Samenvatting Analyseren in kwalitatief onderzoek (Boeije)

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


1. Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft welke plaats kwalitatief onderzoek inneemt in het doen van onderzoek op dit moment.

In kwantitatief onderzoek worden hypothesen afgeleid uit de vooraf gekozen theorie en de literatuur. Die hypothesen toetst men dan weer door onderzoek. De interessante elementen of kenmerken die je in het onderzoek wil meten, worden van tevoren bepaald op basis van de theorie. Er wordt gewerkt aan de hand van getallen waarbij statistische criteria worden gebruikt om te berekenen of de resultaten de hypothese bevestigen of juist verwerpen. Daarna probeer je de uitkomsten te verklaren.

In kwalitatief onderzoek wordt de literatuur vooral gebruikt om een probleemstelling te formuleren die in het onderzoek als richtsnoer kan fungeren. Het doel is om het onderzoeksonderwerp met de goede begrippen te beschrijven en te kunnen begrijpen wat zich afspeelt.

 

Instrumenten die de onderzoeker zelf ontwikkelt zorgen voor de verzameling van gegevens.
In kwalitatief onderzoek wordt gebruik gemaakt van kleine onderzoekseenheden i.p.v. grote.
De resultaten van kwalitatief onderzoek zijn beschrijvingen van begrippen die de onderzoeker uit de gegevens haalt en van redeneringen die de participanten zelf aandragen.

 

Er zijn drie algemene onderzoeksopvattingen. Een onderzoeksopvatting is het geheel van aannames en vooronderstellingen over de sociale werkelijkheid en over de manier waarop je door middel van onderzoek de werkelijkheid kan leren kennen. De bovenste twee worden het meest gebruikt:

  • Empirisch-analytische opvatting. Vooral bij kwantitatief onderzoek.

  • Constructivistische/ interpretatieve opvatting. Vooral bij kwalitatief onderzoek.

  • Kritisch-emancipatoire opvatting.

 

In kwalitatief onderzoek zijn twee varianten te onderscheiden:

  • Structurele variant. De interesse gaat uit naar de kenmerken van taal en communicatieprocessen. Onderzoekers kijken vooral naar het communicatieproces en de rol van taal daarin. Soorten onderzoek hierbij zijn etnomethodologie, discoursanalyse en conversatieanalyse (hierbij onderzoekt men de dagelijkse gesprekken van mensen).

  • Interpretatieve variant. De interesse gaat uit naar het begrijpen van betekenissen van teksten of gedrag. Hier gaat dit boek voornamelijk over. Er wordt gekeken naar de sociale werkelijkheid, die sociaal geconstrueerd is door middel van symbolisch interactionisme. Mensen geven betekenis aan alles wat ze zien/meemaken, en die betekenissen wisselen ze met elkaar uit, waardoor ze gezamenlijk een werkelijkheid construeren. De onderzoeker kijkt hierbij hoe de participanten de sociale situatie interpreteren. Hierbij wordt gehandeld vanuit de fenomenologie en het symbolisch interactionisme. Soorten onderzoek zijn participerende observatie en (halfgestructureerde) interviews.
    Binnen de interpretatieve variant zijn drie hoofdvormen van onderzoek:

  • Etnografische studie → zoals het eerder bestudeerde ‘kapot moeilijk’. Probeert een beeld te schetsen van een culturele groep, door middel van veldwerk. Dataverzameling wordt vooral gedaan aan de hand van participerende observatie. Kenmerkend aan de etnografische study is dat een onderzocht persoon – en vaak vooral degene die als ‘gatekeeper’ functioneert – ook medeonderzoeker kan worden.

  • Case study/gevalsstudie → Hierbij bestudeert de onderzoeker een verschijnsel of casus in de natuurlijke context. Wordt vooral gedaan binnen het organisatie- en beleidsonderzoek. De case wordt zoveel mogelijk in zijn geheel onderzocht. Dit heeft tot gevolg dat: a) de gegevens verzameld en geanalyseerd worden op verschillende niveaus, b) er zoveel mogelijk methoden van dataverzameling worden gebruikt om het verschijnselen vanuit verschillende invalshoeken te bekijken, c) het verschijnsel niet geïsoleerd bestudeerd wordt maar wordt bekeken in de relevante omgeving waarin het plaatsvindt.

  • Grounded theory / Gefundeerde theoriebenadering → Het doel is begripsontwikkeling of theorieontwikkeling. Grondleggers zijn Glaser en Strauss. Grounded theory laat zien dat stap voor stap een theorie ontwikkeld kan worden op basis van systematisch verkregen en geanalyseerde onderzoeksdata. Die ontwikkelde theorie past dan precies bij de onderzochte situaties omdat hij juist daaruit ontwikkeld is en daardoor ondersteund wordt. Grounded theory is een werkwijze waarin data de hoofdrol hebben en er voor zorgen voor een theoretische beschrijving en een verklaring van een verschijnsel. Vaak wordt maar één manier van dataverzameling gebruikt: interviewen. In het onderzoek wordt gebruik gemaakt van een gefaseerde onderzoeksopzet waarbij dataverzameling en data-analyse elkaar afwisselen. Veel onderzoekers waren enthousiast over deze ‘nieuwe’ benadering, omdat deze beweert dat een theorie gevormd kan worden, en niet gewoon al bestaat.

 

Algemeen/generic kwalitatief onderzoek: hierbij kiezen de onderzoekers vanuit pragmatische (gekeken naar nut, bruikbaarheid) redenen voor kwalitatief onderzoek (vb soort vraagstelling), in plaats van omdat ze gebonden zijn aan een bepaalde traditie.

 

Definitie kwalitatief onderzoek:

In kwalitatief onderzoek gaat de vraagstelling over (1) onderwerpen die te maken hebben met de manier waarop mensen betekenis geven aan hun sociale omgeving en hoe ze zich op basis daarvan gedragen. (2) De onderzoeksmethoden die gebruikt worden proberen het onderwerp vanuit het oogpunt van de onderzochten te zien en uiteindelijk (3) te beschrijven, begrijpen en waar mogelijk te verklaren.

Het belangrijkste probleem in veldwerk is de relatie tussen de onderzoeker en de professionals uit het veld.

Het algehele uitgangspunt van kwalitatief onderzoek is dus (nogmaals) dat mensen betekenis geven aan hun sociale omgeving en op basis van die betekenisgeving handelen. W. I. Thomas ondersteunt dit met zijn uitspraak: ‘If men define situations as real, they are real to them in their consequences’ → Het gedrag en de consequenties van dat gedrag weerspiegelen de betekenis die mensen aan dingen geven. Het zijn sociaal ‘hard’ geworden manieren van denken, doen en voelen.

 

Etic perspective: perspectief/oogpunt van de onderzoeker en zijn theoretische invalshoek zelf.

Emic perspective: perspectief/oogpunt van de onderzochte personen, hier proberen kwalitatieve onderzoekers zich in in te leven.

Om dat emic perspective te leren kennen gebruikt de onderzoeker zichzelf als instrument om data te verzamelen. De onderzoeker probeert zich in te leven in de situatie van de onderzochte personen, zijn gewoontes te leren kennen en het gedrag te observeren.

 

Kwalitatief onderzoek kent een open procedure: de onderzoeker neemt veel beslissingen niet van tevoren maar juist tijdens het onderzoek.

Kwalitatief onderzoek gebruikt daarnaast vooral een inductieve analysemethode: men begint bij de gegevens en zoekt daar ondersteunende literatuur bij, i.p.v. andersom.

 

Kenmerken van kwalitatief onderzoek op een rijtje:

  • Interpretatieve methode: gekeken naar de beleving van de onderzochten

  • De onderzoeker is zelf het meetinstrument

  • Naturalistisch: onderzoek in de alledaagse omgeving van de onderzochten

  • Er is een open onderzoeksprocedure (veel beslissingen worden in de loop van het onderzoek genomen)

  • Er wordt gewerkt aan de hand van teksten met uitgebreide en gedetailleerde beschrijvingen.

  • Verklaringen van betrokkenen worden beïnvloed door hun theoretische en/of maatschappelijke achtergronden.

 

Wanneer kies je voor kwalitatief onderzoek?

  • Bij situaties waarin je de betekenis achter interacties, gedragingen, gevoelens, processen en ervaringen wilt onderzoeken.

  • In situaties waarin het bijzondere of eigenaardige van een persoon, situatie of organisatie beschreven wordt.

  • In situaties waarnaar nog weinig onderzoek is gedaan en men eventueel een meetinstrument wil maken.

  • Bij situaties die dermate complex of veranderlijk zijn dat een open methode nodig is.

  • In situaties waarin het moeilijk is om kwantitatief onderzoek te doen vanwege praktische of ethische redenen.

  • In situaties waarnaar al heel veel onderzoek is gedaan, maar waarbij de uitkomsten elkaar tegenspreken of om een verklaring vragen.

 

Als kwantitatief en kwalitatief onderzoek wordt gecombineerd, is dat op één van de volgende wijzen:

 

 

Kwalitatief dominant

Kwantitatief dominant

Achter elkaar

1.KWALITATIEF → kwantitatief

2.KWANTITATIEF → kwalitatief

Tegelijkertijd

3.KWALITATIEF + kwantitatief

4.KWANTITATIEF + kwalitatief

 

  1. Komt vooral voor wanneer de uitkomsten van het kwalitatieve onderzoek aanleiding geven tot een (toetsend) kwantitatief onderzoek.

  2. Komt vooral voor wanneer je verklaringen zoekt voor de (onverwachte) uitkomsten van kwantitatief onderzoek.

Maar mag je kwalitatief en kwantitatief onderzoek wel combineren?
Het empirisch-analytisch paradigma geeft namelijk de voorkeur aan kwantitatief onderzoek en het interpretatieve paradigma aan kwalitatief onderzoek. Hier spreek je echter van een ‘voorkeur’: er is een keuze. Hierbij heb je twee achterliggende gedachten:

  1. Paradigmatische redenering: de keuze voor een bepaalde onderzoeksmethode wordt bepaald door je affiniteit met een bepaald paradigma. Hierbij is het erg lastig of zelfs onmogelijk om kwalitatief en kwantitatief onderzoek te combineren.

