Samenvatting Approaches To Psychology (Glassman & Hadad), Deel 1

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


Hoofdstuk 1 – Gedrag en psychologie

 

De magie van gedrag

Net als goochelaars, zijn psychologen geïnteresseerd in processen die ons gedrag beïnvloeden, zoals perceptie.

 

Introductie

Phrenologie is een discipline die populair is in de 18e eeuw, maar net als astrologie niet meer gezien wordt als wetenschap. Aanhangers van de phrenologie stellen dat intelligentie onderzocht kan worden door de omvang van de schedel te meten en de vorm van de schedel te bekijken. De psychologie verschilt van de phrenologie in de manier waarop de methode wordt gebruikt. Psychologie gebruikt verschillende vormen onderzoek, een voorbeeld hiervan is systematische observatie en analyse, ook wel de natuurwetenschappelijke methode genoemd. Het definiëren van psychologie is erg lastig. Verschillende psychologen richten zich op andere onderwerpen, zoals het gedrag van dieren, gevoelens, enzovoorts. De methode van alle psychologen is echter wetenschappelijk onderzoek.

 

De uitdaging van psychologie

Psychologen verschillen met natuurkundigen. Natuurkundigen bestuderen levenloze materie, terwijl psychologen de acties onderzoeken van levende wezens. Dit betekent dat psychologen met vier uitdagingen te maken hebben, die goed onderzoek kunnen bedreigen.

 

  1. Complexiteit: dit is een systeem dat ontstaat door interacterende eenheden (zoals neuronen in de hersenen) die resulteren in nieuwe patronen of fenomenen, die niet gevonden kunnen worden in individuele eenheden. Dit is erg complex, omdat er veel verschillende interacties zijn tussen veel verschillende eenheden.

  2. Zelfbewustzijn: dit is een eigenschap van individuen of andere levende organismes. Het gaat hierbij om het bewust observeren van het eigen gedrag. Veel psychologen hebben hun eigen gedrag als uitgangspunt genomen voor de theorieën. Echter, we zijn het er inmiddels over eens dat dit niet tot objectief onderzoek kan leiden.

  3. Reactiviteit: dit is dat levende organismen hun gedrag veranderen als ze onderzocht worden. Om te voorkomen dat dit het onderzoek beïnvloedt, moeten de psychologen ingewikkelde onderzoeksopzetten gebruiken.

  4. Causaliteit: dit is de studie over hoe omstandigheden of acties kunnen leiden tot een specifieke reactie of een specifiek gevolg. Dit is lastig aan te tonen, want er zijn veel factoren die het gedrag beïnvloeden. Je kunt dus niet altijd zeggen dat iets ook echt de oorzaak is van een ander fenomeen.

 

Waarom verschillende benaderingen?

De complexiteit van gedrag betekent dat op dit moment nog geen één theorie effectief alle aspecten van gedrag kan uitleggen. Daarnaast worden er als respons op de complexiteit nieuwe theorieën gevormd, maar ook als gevolg van de persoonlijke en culturele blik op de wereld. Dus de ontwikkeling van een theorie is niet alleen afhankelijk van de aanwezige data, maar ook van persoonlijke factoren.

 

Perceptie en ervaring

De meeste individuen nemen aan dat wat zij ervaren slechts afhankelijk is wat er “buiten gebeurt”. Het idee dat we dingen zien zoals ze zijn, wordt naive realism genoemd. Perceptie is echter een actief proces van selectie, organisatie en interpretatie van informatie over de wereld. Het eerste proces van selectie is selectieve attentie. Selectieve attentie is het perceptuele proces van selectief focussen op specifieke elementen van een stimulus. Een voorbeeld hiervan is dat als we een gesprek voeren, we de geluiden en stemmen om ons heen uitfilteren.

 

Perceptie wordt bepaald door externe stimuli, gefilterd door selectieve attentie. Dit wordt bottom up processing genoemd. Aan de andere kant beïnvloeden ook interne factoren, zoals ervaringen, de perceptie. Dit noemt men top-down processing.

 

Sommige visuele stimuli of elementen kunnen verschillend worden geïnterpreteerd, dit komt door de context. Deze elementen worden ook wel ambiguous figures genoemd. Deze dubbelzinnige figuren lijken weinig te maken te hebben met de alledaagse ervaringen, maar deze figuren onderstrepen de processen die onderdeel zijn van alle waarnemingen. Als iemand bijvoorbeeld iets tegen je zegt in een drukke omgeving, vul je zelf de woorden in die je niet goed verstaat door naar de context te kijken. De theorie dat perceptie een actief en een creatief proces is, wordt de Gestalt theorie genoemd.

 

De Gestalt theorie heeft meerdere principes:

1. similarity (gelijkenis): perceptuele organisatie, dus items bij elkaar groeperen als ze gelijk zijn.

2. proximity (nabijheid): items groeperen als ze dicht bij elkaar staan.

3. closure (sluiting): de neiging om incomplete patronen te vullen om een samenhangend geheel te vormen. Dit principe laat duidelijk zien dat de Gestalt theorie interpretatie belangrijk vindt bij perceptie.

 

De interpretaties die wij maken zijn zelden willekeurig, het reflecteert juist de manier waarop we onze voorgaande kennis en ervaringen hebben gestructureerd. Wanneer er steeds meer ervaringen bij komen en onze kennis groeit, vormen we meer complexe structuren. Deze structuren worden schemata genoemd. Schemata organiseren kennis, geloof en verwachting in ons hoofd en men gebruikt die onbewust om waarnemingen te interpreteren. Zo ontstaan ook stereotypen.

 

Schemata beïnvloeden de manier waarop de wereld wordt waargenomen. Dat mensen andere schemata hebben kan geen kwaad, tenzij dit leidt tot incorrecte aannames. Stereotypen kunnen worden gezien als mentale schemata. Stereotypering kan leiden tot vooroordelen over anderen en kunnen ook een foutieve wereld schetsen, de realiteit dus vervalsen. Ondanks dat we niet bewust weten dat we schemata gebruiken, zijn ze deel van onze perceptuele processen. Na verloop van tijd kunnen de schemata die we hebben gecreëerd vanuit onze ervaringen, meer invloed hebben op onze percepties dan de realiteit.

Confirmation bias (bevestiging) is een vorm van cognitieve uitsluiting gebaseerd op de neiging om informatie op te nemen die de verwachting bevestigt en tegenstrijdige informatie negeert. Hoe sterker het geloof, hoe groter de verdraaiing van de werkelijkheid. Dit betekent niet dat schemata ongewenst zijn, meestal helpen ze ons juist in het verbeteren van efficiëntie en nauwkeurigheid. Door de perceptuele processen te begrijpen, zijn we meer in staat om verschillende fouten te vermijden.

 

Perceptie en theorie

In het begin werd de vraag gesteld waarom er meerdere benaderingen waren. Het is nu duidelijk dat onderzoekers afhankelijk zijn van dezelfde perceptuele processen als andere mensen, met de daarbij behorende grenzen. De vraag is nu hoe deze perceptuele grenzen geleid hebben tot verschillende benaderingen.

 

Aangezien het niet mogelijk is voor een onderzoeker om alles te bestuderen, is er voor een onderzoek een zekere vorm van selectie nodig. De keuzes die gemaakt worden, zijn beïnvloed door de processen van perceptie. Dit boek is verdeeld in de vijf benaderingen, en daarvan bespreken we in dit boek steeds de oorsprong, de belangrijkste personen die eraan meewerkten, en de aannames en methodes die de benadering karakteriseren. De benaderingen spreken elkaar op enkele punten tegen, maar dit is zo bij elke wetenschappelijke discipline.

 

Complementariteit is een concept ontwikkeld door natuurkundigen, om beter om te kunnen gaan met het bestaan van twee modellen die beide nuttig zijn, maar niet samen kunnen gaan. Psychologen kunnen meerdere benaderingen gebruiken, om gedrag nog beter te kunnen begrijpen. De verschillende benaderingen van de psychologie kunnen elkaar dus aanvullen. Elke benadering van de psychologie kan slechts een gedeeltelijk beeld geven van het hele subject.

 

De oorsprong van psychologie

Psychologie heeft geen specifieke datum waarop het is ontstaan, dit komt door het feit dat psychologie is ontstaan op universiteiten, in laboratoria en door publieke erkenning. Psychologie is ontstaat in de drie laatste decennia van de 19e eeuw. Psychologie is voortgekomen uit twee tradities; filosofie en natuurwetenschappen. Filosofie was belangrijk, omdat men hierbij nadenkt over acties en motivaties. Daarnaast waren de natuurwetenschappen van belang, omdat deze wetenschap experimenteerde met causaliteit en ook met de evolutietheorie.

 

De twee hoofdgrondleggers van de psychologie zijn: Wilhelm Wundt en William James.

