mensenhandel. Mensenhandel wordt gedefinieerd als uitbuiting, moderne slavernij. Wat betreft minderjarigen ligt de meeste aandacht bij het aanpakken van loverboys.

 

Men streeft naar een effectieve aanpak waarbij prevention (preventie), prosecution (opsporing en vervolgens van daders) en protection (bescherming en opvang van slachtoffers) centraal staan.

 

2.5.3 Opvang en hulpverlening

Als gevolg van de stijging van het aantal minderjarige slachtoffers van mensenhandel is de behoefte aan opvangplaatsen toegenomen. Er bestaat discussie over opvang van minderjarige slachtoffers, het is de vraag of er een aparte, gespecialiseerde opvang nodig is voor deze doelgroep of dat het al bestaande aanbod voldoet. Er zijn veel voorstanders van een gespecialiseerde zorg.

 

2.5.4 Evaluatie aanpak, opvang en hulpverlening

Uit onderzoek van UNICEF en Defence for Children ECPAT blijkt dat Nederland te kort schiet in de bescherming van minderjarige slachtoffers van mensenhandel.

 

De Nederlandse regering heeft van opsporing en bestrijding van mensenhandel een prioriteit gemaakt. Binnen dit beleid wordt te weinig aandacht besteed aan de bijzondere positie van minderjarige slachtoffers. Het beleid behoeft verbetering op het gebied van preventie, registratie en melding en opvang en hulpverlening. Het aantal geregistreerde minderjarige slachtoffers van mensenhandel stijgt.

 

De grootste zorgen bestaan over de opvang en zorg aan minderjarige slachtoffers van grensoverschrijdende mensenhandel. Hulpverlening komt hierbij namelijk vaak te laat op gang en wordt overschaduwd door het wel of niet krijgen van een verblijfsvergunning. Dit verkleint de kans van deze kinderen op een volledig herstel.

 

2.5.5 Kinderrechtenbeschouwing

Het IVRK stelt dat ieder kind dat slachtoffer is van uitbuiting recht heeft op bijzondere zorg. Het Verdrag verplicht staten ertoe alle passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat minderjarigen het slachtoffer worden van seksuele uitbuiting. De aanbeveling aan Nederland is om de inspanningen te intensiveren en handel en seksuele uitbuiting van kinderen te voorkomen en terug te dringen.

 

Seksuele uitbuiting van kinderen is een strafverzwarende omstandigheid ten opzichte van seksueel misbruik van kinderen zonder dat er sprake is van uitbuiting.

 

2.6 Melding en opsporing kinderpornografie

 

2.6.1 Aard en omvang

Bij kinderpornografie gaat het om afbeeldingen van seksueel geweld tegen kinderen. Er is een stijging te zien in het aantal meldingen van kinderporno. Meldpunt Kinderporno en de politie voeren overleg om te zoeken naar mogelijkheden om strafbaar materiaal zo snel mogelijk te verwijderen en nieuwe ontwikkelingen in de aanpak van kinderpornografie te bespreken.

 

2.6.2 Aanpak Kinderpornografie

Op basis van het Lanzarote Verdrag is in Nederland een wetswijzing doorgevoerd, waarbij ook online grooming strafbaar is gesteld. Grooming is het door een volwassen persoon op internetsites actief benaderen en verleiden van minderjarigen met als doel het plegen van seksueel misbruik. Een persoon kan hierdoor worden vervolgd wanneer deze een voortel doet voor een ontmoeting met het kind of hoer voorbereidingen voor treft.

 

Vanaf 2012 zijn er belangrijke wijzingen doorgevoerd met betrekking tot het opsporen van kinderpornografie. Het doel is dat meer slachtoffers worden achterhaald en dat de politie meer verdachten voor vervolging aanlevert bij jet Openbaar Ministerie.

 

Het is belangrijk dat de aandacht vooor seksueel misbruik en kinderpornografie toeneemt. Kinderpornografie hangt meestal samen met seksueel geweld tegen kinderen. De aanpak van kinderporno moet dan ook deel uitmaken van een bredere aanpak van seksueel geweld tegen kinderen.