  2. Pragmatische redenering: de keuze voor een bepaalde onderzoeksmethode wordt bepaald door praktische overwegingen. Hierbij is het wel mogelijk om kwalitatief en kwantitatief onderzoek te combineren.

 

 

2. De opzet van een kwalitatief onderzoek

Het is voor onderzoekers moeilijk om een balans te vinden tussen het (onderzoeks)plan en de (uitvoerings)praktijk. Een plan geeft handvatten, een houvast, maar dit mag er niet voor zorgen dat het onderzoek niet meer enigszins flexibel is.

De flexibele aanpak mag op haar beurt echter weer niet leiden tot vrijblijvendheid. Een goede voorbereiding die men terugvindt in een onderzoeksopzet of onderzoeksplan moet er voor zorgen dat onderzoekers niet afgeleid raken van hun eigenlijke onderwerp en moet er voor zorgen dat de onderdelen van het onderzoek bij elkaar passen of blijven passen.

 

In een onderzoeksvoorstel staat de onderzoeksopzet beschreven.

Maxwell zegt dat je het onderzoeksvoorstel moet zien als een argument dat overtuigend moet laten zien wáárom dit onderzoek nodig is, wat je gaat doen en wat waarschijnlijk de resultaten zullen zijn.

 

Probleemstelling

Een heldere, duidelijke probleemstelling heeft het gehele onderzoek en de data-analyse richting. Een probleemstelling bestaat uit een vraagstelling en een doelstelling.

  • De vraagstelling heeft betrekking op de te verkrijgen kennis.
    Ook de vraagstelling kent een open benadering (mag aangepast worden gedurende het onderzoek).
    Met kwalitatief onderzoek kan men vragen beantwoorden die betrekking hebben op de aard van het verschijnsel in plaats van op de omvang van het verschijnsel. Het gaat hierbij om zowel beschrijvende vragen (wat?) als om verklarende vragen (hoe? Welke? Waardoor?).
    Het is moeilijk om goede onderzoeksvragen te formuleren, omdat:

    • De onderzoeksvragen bij elkaar moeten passen en in een logische volgorde moeten staan

    • De onderzoeksvragen onder de vraagstelling moeten vallen

    • Het vragen moeten zijn die te beantwoorden zijn met het voorgestelde onderzoek

    • De vragen moeten zo geformuleerd zijn dat ze passen bij het gekozen theoretische perspectief

  • De doelstelling heeft betrekking op het nut van het zoeken van een antwoord op de vraagstelling. Onderzoek kan twee doelen hebben:

    • Wetenschappelijk doel: puur kennis vergaren. Hierbij doet men fundamenteel onderzoek. Men maakt gebruik van empirische kennis: de onderzoeker beschrijft wát er is.

    • Maatschappelijk doel: de kennis gebruiken om een maatschappelijk vraagstuk aan te pakken. Hierbij doet men praktijkgericht onderzoek. Men beschrijft wáárom iets er is. Een enkel onderzoeksproject kan geen complete, sociale theorie opleveren maar het kan wel een set van theoretische veronderstellingen ontwikkelen. Verklarende veronderstellingen zijn uitspraken over samenhang of over relaties.
      Praktijkgericht onderzoek heeft als doel het oplossen van een ongewenste situatie. Hierbij zoeken ze naar verklaringen, omdat ze gedrag misschien kunnen sturen en voorspellen (waardoor ze een situatie op kunnen lossen) als ze eenmaal weten wat de redenen achter dat gedrag zijn.

  • In een onderzoek kunnen deze twee doelen gecombineerd worden: een onderzoek kan streven naar vermeerdering van kennis en verbetering van praktijk.

 

Vroeger vond men het niet juist om van tevoren te lezen over het onderzoeksonderwerp. Het doornemen van bestaande theorieën en eerder onderzoek zou ervoor kunnen zorgen dat je niet meer met een open blik naar je eigen onderzoek keek. Dit idee is echter ter discussie gesteld, en er zijn drie redenen waarom men het tegenwoordig niet meer eens is met deze visie:

  1. Wetenschappelijke kennis cumuleert. Als niemand leert van wat anderen hebben onderzocht en gevonden, wordt iedere keer ‘het wiel opnieuw uitgevonden’. Onderzoek bouwt dan niet voort op kennis die er al is, maar iedereen vindt steeds dezelfde kennis.

  2. Het onderzoeksklimaat is zakelijker geworden. Een onderzoeksvoorstel zonder probleemstelling maakt geen schijn van kans bij opdrachtgevers, subsidiegevers en projectbegeleiders.

  3. Onderzoekers gingen beseffen dat een literatuurstudie een belangrijke functie heeft bij de opzet en uitvoering van het onderzoek.

 

Dit dilemma van wel of niet inlezen in bestaande literatuur wordt via twee wegen opgelost:

  1. Bracketing: onderzoekers proberen de kennis die ze uit literatuur hebben gekregen zo lang mogelijk apart te zetten. Door kennis en verwachtingen tijdelijk geen rol te laten spelen, is het toch mogelijk om open het veld in te gaan.

  2. Sensitizing concepts: onderzoekers werken met maar een paar begrippen en die begrippen werken ze nog niet uit. Het zijn gevoelig makende of richtinggevende begrippen die je kunt zien als een soort bril waarmee de onderzoeker naar het veld kijkt. Het is de bedoeling dat deze sensitizing concepts, die in het begin een ruime en algemene beschrijving hebben, tijdens de analyse worden ingevuld in het veld van onderzoek, dus via het veld een specifiekere betekenis krijgen.

 

Samenstelling van onderzoekseenheden

Men mag bij kwalitatief onderzoek niet spreken van een ‘steekproef’, omdat het wijst op twee dingen die daar niet van toepassing zijn:

  1. Een aselecte trekking: hierbij wordt de selectie bepaald door toeval. Dit is bij kwalitatief onderzoek niet het geval, hier zoekt men zelf groepen, plaatsen of personen op.

  2. Statistische generalisatie: uitspraken doen over de gehele populatie terwijl je alleen de steekproef, een deel van de populatie dus maar, hebt onderzocht.

Ook de keuze van het veld heeft consequenties. Het uitgangspunt van het veld moet maximalisatie zijn: men moet kijken waar het onderwerp van onderzoek het sterkst aanwezig of duidelijk is.

 

Selectie van eenheden en het trekken van een steekproef is niet altijd nodig. Soms kan het hele veld dat de onderzoeker bestudeert worden betrokken bij het onderzoek.
Wanneer er in kwalitatief onderzoek wél een steekproef moet worden getrokken, gebeurt dit op basis van een purposive sampling of doelgerichte steekproef: hierbij worden doelgericht onderzoekseenheden uit de populatie geselecteerd die bepaalde kenmerken representeren. De kenmerken van de populatie zijn de basis van de selectie. Voor het doen van een doelgerichte steekproef zijn veel verschillende manieren. Deze verschillen op basis van de probleemstelling van het onderzoek. Een paar van de meest gebruikte manieren zijn trekking van een extreem geval, een typisch geval, een kritisch geval, een uniek geval, theoretische selectie, trekking met maximale variatie, homogene trekking, convenience en snowball sampling.
Bij theoretische selectie selecteert de onderzoeker eenheden (situaties, gebeurtenissen of personen) op basis van hun potentiële bijdrage aan de analyse.
Dit is een cyclisch proces: de onderzoeker kiest een aantal eenheden en analyseert de gegevens. Op basis van de bevindingen wordt opnieuw een aantal eenheden gekozen, etc. Hierbij wisselen data-analyse en dataverzameling elkaar af en lopen dus door elkaar heen.

Bij theoretische selectie is het idee dat men actief zoekt naar uitzonderingsgevallen. Hierdoor wordt de interpretatie of theorie steeds aangescherpt. Dit speelt een rol bij de exploratie en verificatie van veronderstellingen en hypothesen.

 

Een onderzoeker kan stoppen met dataverzameling en selectie van eenheden als er verzadiging optreedt. Dat is hierbij wanneer men bij de analyse van nieuw geselecteerde gevallen geen nieuwe informatie meer vindt over de relevante onderwerpen. De analyse wordt dan afgerond.

 

Dataverzameling

Bij kwalitatief onderzoek zijn er twee belangrijke methoden om gegevens te verzamelen:

  • Participerende observatie. Ook wel veldwerk (fieldwork) genoemd. Hierbij heeft de onderzoeker een veelzijdige en relatief lange relatie met de gemeenschap in een natuurlijke setting (veld), met als doel om wetenschappelijke kennis over die gemeenschap te ontwikkelen. Net als bij ‘Kapot moeilijk’. Doordat de onderzoeker deelneemt aan het sociale leven van de onderzochten wordt het mogelijk om directe waarnemingen te doen. Wordt vooral veel gebruikt in de culturele antropologie (etnografische traditie) en de sociologie. De onderzoeker is zelf het meetinstrument.

    Hoe een onderzoeker zich moet gedragen in het veld en wat de juiste relatie is tussen de onderzoeker en het veld is gebonden aan ethische richtlijnen. Men verkiest open optreden boven verhuld optreden. Bij open optreden is de onderzoeker eerlijk tegen de personen in het onderzoek over wat zijn bedoelingen zijn.

    Een onderzoeker moet al zijn waarnemingen vastleggen. Bij ‘feitelijkheden’ die zintuiglijk zijn waar te nemen en empirisch aan te tonen is dat geen probleem. Bij zaken als sfeer, reacties, misverstanden, enzovoorts is dit echte wat moeilijker: iedereen interpreteert dingen namelijk anders. Men loopt hierbij het risico dat waarnemingen en eigen interpretaties en ideeën in elkaar overlopen of door elkaar staan, en daar worden de bevindingen niet duidelijker van. Als oplossing hiervoor worden waarnemingen onderverdeeld in drie soorten notities: observatienotities, methodologische notities en theoretische notities.
    Onderzoekers in participerende observaties kijken naar drie dingen:

  • Cultureel gedrag: wat mensen dóen (gebeurtenissen en interacties).

  • Culturele kennis en opvattingen: wat mensen wéten

  • Culturele artefacten: de voorwerpen of dingen die mensen maken en gebruiken zoals kunst, kleding, gereedschap en ook symbolische tekens.