    • Wilhelm Wundt (1832-1920): Wundt heeft medicijnen gestudeerd, daarna ging hij werken onder de leiding van Johannes Müller. Müller heeft Wundt beïnvloed, want door hem heeft Wundt de studie van medicijnen achter hem gelaten en is verder gegaan in het onderzoek naar psychologische processen. Wundt heeft in zijn laatste studie theorieën gemaakt over de fysiologische aspecten van gedrag. Hij creëerde de experimentele psychologie. Door hem ontstonden er allerlei afdelingen psychologie op de universiteiten.

    • William James 1842-1910): James begon ook als een medicijnstudent. Op zijn 30e werd hij gevraagd om fysiologie op de universiteit te onderwijzen. Hij begon les te geven over de relatie tussen fysiologie en psychologie. Later gaf hij alleen nog les in psychologie. Henry Holt vroeg in die tijd aan James of hij een boek wilde schrijven over psychologie. Dit boek werd het best gelezen psychologieboek. Zelf vond hij het boek niet goed, en daardoor ging James zich meer richten op de filosofie. Met zijn analyses over basisproblemen heeft hij een basis opgesteld voor verder onderzoek. Ten eerste stelde hij dat het belangrijk is om voorzichtig precieze observaties te doen. Ten tweede is het belangrijk om juiste en goede vragen te stellen.

 

Wundt en James hebben beide een belangrijke rol gespeeld bij de vorming van psychologie tot een discipline. Ze begonnen elk als medicijnenstudent en eindigden als een professor van filosofie.

 

Een verschil tussen Wundt en James is hun benadering van de studie naar gedrag en geest.

1. James' benadering is bekend geworden onder de naam functionalisme: dit is een benadering van gedragswetenschappen die gebruik maakt van analyses van processen in het brein.

2. Wundts benadering werd structuralisme genoemd. Structuralisme is een benadering die probeert de inhoud van de geest te analyseren, met behulp van introspectie.

 

 

 

 

Methodes voor het bestuderen van gedrag

 

De rol van de wetenschappelijke methode

Terwijl de 5 benaderingen van de psychologie allemaal verschillen in de methode die ze aanhangen, zijn de psychologen het wel eens met een aantal funderingen van psychologisch onderzoek:

  • Ten eerste is psychologie empirisch, dit houdt in dat het gebaseerd is op gedane observaties.

  • Ten tweede moeten deze observaties georganiseerd gedaan worden, ervan uitgaande dat categorisering leidt tot verklarende theorieën. Een gestructureerde set van principes wordt een theorie genoemd.

 

Een theorie geeft een samenhangende structuur voor gerelateerde observaties. Theorie en observaties zijn door twee cognitieve processen gelinkt aan elkaar.

1. Inductie: dit is een proces van redeneren gebaseerd op het vormen van algemene beginselen van specifieke observaties. Dus van specifiek naar algemeen.

2. Deductie: dit is het proces van het trekken van specifieke conclusies uit een set van algemene beginselen. Dus van algemeen naar specifiek.

 

Een voorbeeld van inductie en deductie: Freud geloofde dat agressie een drift is die kan worden geuit in een destructief gedrag, een algemeen beginsel. Hieruit volgt dat als iemand een moord pleegt, hij dit doet omdat het een aangeboren drift is, een specifieke conclusie. Een hypothese, een specifieke uitkomst of voorspelling afgeleid uit een theorie, komt voort uit deductie.

 

Introspectionisme en publieke observaties

Introspectionisme is het gedrag onderzoeken door je eigen gedrag te analyseren. Het is een twijfelachtige techniek, de methode kan namelijk niet de goede antwoorden geven. Een andere zwakte van introspectionisme komt voort uit het gebruik van privé ervaringen als data.

 

Om de problemen van deze techniek te voorkomen, heeft psychologie de publieke technieken van observatie benadrukt. Deze technieken maken het mogelijk voor waarnemers om het eens te worden over wat er is gebeurd.

 

Sommige onderzoekers stellen ook de eis voor publieke observaties aan hoe de concepten worden gedefinieerd. Dit wordt operationeel definiëren genoemd. Anders geformuleerd betekent operationeel definiëren dat de betekenis wordt bepaald door de processen of waarneembare gebeurtenissen die meetbaar zijn.

 

Maatregelen van gedrag, onderzoek setting en onderzoeksmethodes

Gedrag kan op twee manieren onderzocht worden:

  1. Self-report: een methode van dataverzameling door individuen te vragen hun eigen gedrag te beschrijven. Dit kan met interviews, enquêtes en psychologische testen. Think-aloud-protocol is een transcriptie van commentaren gemaakt wanneer een individu gevraagd wordt om zijn gedachten en gedrag te beschrijven.

  2. Directe observatie: een observatietechniek waarbij directe observatie van gedrag door de onderzoeker wordt gedaan. Er is dus een onderzoeker die waarneemt, zonder dat dit wordt beïnvloed door de onderzochte. Deze techniek is een stuk neutraler dan de andere methode en is makkelijker te verifiëren, omdat er meerdere onderzoekers kunnen worden ingezet. Directe observatie wordt vooral gebruikt bij experimenten.

 

Een onderzoeker moet een keuze maken tussen self-report en directe observatie. Ook moet een onderzoeker beslissen in welke omgeving hij zijn onderzoek uitvoert. Er kan onderzoek worden gedaan in een laboratorium of in het veld. De keuze van setting is nauw verbonden met de onderzoeksmethode. Er zijn drie soorten methodes, later in het hoofdstuk worden ze uitgebreider uitgelegd:

  • experiment: Een experiment is een procedure waarbij de onderzoeker systematisch varieert met de factoren, om zo te kunnen zien wat het effect is van de veranderingen.

  • non-experiment: soms ook beschrijvende methode genoemd. Non-experimenten hebben geen directe controle op de factoren, in tegenstelling tot het experiment.

  • quasi-experiment: zijn gelijk aan experimenten, alleen bevatten quasi-experimenten niet hetzelfde niveau van controle. Deze methode wordt vaak gebruikt bij onderzoeken waarbij de kenmerken niet kunnen worden gemanipuleerd, bijvoorbeeld geslacht of leeftijd.

 

Non-experimentele methodes: interviews en surveys

Interview is een methode voor het verzamelen van data waarbij de onderzoeker aan een individu vragen stelt. Deze methode kan gestructureerd zijn, maar ook ongestructureerd. De respons van de geïnterviewde is self-report data, omdat de persoon zijn eigen gedrag beschrijft.

 

Survey (enquête) is een techniek om de attitudes van vele individuen te bepalen door een aantal vooraf geplande vragen te stellen. Cultuur is een van de vele factoren die de antwoorden van de individuen beïnvloedt. Een enquete kan fixed-alternative zijn (er zijn een aantal antwoorden om uit te kiezen) of open-ended (open vragen). In het geval van open vragen ligt het gevaar van bias op de loer, systematische verstoring van de resultaten door verwachting van de onderzoeker. Ook kost het veel tijd om de resultaten van dit soort enquetes te verwerken.

 

Surveys en sampling procedures

Om te kunnen begrijpen waarom grote aantallen proefpersonen niet altijd leiden tot betrouwbare resultaten, moeten we kijken naar twee concepten. Ten eerste populatie: onderzoekspopulatie is de groep waarvan men de eigenschappen wil onderzoeken en waarvan de steekproef wordt getrokken. Ten tweede is de sample (steekproef) relevant: de groep uit de onderzoekspopulatie die daadwerkelijk wordt onderzocht. Het doel van de steekproef is om zo representatief mogelijk te zijn.

 

Beperkingen van self-report

Procedures van self-report, zoals interviews en vragenlijsten, zijn belangrijke meetmethodes voor gedrag, maar ze zorgen ook voor problemen. Een van de problemen is de nauwkeurigheid, hoe nauwkeurig is self-report van gedrag? Individuen zijn namelijk niet altijd duidelijk over hun eigen gedrag, als gevolg van vermindering van aandacht, geheugenverlies en ander factoren. Ook kunnen individuen liegen tegen de onderzoeker, om zo een gunstigere indruk achter te laten. Sommige problemen kunnen tegenwoordig verholpen worden door “experience sampling methods”(ESM), technologie die gedachten en gevoelens naar boven kan halen.

 

Naturalistische observatie en onopvallende metingen

Naturalistische observatie is een onderzoeksmethode die gebaseerd is op observatie in de natuurlijke omgeving, zonder in te grijpen in de condities. Deze methode heeft ook een aantal nadelen. Reactiviteit is een van de nadelen, mensen gedragen zich anders als ze weten dat ze worden bekeken en worden onderzocht.

Een andere variatie van observatie is participerende observatie. Participerende observatie is een niet-experimentele onderzoeksmethode, waarbij de onderzoeker deel van de onderzochte groep wordt.

Om reactiviteit te voorkomen, gebruiken sommige onderzoekers onopvallende metingen (unobtrusive measures). Dit is een indirecte meetmethode, waarbij het gedrag niet wordt verstoord.