 

2.6.3 Kinderrechtenbeschouwing

De overheid dient maatregelen te nemen om te voorkomen dat kinderen worden geëxploiteerd in pornografische voorstellingen en pornografisch materiaal. Het downloaden van kinderporno wordt zwaarder gestraft. Volgens de Europese Richtlijn Inzake bestrijding seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, zijn lidstaten verplicht kinderpornosites direct van het internet te verwijderen en toegang tot deze websites te blokkeren. Ook bevat de richtlijn regels ter verbetering van preventie, vervolging van overtreders en bescherming van slachtoffers.

 

2.7 Online Misbruik

 

2.7.1 Aard en omvang

Kinderen kunnen op internet geconfronteerd worden met seksueel getinte foto’s of video’s. Daarnaast kunnen zij zelf experimenteren met seksueel getinte berichten etc.

 

2.7.2 Online seksuele activiteiten en online seksueel misbruik

Jongeren maken en verspreiden zelf seksueel getinte teksten (sexting) en plaatsen seksueel getinte foto’s op internet. Uit onderzoek blijkt dat kinderen hier meestal ook achteraf geen moeite mee hebben. Er zijn maar weinig jongeren die seksueel expliciet beeldmateriaal van anderen maken en / of dit verspreiden.

 

Online grooming komt slechts zelden voor. Kinderen met psychologische problemen lopen meer kans op schade door het offline ontmoeten van een vreemde die ze online hebben leren kennen. Beleidsmakers zouden zich dan ook voornamelijk moeten richten op de groep kwetsbare kinderen.

Het Make It Safe peer expert training project is erop gericht kinderen zich te leren beveiligen tegen online risico’s. Het project helpt jongeren veilig met internet om te gaan en verantwoordelijke ‘digitale burgers te worden.

 

2.7.3 Online marketing, misleiding en fraude

Jongeren zijn een aantrekkelijke doelgroep voor online marketingactiviteiten van bedrijven omdat zij voor online zijn. Nieuwe manieren van marketing zijn voor kinderen steeds minder als zodanig herkenbaar. Daarnaast worden voornamelijk jongeren getroffen door cybercrime. Deze groep voelt zich relatief dan ook het meest onveilig op het internet. Lager opgeleide jongeren aan sneller in op een aanbieding en een deel daarvan voelt zich daarna misleid. Het gebrek van begeleiding van ouders is van invloed op het optreden van slachtofferschap. Er bestaat een patroon van meervoudig slachtofferschap. Slachtoffers van commerciële misleiding zijn ook vaker het slachtoffer van online veilingfraude en virtuele diefstal.

 

Naast wetgeving voor de bescherming van kinderen tegen misleidende reclame en dienstverlening wordt er een beroep gedaan op het bedrijfsleven met het ontwikkelen van zelfregulering.

 

De kinder- en jeugdreclamecode richt zich op meer traditionele online reclame zoals pop up berichten etc., maar niet op innovatieve marketingpraktijken zoals advergames etc. Hiertegen bestaat dan ook geen specifieke regelgeving.

 

2.7.4 Politie en internetmisbruik

De politie is gestart met een website die kinderen helpt met hulp of advies bij vervelende ervaringen op het internet. Zij kunnen hier in contact komen met deskundigen van verschillende instanties.

 

2.8 Vermiste kinderen

 

2.8.1 Aard en omvang

Het aantal vermiste kinderen in Nederland per jaar is moeilijk in te schatten. Voor vermiste kinderen kan er een foto worden geplaatst op www.vermistekinderen.nl. Een verzoek tot plaatsing wordt gedaan via de politie.

 

2.8.2 Aanpak vermiste kinderen

De Richtlijn vermiste kinderen is opgesteld om sneller en efficiënter te handelen na een vermissing. Daarnaast maakt men gebruik van de AMBER-alert. Dit is een landelijk waarschuwingssysteem bij urgente kindervermissingen en –ontvoeringen. De politie kan hierbij meteen heel Nederland waarschuwen via radio, televisie en social media. Ook zijn er verschillende noodnummers voor het melden van vermiste kinderen.

 

2.8.3 Kinderrechtenbeschouwing

De overheid heeft de taak in te staan voor een veilige situatie van kinderen en exploitatie te voorkomen. De noodlijnen en de Richtlijn vermiste kinderen dragen bij aan de voorkoming van ontvoering en eventueel daarmee gepaard gaande exploitatie. Effectief en snel handelen is cruciaal. De politie dient eenduidig en servicegericht te zijn richting ouders en kindvriendelijk te werken. Investeren in een werkend datasysteem lijkt een evidente stap.