 

  1. Kwalitatief interview. Een gesprek waarin de interviewer vragen stelt over gedragingen, opvattingen, houdingen en ervaringen ten aanzien van bepaalde sociale verschijnselen aan één of meerdere geïnterviewden.
    Hoe meer gestructureerd het interview, hoe meer de interviewer de richting bepaalt. Structurering kan op het gebied van de 1) inhoud, 2) formulering, 3) volgorde en 4) antwoordkeuze van de vragen. Wanneer op een aantal van deze vier punten gestructureerd wordt, spreek je van een semi- of halfgestructureerd interview. Wanneer de vier punten (deels) afhangen van de interviewsituatie, spreek je van een open of kwalitatief interview. Een kwalitatief interview is dus een interview waarbij maar deels wordt vastgehouden aan gestructureerde inhoud, formulering, volgorde en antwoordkeuze van de vragen en de inhoud van het interview (groten)deels afhangt van de situatie.
    Kenmerken van kwalitatieve interviews:

    • De interviewer zorgt ervoor dat de vragen die worden gesteld passen binnen het referentiekader van de geïnterviewde. De vragen horen dus bij het onderwerp waar de participant mee ingestemd heeft.

    • De interviewer moet er goed op letten dat het contact met de participant goed en fijn verloopt, zowel vanuit menselijk oogpunt als met het oog op het onderzoeksdoel.

 

Ruwe data zijn data zoals ze in eerste instantie worden verzameld, ze zijn dan nog niet bewerkt. Het proces van bewerken van de data om ze geschikt te maken voor analyse heet voorbewerking of data preparation.

 

3. Kwalitatieve analyse en haar principes

De analyse wordt ook wel gezien als een ‘black box’: het is moeilijk te zien wat er tijdens de analyse gebeurt. De analyse draagt echter bij aan het inzicht van de onderzoeker in zijn onderwerp, hierdoor kan hij beslissen wat er uiteindelijk wel en wat er niet in de eindrapportage thuishoort.

 

Analyseren is de uiteenrafeling van de gegevens over een bepaald onderwerp in categorieën, het vervolgens met begrippen benoemen van deze categorieën en tenslotte het aanbrengen en toetsen van relaties tussen begrippen in het licht van de probleemstelling.

In deze definitie staat twee acties: uiteenrafelen en structureren.

Onderzoekers rafelen gegevens uiteen (ook wel fragmenteren), om ze vervolgens weer in elkaar te zetten (ook wel synthetiseren, structureren, integreren of modelleren). Zowel bij uiteenrafelen als bij structureren moet de onderzoeker constant nadenken over de gegevens, over de samenhang tussen bepaalde categorieën en over de toetsing van de gevonden samenhang. Het eindresultaat is de synthese, die wordt getrokken naar de probleemstelling. Het is nodig om de gegevens uiteen te leggen om te kunnen doorgronden welke onderwerpen er in de ruwe data aan bod komen en waarop de gegevens precies betrekking hebben.

Dus analyseren is: uiteenrafelen/fragmenteren → structureren/synthetiseren → een synthese.

Coderen doe je wanneer je een aantal fragmenten hetzelfde label geeft, je brengt ze allemaal samen onder dezelfde categorie. Bij uiteenrafeling van gegevens worden er in de data verschillende fragmenten onderscheiden. Vervolgens worden de fragmenten die volgens de onderzoeker bij elkaar horen, bij elkaar gezocht. Die groep fragmenten krijgt een overkoepelende naam, een code.

Structurering vindt plaats naarmate het onderzoek vordert.

Ook voor het ‘zien’ van deze thema’s is het noodzakelijk om met een bepaalde (theoretische) bril te kijken → theoretische sensitiviteit.

Vervolgens kan men weer kijken of de begrippen of thema’s ook aan elkaar gelinkt kunnen worden. Het vinden van dit soort samenhang vereist ook weer een theoretische sensitiviteit van de onderzoeker. De relaties tussen de verschillende begrippen in het model worden gelegd op basis van bepaalde waarnemingen in het onderzoek. Vervolgens worden ze in hetzelfde onderzoek getoetst met waarnemingen bij andere plaatsen.
Een onderzoek kent vaak één (en soms meerdere) kernbegrip(pen). De onderzoeker neemt een beslissing over het kernbegrip na vele ronden van dataverzameling en data-analyse en na lang nadenken over het onderwerp. Het is echter mogelijk dat een andere onderzoeker een andere beslissing zou nemen.

 

Waarom is de analyse bij kwalitatief onderzoek zo moeilijk?

Net als de dataverzameling kent ook de analyse een open onderzoeksprocedure. Open in de analyse betekent dat er een systeem van begrippen wordt opgezet waardoor de onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord. Net als de probleemstelling staan ook de begrippen binnen het onderzoek niet vast. Deze worden tijdens het onderzoek ontwikkeld en bijgeschaafd. Doordat de relatie tussen de gegevens en de begrippen dus niet vaststaat, is het heel moeilijk om gegevens te analyseren.

Op de kaft van het boek staat een vormenstoof (zie afbeelding). Deze is een metafoor voor het proces van kwalitatieve analyse.

Een vormenstoof is kinderspeelgoed waarbij een kind leert dat een bepaald vormpje alleen door een bepaald gat past. Bij de metafoor staat de doos voor het theoretische model en staan de vormpjes voor de gegevens. In het begin is het theoretisch model nog maar heel klein en onderontwikkeld. Dan wordt er gewerkt met een dichte doos met maar één of twee openingen: de enkele begrippen uit de literatuur die een rol gaan spelen. Bij de verzameling van de eerste data worden er een aantal nieuwe vormen in de doos geponst: van een aantal begrippen wordt duidelijk dat ze deel uit gaan maken van het analytische model. Alle gevonden vormpjes worden in de doos gestopt en als het nodig is wordt er een nieuwe vorm in de doos geponst, net zo lang tot alle vormen bekend zijn en ze allemaal via de goede opening in de doos gestopt kunnen worden. Dat is het moment dat alle gegevens (de vormpjes) geanalyseerd zijn (gekeken is waar ze in passen) en hun plaats innemen binnen het theoretisch model (de doos).

 

Analyseren bestaat uit twee activiteiten: denken en doen. De onderzoeker moet evenwicht zien te vinden tussen dat denken en dat doen.
De onderzoeker moet veel doen: lezen, typen, opzoeken, raadplegen, gegevens combineren, literatuur zoeken, schema’s tekenen etc.

Daarnaast moet de onderzoeker veel denken: nagaan hoe zijn onderzoek past binnen de literatuur, hoe de onderzoeksvragen mogelijk te beantwoorden zijn, hoe het komt dat iets op de ene plaats/tijd anders is dan op de andere plaats/tijd.

Het is belangrijk dat denken en doen gecombineerd worden.

Daarbij is het belangrijk indrukken en gedachten systematisch in een memobestand bij te houden. Memo’s kunnen fungeren als een scharnier tussen denken en doen. De ideeën die op de memo’s staan (afgeleid uit het denken) sturen het handelen van de onderzoeker aan (het doen). Ze zijn daarom erg belangrijk.

Je kunt een onderscheid maken in drie soorten memo’s:

  1. Observatiememo’s. Dit zijn veldnotities of veldaantekeningen. Ze worden gebruikt om de waarnemingen van de onderzoeker te beschrijven.

  2. Methodologische memo’s. Hierin schrijft de onderzoeker de leerervaringen op die hij opdoet met de methoden die hij toepast. Het zijn geheugensteuntjes en instructies van de onderzoeker aan zichzelf. Ook kan er in methodologische memo’s worden opgeschreven wat er gedaan is in een bepaalde periode. Hiermee krijgen de memo’s de functie van een soort dagboek of veldwerkjournaal.

  3. Theoretische memo’s. Ook wel analytische memo’s. Hierin worden alle ideeën opgeschreven die betrekking hebben op de resultaten van het onderzoek. Met theoretische memo’s probeert men betekenis af te leiden uit de waarnemingen die gedaan zijn.

 

Afwisseling van dataverzameling en data-analyse

Opvallend aan kwalitatief onderzoek is dat hierbij dataverzameling en data-analyse constant worden afgewisseld in een cyclisch proces. Ook wel spiraalvormig, iteratief of hermeneutisch proces genoemd. In kwantitatief onderzoek werkt het heel anders: daar zijn de fasen van dataverzameling en data-analyse van elkaar gescheiden en vinden ze na elkaar plaats. Dit is een lineair proces.

Dat in kwalitatief onderzoek wordt gewerkt aan de hand van een cyclisch proces heeft een aantal redenen:

  1. Het helpt bij het exploratieve vermogen van het type onderzoek dat wordt nagestreefd. Het principe van theoretische selectie heeft hier direct mee te maken, want dit betekent nou juist dat de voorlopige analyse of theorieën bepalen waar de onderzoeker nieuwe gegevens gaat verzamelen.

  2. Verwachtingen of tussentijdse hypothesen over de samenhang tussen verschijnselen kunnen worden getoetst op hun juistheid bij de nieuwe gevallen. Men kijkt wat er al bekend is op basis van de al onderzochte en geanalyseerde gegevens en kijkt of dit strookt met de nieuwe gegevens die worden verzameld. De gegevens worden hieraan aangepast, weer geanalyseerd en vervolgens weer vergeleken met weer nieuwe data.

 

Drie uitgangspunten van kwalitatieve analyse

Hierboven zijn drie termen gebruikt die bij kwalitatieve analyse gebruikt worden.

  • Constantevergelijking
    Theoretische selectie en constante vergelijking gaan hand in hand.
    Elke keer als er nieuwe gegevens zijn verzameld wordt de dataverzameling tijdelijk wordt afgesloten zodat je kunt gaan analyseren. Hierbij kunnen nieuwe begrippen worden geformuleerd, kan de inhoud van een begrip zich wijzigen en ontstaan er nieuwe vragen en veronderstellingen over de samenhang tussen categorieën. Dit kun je zien als een soort tussenresultaat. Deze tussenresultaten worden vervolgens getoetst in een nieuwe periode van dataverzameling waarbij de gevallen strategisch worden gekozen. Hierdoor levert een nieuwe dataverzameling vergelijkingsgevallen op. De omstandigheden waaronder een verschijnsel zich op een bepaalde manier voordoet, kunnen worden gevonden door onderzoeksmateriaal systematisch met elkaar te vergelijken.
    Constante vergelijking is dus concreet gezegd het steeds weer toetsen van tussentijdse gevormde begrippen en inzichten aan een nieuwe ronde van dataverzameling.
    Wester heeft de methode van het constant vergelijken uitgewerkt als een strategie voor kwalitatief onderzoek. Deze strategie kent vier fasen:

  • De exploratiefase: hierin worden begrippen ontdekt. Onderzoekers verkennen het veld en gaan voor het eerst op onderzoek uit.