 

Case studies

Een case studie is een gedetailleerde beschrijving van een individu, meestal wordt dit gebruikt om informatie van de geschiedenis van het individu te achterhalen en om te helpen het gedrag van het individu te interpreteren.

Ook hebben case studies beperkingen. De grootste beperking is representativiteit, want een casestudie gaat over een individu en is dus moeilijk te generaliseren naar een grotere populatie. De tweede beperking kan niet makkelijk worden verholpen. Klinische gevallen doen zich voor als iemand een behandeling ondergaat, en komt omdat de onderzoeker niet met zekerheid kan zeggen wat de oorzaak van de problemen bij een patiënt is.

 

Correlaties en niet-experimentele onderzoeken

De meeste casestudies zijn niet-experimentele, beschrijvende vormen van onderzoek. Het doel van een casestudie is het verkrijgen van een nauwkeurige beschrijving van gedrag.

Een variabele is een eigenschap die kan variëren, zoals leeftijd.

Correlatie is een geobserveerde relatie tussen twee variabelen. Correlatie methodes worden gebruikt om relaties tussen factoren te identificeren.

Correlatie coëfficiënt is een maat van de relatie tussen twee variabelen. Een positieve relatie ligt tussen 0.0 en +1.0, een negatieve relatie ligt tussen de -1.0 en 0.0.

Illusionair correlatie: een relatie die lijkt te bestaan, maar niet bestaat. Dit komt bijvoorbeeld doordat een andere variabele eigenlijk beiden beïnvloedt.

 

Een belangrijk punt is dat correlatie niet oorzakelijkheid (causaliteit) impliceert. Ook kunnen correlaties niet zeggen waarom een geobserveerd patroon ontstaat, alleen dat het bestaat. Verder onderzoek is nodig om de herkomst te vinden. In het algemeen is één van de drie onderstaande mogelijke verklaringen van toepassing

  1. Eén variabele veroorzaakt verandering in de andere

  2. Een derde factor komt voor bij beide variabelen

  3. Het geobserveerde patroon is toevallig ontstaan

 

Experimenten

Alle methodes die tot nu toe zijn besproken, van interviews tot natuurlijke observatie, hebben dezelfde beperkingen: ze kunnen allemaal geen antwoord geven op vragen over de oorzaken van gedrag. Gedrag is complex en niet-experimentele methodes kunnen de vele mogelijke invloeden op gedrag niet beoordelen.

 

Experimenten: is een onderzoeksopzet, waarbij de onderzoeker gebruik maakt van een gecontroleerde situatie en waarbij er één of meerdere factoren worden gemanipuleerd (onafhankelijke variabelen) om hun effect vast te stellen op één of meer metingen van gedrag (afhankelijke variabelen). Een oorzaak-gevolg relatie (causaliteit) kan wel getrokken worden in een experiment.

Field-experiment: een experiment in een gewone omgeving. Het is hierbij lastig om condities consistent te houden, zonder de participanten te laten merken dat er een experiment aan de gang is.

 

In elk experiment begint de onderzoeker met een hypothese, een statement die een relatie beschrijft tussen twee types variabelen. In een experiment wordt vaak gewerkt met een onafhankelijke variabele (X), gecontroleerd door de onderzoeker en een afhankelijke variabele (Y).

De twee typen variabelen zijn onafhankelijke en afhankelijke variabelen:

  • onafhankelijke variabele: een variabele in een experiment die systematisch wordt afgewisseld door de onderzoeker, om te zien wat voor effect het heeft op het gedrag.

  • afhankelijke variabele: in een experiment, het gemeten gedrag gebruiken om het effect van de onafhankelijke variabele te evalueren.

 

Externe validiteit: of de resultaten ook gegeneraliseerd kunnen worden naar andere personen en situaties.

 

Gesuggereerd wordt dat omstander apathie (bystander apathy, het feit dat omstanders vaak niet ingrijpen) niet om apathie gaat, maar om een sociaal proces. Maar wat is precies een sociaal proces en wat is de aard van deze processen? Hiervoor zijn twee mogelijkheden:

  1. Verspreiding van verantwoordelijkheid: het verminderde gevoel van verantwoordelijkheid als er anderen bij zijn

  2. Sociale invloed: doen wat anderen doen

 

Quasi-experiment

Hoewel het experiment een krachtig gereedschap is om de aard van gedrag te onderzoeken, is het niet altijd mogelijk om een experiment uit te voeren, door praktische en ethische redenen. Om te kunnen handelen in deze situaties, gebruiken onderzoekers het quasi-experiment. Dit is een onderzoeksopzet waarbij participanten worden toegewezen in groepen op basis van variabelen die niet gemanipuleerd kunnen worden door de onderzoeker, denk hierbij aan leeftijd, geslacht, lengte. De groepen zijn dus niet willekeurig gekozen, maar op basis van kenmerken van de participanten ingedeeld.

 

Vaak worden meerdere onderzoeksmethoden gekozen om elkaar aan te vullen, bijvoorbeeld eerst de self-report methode aangevuld met een quasi-experiment. Dit wordt mixed-method research genoemd.

 

Ethiek in psychologische onderzoeken

Bij psychologisch onderzoek moet vaak rekening gehouden worden met ethische codes, om schade te voorkomen. Een goed voorbeeld hiervan is een onderzoek dat is gedaan naar gehoorzaamheid van autoriteit: de neiging om te handelen in overeenstemming met de instructies van iemand die wordt beschouwd als sociale autoriteit, ook als dit in strijd is met iemands eigen neigingen. In dit onderzoek werden mensen gevraagd elektrische schokken te ondergaan, en vanwege de autoriteit van de onderzoeker gingen ze hier heel ver in.

 

Debriefing is achteraf het echte doel van het onderzoek bekend te maken aan de participanten. Dit wordt vaak gezien als ethisch noodzakelijk. Bedrog van participanten wordt heel vaak gebruikt bij onderzoek, maar is in sommige gevallen ethisch niet geheel verantwoord. Echter, over dit onderwerp bestaat geen overeenstemming.

 

 

 

 

 

 

Conclusie

In dit deel is er gekeken naar de aard van psychologie en naar de historie van psychologie als een discipline. In dit proces hebben zich twee basisthema's voorgedaan.

  1. Ten eerste is psychologie een menselijke streven en het proces van het begrijpen van gedrag wordt beïnvloedt door het perceptuele proces die wordt gebruikt bij het interpreteren van al onze ervaringen.

  2. Ten tweede wordt psychologie geconfronteerd met specifieke uitdagingen bij het onderzoeken van gedrag.

 

Kort samengevat:

  • Psychologie wordt gedefinieerd als het wetenschappelijk onderzoek naar gedrag. Met gedrag worden waarneembare response en/of innerlijke ervaringen bedoeld. Het is wetenschappelijk, omdat het is gebaseerd op de systematische observatie methode en op de analyses die deel uitmaken van de wetenschap.

  • De taak van het begrijpen van gedrag kan worden gerelateerd aan perceptie. Perceptie is een actief proces van selectie en interpretatie van informatie voorzien van verstand. Psychologen moeten beslissingen maken welke aspecten ze willen onderzoeken en welke methode ze willen gebruiken.

  • De beslissingen die de psychologen moeten maken, worden gereflecteerd in de verschillende benaderingen van psychologie.

  • Psychologie heeft in twee disciplines haar oorsprong, filosofie en natuurwetenschappen. De invloed van de natuurwetenschappen is te zien in het werk van Wilhelm Wundt. De invloed van de filosofie is te zien in het werk van William James.

  • De vijf belangrijkste benaderingen van de psychologie zijn: de biologische, de behavioristische, de cognitieve, de psychodynamische en de humanistische benadering.

  • In de psychologie zijn er veel manieren van het verzamelen van observaties. De manieren variëren in de techniek van het meten (self-report of directe observatie), in de setting (in een laboratorium of in het veld) en in de onderzoeksmethode (experimenteel, niet experimenteel of semi-experimenteel)

  • Niet-experimentele technieken bevatten interviews, vragenlijsten, case studie, naturalistische observaties en het gebruik van onopvallende metingen. Niet-experimentele methoden bevatten correlaties.

  • Experimenten bevatten altijd systematische gevarieerde onafhankelijke variabelen om te kijken hoe de veranderingen het gedrag beïnvloedt.

  • Quasi-experimentele methoden worden gebruikt bij het onderzoeken van variabelen die niet direct kunnen worden gecontroleerd, zoals geslacht of leeftijd.

  • Een issue dat voorkomt bij alle psychologische onderzoeken, zijn de ethische aspecten.

 

 

Hoofdstuk 2 – De biologische benadering

 

Zoeken naar de geest

Doctoren krijgen soms met problemen te maken die niet alleen lichamelijk zijn. In plaats van naar het lichaam te kijken, wordt dan de focus gelegd op de geest (the mind). Een onbegrijpelijk fenomeen is fantoompijn. Fantoompijn komt voor bij individuen die een ledemaat hebben verloren, maar soms toch nog gevoel ervaren in het missende ledemaat.