 

 

 

7 Het verbod op het gebruik van geestelijk en lichamelijk geweld in de opvoeding van kinderen: een ‘geslaagde’ wijziging?

 

1 Inleiding

Nederland is door de Monitoring Comités van het Verdrag voor de Rechten van het Kind en het Europees Sociaal Handvest aangesproken op het ontbreken van een verbod op het gebruik van geestelijk en lichamelijk geweld in de opvoeding van kinderen. Over het opnemen van een geweldsverbod binnen de opvoeding in het Burgerlijk Wetboek is veelvuldig gediscussieerd. Men heeft uiteindelijk een wetswijziging doorgevoerd ter preventie van kindermishandeling. De wetgever probeert door de wetswijzingen te voldoen aan de internationale en Europese bepalingen. Nederland heeft zich door de ratificatie aan het IVRK verplicht deze bepaling door te voeren.

 

2 De internationale en Europese vereisten in concreto

Het is een Europese verplichting om in de nationale wetgeving een verbod op het gebruik van elke vorm van geweld jegens kinderen op te nemen. Daarnaast mag er geen rechtvaardigingsgrond bestaan die fysieke straffen toestaat. Ook moet de invoering gepaard haan met een voorlichtingscampagne, opvoedingsondersteuning en moet er onderzoek gedaan worden naar de bekendheid en effectiviteit van een bepaling.

 

2.2 Geweldsverbod in de nationale wetgeving

Binnen de internationale en Europese regelgeving wordt er geen eenduidige definitie gegeven van geweld. Handelingen van geweld kunnen bestaan uit lichamelijk en psychisch geweld, seksueel misbruik en mishandeling, lijfstraffen en andere vernederende behandelingen.

 

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft vastgesteld dat het verbod op fysieke straffen van kinderen niet in strijd is met het respect voor privé-, familie- en gezinsleven en dat het niet in strijd is met vrijheid van religie. De functie van een verbod op het gebruik ban geweld gedurende de opvoeding ligt in educatie van de samenleving. Nederland heeft door middel van de grondwetswijziging uiting gegeven aan deze verplichtingen.

 

Inde memorie van toelichting maakt men onderscheid tussen preventies en repressief straffen. Hierdoor is het de vraag of de Nederlandse wet aan de internationale maatstaven voldoet, de internationale en Europese regelgeving vraagt immers om een verbod op iedere vorm van geweld.

 

2.3 Ouderlijk tuchtingsrecht en de reflexwerking van art. 1:247 BW

De Raad van Europa gaat ervan uit dat het toestaan van een fysieke bestraffing binnen de opvoeding een schending is van het recht van kinderen op een gelijke bescherming tegen geweld als volwassenen. Het is sinds de wetswijzing niet meer mogelijk om een beroep te doen op het ouderlijk tuchtingsrecht als rechtvaardigingsgrond bij mishandeling.

 

2.4 Voorlichtingscampagne

De invoering van het geweldsverbod moet gepaard gaan met een voorlichtingscampagne. Deze voorlichting helpt om maatschappelijke opvattingen over het gebruik van geweld als opvoedingsmiddel te veranderen en zal de acceptatie voor het geweldsverbod vergroten. Dit wordt gezien als een voortdurende verplichting.

 

2.5 Opvoedingsondersteuning

Nederland is verplicht ouders opvoedingsondersteuning aan te bieden. Deze opvoedingsondersteuning dient uit materiele en kwalitatieve ondersteuning te bestaan. Een belangrijke factor hierbij is de RAAK aanpak, net als Centra voor Jeugd en Gezin.

 

2.6 Onderzoek

Herhaaldelijk onderzoek is nodig om te meten of de wetswijziging en voorlichtingscampagnes succes hebben. Dit kan door ouders regelmatig vertrouwelijk te interviewen over hun opvoedingservaringen. Het ontbreekt Nederland nog naar voldoende onderzoek naar kindermishandeling.

 

 

8 Over sommige kinderen moet je praten; knelpunten en oplossingsrichtingen bij gegevensuitwisseling in de jeugdzorg

 

Soms wil een kind dat het slachtoffer geworden is van kindermishandeling hier niet over praten. Om deze reden is men gestart met de landelijke campagne ‘Over sommige geheimen moet je praten’. Ook ouders en professionals kunnen met geheimen rondlopen.