  • De specificatiefase: hierin worden begrippen ontwikkeld. De onderzoeker kiest uit de vele codes een aantal hoofdcodes en zoekt naar verschillen en overeenkomsten tussen de fragmenten met dezelfde code. Hierdoor kan het begrip dat door de hoofdcode wordt aangegeven, verder worden uitgewerkt.

  • De reductiefase: hierin wordt het kernbegrip bepaald. Analyse is gericht op de uitwerking van het kernbegrip en de relaties van dit kernbegrip met
    andere begrippen.

  • De integratiefase: hierin wordt de theorie uitgewerkt. Hierbij is er constante vergelijking in de vorm van het gericht zoeken naar gevallen waarbij de bevindingen worden getoetst.

  1. Analytische inductie

Belangrijk hierbij is Florian Znaniecki.
Analytische inductie kan worden opgevat als een onderzoeksstrategie. Bij analytische inductie wordt gezocht naar de best passende structuur in het onderzoeksmateriaal. Het wordt hoofdzakelijk gebruikt om theorie te ontwikkelen over de oorzaken van bepaald gedrag. Hierbij worden steeds weer hypothesen getoetst aan nieuw materiaal, waarbij nadrukkelijk wordt gezocht naar gevallen die de hypothese níet steunen (en dus juist ontkrachten).

Maso en Smaling geven een toepassing van de methode van analytische inductie voor theoriegericht onderzoek, dat wil zeggen onderzoek waarin de vraagstelling is gericht op het zoeken naar een verklaring. De toepassing heeft vier fasen:

    • De incubatiefase. Hierin wordt een theoretisch kader ontwikkeld op basis van de literatuur. Dat theoretische kader bestaat uit begrippen, veronderstellingen en hypothesen.

    • De confrontatiefase. Hierin wordt het theoretisch kader direct na de eerste dataverzameling afgezet tegen de informatie die de waarnemingen hebben opgeleverd. De begrippen, veronderstellingen en hypothesen uit het theoretisch kader worden op basis van de confrontatie bijgesteld, verworpen, aangepast, verdiept, etc.

    • De generatiefase. Hierin speelt het nieuwe materiaal de hoofdrol: er worden nieuwe ideeën en hypothesen geopperd door open te staan voor wat er in het materiaal naar voren komt. Er wordt actief gezocht naar negatief bewijs, bevindingen die de veronderstellingen niet steunen, waardoor verdieping mogelijk wordt.

  • Deze drie fasen worden meerdere keren doorlopen.

    • De afsluitingsfase. Hierin wordt een voorlopig antwoord gegeven op de onderzoeksvragen, met een duidelijke indicatie waar de gegevens vandaan komen.

Maso en Smaling laten met deze toepassing van de methode van analytische inductie zien dat als je consequent blijft vasthouden aan deze fasen dat tot een zeer systematische werkwijze leidt.

 

  1. Theoretische sensitiviteit

Theoretische sensitiviteit is het vermogen van de onderzoeker om creatieve vindingen te doen in onderzoeksgegevens door vanuit een bepaalde theoretische

lens of bril naar de gegevens te kijken.
Gewapend met bepaalde kennis kan een onderzoeker met de juiste blik naar de gegevens kijken, dat wil zeggen: theoretisch sensitief of theoretisch geladen.

Door Glaser en Strauss is er een heftige discussie over dit onderwerp gevoerd.
Glaser gaf theoretische sensitiviteit een hele grote rol bij het analyseren van gegevens. Hij ontwierp vele modellen (mallen) die onderzoekers konden gebruiken om hun gegeven te structureren. Deze mallen noemde hij coding families.
Strauss en Corbin ontwierpen daarentegen een mal die ze coding paradigm noemden, waarvan de beweerden dat hij bij alle data paste. Deze mal bestaat uit de onderdelen condities, context, interactionele strategieën en consequenties. Volgens Strauss moet in de data altijd naar deze elementen worden gezocht.
Glaser vindt echter dat wanneer je de coding paradigm mal van Strauss gebruikt, er geforceerde modellering (forcing) ontstaat. Hier tegenover staat volgens hem emerging, een werkwijze waarbij de relevante categorieën komen bovendrijven door interacties tussen de gegevens en de onderzoeker.

 

Glaser

Strauss (en Corbin)

Coding families

Coding paradigm

Verschillende mallen voor verschillende data

Eén mal die bij alle data past

Leidt tot emerging (volgens Glaser)

Leidt tot forcing (volgens Glaser)

 

Samenvatting belangrijke punten uit het hoofdstuk:

  • Vóór het empirische gedeelte van een kwalitatief onderzoek wordt de literatuur grondig doorgenomen. De literatuur bepaalt het vakgebied, draagt bij aan de formulering van de probleemstelling en levert sensitizing concepts.

  • De analysewerkwijze wordt gebaseerd op het principe van constante vergelijking. Deze constante vergelijking is onlosmakelijk verbonden met een werkwijze waarbij dataverzameling en data-analyse worden afgewisseld in een cyclisch proces.

  • De techniek van het coderen is het belangrijkste hulpmiddel in de analyse.

  • Analyseren is denken en doen. Het doen van bepaalde activiteiten stimuleert het denken. Omgekeerd zet nadenken over analyse aan tot het doen van allerlei activiteiten. Memo’s van de onderzoeker zelf zijn het scharnier tussen denken en doen. In deze memo’s legt de onderzoeker vast welke inzichten hij heeft gekregen en hoe deze inzichten zijn beslissingen in het onderzoek ondersteunen.

  • Voor een goed verloop van het onderzoek is het erg belangrijk dat het analyseproces gestructureerd wordt. Het kwalitatieve onderzoeksproces is namelijk een cyclisch proces. De onderzoeksslang is een structuur die het analyseproces schematisch weergeeft. De onderzoeksslang vind je op blz. 83 van het boek. Belangrijk!

 

4. De technieken en methoden bij kwalitatieve analyse

Uiteenrafeling van de gegevens is open coderen en axiaal coderen.
Structurering van de gegevens is selectief coderen.

 

Bij het coderen maakt de onderzoeker onderscheid in verschillende thema’s of categorieën in de onderzoeksgegevens en benoemt hij deze met een code.

 

Analytisch: in begrippen uitgedrukt. Wordt ook wel theoretisch of conceptueel genoemd.

 

Open coderen

Alle gegevens die tot dan toe zijn verzameld, worden heel zorgvuldig gelezen en in fragmenten ingedeeld. De relevante fragmenten worden gelabeld en onderling vergeleken.

Het resultaat van open coderen is een lijst met codes of een codeboom.

 

Open codering is belangrijk omdat het helpt gegevens hanteerbaarder en overzichtelijker te maken en helpt bij thematisering. Belangrijke en relevante verschijnselen worden benoemd met begrippen en daarmee begint het theoretiseren, al is het nog zeer verkennend van aard.

 

Denken en doen in open coderen:

Denken is hierbij het bedenken van goede vragen en adequate labels, doen vind je terug in het opschrijven of intypen van codes.

 

Hoe komen onderzoekers aan hun codes?

  1. In-vivo codes of veldbetrokken begrippen. Een belangrijke bron van codes zijn de woorden die de participanten zelf gebruiken. Vaak omschrijven zij dingen al in benamingen die zeer geschikt zijn als ‘titel’ van een code.

  2. Constructed codes of theoretische begrippen. Een tweede bron van codes zijn de theorieën en begrippen waarmee de onderzoeker kennis heeft gemaakt tijdens zijn opleiding en bij de literatuurstudie.

  3. Dagelijks taalgebruik. Woorden uit ons dagelijks taalgebruik kunnen vaak ook geschikt zijn als code.

 

Is het nodig om allerlei persoonlijke informatie van de participant (geslacht, leeftijd, opleiding) te coderen?

Nee, dit is zinloos want deze gegevens zullen geen deel uitmaken van de latere beschrijvingen en ook niet van het latere theoretische model. Je kunt deze informatie het beste bewaren in een apart bestand.

 

Het kan handig zijn om bij de codering te denken in dimensies.
Vb: bij een onderzoek naar mensen met dementie kwam het begrip ‘achteruitgang’ heel duidelijk naar voren. De onderzoeker veranderde dit begrip in ‘verloop’ met als dimensies ‘vooruitgang’ en ‘achteruitgang’.

Het denken in dimensies bevordert theoretische selectie en constante vergelijking.

Bij dimensies kun je denken aan termen als ‘groot of klein’, ‘ja of nee’ en ‘toegenomen of afgenomen’ etc.

 

Hoe weet je nou of je een goed aantal codes gebruikt?

Een indicatie voor het ‘juiste’ aantal codes is om te tellen hoeveel fragmenten er met een code zijn gecodeerd.
Als dat slechts één fragment is, kan de code beter worden opgeheven en kan het fragment beter bij een andere code worden ondergebracht.
Als er bij een code meer dan twintig fragmenten zijn ondergebracht, is de diversiteit van deze fragmenten misschien wel te groot en kan de code beter worden opgesplitst in subcodes.

Het is aan te raden om bij een onderzoek niet in je eentje te werken, maar in een team. Overleg met anderen kan zorgen voor een goed ontwikkeld coderingssysteem. Hierbij speelt inter-beoordelaar betrouwbaarheid’ (inter-rater reliability) op.

De fase van open codering kan worden opgeheven wanneer er verzadiging optreedt. Verzadiging houdt hier in dat de informatie van nieuwe gevallen uiteengerafeld kan worden in fragmenten en deze kunnen bij bestaande codes worden ondergebracht. Nieuwe gevallen leiden hierbij dan niet meer tot nieuwe codes.

 

Axiaal coderen

Axiaal coderen is ‘a set of procedures whereby data are put back together in new ways after open coding, by making connections between categories’.

Axiaal coderen staat voor de codering rond een enkele categorie.