 

Dit fenomeen trekt de relatie tussen geest en lichaam in twijfel. De geest is een innerlijke subjectieve ervaring van bewustzijn. De term heeft geen directe verwijzing naar de fysieke vorm.

 

Introductie

De biologische benadering bekijkt de mens als een biologisch organisme. De benadering is ontstaan uit de poging om twee grote vraagstukken te begrijpen:

1. de relatie tussen geest en lichaam

2. de invloed van erfelijkheid op ons gedrag

 

Vroeger zagen biologische onderzoekers de geest en het lichaam als gescheiden. Totdat Descartes met het idee kwam dat er een relatie was tussen de geest en het lichaam. Zijn visie was dat lichaam en geest gescheiden waren, maar wel met elkaar konden interacteren door middel van een “pineal gland” in de hersenen. Dit wordt dualisme genoemd. Tegenwoordig zijn mensen ervan overtuigd dat de geest en het lichaam een eenheid vormen, dit is materialisme, of ook wel monisme. Materialisme is de aanname dat al ons gedrag een fysiologische basis heeft.

 

Materialisme ontwijkt vele problemen van het dualisme, maar bewijst niet dat het waar is. Net als dualisme, is materialisme een aanname, en niet elk persoon en elke cultuur heeft dezelfde aanname over de wereld. Net als elke verschuiving, vond de verschuiving van dualisme naar materialisme langzaam plaats en werd deze verschuiving beïnvloed door een serie van ontdekkingen.

 

Na het ontstaan van het materialisme, heerste er nog steeds de vraag of er een link was tussen fysiologische structuren en gedrag. In 1861 kreeg de Franse dokter Paul Broca te maken met een patiënt die, na een klap op zijn hoofd, zijn spraakvermogen was verloren. Na autopsie werd bekend gemaakt dat het verlies van het spraakvermogen kwam doordat een bepaald deel van de hersenen niet meer werkte. Dit leidde tot de aanname van lokalisatie van functies: de veronderstelling dat bepaalde functies geassocieerd zijn met bepaalde gebieden in de hersenen.

 

Een ander aspect van de biologische benadering is de rol van erfelijkheid (evolutie). Charles Darwin speelde hierbij een belangrijke rol. Hij publiceerde 'on the origin of species', waarin hij beweerde dat er sprake was van survival of the fittest. Organismen die beter in hun omgeving passen, hebben meer kans om te overleven en om voor nakomelingen te zorgen. Hierdoor zal het type van het best aangepaste organisme beter overleven en ook steeds meer de overhand nemen in de populatie. Dit wordt natuurlijke selectie genoemd.

 

Materialisme en erfelijkheid vormen de basis voor de biologische benadering. Deze benadering benadrukt het ontdekken van de black box. Dit betekent dat niet alleen naar de uitkomst van gedrag gekeken wordt, maar ook naar de interne structuren van organismen, oftewel het brein.

 

 

 

Het fysiologische systeem

Het brein

De vraag is nu op welke manieren de fysiologische mechanismen gedrag beïnvloeden. Hiervoor moeten we eerst enkele termen uitleggen. Geest (mind) is een psychologisch concept en verwijst vaak naar bewustzijn (al is dit maar een aanname). Neuronen zijn cellen in het zenuwstelsel. Synaps is een knooppunt tussen twee neuronen via welke neurotransmitters worden vervoerd. De “central nervous system” (CNS) is het centrale deel van het brein en zenuwstelsel. De “peripheral nervous system” (PNS) zijn die routes die buiten het CNS liggen, zoals zintuigen, motor control, en de regulatie van organen. Sensor neuronen zijn neuronen in de PNS die informatie vervoeren vanuit de zintuigen naar de CNS. Motor neuronen zijn neuronen in de PNS die spieren aansturen. Interneuronen zijn neuronen in de CNS. Zenuwimpulsen zijn elektrische signalen die gegenereerd worden door actieve neuronen. Neurotransmitters zijn chemicaliën die communicatie mogelijk maken tussen neuronen. Een brein bestaat waarschijnlijk uit 100 biljoen neuronen, en meerdere onderdelen. Ooit is aangenomen dat elk onderdeel een bepaalde functie heeft. Het is echter belangrijk te bedenken dat het een systeem is met extreem veel interne connecties.

 

Het buitenste gedeelte van het brein is de cortex. Deze heeft ‘hogere’ functies als spraak en perceptie. Het is verdeeld in hemisferen, die weer zijn verdeeld in lobben. De frontale lob is verantwoordelijk voor interpretatie van emotie en ervaringen. Het frontale motor gebied bevat neuronen die bewuste aanspanningen van de spieren aansturen. De parietal lob zorgt voor het tast zintuig. De associatie gebieden hebben geen primaire functie, maar integreren de activiteiten van de andere gebieden. De meeste delen van het brein zijn aan elkaar gelinkt, omdat we nooit van een deel tegelijk gebruik maken. Het brein functioneert altijd als een geheel.

 

De cortex is als een schors om het binnenste gedeelte van het brein heen, waar de primaire functies plaatsvinden: het ‘limbic system’ en ‘brain stem’. Deze hebben functies die niet anders zijn dan bij dieren, zoals geheugen, basisemoties, onbewuste bewegingen, balans, enzovoorts.

 

Onderzoek naar het brein

Oorspronkelijk werden vooral case studies gedaan naar het brein, door klinische gevallen te observeren. Tegenwoordig hebben we meer technieken voor onderzoek. We weten al lang dat hersenactiviteit bestaat uit elektrische signalen. Deze kunnen we al vanaf 1920 opvangen met behulp van EEG. Sinds 1950 zijn er technieken ontwikkeld die directe interventie mogelijk maakten, door de zenuwcellen elektrisch te stimuleren.

 

Dit heeft enkele fundamentele vragen opgeroepen over het brein. De materialisten zeggen dat elke functie een locatie in het lichaam heeft, en met veel onderzoek uiteindelijk al het gedrag te lokaliseren en te beïnvloeden is. Dit zorgt voor angstige reacties, maar anderen zien hierin oplossingen voor gedragsproblemen. Deze zijn echter vooral gebaseerd op een overoptimistisch denkbeeld over elektrische stimulatie. Het is erg nuttig geweest voor onze kennis over het brein, maar zal nooit 100 biljoen neuronen kunnen simuleren.

 

Een andere onderzoekstechniek maakt gebruik van computertechnieken, zoals de CAT-scan en de PET-scan, die kunnen aanwijzen welke delen van het brein actief zijn. Magnetische resonantie of MRI scans helpen ons bij het vinden van structuren en activiteitspatronen in de hersenen. Ook als leugendetector kan dit de dienst uitmaken. Echter, nadelen zijn dat de scanapparatuur erg duur is en minder precies is dan elektrische stimulatie. Bij de interpretatie van de scans komen beperkingen en aannames kijken:

  • de aanname dat elke functie in een locatie vastligt is achterhaald

  • een correlatie hoeft geen causale relatie te zijn

  • mensen verschillen, dus ook hun hersenen verschillen

 

Chemische processen in gedrag

Er bestaan chemische stoffen die neurale transmissie beïnvloeden, zoals dopamine. ‘Punding’ is een fenomeen waarbij patiënten zinloze handelingen achter elkaar blijven herhalen, dit wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door dopamine. Constante stimulatie kan zorgen voor ‘habituation’, een verlaagde respons van neuronen.

 

Hormonen

Andere lichamelijke processen zijn veroorzaakt door chemische stoffen, geproduceerd door ‘glandular cells’, zoals hormonen. Die worden vervoerd via het bloed. Hormonale processen duren langer dan zenuwprikkels, en deze vullen elkaar aan. De twee systemen hebben directe interactie. Ook bestaan er stoffen die bij beide systemen een rol spelen.

 

Interacties tussen de geest en het lichaam in gedrag

Het is onmogelijk om de geest te identificeren met een bepaalde structuur van de hersenen of met een bepaald deel van het lichaam. Ons bewustzijn hangt wellicht af van een goedwerkende cortex (het gebied in de hersenen, waar informatie uit de rest van het lichaam wordt ontvangen, geanalyseerd en geïnterpreteerd) maar andere aspecten van gedrag hangen af van andere elementen van dit systeem.

 

De effecten van lichaam op geest

Wanneer we spreken over de effecten van het lichaam op de geest, hebben we het bijvoorbeeld over de veranderingen in het lichaam. Deze veranderingen hebben vaak te maken met neurale en/of chemische processen. Er wordt gefocust op twee problemen:

1. drugs/geneesmiddelen en zijn effecten

2. de scheiding van de corticale hersenhelften, the split brain

 

De studie naar drugs en de effecten

Technisch gezien is een drug een substantie die effect heeft op levende cellen. Maar deze definitie is niet geheel juist. Als je deze definitie zou aanhouden, dan zou water ook een drug zijn. Daarom is er nog een andere definitie van drug. Drugs zijn chemische substanties die vreemd zijn aan het lichaam. Niet alle drugs worden medisch voorgeschreven. Ook is het voor de onderzoekers niet interessant om alle drugs te onderzoeken. Bijvoorbeeld penicilline vermindert infecties, maar tast niet ons gedrag aan.