 

Problemen bij gegevensuitwisseling

Jeugdzorg is vaak negatief in het nieuws geweest, veel kritiek dat instanties te veel om elkaar heen werkten. Privacywetgeving mag geen belemmering vormen voor een betere informatie-uitwisseling tussen hulpverleners uit verschillende instellingen. Dit knelpunt heeft verschillende oorzaken:

  • Gebrekkige samenwerking en communicatie binnen jeugdzorg

  • Tekortschieten van de gezinsvoogd

  • Tekort aan structuur voor een goede informatie-uitwisseling

Informationele privacy en jeugdzorg

Binnen de jeugdzorg worden persoonsgegevens van cliënten vastgelegd. Dit levert geen inbreuk op het recht van informationele privacy op zolang er aan de wettelijk vastgelegde voorwaarden wordt voldaan. Wanneer ouders / kinderen echter geen toestemming tot deze informatieverstrekking geven, maar dit wel gebeurd, dan levert dit een probleem op. Voor het delen van informatie met een niet professionele derde bestaat geen ander wettelijk kader. Gegevensberstrekking binnen deze categorie is dan ook niet wettelijk begrensd.

 

Interne gegevensuitwisselingen binnen verschillende sectoren van Bureau Jeugdzorg moet zoveel mogelijk worden bevorderd om een beter in zicht te krijgen in risico’s, veiligheid en belangen van kinderen. Bureau jeugdzorg kan daarnaast informatie inwinnen bij zorgaanbieders en de Raad voor de Kinderbescherming. Professionals zonder medisch beroepsgeheim of die niet werkzaam zijn bij politie of Openbaar Ministerie is gegevensuitwisseling zonder toestemming van de betrokkene strenger begrensd. Zo dienen bijvoorbeeld leraren zich te houden aan zwijgplicht, hierbinnen wordt alleen een uitzondering gemaakt in situaties van overmacht. Dit gebeurt wanneer er sprake is van een conflict tussen plichten tussen de plicht van geheimhouding en de plicht om in het belang van de leerling te spreken.

 

 

Gegevensuitwisseling tussen politie en Bureau Jeugdzorg is lastig, Het Openbaar Ministerie kan informatie versterken wanneer dit noodzakelijk is voor een hoede taakvervulling van het Openbaar Ministerie en voor zover een zwaarwegend algemeen belang daartoe noodzaakt.

 

Ook professionals met een medisch beroepsgeheim zij belangrijke informatiebronnen van Bureau Jeugdzorg. Dit beroepsgeheim is niet absoluut. Persoonsgegevens kunnen bij toestemming van een patiënt of op basis van een wettelijk voorschrift worden vrijgegeven. Bij vermoedens van kindermishandeling hebben artsen een meldrecht, het wordt dan aan de professionals zelf overgelaten of het noodzakelijk is tot melding over te gaan.

 

Recht op informatie gezinsvoogd en interne gegevensuitwisseling Bureau Jeugdzorg

Verschillende privacy regels leiden tot verschillen in de mogelijkheden tot gegevensuitwisseling zonder toestemming van de betrokkene.

 

Voor een gezinsvoogd is het van groot belang over relevante informatie te beschikken. Wanneer ouders echter toestemming weigeren zal deze informatie niet snel worden prijsgegeven, Het is nodig dit knelpunt aan te pakken ten behoeve ban kinderen die bescherming verdienen. Het is belangrijk de gegevensuitwisseling binnen Bureau Jeugdzorg te verbeteren. Zo zou men kunnen denken aan een wetswijziging waarbij de gezingsvoogd gerechtigd is om van beroepskrachten alle relevante informatie met betrekking tot een kind en zijn opvoedsituatie te krijgen. Deze informatieverstrekking moet dan niet afhankelijk zijn van wet- en regelgeving en van beroepscodes tussen verschillende beroepssectoren.

 

Voorstel overheid tot Verwijsindex en elektronisch kinderdossier

De regering wil een elektronisch kinderdossier Jeugdgezondheidszorg invoeren en een Verwijsindex voor risicojongeren ontwikkelen. Dit moet het gebruik en delen van informatie verbeteren. Het vraagstuk rondom de privacy is rondom de Verwijsindex echter lastig te beantwoorden.

 

 

9 Overzicht van de wetten en regels over privacy

 

1.1 Privacy

Privacy is de bescherming van het privéleven, het recht om met rust gelaten te worden. Overheid, instellingen en bedrijven mogen zich niet onnodig mensen in het persoonlijk leven van burgers en moeten zorgvuldig omgaan met persoonlijke informatie van burgers.