Tijdens het axiaal coderen wordt de betekenis van de belangrijke begrippen achterhaald en als het mogelijk is wordt het begrip omschreven en met een voorbeeld geïllustreerd. Het wordt dan duidelijk waaraan men een categorie herkent, en op grond van welke indicaties in de gegevens deze herkent wordt.

Bij open codering redeneert de onderzoeker vanuit de gegevens naar de codes, maar bij axiaal coderen redeneert de onderzoeker vooral vanuit de codes naar de gegevens.

Axiaal coderen is een manier op de codes uit de fase van open codering te ordenen.

Axiaal coderen omvat deze stappen:

  1. Bepaal of de codes die tot nu toe zijn ontwikkeld de verzamelde gegevens voldoende dekken en creëer nieuwe codes als de nieuwe verzamelde data daartoe aanleiding geven.

  2. Ga bij elk fragment na of het goed is gecodeerd.

  3. Beslis welke codes het meest geschikt zijn als er synoniemen zijn gebruikt.

  4. Maak clusters van codes die bij elkaar horen door hoofdcodes te onderscheiden van subcodes. Hierdoor ontstaat er een echte codeboom. Zoek daarnaast naar bewijs of indicaties in de gegevens voor de onderverdeling die je wilt maken, zodat je hem kunt verantwoorden.

  5. Splits codes indien nodig, of voeg ze samen.

Doelen van axiaal coderen:

  1. Uitmaken wat belangrijke en minder belangrijke elementen van het onderzoek zijn.

  2. Reduceren van de omvang van de gegevens en van het aantal codes.

 

Ordenen van de data in een boomstructuur is een handige manier om de onderwerpen te sorteren en ze gemakkelijk terug te kunnen vinden. Het is mogelijk dat een hoofdcode zelf leeg blijft en wordt gebruikt om codes van een lager niveau aan ‘op te hangen’. Een soort overkoepelende term voor een aantal subcodes dus.

 

Kun je het open coderen overslaan?

Het kan, maar brengt veel moeilijkheden met zich mee.

Een eerste beperking is dat de onderzoeker te snel overgaat tot interpretaties die hij niet kan onderbouwen met gegevens maar op gevoel doet. Het gevaar bestaat dat de onderzoeker de gegevens te snel interpreteert vanuit zijn eigen verwachtingen of kennis over het onderwerp.

Zo’n geforceerde benadering is in strijd met de uitgangspunten van bijvoorbeeld de gefundeerde theoriebenadering.

Een andere beperking is dat de mogelijkheid om nieuwe of onverwachte vindingen te doen, afneemt omdat de exploratieve fase wordt overgeslagen.

Tot slot leidt het overslaan van open coderen er vaak toe dat er niet bepaald gedetailleerde en genuanceerde beschrijvingen van het onderwerp van onderzoek worden gedaan, maar slechts weinig diepgaande inventarisaties.

 

Het coding paradigm, de coderingsmal die eerder ter sprake is gekomen bij theoretische sensitiviteit, is bedoeld om te worden toegepast in de fase van axiaal coderen. Toepassing ervan zou dan leiden tot vragen over context, condities, interacties en consequenties.

 

Axiaal coderen is een belangrijke activiteit waarbij denken en doen samen opgaan.

De onderzoeker zet fragmenten bij elkaar die gecodeerd zijn met hetzelfde begrip (doen). Door de fragmenten te vergelijken probeert hij de kern van de categorie te vatten (denken).

 

Samenwerking tussen teamleden bevordert de uitwisseling van alternatieve interpretaties, wat bijdraagt aan de validiteit van de uitkomsten van het onderzoek.

 

Wanneer kan een onderzoeker de fase van axiaal coderen afronden?

Een onderzoeker kan de fase van axiaal coderen afronden als duidelijk is welke hoofdcategorieën en subcategorieën er zijn, hoe de categorieën zich van elkaar onderscheiden en wat ze betekenen.

 

Pattern codes zijn thema’s die het niveau van een tekstfragment overstijgen. Er tekenen zich patronen of thema’s af die niet letterlijk in de tekst terug te vinden zijn, maar die je wel ontdekt als je al die fragmenten naast elkaar zet. Zo’n thema kan een patroon zijn of een regelmatigheid in de gegevens, en is moeilijk in een code te vangen. Ideeën, thema’s en verklaringen die niet in een code ‘passen’, worden snel vergeten. Om ze te onthouden schrijft de onderzoeker memo’s. Pattern codes zijn specifiek voor de fase van axiaal coderen.

 

Structureren

Structureren wil zeggen dat de onderzoeker relaties gaat zien tussen de categorieën én kijkt of de mogelijke relaties juist zijn.

 

Selectief coderen is de laatste fase van coderen. In het Engels werd het omschreven als ‘selecting the core category, systematically relating it to other categories, and filling in categories that need further refinement and development’.

Na de uiteenrafeling (open en axiaal coderen) schuift de onderzoeker de gegevens weer in elkaar en brengt hij daar structuur in aan (selectief coderen, structureren).

De nadruk ligt op integratie en het leggen van verbanden tussen de categorieën.

 

Men richt zich in deze fase op het vinden van verklaringen voor de waargenomen verschijnselen.

 

Bij Strauss en Corbin is selectief coderen en het tot stand komen van een kerncategorie min of meer hetzelfde. De kerncategorie speelt een rol in de gefundeerde theoriebenadering.

De kerncategorie is een constructie van de onderzoeker zelf: ze rijst niet vanzelf op uit de gegevens.

Strauss en Corbin zien de synthese van de gegevens vooral als het zoeken naar de kerncategorie en het groeperen van de andere thema’s rond de kern (leggen van relaties).

 

De onderzoeker gebruikt bij zijn beslissingen over het groeperen of modelleren van de gegevens de volgende elementen als een soort van richtsnoer:

  • Vraagstelling en doelstelling → deze zijn het meest bepalend voor de integratie van de resultaten

  • Literatuur → de resultaten worden vergeleken met de relevante literatuur en de literatuur moet laten zien hoe de sensitizing concepts hebben gewerkt.

  • Gegevens → de uitkomsten van onderzoek worden gestuurd door de rijkdom (veel of weinig, interessant en relevant of niet) van de gegevens en de inzichten die ze hebben opgeleverd.

  • Fascinatie → datgene wat verrast, origineel is en boeit moet deel uitmaken van de resultaten

  • Actualiteit → resultaten die inspringen op de actualiteit worden sneller opgemerkt.

 

Twee activiteiten/doelen in de structureringsfase:

  1. Het vinden en exploreren van verbanden tussen categorieën.

  2. Het toetsen van de relaties tussen de categorieën op hun juistheid.

 

In deze laatste fase van de analyse komen de definitieve resultaten tot stand. In plaats van chronologisch geordend zijn de gegevens nu geordend in het licht van de probleemstelling: op relevantie.

 

De structureringsfase is absoluut de moeilijkste fase van het onderzoek. Er zijn echter een aantal hulpmiddelen welke de fase kunnen vergemakkelijken:

  1. Maken van afbeeldingen

    Het tekenen van figuren, pijlenschema’s, diagrammen, bomen en netwerken. Een beeld of visualisering kan in een eindrapportage worden afgebeeld en zorgt ervoor dat de onderzoeker veel informatie op een overzichtelijke manier aan kan bieden.

  2. Zoeken naar de kerncategorie

    Structurering van de gegevens kan tot stand komen door doelgericht te gaan zoeken naar de kerncategorie. Niet in elk onderzoek is het echter mogelijk of gewenst om een kerncategorie aan te wijzen.

  3. Mallen (coding families of coding paradigm)

De mallen of coding families van Glaser moeten helpen om gegevens te ordenen. De mal van Strauss en Corbin, het coding paradigm, probeert gegevens te ordenen door zich te richten op context, condities, strategieën en consequenties. Een tweede mal omvat processen, stadia of fasen.

  1. Een matrix maken

    Miles en Huberman zijn helemaal voor het gebruik van een matrix, omdat het maken ervan helpt om na te denken over de relaties tussen categorieën. Een matrix laat zien welke verschijnselen voorkomen of welke vorm ze aannemen als andere verschijnselen ook aanwezig zijn.

  2. Een typologie formuleren

Een uitkomst van een kwalitatief onderzoek kan een typologie zijn. Een typologie is logisch en herkenbaar omdat de benaming van de typen meestal veel zegt over de inhoud van de typen. Sommige typen komt de onderzoeker al tegen in zijn gegevens, dit zijn empirische typen. Andere typen worden door de onderzoeker geconstrueerd, dit zijn ideaaltypen. Deze typologieën werken als een soort denkmodel voor de lezer, omdat hij de typen kan vergelijken met organisaties, activiteiten, personen etc uit het ‘echte leven’ en kan kijken waarin deze ‘echte’ typen verschillen of overeenkomen met de geconstrueerde typen.

 

De functies van coderen

Twee activiteiten die samen de kern van de analyse vormen:

  • De uiteenrafeling of fragmentering van de gegevens. Fragmentering van de gegevens bereikt een onderzoeker vooral met open codering.

  • De structurering door de gegevens te ordenen in het licht van de probleemstelling. Dit gebeurt vooral door selectief coderen.

→ Het axiaal coderen neemt een tussenpositie in.

 

Coderen is belangrijk voor zowel de data-organisatie als de data-interpretatie.

 

Kwalitatief onderzoek met de computer

In het Engels benoemen ze de software die de analyse ondersteunt met de overkoepelende term CAQDAS, wat staat voor Computer-Assisted Qualitative Data Analysis.

Het gebruik van een computer bij de analyse heeft een aantal grote voordelen:

  • Het is veel minder arbeidsintensief

  • Het is betrouwbaarder

  • De programma’s hebben meestal een opberg- en-terugzoekfunctie, ook wel code-and-retreive.

  • De opslag van gegevensbestanden neemt weinig ruimte in (één usb-stick i.p.v. tien archiefdozen)

  • De flexibiliteit neemt toe, omdat je de codes en de daaraan toegekende fragmenten snel en gemakkelijk kunt veranderen.

  • Er zit meer systematiek in de analyse, omdat een verandering in een code wordt doorgevoerd en omdat eenmaal gecodeerde fragmenten bij het terugzoeken allemaal worden teruggevonden

  • De uitwisseling van bestanden tussen teamleden die aan hetzelfde project werken, verloopt snel en eenvoudig.