 

Psychoactieve drugs wekken echter wel de interesse van de onderzoekers. Psychoactieve drugs hebben invloed op onze geest. Deze drug is een zorg in zowel de psychologie en de geneeskunde en heeft aanleiding gegeven tot het complexe veld psychofarmacologie.

 

Psychoactieve drugs moeten nog worden beoordeeld door het gebruik op menselijke subjecten. Hier zijn verschillende redenen voor:

1. Ten eerste, zelfs als de drugs op nauw verwante dieren worden getest, zijn de resultaten niet altijd hetzelfde.

2. Ten tweede, zelfs als de effecten hetzelfde zijn, is het beoordelen van de drugs bij dieren toch nog moeilijk.

Drugs hebben invloed op ons fysieke systeem. De gedragsveranderingen zijn vooral mentaal (perceptie, geheugen). Dit leidt tot het probleem van het koppelen van lichaam en geest. Een aantal eventuele mogelijkheden:

1. Sommige drugs hebben alleen effect op bepaalde groepen. Een bepaalde drug kan wel een effect hebben op mensen die ziek zijn en geen effect hebben op mensen die gezond zijn.

2. Sommige drugs hebben invloed op onze zintuigen, maar dit komt niet altijd tot uiting in ons gedrag. Hierdoor is het moeilijk te zien wat er met een bepaald persoon gebeurt, als diegene drugs heeft gebruikt.

3. Het is handig om drugs te categoriseren. Echter zijn de categorieën niet altijd waterdicht, iedere drug heeft een ander effect bij verschillende personen.

 

Om te begrijpen wat drugs doen met gedrag, is het nodig om te begrijpen wat drugs doen met het lichaam. Psychoactieve drugs tasten de communicatie tussen neuronen aan. De communicatie van de synaps is afhankelijk van de neurotransmitters. Deze chemische “berichten” komen uit het einde van een axon, gaan via de synaptic naar de receptor en vervolgens naar de volgende neuron.

 

Soorten van psychoactieve drugs

De vooruitgang in de psychofarmacologie (de studie naar veranderingen in bijvoorbeeld stemming, denken en gedrag, die veroorzaakt worden door het gebruik van drugs) heeft ervoor gezorgd dat er meer psychoactieve middelen worden gebruikt. Psychoactieve drugs zijn middelen die invloed hebben op het gedrag of op de beleving van de gebruiker. Het veelvuldige gebruik van deze middelen zorgt voor een verandering van het sociale gedrag van mensen.

 

De soorten psychoactieve medicijnen worden vanwege hun effect ingedeeld in verschillende categorieën. Een categorie die vaak over het hoofd wordt gezien is de categorie stimulanten. Deze medicijnen zorgen voor het activeren van het centrale zenuwstelsel. Een voorbeeld van een stimulans is dopamine, dopamine zorgt ervoor dat je actiever wordt, minder honger hebt en een beter humeur krijgt. Andere middelen die een stimulerende werking op het zenuwstelsel hebben zijn cafeïne en nicotine. Deze twee stimulerende middelen worden vaak in onze samenleving gebruikt en worden als normaal beschouwd. Echter kunnen deze middelen ongunstige effecten veroorzaken. Wanneer bijvoorbeeld nicotine te vaak wordt ingenomen, dan past het zenuwstelsel zich hieraan aan. Hierdoor zal er steeds een hogere dosis nodig zijn om het gewenste effect te bereiken. Een gevolg hiervan kan zijn dat de persoon verslaafd raakt aan deze middelen.

 

De categorie stimulerende middelen wordt vaak verward met de categorie “depressants”. Depressants zijn middelen die de werking van het centrale zenuwstelsel reduceren. Alcohol, slaapmiddelen en kalmeringsmiddelen zijn voorbeelden van depressants. Toch wordt er vaak gedacht dat alcohol een stimulerende drug is, omdat je er na een kleine dosis losser van wordt.

 

Het categoriseren van de psychoactieve drugs wordt bemoeilijkt wanneer de “anti-anxiety” drug in beeld komt. Anti-anxiety drugs verminderen de angst van een persoon, bijvoorbeeld valium. Deze drugs zijn moeilijk te categoriseren, omdat door deze drugs de werking van het centrale zenuwstelsel vermindert, maar ze hebben een groter effect dan bijvoorbeeld alcohol.

 

Een andere categorie is “antidepressants”. Deze drugs worden gebruikt om depressies te verminderen en wanneer mensen zich moe, ziek of hulpeloos voelen.

 

Hallucinogens” is de laatste categorie van psychoactieve drugs. Dit soort verbetert de stemming en de perceptie. Afhankelijk van de soort drug en de dosis, kan er een effect van hallucinatie optreden.

 

Dat drugs effect hebben op het gedrag en op de stemming is niet nieuw. Ook de omstandigheden die leiden tot het gebruik van drugs, zoals angstvermindering of opluchting, kennen we al langer. Toch begrijpen we de mechanismes van drugs steeds beter.

 

De gespleten hersenen en de geest

De materialistische benadering gaat ervan uit dat ons bewustzijn een fysieke basis moet hebben, bijvoorbeeld in onze hersenen. Dit is echter moeilijk te onderzoeken, en dat is een probleem. Onderzoek heeft al veel dingen bewezen, alleen de vraag waar onze geest zich bevindt, is nog onbeantwoord.

 

Ons brein kunnen we verdelen in twee delen. Deze twee helften worden 'cerebral hemispheres' genoemd. Een cerebrale hemisfeer is een van beide delen van de hersenen, die verticaal in het midden gescheiden zijn. Strikt genomen zijn er geen twee hersenhelften, maar vier. Het corpus callosum oftewel de hersenbalk is een structuur in de hersenen die de twee hersenhelften met elkaar verbindt. Op deze manier kunnen de twee hersenhelften informatie met elkaar uitwisselen. Het is al een tijd bekend dat elke hemisfeer verantwoordelijk is voor het tegenovergestelde deel van het lichaam. De linker hemisfeer krijgt een prikkel, dit wordt uitgevoerd in de rechterhelft van het lichaam. Psycholoog Gustav Fechner dacht dat de mens twee bewustzijns had, omdat mensen ook twee hersenhelften hebben. 100 jaar later bleek hij gelijk te hebben. Psycholoog Roger Sperry dacht, wanneer de twee hemisferen werden gescheiden door de corpus callosum door te snijden, dit geen effect had op ons gedrag. Medisch gezien werkte deze methode, alleen waren de negatieve effecten nog niet bekend.

 

Om er achter te komen wat het effect is van het doorsnijden van de corpus callosum, was er een techniek nodig waarbij er maar één hersenhelft wordt gebruikt. Een voorbeeld van een techniek is het volgende. Een geblinddoekt persoon krijgt in zijn linkerhand een voorwerp. Wanneer hij later met zijn linkerhand dit voorwerp moet zoeken tussen verschillende voorwerpen, is dit gemakkelijker dan als hij het voorwerp met zijn rechterhand moet zoeken. Dus objecten aan de linkerkant van het visuele veld worden gezien met de rechter hersenhelft.

 

Sinds Sperry´s onderzoek zijn er nog vele onderzoeken gedaan, ondanks het kleine aantal individuen met gespleten hersenhelften. In het algemeen hebben alle onderzoeken Sperry’s bevindingen bevestigd. Echter moet onderzoek nog een aantal dingen onderzoeken:

1. Als de hersenbalk is doorgesneden, functioneren de twee hersenhelften onafhankelijk, terwijl sommige sensomotorische informatie nog steeds wordt vervoerd tussen de twee helften door de superior colliculus. Dit is een andere connectie tussen de twee hersenhelften.

2. Elke hemisfeer lijkt een bewustzijn te bezitten, maar zonder het besef dat de ander het ook heeft. Een voorbeeld hiervan is dat een patiënt ziet dat haar linkerhand een beweging maakt, maar zegt dat ze dat niet deed.

3. De twee hemisferen lijken verschillende vaardigheden te hebben, de linker hemisfeer bezit meestal taalvaardigheid, logica en wiskunde, de rechter hemisfeer bezit het ruimtelijk inzicht, muziek en de rekenkundige vaardigheden.

 

 

 

 

De gespleten hersenen en het normale brein

‘Cerebral dominance’ betekent dat de linkerhersenhelft of de rechterhersenhelft superieur is aan de andere helft. Een voorbeeld hiervan is dat als je gaat lopen, je dominante voet als eerste naar voren gaat. Hersenonderzoekers zijn hier erg geïnteresseerd in.