 

1.2 Internationale verdragen

Recht op privacy is voor het eerst vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Artikel 12 beschermt het privéleven burgers tegen inmenging van de overheid.

Van grote betekenis is artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden. Dit artikel beschermt het privéleven, gezinsleven, woning en briefwisseling. Inmengingen binnen het privéleven is alleen mogelijk wanneer het om redenen als veiligheid of gezondheidsbelangen etc. gaat en dit mag alleen gebeuren op basis van wettelijke regelingen.

 

Binnen de EU gelden privacybepalingen. De landen van de Unie zijn verplicht om deze bepalingen uit in de nationale wetgeving op te nemen. In Nederland is dit gebeurd in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

 

1.3 Grondwet

Sinds 1983 bevat de Grondwet een privacybepaling, die de persoonlijke leefsfeer van burgers beschermt. Deze is aangevuld met de Wbp.

 

1.4 Wet bescherming persoonsgegevens

De Wpb geeft een algemeen kader voor de omgang met privacy in Nederland. De wet beschrijft onder andere voor welke doelen persoonsgegevens mogen worden verwerkt. De Wpb geeft daarnaast extra regels voor bijzondere persoonsgegevens. Dit zijn persoonsgegevens over onder andere gezondheid, ras, nationaliteit en etniciteit, politieke gezindheid, godsdienst, seksuele leven en toepassing van strafrecht. Op deze bijzondere privacygevoelige gegevens zijn strengere regels van toepassing. De gegevens mogen alleen worden verwerkt wanneer de wet dit toestaat.

 

De Wpb geeft regels voor de verwerking van persoonsgegevens in bijna alle sectoren, instellingen en bedrijven in Nederland. De Wpb is daarmee van kracht in de gezondheidszorg en jeugdzorg.

 

1.5 Andere privacywetten

De politie heeft te maken met de Wet politiegegevens. Het Openbaar Ministerie heeft te maken met de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

 

De Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens regelt de verwerking van persoonsgegevens door de gemeentelijke basisadministratie.

 

1.6 Beroepscodes, richtlijnen en privacyreglementen

Sommige beroepscodes kennen eigen beroepscodes en richtlijnen, bijvoorbeeld voor maatschappelijk werkers en onderwijskundigen. Binnen instellingen worden de algemene privacyregels vaak vertaald in een privacyreglement.

 

Codes, richtlijnen en privacyreglementen worden gezien als een toelichting en uitwerking voor de beroepspraktijk van de geldende wetgeving.

 

1.8 Doel van privacyregels

Privacyregels zijn bedoeld on de persoonlijke leefsfeer van ouders en jeugdigen te beschermen en te bewaken dat beroepskrachten en instellingen zorgvuldig omgaan met persoonsgegevens.

 

Het beroepsgeheim

 

2.1 Inhoud en doel van het beroepsgeheim

Veel beroepskrachten die hulp bieden aan jeugdigen en hun ouders hebben te maken met een beroepsgeheim. De beroepskracht heeft dan toestemming van de ouder of de jeugdige nodig om toestemming over hen met anderen te delen. Het doel van het beroepsgeheim is de drempel tot hulp, ondersteuning of begeleiding zo laag mogelijk te maken.

 

2.2 Wie hebben een beroepsgeheim

Medisch hulpverleners, beroepskrachten in de jeugdzorg en alle andere beroepskrachten die begeleiding, hulp, activering, behandeling, zorg of een andere vorm van ondersteuning aan individuele cliënten bieden hebben een beroepsgeheim. Alle functionarissen die een beroepskracht met een beroepsgeheim ondersteunen hebben te maken met een afgeleid beroepsheim.

 

 

2.3 Werkwijze bij het vragen van toestemming

De beroepskracht heeft dan toestemming van de ouder of de jeugdige nodig om toestemming over hen met anderen te delen. De wet stelt geen eisen aan de vorm van de toestemming. Dit kan dus zowel mondeling als schriftelijk.

 

Een gegeven toestemming kan op ieder moment worden ingetrokken. Uitwisselingen die op dat moment al hebben plaatsgevonden kunnen uiteraard niet ongedaan worden gemaakt.