Het gevaar is alleen dat onderzoekers hun codering blijven perfectioneren en daardoor niet toekomen aan de integratie van resultaten en het uiteindelijk trekken van conclusies. Een goede training in het gebruik van de computer bij kwalitatieve analyse kan hier al een heel stuk bij helpen.

Computers kunnen geen last hebben van data overload en onderzoekers wel, maar daar tegenover staat dat computers geen conclusies kunnen trekken en onderzoekers dan weer wel.

5. Het schrijfproces

 

Bij het schrijven van het onderzoeksrapport krijgen alle onderdelen hun definitieve plaats toegewezen. Er is veel geëxperimenteerd met schrijfvormen waarin de posities van de onderzoeker en de onderzochte personen (participanten) verschilden.
Traditionele publicaties kennen vaste onderdelen: een inleiding, methodesectie, resultaten en conclusie/discussie.

Daar tegenover staan conventionele schrijfvormen. Tussen deze twee heerst een spanningsveld.

 

Dit hoofdstuk behandelt de laatste fase van de analyse: het schrijfproces. De rapportage mag niet verward worden met de analyse, de laatste is namelijk de activiteit van het verwerken en bewerken van de gegevens. Dit zorgt ervoor dat de onderzoeker de gegevens op een andere manier ziet en er een nieuwe betekenis aan toe kan kennen.

De codes kunnen worden opgevat als een onderdeel van een soort van ‘making of’ van het onderzoek. Daarom verdwijnen ze in die vorm uit het verhaal, maar natuurlijk zijn sommige codes nog wel herkenbaar in het verhaal, anders had de onderzoeker hen niet als begrippen nodig gehad. Dit geld vooral bij de gefundeerde theoriebenadering.

 

Schrijven is schaven, niemand schrijft zijn rapport in één keer.

 

De onderzoeker in zijn schrijfrol

Een onderzoeker kan voor een bepaalde manier van rapporteren kiezen vanuit wetenschapsfilosofische, politieke, ethische, esthetische of praktische redenen.

 

Bij de schriftelijke rapportage van kwalitatief onderzoek kun je twee stijlen onderscheiden:

  1. De realistische stijl waarin de onderzoeker (bijna) helemaal onzichtbaar is in het verslag. De gedachte hierachter is dat als er geen onderzoeker is, deze het onderzoek ook niet kan hebben beïnvloed. Het is een passieve vorm van schrijven, waarbij geen ‘ik’ en ‘wij’ wordt gebruikt.

  2. De confessionele stijl waarbij de onderzoeker juist heel nadrukkelijk aanwezig is in zijn rapport en waarbij heel duidelijk is dat juist hij het onderzoek heeft gedaan. De rapportage is daar meer een persoonlijk verslag van het onderzoek, inclusief meningen, persoonlijke overtuigingen, lessen, emoties en misstappen.

Naast deze twee hoofdwegen zijn er nog een aantal tussenposities aan te nemen:

  1. De subtiel-realistische stijl, waarin de onderzoeker duidelijke uitspraken doet over de sociale werkelijkheid en daar ook zijn verantwoording voor neemt. Zijn interpretatie doet ertoe. Daarnaast is hij reflexief (zich bewust van kwaliteitsvraagstukken) en zelfkritisch. De lezer krijgt bij deze stijl relevante informatie over de methode die hem helpt om het onderzoek op waarde te schatten. De onderzoeker is hierbij dus wel aanwezig in het verslag, maar puur op voor de lezer relevante punten en redelijk terughoudend.

  2. Een vierde stijl waarbij de data gepresenteerd worden met weinig commentaar van de auteur.

 

Onderzoekers bouwen een relatie op met hun participanten, waarin ze respect tonen voor de leefwereld en zienswijze van diegene. Schrijven over participanten is dan ook moeilijk omdat het afbreuk kan doen aan het opgebouwde vertrouwen. Het is belangrijk dat de onderzoeker de participanten inlicht over het onderzoek en hen laat zien hoe hij de gegevens wil gaan gebruiken (informed consent). Hierbij wordt anonimiteit van de deelnemers gewaarborgd.

Daarnaast is het belangrijk dat de onderzoeker echt probeert waarderingsvrij te zijn.

 

Eindrapportagestructuur

Punch maakt bij een publicatie het onderscheid tussen deze onderdelen:

  • Results (resultaten, dat wat direct uit de analyse van de gegevens komt)

  • Findings (bevindingen, de antwoorden op de onderzoeksvragen)

  • Conclusions (conclusies, wat er kan worden geconcludeerd op basis van de antwoorden op de onderzoeksvragen).

 

Een doorsnee publicatie heeft echter deze vier onderdelen:

  1. Inleiding
    Hierin staat een schets van het terrein van onderzoek, een behandeling van de aanpak en bevindingen van eerdere studies, een vraagstelling, doelstelling en een beschrijving van de relevantie van het onderzoek.

  2. Methodesectie
    Hierin zet de onderzoeker wat hij allemaal gedaan heeft. Het punt wat men aan moet houden hierbij is dat het onderzoek op basis van de informatie uit de methodesectie repliceerbaar moet zijn, een ander moet op basis van deze aanwijzingen het onderzoek kunnen herhalen. Onderdelen van de methodesectie zijn informatie over werving en verkrijgen van toegang tot het veld, de presentatie in het veld en de rollen die de onderzoekers daar aannamen, de inschatting van het vertrouwen dat ze hebben gekregen, de inschatting van de openheid van de participanten, dataverzameling en data-opslag en analytische procedures.
    Vallet ziet vanuit wetenschappelijk oogpunt drie redenen om nadrukkelijk over het analyseproces te rapporteren:

  • Wetenschappelijke verantwoording

  • Methodologische leerproces

  • Rapportage over het analyseproces draagt bij tot inventarisatie en verdere
    ontwikkeling van de kwalitatieve onderzoeksmethoden

Vallet zegt verder dat er drie onderwerpen zijn waaraan de onderzoeker aandacht moet besteden bij de rapportage van het analyseproces:

  1. Analysetechnieken en analyse-instrumenten

  2. Resultaten en interpretaties

  3. Ervaren dilemma’s en problemen in het analyseproces

Onderzoekers rapporteren nog (te) weinig over problemen, dilemma’s en de keuzen die zijn gemaakt, vooral bij keuzen waarbij de aanpak niet zo vanzelfsprekend was en beïnvloed wordt door de omstandigheden in het onderzoek. Dat dit nog te weinig gebeurt ligt enerzijds aan het feit dat het een grote openheid eist van de onderzoekers om hun problemen op tafel te leggen, en anderzijds aan de beperkte ruimte die men heeft voor publicaties. De oplossing kan liggen in het aan de orde stellen van dit soort onderwerpen als een methodologisch vraagstuk in een tijdschrift dat bij uitstek in deze vraagstukken is geïnteresseerd.

3. Resultaten
Een aantal punten waar schrijvers in kwalitatieve rapportage tegenaan lopen:

  1. De verhaallijn. Richtinggevend bij de verschillende mogelijkheden om een verhaal op te bouwen is hoe de bevindingen (de uitkomsten van het selectief coderen) het beste aan de lezer kunnen worden overgebracht.
  2. Data en citaten. In veel kwalitatief onderzoek worden letterlijke citaten in de tekst gebruikt. Citaten moeten functioneel zijn en een ondersteuning van het verhaal. Ze hebben drie functies:

  3. Vertellen. De bevindingen komen pas echt tot hun recht als de gegevens en de interpretaties goed worden geëtaleerd.
    thick description: het geven van adequate beschrijvingen in kwalitatief onderzoek. De onderzoeker geeft hierbij hele gedetailleerde en kleurrijke beschrijvingen van omstandigheden, situaties, mechanismen, etc. Deze manier van beschrijven is nodig in een onderzoekstype wat juist met beschrijvingen een bijdrage wil leveren aan de wetenschappelijke kennis. Lezers hebben de veelomvattende beschrijvingen nodig om te kunnen bepalen of de rapportage te vertrouwen is en om te kunnen generaliseren. Bij thick description moet de onderzoeker focussen op de interessante elementen om de lezer een vernieuwend perspectief te bieden. Het is niet hetzelfde als analytische diepgang, een onderzoeker kan namelijk adequate beschrijvingen van verschijnselen geven, zonder te abstraheren of theoretische toevoegingen te doen.Thick description is vanzelfsprekend alleen mogelijk wanneer de gegevens rijk aan informatie zijn. Door aparte, afwijkende of minder vaak voorkomende varianten te laten in onderzoeken, wordt de bandbreedte van een verschijnsel beschreven en daar is het bij kwalitatief onderzoek deels om te doen.

    • Bewijs leveren. Gegevens leveren de onderbouwing van het verhaal. Concrete veldnotities en opgenomen interviews leveren zogeheten low-inference descriptors: gegevens die zo min mogelijk zijn beïnvloed door wat de onderzoeker ervan afleidt of eruit opmaakt.

    • Gedrag en taal laten zien. Door het gebruik van letterlijke gegevens wordt die taal gehoord en het gedrag waargenomen.

    • Teksten verlevendigen. Indringende tekst kan emoties of reacties bij lezers oproepen.

Er zijn verschillende manieren om citaten te redigeren. Bij de redactie van citaten is het belangrijk dat de kern van de boodschap zoals de spreker die wilde overdragen, behouden blijft. In de preservationist-benadering wordt de oorspronkelijke weergaven van de bandrecorder zo letterlijk mogelijk overgenomen. De gedachte hierachter is dat bij het opschonen wel eens waardevolle informatie verloren kan gaan die nodig is om het citaat juist te interpreteren.In de standardized benadering houdt men de woordkeuze en betekenis van hetgeen wat gezegd wordt wel, maar wordt er geredigeerd om het lezen makkelijker te maken.

4. Presentatie van de casus. Om verschillende redenen kan het handig zijn om in de publicatie een volledige beschrijving op te nemen van één of meer cases. Dit kan de lezer een impressie geven van hoe het is om te leven met een bepaalde ervaring. Een andere functie van zo’n beschrijving is dat deze ter illustratie van een typologie dient.