 

 

De ervaring van emoties

Er zijn veel duidelijke relaties tussen het lichaam en emoties, zoals blozen bij schaamte. William James en Carl Lange maakten een theorie hierover: ‘the theory of emotion’. Deze gaat ervan uit dat we eerst een fysiologische respons op de wereld hebben, en dan pas deze ervaren als emotie (in plaats van andersom). Walter Cannon en Philip Bard gingen hier tegenin, en experimenteerden met katten. Subjectieve gevoelens en fysiologische reacties zijn volgens hen gescheiden eigenschappen van emotie. Weer later deden Schachter en Singer een complexe studie waarin bij mensen via injecties fysieke reacties opgewekt werden. Deze interpreteerden ze aan de hand van andere aanwijzingen uit de omgeving. Ze concludeerden dat alle emoties bij dezelfde ‘physiological state’ horen, en dus aan de hand van de omgeving als bepaalde emotie wordt ervaren.

 

De effecten van de geest op het lichaam

Iedereen heeft wel eens te maken gehad met stress. Stress is net zoals pijn een veel voorkomende ervaring. Hans Seyle is een onderzoeker die vooral interesse heeft in stress en de gevolgen hiervan. Het viel hem op dat mensen die stress ondervonden, er allemaal ziek uit zagen.

 

Stress is iets dat wordt veroorzaakt door bepaalde omstandigheden, in psychologische termen is stress een reactie van het lichaam op een situatie die als noodsituatie wordt gezien.

De bijnier (adrenal glands) zorgt voor de productie van adrenaline. Steroïden spelen een rol als een lichaam stress ondervindt, maar ook bij de normale omstandigheden. Ze zorgen ervoor dat de bloedsuikerspiegel stijgt en hebben een belangrijke functie bij het reguleren van de activiteit van het immuunsysteem.

 

Fysiologische reacties op stress blijken volgens een vast patroon te verlopen, dat door Hans Seley het General Adaption Syndrome wordt genoemd. Er spelen hierbij drie fasen een rol.

1. Alarmfase: in deze fase is er sprake van een kortdurende verlaagde weerstand van het lichaam.

2. Weerstandsfase: in deze fase is de weerstand tegen de stress verhoogd.

3. Uitputtingsfase: in deze fase is de weerstand juist weer verlaagd.

 

Als iemand deze drie fasen heeft doorlopen, duurt het enige tijd voordat men weer op het normale niveau is teruggekeerd. Als de situatie inspanningen oproept, maar deze volgen te snel op elkaar, dan heeft het individu te weinig tijd om dit te herstellen en raken de verdedigingsbronnen van het lichaam uitgeput.

 

De posttraumatische stressstoornis (PTSS) of de post-traumatic stress disorder (PTSD) is een psychische aandoening die is ingedeeld bij de angststoornissen. Deze aandoening ontstaat als gevolg van ernstige stress gevende situaties, waarbij sprake is van een levensbedreigende situatie, ernstig lichamelijk letsel of een bedreiging van de fysieke integriteit.

 

Uit studie van Dr. Richard Rahe is gebleken dat bij cruciale veranderingen in iemands leven, de mate van stress ernstig verhoogd kan worden. Voorbeelden van veranderingen in iemands leven kunnen zijn: dood van de echtgenoot, scheiding en gevangenisstraf.

 

Omgaan met stress: levensbedreigende situaties veroorzaken meestal stress bij mensen. Een stressor is een factor die een stress respons op gang kan brengen bij een individu. Dit kan leiden tot een vechtreactie of een vluchtreactie. Zo'n reactie kan al voorkomen bij een minder stressvolle situatie zoals een file.

 

De belangrijkste factor waardoor stress wordt veroorzaakt, is hoe mensen de stresssituatie interpreteren. Psychologen hebben enkele factoren onderzocht die lijken te beïnvloeden hoe stressvol een situatie wordt bevonden.

1. Predictability, oftewel voorspelbaarheid. Voorbeeld hiervan is; mensen die langs het spoor wonen, zijn gewend aan het geluid van voorbij komende treinen en zullen hier weinig last van hebben tijdens het slapen. Mensen die niet aan het spoor wonen, en dus niet gewend zijn aan het geluid, zullen meer moeite hebben met slapen.

2. Perceived control, oftewel waargenomen controle. Voorbeeld hiervan is het gevoel dat mensen controle hebben over de situatie.

3. The way we try to cope with a situation. Er kunnen twee reacties voorkomen. De eerste soort reactie is het verzetten tegen een stressvolle situatie (catatoxic reaction). De tweede soort reactie is het aanpassen aan de stressvolle situatie (syntoxic reaction).

 

Onderzoekers hebben recent het verschil tussen probleemgerichte strategieën en emotiegerichte strategieën onderzocht. De probleemgerichte strategie probeert gelijk te handelen in de situatie, en ziet het als een probleem dat moet worden opgelost. Emotiegerichte strategieën focussen op het omgaan met de individuele interne emotionele staat, en dit leidt tot het vermijden van het probleem.

 

De beste manier om met stress om te gaan:

1. Erkennen hoe onze perceptie onze reactie beïnvloedt.

2. Herkennen dat je gestrest bent.

3. Het ontwikkelen van een aantal manieren om met stress om te gaan.

 

Mentale staat en gezondheid

een van de dingen die erg duidelijk uit onderzoek naar voren komt, is dat stress invloed heeft op onze gezondheid. Reacties op stress hebben effect op ons immuunsysteem, dit duidt op een verband tussen je mentale en je fysieke gezondheid,

 

Placebo-effect: een placebo is een geneesmiddel dat geen werkzame bestanddelen bevat. Een placebo slaat in die betekenis op een positief psychisch effect dat optreedt door vertrouwen in de heilzame werking van de behandeling of van het medicijn. Door te geloven dat je beter wordt, voel je je meestal ook beter. Als patiënten er vanuit gaan dat een middel juist niet werkt, voelen ze zich alleen maar slechter.

De effecten van placebo's zijn moeilijk te begrijpen voor mensen die geloven dat onze geest en lichaam gescheiden zijn.

 

Psycho-immunology is de studie van mentale toestanden en de effecten op de gezondheid. Deze studie is snel groeiende. Vanuit het oogpunt van psychologie voegt het onderzoek van psycho-immunology een extra dimensie toe aan ons verstand van de relatie tussen geest en lichaam. In sommige opzichten brengt dit ons dus terug naar het begin van dit hoofdstuk. We hebben namelijk gezien hoe processen in het lichaam invloed kunnen hebben op onze mentale staat en hoe mentale processen invloed hebben op ons lichaam.

 

De erfelijke basis van gedrag

Een aspect wat nog niet besproken is, is de studie van erfelijkheid. In 1970 dacht een groep onderzoekers dat ze een genetisch patroon hadden gevonden wat crimineel gedrag zou kunnen veroorzaken. Mensen met een extra Y-chromosoom (het XYY-patroon) zouden later criminelen worden. Dit zorgde voor een hoop opschudding, omdat men de mensen met een extra Y-chromosoom extra in de gaten ging houden, of dat ze zelfs deze mensen wilden opsluiten voordat ze de fout in zouden gaan. Andere onderzoekers kwamen er snel achter dat er genoeg mannen bestonden met een XYY-patroon die niet crimineel waren. De XYY-criminaliteitstheorie was dus geen geldige theorie. Toch hebben mensen zich nooit afgevraagd of gedrag wellicht een erfelijke basis zou hebben, dat gedrag dus geërfd kan worden.

 

Darwins idee over erfelijkheid tussen generaties had veel te maken met een ander concept, namelijk evolutie. Evolutie beschrijft het proces waarbij erfelijke eigenschappen binnen een populatie van organismen veranderen in de loop van de generaties als gevolg van drie dingen:

1. genetische variatie

2. voortplanting

3. natuurlijke selectie

 

Natuurlijke selectie houdt in dat organismen die beter in hun omgeving passen, meer kans hebben om te overleven en beter voor nakomelingen kunnen zorgen, dan dat minder goed aangepaste organismen dat kunnen. Hierdoor zal het type dat het best is aangepast overleven en steeds meer de overhand nemen in de populatie. Dit wordt survival of the fittest genoemd.

De concepten erfelijkheid en evolutie hebben gezorgd voor een betere kennis over het menselijk gedrag.

 

Basismechanismen van erfelijkheid

Door de vooruitgang in biochemie is de kennis over bijvoorbeeld de genen verbeterd. Genen worden gezien als de centrale eenheid van erfelijkheid. Dit komt doordat een gen de informatie voor een specifieke erfelijke eigenschap bij zich draagt. Een gen is onderdeel van een chromosoom. Een chromosoom is de drager van een deel van het erfelijke materiaal, het DNA.

 

Ook al is er erg veel onderzoek gedaan naar genen, niemand weet precies hoeveel actieve genen een menselijk lichaam precies bevat.