 

2.4 Leeftijdsgrenzen

Wanneer de jeugdige jonger is dan 12 jaar dan moet toestemming worden gevraagd aan de wettelijk vertegenwoordiger van de jeugdige, dit is meestal de ouder die gezag uitoefent. Wanneer de jeugdige twaalf jaar of ouder is dan moet deze zelf toestemming worden gevraagd over het verstrekken van gegevens. Bij wilsonbekwaamheid bij een jongere van twaalf jaar of ouder wordt ook toestemming gevraagd aan de ouder.

 

2.5 Toestemming van twee gezagsouders

Wanneer een jeugdige twee gezagsouders heeft mag er in de regel vanuit worden gegaan dat de gezagsouder die toestemming geeft voor de verstrekking van gegevens dat im- of expliciet doet uit naam van de andere gezagsouder. Hierop gelden drie uitzonderingen, toestemming van de andere ouder is ook nodig wanneer:

  • Ingrijpende gevolgen kunnen optreden voor kind en gezagsouders

  • Gegevens ook betrekking hebben op de andere gezagsouder

  • Informatie gevoelig ligt bij de andere gezagsouder

Informatie verstrekken zonder toestemming

Wanneer de gezagsouders en of jeugdige toestemming tot het verstrekken van gegevens weigeren of wanneer er geen contact kan worden gelegd met ouders en of jeugdige kan dit leiden tot problemen. De beroepskracht kan er dan voor kiezen toch over te gaan op gegevensverstrekking, hij moet hiervoor te werk gaan met een zorgvuldige besluitvorming.

 

 

10 Omringd door zorg toch niet veilig

 

Conclusies

De overheid is altijd op de hoogte geweest dat seksueel misbruik plaatsvond, maar had geen idee van de omvang en de gevolgen van dit misbruik. Weinig zaken kwamen in de strafrechtketen terecht. Eisen met betrekking tot informatie verstrekken over seksueel misbruik kwamen er pas in de jaren negentig. Binnen de residentiele jeugdzorg, bij kinderen met een licht verstandelijke beperking en meisjes is de kans op misbruik groter.

 

De sector is niet voldoende in staat op de problematieken te herkennen, in te grijpen en bespreekbaar te maken. Er bestaan te veel problemen in de communicatie tussen verschillende instanties.

 

Aanbevelingen
 

Professionalisering
Er is sprake van een handelsverlegenheid wanneer het gaat om seksueel misbruik. Een open cultuur is een voorwaarde voor het openbreken van de taboes rondom seksualiteit. Er moet worden geïnvesteerd in een maatregelen die het hoge verloop van werknemers doen verlagen. Dot kan door een goede begeleiding en door doorgroeimogelijkheden te bieden. De overheid dient te verplichten alle medewerkers in jeugdzorg zich laten certificeren.

 

Rond het kind
Men moet de zelfredzaamheid van kinderen vergroten Het is belangrijk het kind waar mogelijk inspraak te geven. Wanneer een kind uit huis geplaatst wordt moet er onderzocht te worden naar mogelijk aanwezige effecten van een belaste voorgeschiedenis en de wenselijkheid van hulpverlening ter verwerking daarvan.

 

De omgeving van het kind moet weten dat een signaal in het officiële circuit terecht moet komen. Wanneer een kind dit niet wil dan biedt de kindertelefoon een uitkomst.

 

Bij vermoedens van seksueel misbruik binnen een pleeggezin ontstaat de vraag of het verstandig is het kind uit het pleeggezin te plaatsen. Onmiddellijk ingrijpen wordt afgewezen. Men pleit voor een strategie waarbij alle betrokkenen de ernst van de situatie gaan inzien, er afspraken worden gemaakt ter verhoging van veiligheid en de minimalisering van risico’s en dat er toezicht is op de nakoming van deze afspraken.

 

Instellingen moeten voorzien in een heldere en toegankelijke klachtenprocedure.

 

Residentiële jeugdinstelling
Organisaties in de residentiële jeugdzorg dienen in de sollicitatieprocedure altijd referenties op te vragen en na te trekken. Over deze referenties kan vervolgens met de sollicitant worden gesproken. Er dient binnen sollicitatie- en functioneringsgesprekken standaard aandacht voor de problematiek van seksueel misbruik te zijn.