5. Aantallen. Kwalitatieve onderzoekers gebruiken in hun verslagen vague quantifiers, vage aanduidingen als ‘verschillende’, ‘een aantal’, ‘sommige’ etc. Dit omdat het gebruik van specifieke aantallen (vooral percentages) misleidend kan zijn voor de lezer.

Toch kan het voor lezers informatief zijn om te weten op hoeveel onderzoekseenheden de interpretatie van de onderzoeker gebaseerd is. Onderzoekers kunnen dan kiezen voor een tabel, wat als voordeel heeft dat er op een overzichtelijke manier veel informatie gegeven kan worden. Dit helpt de lezer om patronen te zien en inzicht te krijgen.

 

Conclusie en/of discussie

Allereerst heeft men de keuze voor alleen een conclusie, alleen een discussie of beide.

In de conclusie beantwoordt de onderzoeker de onderzoeksvragen. Een kernachtige samenvatting van de belangrijkste resultaten, het liefst in andere bewoordingen, is hierbij voldoende.

In verklarend onderzoek zijn de verklaringen voor de bevindingen de basis en kern van de conclusie. Dit geeft de conclusie een analytisch karakter en zorgt ervoor dat deze uitstijgt boven de concrete voorbeelden en resultaten.

In de discussie mag de onderzoeker iets vrijer zijn dan in de conclusie. De conclusie is direct gebaseerd op de resultaten, maar in de discussie gaat het om de bredere betekenis van de bevindingen.
In de discussie bevinden zich suggesties voor vervolgonderzoek, informatie over het onderzoeksproces, kanttekeningen bij het onderzoek en dingen die mogelijk de uitkomsten hebben beïnvloed.

 

Publicatie

Hiervoor lag de nadruk op de onderzoeker als schrijver van een publicatie. Hier verschuift het perspectief naar de lezer als beoordelaar van de publicatie. Hoe leest iemand een publicatie en wat denkt/hoe handelt hij daarbij?

De lezer blijkt vaak de volgende strategie aan te houden:

  • Hij scant eerst de inleiding

  • Vervolgens kijkt hij naar de conclusie en/of discussie om te zien wat de onderzoeker zegt te hebben gevonden en wat hij denkt dat dit betekent

  • Hij kijkt naar de kwaliteit van het bewijs en de argumentatie

  • Hij zoomt in op de methodesectie

 

Vaak wordt APA gebruikt, de Publication Manual van de Amerikaanse Psychological Association, waarin heel nauwkeurig wordt aangegeven aan welke voorwaarden een paper moet voldoen.

 

Hoe gaat publicatie in een gerefereerd wetenschappelijk tijdschrift in zijn werk?

De onderzoeker stuurt zijn eindrapportage of manuscript naar de redactie van het tijdschrift. Deze kijkt of het onderwerp past binnen haar tijdschrift. Zo niet, dan stuurt ze het terug naar de auteur met die boodschap. Zo ja, dan stuurt ze het door naar een aantal van haar referenten of reviewers. De redactie verzamelt het commentaar van deze referenten en schrijft op basis daarvan haar oordeel. De uitslag wordt aan de auteur doorgegeven. Deze uitslag kan inhouden dat de auteur de referentiecommentaren toegestuurd krijgt en wordt geacht daarop in te gaan en ermee aan de slag te gaan. Dit is de referentieprocedure. Het is slim van een onderzoeker om bij het schrijven van een artikel op deze procedure in te springen.

 

 

6. Onderzoekskwaliteit

In de rapportage moet genoeg informatie zijn voor de lezer om het onderzoek –met name de analyse- op waarde te kunnen schatten. Hierbij kan hij gebruik maken van verschillende checklists.

Vragen over de kwaliteit van kwalitatief onderzoek gaan meestal over de vraag of het gaat om wetenschappelijk onderzoek of ‘slechts’ journalistiek.

 

Vaagheid in andermans werk betekent dat lezers en gebruikers niet goed kunnen nagaan wat de stappen waren die de onderzoeker heeft gezet. Hierdoor kunnen ze niet goed beoordelen of de analyse goed uitgevoerd is.

Vaagheid in eigen werk betekent dat onderzoekers niet goed weten hoe ze de analyse moeten beginnen en dat ze onzeker zijn over de manier waarop ze de analyse aan moeten pakken.

 

Twee hele belangrijke termen die de kwaliteit van onderzoek aan kunnen geven zijn:

  1. Betrouwbaarheid. Dit gaat over de beïnvloeding van de waarnemingen door toevallige of onsystematische fouten. Deze wordt meestal afgemeten aan de precisie van de methoden van dataverzameling of die van de meetinstrumenten zelf.
    Als er sprake is van betrouwbare methoden van dataverzameling, moet herhaling van de waarnemingen dezelfde uitkomsten hebben.
    De betrouwbaarheid van de waarnemingen kan worden vergroot door standaardisatie van de methoden van dataverzameling.

  2. Validiteit van de onderzoeksstrategie. Hierbij draait het om de vraag of de gekozen onderzoeksopzet en de toegepaste methoden en technieken goed passen bij de onderzoeksvragen.
    Validiteit van het gehele onderzoek. Hierbij gaat het om de geldigheid van de analyse en de interpretatie van de onderzoeker. Hoe geschikt deze is voor het onderzoek bepaalt de juistheid van de conclusies.

 

Kwalitatief onderzoek heeft een aantal opmerkelijke punten wat betreft de kwaliteit:

  1. Het minder gestandaardiseerde karakter van de onderzoeksmethoden..

    • De minder gestandaardiseerde dataverzameling methoden. Hierbij is een nadeel dat een onderzoeker die improviseert de ene keer bijvoorbeeld zal doorvragen in een interview en een andere keer niet. Hierdoor komt de betrouwbaarheid in het geding. Als het doorvragen of observeren systematisch in een bepaalde richting gaat of op een bepaalde manier gebeurt, komt ook de validiteit in gevaar.
      De mogelijkheid om te kunnen nagaan wat de onderzoeker gedaan heeft, wordt over het algemeen echter gezien als de belangrijke voorwaarde om een onderzoek wetenschappelijk te noemen.

    • Het minder gestandaardiseerde analyseproces. Om de betrouwbaarheid van de analyse te vergroten is het belangrijk dat onderzoekers gebruikmaken van de bestaande procedures en beschikbare software en elkaar in teamverband controleren op elkaars analysewerkwijze.

  1. De kwalitatieve onderzoeker is betrokken bij de mensen die hij bestudeert. Dit heeft ook nadelen:

    • Reactiviteit. Mensen hebben de neiging hun gedrag te veranderen, als ze weten dat iemand (vooral een onderzoeker) ze bekijkt. Deze reactiviteit beïnvloedt de validiteit negatief.

    • Going native. De kritische blik van de onderzoeker kan afnemen. Hij krijgt minder interesse in de theorie en het onderzoeksproject en gaat op in de wereld van de onderzochte persoon. De interpretaties van de onderzoeker zijn dan niet meer wat ze horen te zijn, omdat deze niet meer met afstand naar de participanten en hun leefwereld kan kijken, omdat hij er zelf deel van is en zich ermee identificeert.

In kwalitatief onderzoek wordt anders omgegaan met de verhouding tussen betrouwbaarheid en validiteit dan in kwantitatief onderzoek. In kwantitatief onderzoek wordt betrouwbaarheid over het algemeen gezien als een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde van validiteit. Om valide te zijn, moet een onderzoek dus betrouwbaar zijn, maar dat wil niet zeggen dat zodra het onderzoek betrouwbaar is, het ook valide is.

In kwalitatief onderzoek is de enige mogelijkheid dat de onderzoeker zelf gaat vaststellen of meten hoe een bepaald verschijnsel zich voordoet.

Een sterk punt van kwalitatief onderzoek is dat de dataverzameling en data-analyse elkaar afwisselen, waardoor waarnemingen gerepliceerd worden (wat zorgt voor betrouwbaarheid) en dat tussentijdse interpretaties in het vervolg van het onderzoek getoetst worden (wat zorgt voor validiteit).

 

  1. Visies op kwaliteit

Traditionele periode was de periode in het begin van de twintigste eeuw. Het bewustzijn ten aanzien van de kwaliteit van onderzoek was toen anders. De beschrijving was waar, want de onderzoeker was er geweest, redeneerde men. Niemand kon dat controleren of wilde dat überhaupt controleren.

Modernistische periode was de periode die daarna kwam. Hierin groeide de aandacht voor de geloofwaardigheid van studies en nam het kwaliteitsbewustzijn toe. In deze tijd zijn er drie visies ontstaan op de kwaliteit van kwalitatief onderzoek:

  1. Alle onderzoekers moeten voldoen aan de eis van objectiviteit zoals die vorm heeft gekregen in empirisch-analytisch onderzoek.

Betrouwbaarheid op basis van standaardisering van meetinstrumenten en replicatie. Validiteit heeft onder meer betrekking op de geschiktheid van de onderzoeksopzet en op de geldigheid van de operationalisering van de begrippen.
Aan de eisen die in deze visie aan de onderzoekspraktijk worden gesteld, kan kwalitatief onderzoek niet of maar gedeeltelijk voldoen. Standaardisatie staat het open karakter van het kwalitatieve onderzoek in de weg en replicatie is moeilijk.

  1. Wetenschappers met deze tweede visie breken met de conventionele normen van validiteit, betrouwbaarheid en objectiviteit. Deze visie kwam op tussen mensen die zich afvroegen of ze de mensen die ze onderzochten wel recht konden doen in (de rapportage van) hun onderzoek.  the crisis of representation.
    Deze onderzoekers formuleren andere kwaliteitseisen voor kwalitatief onderzoek, zoals confirmalibity (overtuigingskracht), dependability (afhankelijkheid), transferability (overdraagbaarheid) en credibility (geloofwaardigheid).

  2. Wetenschappers met deze derde visie op kwaliteit blijven het criterium van objectiviteit handhaven als streven waar naartoe gewerkt moet worden. De procedures om betrouwbaarheid en validiteit te realiseren worden echter aangepast aan de eigen aard van het kwalitatieve onderzoek.

 

Op de tweede visie is veel commentaar:

  • Door andere eisen te stellen aan het kwalitatieve onderzoek zou het zich losmaken van de ‘gebruikelijke wetenschap’.