 

De verzameling eigenschappen van het individu die geërfd is van beide ouders, is het genotype. De definitie van genotype is: de genetische code die een individu draagt in het DNA van de cellen. De mens heeft chromosomen in paren (van iedere ouder één), waardoor er ook twee genen van dezelfde eigenschappen aanwezig zijn. Deze bepalen bijvoorbeeld je bloed-type of de kleur van je ogen. De erfelijke informatie in de twee genvarianten worden allelen genoemd. Echter zal er maar één allel tot uiting komen, dit wordt het dominante allel genoemd. De andere allelen komen alleen tot uiting als de beide genparen overeenkomen.

 

Naast genotypen bestaan er ook nog fenotypen. Fenotypen zijn alle waarneembare eigenschappen van een organisme. Het is het resultaat van de genetische aanleg (het genotype) van een individu en de invloed daarop van zijn omgeving. Een voorbeeld hiervan is huidskleur. Deze wordt deels bepaald door het genotype, maar wordt ook beïnvloedt door de zon, een invloed van buitenaf. Het fenotypen is dus eigenlijk: het genotype + invloeden van buitenaf.

 

Het is ook nog mogelijk voor genen om een andere vorm aan te nemen, dit wordt mutatie genoemd. Mutaties zijn erg zeldzaam, dit gebeurt ongeveer 1 op de miljoen keer. Wanneer er toch een mutatie plaatsvindt, kan er een nieuwe eigenschap ontstaan. Mutaties zorgen dus voor genetische variatie, en spelen daarom een belangrijke rol bij de evolutie van het leven.

 

Nature en nurture in gedrag

Voordat de genetische theorieën ontstonden, hadden filosofen zoals Plato al verschillende ideeën over onder andere erfelijkheid. Plato sprak over kennis die aangeboren is in plaats van kennis die wordt aangeleerd. Dit wordt nativism genoemd.

Toch nam niet iedereen de visie van Plato over. John Locke bijvoorbeeld ging uit van het empiricism. Dit is een filosofische stroming waarbij men er vanuit gaat dat kennis ontstaat uit ervaringen.

 

Deze filosofische scheiding tussen het nativism en empiricism heeft ervoor gezorgd dat er een nature-nurture-debat ontstond. Nature bevat alle eigenschappen van het individu die bepaald zijn door aanleg, bijvoorbeeld het genetische materiaal. Nurture bevat alle eigenschappen van het individu die bepaald zijn door opvoeding, met name door de leefomgeving.

 

Deze kwestie is erg lastig, daarom zou het erg handig zijn als je controle kan hebben over de genetische factoren en de factoren van buitenaf. Hier zou eventueel een experiment mee gedaan kunnen worden. Echter is dit haast onmogelijk, maar er is wel een alternatief voor gevonden. Dit alternatief heet concordance. Concordance is het bestuderen van individuen van wie de genetische relaties bekend zijn. Een voorbeeld hiervan is een eeneiige tweeling. Deze komen namelijk uit hetzelfde eitje, waardoor ze dezelfde genetische opmaak hebben. Hierdoor zouden eeneiige tweelingen dezelfde eigenschappen moeten hebben, dus eigenlijk ook hetzelfde moeten ontwikkelen. Echter zijn de factoren uit de omgeving, de invloeden van buitenaf, ook van invloed. Hierdoor zullen er toch verschillen ontstaan tussen de eeneiige tweeling, helemaal als ze allebei in een ander milieu worden opgevoed.

 

Evolutie en gedrag

In de evolutionaire psychologie worden de psychologische aspecten van de menselijke geest en van het menselijk gedrag vanuit het oogpunt van de evolutietheorie verklaard. Daarbij worden psychologische functies zoals geheugen, perceptie en taal, maar ook menselijke eigenschappen beschouwd vanuit het perspectief van de natuurlijke selectie. Een belangrijk element daarbij is de ontwikkeling van het menselijk brein. Zo kunnen bijvoorbeeld functies als bewustzijn, taal en intelligentie in verband worden gebracht met de sterker ontwikkelde frontale hersenen, het groter hersenvolume en de sterkere lateralisatie van de menselijke hersenen vergeleken met de hersenen van lagere zoogdieren.

 

Conclusie

De biologische benadering oriënteert zich op het begrijpen van de psychologische en genetische basis van ons gedrag. Deze benadering is in de psychologie de enige benadering die probeert gedrag te verklaren in relatie tot het fysieke systeem. De biologische benadering focust op interne processen die geassocieerd worden met de fysiologie en de genetica. Deze processen zijn erg belangrijk om gedrag te kunnen begrijpen, maar het zijn niet de enige processen die invloed hebben. Het gedrag van elk individu is een unieke combinatie van genetische factoren (erfelijkheid) en levenservaring (omgeving).

 

 

Kort samengevat:

  • De biologische benadering is gebaseerd op de aanname van het materialisme, dit beweert dat al ons gedrag een fysiologische basis heeft.

  • De twee hoofdzaken van de biologische benadering zijn de werking van het zenuwstelsel en de rol van erfelijkheid.

  • Het zenuwstelsel bestaat uit miljoenen individuele zenuwcellen, ook wel neuronen genoemd.

  • Het begrijpen van de natuur van het bewustzijn is wellicht het moeilijkst. Ook de relatie tussen de geest en de hersenen is moeilijk te onderzoeken.

  • Technieken van onderzoek naar hersenen bestaan uit case studies, EEG, ESB, CAT, PET, MRI. Chemische processen zijn onderzocht door te kijken naar neurotransmitters, hormonen en neuropeptiden.

  • De effecten van het lichaam op de geest zijn op verschillende manieren onderzocht, inclusief de studie naar psychoactieve drugs en de impact van gespleten hersenen, en de fysiologische basis van emoties.

  • De invloed van mentale processen op het lichaam is onderzocht in termen van de effecten van stress. Meer recent is dat onderzoekers nu ook kijken hoe de mentale staat het immuunsysteem aantast (psychoimmunology).

  • De studie naar erfelijkheid betrekt de studie naar genen en hoe die functioneren en betrekt de interacties tussen erfelijkheid en omgeving bij tweelingen.

  • Evolutionaire psychologie past de principes van de evolutie toe om inzicht te krijgen in de wijze waarop selectiedruk invloed heeft op gedrag.

 

 

Hoofdstuk 3 – De behavioristische benadering

 

De geest doet er niet toe

Een van de basisthema´s van dit boek is dat gedrag kan worden begrepen op verschillende manieren, de vijf benaderingen. In dit hoofdstuk benadrukt de behavioristische benadering de link tussen gedrag en omgeving. Hierbij negeert deze benadering de fysiologische en mentale gebeurtenissen.

Naar de hersenen kijken is niet altijd de beste manier om gedrag te begrijpen. Goldiamond, een behaviorist, kijkt liever naar de rol van de omgeving in ons gedrag.

 

Introductie

De behavioristische benadering benadrukt de rol van de omgevingsstimuli in de manier hoe wij ons gedragen. Dit betekent dat er wordt gefocust op learning.

Learning: veranderingen in gedrag als gevolg van een ervaring.

 

Behaviorisme observeert dus de rol van de omgevingsstimuli. Er is een relatie tussen observeerbaar gedrag (response) en omgeving-gebeurtenissen (stimuli). Dit maakt het behaviorisme anders dan de andere benaderingen van de psychologie.

 

Basis assumpties van behaviorisme

Rond de 20e eeuw ontstond psychologie. Het werd echter beperkt door de beperkte mogelijkheden om de hersenen te onderzoeken. Williams James gaf als alternatief het functionalisme. Dit bekijkt hoe gedrag samenhangt met het doel. Echter gaf James meer verklaringen dan oplossingen. Tegen deze achtergrond ontstond het behaviorisme, de beschikbare methodes gaven namelijk maar weinig herkenbaar succes.

 

Er zijn twee basisprincipes van de behavioristische benadering:

1. Het meest fundamentele basisprincipe in het behaviorisme is het concept parsimony (letterlijk vertaald: spaarzaamheid). Parsimony is het principe dat er altijd moet worden gezocht naar de meest simpele mogelijke verklaring voor elke gebeurtenis. Het behaviorisme richt zich op het gebruik van operationele definities. Dit zijn definities die ontleend zijn aan waarnemingen. Dit leidt tot de focus op stimuli en respons.

2. Het tweede basisprincipe is associationism. Dit zijn mentale processen, en dan vooral het learning-proces, die gebaseerd zijn op het vormen van connecties tussen ideeën en/of gebeurtenissen. Aristoteles ondersteunde dit principe.

Deze twee basisprincipes vormen het fundament, waauit het behaviorisme is ontstaan.

 

De pioniers van het behaviorisme

Edwin Lynn Thorndike was een Amerikaan die voor zijn afstuderen een psychologisch onderzoek heeft gedaan naar het problemen oplossen onder dieren. Hij onderzocht de condities waarbij dieren hun gedrag veranderden, ook wel het learning-proces. Thorndike keek naar de relaties tussen respons en consequenties. Hij noemde dit the law of effect.