 

Instellingen hebben een acceptatieplicht. Men dient bij plaatsing in een groep rekening te houden met factoren als leeftijd, kwetsbaarheid en problematiek. Men moet een grondige risicoanalyse uitvoeren. Ook moet men zich afvragen of plaatsing in een gemengd samengestelde groep gewenst is of niet.

 

Pleegzorg
Pleegzorgorganistaties dienen altijd referenties op te vragen en af te geven bij aanmelding van aspirant pleegouders. Ook hierbij wordt er gelet op de problematiek van seksueel misbruik, seksualiteit en seksuele ontwikkeling.

 

Pleegouders moeten worden voorbereid op de komst van een kind met een traumatische voorgeschiedenis. Eventuele gedragingen van pleegkinderen de manieren waarop pleegouders hiermee om kunnen gaan moeten worden besproken.

 

Pleegouderorganisaties dienen te voorzien in ondersteuning van jet kind, bijvoorbeeld in de vorm van een 24-uurs hulplijn. Het is daarnaast gewenst een jaarlijkse evaluatie te verrichten waarbinnen wordt gelet op stabiliteit van de gezinssituatie.

 

Er bestaat grote onduidelijkheid over de rolverdeling tussen pleegzorgwerker en voogd. Het is belangrijk tot een goede en duidelijke rolverdeling te komen. De inzet van het sociale netwerk biedt kansen om pleegouders te ondersteunen en ongewenste ontwikkelingen te ondersteunen. Daarnaast kan het sociale isolatie van pleeggezinnen tegengaan en zorgt het voor een vorm van controle op het pleeggezin.

 

Systeem van de residentiële jeugdzorg en de pleegzorg
In elke regio moet er een multidisciplinair casusoverleg zijn, met daarin alle professionals die betrokken zijn bij het kind, waar een casus van seksueel misbruik ingebracht kan worden. Hierdoor wordt alle aanwezige informatie en expertise gebundeld. Alle betrokken organisaties dienen acties in overleg op elkaar af te stemmen.

De inspectiejeugdzorg dient voldoende instrumenten in handen te hebben om de sector te innoveren, controleren en sanctioneren.

 

Er zijn signalen die erop wijzen dat er behoefte is aan een laagdrempelige vorm van geschilbeslechting buiten de rechter om voor kleine geschillen tussen (pleeg)ouder en (gezins)voogd, en pleegzorgwerker tussen ouder en pleegouder. Hierdoor kan men sneller op zoek gaan naar een oplossing en wordt een constructieve samenwerking bevorderd.

 

De politiek
Slachtoffers hebben behoefte aan erkenning en ezcus van bestuurders van instellingen. Slachtoffers van misbruik kunnen terecht bij Schadefonds Geweldsmisdrijven. Dit fonds mag echter geen zaken in behandeling nemen van voor 1973 waardoor veel slachtoffers geen financiële handreiking kunnen krijgen. Het zou dan ook aan te bevelen zijn deze zaken ook toe te laten.

 

Er dient één breed meldpunt oor slachtoffers van seksueel misbruik en geweld te komen. Het meldpunt heeft betrekking op zaken uit het verleden en op zaken waarvoor op dit moment geen meldpunt is. Daarnaast moet er gezorgd worden voor voldoende financieel haalbare en passende hulpverlening.

 

De opkomst van een cliëntvolgsysteem zorgt ervoor dat het voor opvolgende hulpverleners duidelijk is wie zich al eerder met het kind heeft beziggehouden, wat de problematiek en voorgeschiedenis is en welke interventies al zijn toegepast.

 

Implementatie

Seksueel misbruik van kinderen is een ongetemd probleem. Ongetemde problemen zijn fenomenen waar begripsmatig, cijfermatig, beleidsmatig en pragmatisch moeilijk vat op te krijgen is. Het probleem is begripsmatig onvatbaar omdat er geen eenduidige formulering van het verschijnsel te geven is. Deze varieert immers in de loop van tijd en past zich aan aan nieuwe visies. Problemen in de definitie zorgen er mede voor dat het probleem moeilijk te becijferen is. Dit komt ook door de relatieve onzichtbaarheid van het probleem. Seksueel misbruik kent psychiatrische, medische, juridische, maatschappelijke en morele aspecten die allemaal in het beleid verdisconteerd moeten zijn. Het opstellen van een goede beleidsplan is hierdoor lastig. De problemen kunnen alleen worden opgelost met een combinatie van samenhangende maatregelen en praktijken.

 

 

 

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use more summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
511
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.