  • De nieuw geformuleerde criteria zijn toch ergens afgeleid van de traditionele criteria.

  • Er zijn mensen die vinden dat politieke of levensbeschouwelijke criteria absoluut niet thuishoren in wetenschappelijk onderzoek.

 

Bewaken van de kwaliteit

Er zijn vier maatregelen die aan de kwaliteit kunnen bijdragen als men zich eraan houdt:

  1. Methodische verantwoording
    De onderzoeker moet goed opschrijven wat hij heeft gedaan, hoe hij het heeft gedaan en waarom hij het heeft gedaan. Dit zorgt ervoor dat anderen het onderzoek eventueel kunnen herhalen (repliceren).

  2. Reflectie op de rol van de onderzoeker
    De grote rol die de onderzoeker heeft in de uitvoering van een onderzoek en het feit dat het onderzoek meestal gaat over cultuur en culturele waarden, hebben als gevolg dat het belangrijk wordt om na te gaan wie die onderzoeker eigenlijk is. Het is lastig om te bepalen welke persoonlijke eigenschappen of opvattingen van de onderzoeker de uitvoering van het onderzoek ook echt beïnvloeden. Reflectie op de persoon van de onderzoeker is er vooral voor om aan te geven dat de onderzoeker zich ervan bewust is dat zijn achtergronden, uiterlijke verschijning en (voor)oordelen hem onvermijdelijk met een bepaalde blik laten kijken. Daarnaast zodat hij beseft dat de participanten zich tegenover hem op een bepaalde manier hebben gedragen, mogelijk als gevolg van deze persoonskenmerken. Een onderzoeker kan niet waardevrij zijn, maar hij kan wel proberen om waarderingsvrij te zijn voor de validiteit van zijn onderzoek. Waarderingsvrij houdt in dat hij geen waardeoordeel geeft en zijn eigen voorkeuren zo min mogelijk mee laat spelen.

  3. Triangulatie
    Triangulatie betekent dat er meerdere metingen worden gedaan vanuit verschillende invalshoeken. Je hebt verschillende soorten triangulatie:

    • Datatriangulatie

    • Methodische triangulatie

    • Theoretische triangulatie. Deze wordt toegepast omdat onderzoekers niet altijd uitkomen met een theorie of omdat ze het doel hebben om de verklarende kracht van verschillende theorieën te onderzoeken.

    • Onderzoekerstriangulatie. Wordt gedaan ten behoeve van de inter-beoordeelaars betrouwbaarheid, inter-rater reliability.

Het is echter moeilijk wanneer verschillende methoden verschillende soorten data opleveren die je moeilijk met elkaar kunt vergelijken. De vraag is dan welke bron het zwaarst weegt.

Daarnaast wordt met triangulatie de suggestie gewekt dat er een allesomvattend beeld te schetsen is van de complexe werkelijkheid, terwijl in het interpretatieve paradigma juist de veelzijdige werkelijkheid het uitgangspunt is.

 

  1. Terugkoppelen naar de participanten

Informatieterugkoppeling naar de participanten (member checks of member validation) kan de betrouwbaarheid en validiteit van het onderzoek groter maken. De onderzoeker legt dan bijvoorbeeld de notities en interviews aan de participanten voor en vraagt aan hen of de informatie erin correct is.

 

Checklijsten

Onderzoekers, referenten en gebruikers van onderzoek willen graag duidelijkheid en zoeken richtlijnen waarmee ze de kwaliteit van een onderzoek kunnen beoordelen. Hiervoor zijn checklists opgesteld, zodat men na kan gaan of het onderzoek aan een aantal essentiële criteria voldoet. Lofland en Lofland zijn befaamde namen op dit gebied.

Ook Seale heeft naam hierin. Punten uit zijn checklist van kwalitatieve analyse:

  • Wordt er gerefereerd aan geaccepteerde procedures voor de analyse?

  • Hoe systematisch is de analyse? Is de steekproef goed geselecteerd, zijn alle data systematisch verwerkt en was er geen onheuse selectie?

  • Is er een goed bij de rest passende bespreking van de manier waarop thema’s, concepten en categorieën uit de data zijn afgeleid? Dit betreft de legitimering van het gebruik van vooraf bij het onderzoek betrokken begrippen.

  • Is er een adequate bespreking van bewijs voor en tegen de interpretaties van de onderzoeker? Heeft hij geprobeerd om gevallen te zoeken die zijn ideeën en interpretaties níet steunen en heeft hij gekeken waarom hij die niet vindt, of als hij ze wel vindt, waarom ze afwijken?

  • Zijn er maatregelen genomen om de validiteit van de bevindingen te toetsen?

  • Zijn er stappen genomen om te controleren of de analyse begrijpelijk is voor de participanten, voor zover nodig?

 

Externe validiteit en generalisatie

Externe validiteit of generalisatie heeft te maken met de vraag of de onderzoeksconclusies gelden voor andere, niet onderzochte situaties. De twijfel aan de externe validiteit ontstaat door de aard van de steekproef en de vaak kleine steekproef.

Een wetenschappelijke onderzoeker zal proberen om kennis te krijgen die betrekking heeft op meer gevallen dan de onderzochte of die abstracter geformuleerd is.

Bij kwalitatief onderzoek gaat het om theoretische of inhoudelijke generalisatie. Hierbij wordt gekeken of theoretische inzichten, begrippen, of theorie die in het onderzoek worden ontwikkeld, kunnen worden toegepast in situaties die er op lijken maar niet onderzocht zijn, om ook daar verschijnselen te beschrijven en te verklaren. Hierdoor worden de uitkomsten toepasbaar in andere, soortgelijke situaties.

 

De beschrijving in kwalitatief onderzoek is vaak gericht op de unieke verschijnselen en gebeurtenissen, maar de analyse op verklaringen en theorieontwikkeling

Transferability of overdraagbaarheid heeft te maken met de vraag of generalisatie ook plaats kan vinden op basis van vergelijkbaarheid of analogie.

De overeenkomst of analogie tussen de onderzochte en de niet-onderzochte situaties moet de overdraagbaarheid van de uitkomsten en conclusies rechtvaardigen. Het domein waarop de generaliserende uitspraken gericht zijn, is dus niet scherp af te bakenen. Het hangt af van de vastgestelde vergelijkbaarheid. Daarom spreekt men bij kwalitatief onderzoek over de reikwijdte van uitspraken.

 

Is het wetenschap of is het ‘slechts’ journalistiek?

Het doel van wetenschappelijk onderzoek is theorieontwikkeling of theorietoetsing. Om dat voor elkaar te krijgen maken wetenschappers gebruik van bestaande theorieën als ondersteuning. Een aantal verschillen tussen wetenschap(pers) en journalistiek staan hieronder systematisch weergegeven:

 

Wetenschap

Journalistiek

Gebruiken bestaande theorieën als ondersteuning

Hoeven geen theorieën als ondersteuning te gebruiken of hiervan de oorsprong niet duidelijk te laten zien

 

Wil laten zien hoe mensen de wereld zien en hoe ze handelen

Doel: geldige conclusies, theorieontwikkeling en theorietoetsing

Doel: mensen informeren, dingen aan de kaak te stellen of mensen vermaken

Moeten veel personen of cases hebben en moeten hier verantwoording voor afleggen

Hebben vaak genoeg aan één persoon of casus en hoeven de keuze hiervoor niet te verantwoorden

Gaan systematisch en controleerbaar te werk

Doen wat ze zelf willen

Gebruiken meer bronnen en methoden

Gebruiken minder bronnen en methoden

Streven naar geldige conclusies

Streven naar geldige berichtgeving

Willen generaliseren met gewogen, representatieve gevallen en verhalen

Willen informeren of vermaken met kleurrijke, aparte gevallen en verhalen

Onderzoeker blijft (vaak) buiten beeld

Journalist komt nadrukkelijk in beeld

Onderzoeker en zijn doel zijn bekend bij de mensen die ze bestuderen

Journalist en zijn doel zijn onbekend bij de mensen die ze bestuderen

 

Algemene tabel

 

 

Open coderen

Axiaal coderen

Selectief coderen

Doel

Exploratie of verkenning van het veld van onderzoek, het veld dekken door begrippen, het gegevensbestand hanteerbaar maken.

Begrippen omschrijven en afbakenen, relevantie bepalen van begrippen, abstraheren.

Bepaling van belangrijke categorieën en eventueel de kerncategorie, formulering van het theoretische model, integratie van de gegevens om de vraagstelling te beantwoorden.

Fase

Vooral beginfase

Halfweg

Eindfase

Activiteiten

Lezen en herlezen (close reading), vragen stellen, vergelijken van fragmenten en documenten,
codes toekennen aan data.

Inventariseren en vergelijken van fragmenten bij een code, ordenen van codes ten opzichte van elkaar, interpreteren, toetsen van tussentijdse ideeën en verwachtingen bij nieuw verzamelde gegevens.

Kernbegrip(pen) bepalen, samenhang tussen de begrippen vaststellen en verifieren (evt bij nieuwe data), rapportage uitwerken, interpreteren vanuit de literatuur, nadenken over antwoorden op de onderzoeksvragen en conclusies trekken.

Uitgangspunt

De gegevens

Begrippen uit de fase van open coderen

Alles wat voorhanden is.

 

Resultaat

Lijst met codes, memobestand met ideeën, verwachtingen en reflecties.

Codes zijn omschreven, codes zijn geordend tov elkaar, er is een memobestand met ideeën, er zijn (getoetste) verwachtingen en reflecties.

Beschrijving van de voornaamste begrippen, coherent verhaal waarin de relaties tussen de begrippen naar voren komen, antwoorden op de onderzoeksvragen.

Toets

Verzadiging: als er geen nieuwe codes meer nodig zijn om fragmenten uit gegevens te benoemen.

Verzadiging: als er geen bijstelling van begrippen of van de relaties tussen de begrippen meer nodig is.

Verzadiging: als nieuwe dataverzameling geen gegevens oplevert die al in de uitkomsten zijn beschreven en worden begrepen met het theoretische model.

 

 

 

 

 

Add this content to my World Supporter Magazine

Contributions

Log in or Create your Free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools

Summaries & Study Note of Old World Supporters

Access level of this page

  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private

Join World Supporter

to follow other supporters, see more content and use the tools
 
to see all content