Law of effect is een principe van learning, waarin staat dat elke respons die leidt tot een aangenaam resultaat voor het organisme, waarschijnlijk zal worden herhaald. Een respons die leidt tot een onaangenaam resultaat, zal waarschijnlijk niet worden herhaald.

 

The law of effect is een vorm van associationism, omdat het organisme een connectie maakt tussen een reactie en de consequenties van die reactie. De theorie van Thorndike had ook nadelen/problemen. De theorie was namelijk erg vaag over wanneer iets voldaan is.

John Broadus Watson was de stichter van het behaviorisme. Hij was zowel talentvol als een uitgesproken persoonlijkheid, beide speelden een grote rol in zijn leven. Hij maakte een volledige benadering tot de psychologie. Ook was Watson de eerste psycholoog die zijn theorie gebruikte voor marketing. Watson maakte behaviorisme, tot midden jaren '50, de dominante kracht in de psychologie waarin hij een belangrijke rol vervulde.

De belangrijkste invloed van Watsons ideeën kunnen getraceerd worden in drie centrale elementen:

1. De nadruk ligt op waarneembare responsen en omgevingsstimuli.

2. De afwijzing van mentale concepten die niet in directe observaties te zien zijn.

3. De focus op leren en ervaring staan centraal bij het begrijpen van menselijk gedrag.

 

Stimuli en respons

De focus bij het behaviorisme ligt bij observatie. Daardoor worden gevoelens en gedachten uitgesloten. Ook genetische variatie is uitgesloten, omdat dat voorheen niet kon worden gemeten. De omgeving is immens, en daarom is het voor behavioristen van belang dat ze de complexiteit van de omgeving beperken. Dit moet vooral gebeuren in laboratoria. Ook is het belangrijk om de termen goed te definiëren.

 

Stimulus (S): ieder geval, situatie, object of factor dat het gedrag zou kunnen beïnvloeden. Voor de behavioristen is het een meetbare verandering in de omgeving. Voor de onderzoeker is het van belang om de stimulus die een rol speelt, te identificeren.

Het is ook van belang om het gedrag dat wordt onderzocht goed te omschrijven. Het gedrag dat wordt gemeten heet de respons.

Respons (R): iedere reactie op een stimulus, openlijk of mentaal. Voor de behavioristen een meetbare verandering in het gedrag.

 

Een van de scheidingen tussen responsen dat duidelijk is geworden voor de eerdere behavioristen, was het onderscheid tussen reflexen en vrijwillige acties. Reflexen zijn ongeleerde responsen die op gang kunnen worden gebracht door specifieke omgevingsstimuli. Een voorbeeld van een reflex is het wegtrekken van je hand als het een heet voorwerp aanraakt. Tegenover de reflexen bestaan er de voluntary response (vertaald: vrijwillige reacties)

Vrijwillige reacties: een respons die gecontroleerd is door het individu en dus niet wordt veroorzaakt door een omgevingsstimuli.

 

Klassieke conditionering

Ivan Petrovich Pavlov was een Russische psycholoog die ontdekte dat honden kwijlen doordat ze eten krijgen. Op deze manier kwam hij tot de basis voor het klassieke conditioneren.

  • klassieke conditionering: de studie van learning waarbij het gaat om de reflex-reacties, waarin neutrale stimuli een bestaande reflex-reactie veroorzaken. Klassieke conditionering onderzoekt hoe een nieuwe stimulus een bestaande reflex-reactie kan veroorzaken als het resultaat van leren.

Pavlov heeft in zijn studie ontdekt dat door het rinkelen van een belletje en dan daarna meteen voedsel geven aan een hond, de bel tot dezelfde reactie leidt als het eten, namelijk speeksel bij de hond.

 

In de klassieke conditionering heet de reflexreactie die wordt veroorzaakt door een bepaalde stimulus, een ‘unconditioned response’. Een voorbeeld van een unconditioned response is de samentrekking van de pupil bij helder licht. Voor zo´n reflex is een stimulus nodig die de reactie veroorzaakt. Deze stimulus wordt unconditioned stimulus genoemd.

Geconditioneerd verwijst naar geleerd, dus de term verwijst naar de ongeleerde natuur van reflexen. Maar wat is leren?

 

Leren is gebaseerd op het vormen van een relatie tussen stimuli, zoals de bel en het eten. De bel was aanvankelijk neutraal, want de hond ging niet kwijlen van de bel. De bel was dus een neutrale stimulus. Op het moment dat de bel en het eten met elkaar in verband worden gebracht en de hond gaat kwijlen, dan heet de stimulus een conditioned stimulus. Het kwijlen dat wordt veroorzaakt, wordt de conditioned response genoemd.

 

Er zijn drie fases te onderscheiden, voor de conditionering, tijdens de conditionering en na de conditionering. Dus als we de klassieke conditionering in het kort weergeven, aan de hand van het voorbeeld met de hond, ziet het er als volgt uit:

  • Voor de conditionering: De neutrale stimulus leidt tot een georiënteerde response. Dus het rinkelen van het belletje leidt ertoe dat de hond naar het geluid toe gaat. De ongeconditioneerde stimulus leidt tot een ongeconditioneerde respons. Dus het eten in de mond van de hond leidt tot kwijlen.

  • Tijdens de conditionering: De neutrale stimulus/geconditioneerde stimulus leidt tot een ongeconditioneerd stimulus, wat weer leidt tot een geconditioneerde respons/ongeconditioneerde respons. Dus het rinkelen van het belletje leidt tot eten in de mond van de hond en dat leidt weer tot kwijlen.

Herhaalde koppeling van een neutrale stimulus met een ongeconditioneerde stimulus leidt tot conditionering, waarbij de neutrale stimulus een geconditioneerde stimulus wordt, om dezelfde reactie op te wekken als de ongeconditioneerde stimulus.

  • Na de conditionering: De geconditioneerde stimulus leidt tot een geconditioneerde respons. Dus het rinkelen van het belletje leidt tot kwijlen van de hond.

 

Klassieke geconditioneerde fenomenen

Stimulus generalisatie; is een stimuli die bijna gelijk is aan de originele geconditioneerde stimuli, en die dezelfde geconditioneerde respons veroorzaakt. Dus als er een ander belletje wordt gerinkeld vlak voor het geven van het eten aan de hond, leidt dit ook tot het kwijlen van de hond. De grootte van de respons hangt af van de mate van gelijkenis van de originele stimulus.

 

Stimulus generalization maakt het voor organismen mogelijk om zich beter aan de omgeving te kunnen aanpassen. Een voorbeeld hiervan is het verkeer. De gevaren in het verkeer zijn niet exact hetzelfde, maar toch letten we goed op, omdat we uit ervaring weten dat het gevaarlijk kan zijn.

Er bestaat geen definitie voor gelijkenis van stimuli. Daarom wordt er gekeken naar de uitkomst, als deze gelijk aan elkaar zijn, dan is de gelijkenis van de stimulus erg hoog.

 

Stimulus discriminatie is een selectieve reactie op de geconditioneerde stimulus, maar niet op de stimuli die gelijk zijn, omdat dit zo getraind is. Pavlov merkte in een ander deel van het onderzoek dat zijn hond ging kwijlen bij zowel een zwart als een grijs vierkant. Na het zien van het zwarte vierkant gaf hij eten, bij het grijze vierkant niet. De hond ging alleen nog maar kwijlen bij het zwarte vierkant. Voor stimulus discriminatie is echter altijd training nodig. Als er geen training is, dan treedt generalisatie op, de hond zal dan kwijlen bij alle kleuren vierkanten.

 

De mate van gelijkenis zorgt echter voor een combinatie van generalisatie en discriminatie. In het dagelijks leven leren organismen dat variatie in de stimuli soms betekenisvol zijn en soms niet. Een voorbeeld hiervan is te zien bij duiven. Duiven zien aan het verschil in kleur tussen bessen of ze eetbaar zijn of niet. Hoe kleiner het verschil in de kleur, hoe minder rijp de bessen zijn en dus is de betekenis van de stimulus minder. Alleen als er geen eerdere ervaring is met het kleurverschil, dan zullen de duiven het verschil negeren. Hieruit blijkt dus dat het onmogelijk is om een universele standaard te maken voor gelijkenis in stimuli, omdat organismen verschillende reactiepatronen hebben die afhankelijk zijn van hun ervaringen.

 

Kortom, of we discrimineren hangt af van onze ervaringen. De mate van discriminatie hangt af van onszelf, het is aangeboren. Deze mate heeft invloed op je aanpassing aan de omgeving.

 

Extinction en spontaan herstel

We hebben gezien hoe klassieke conditionering, gecombineerd met stimulus generalisatie en discriminatie, kan leiden tot leren wat meestal zeer aanpasbaar is. Extinction (letterlijk vertaald uitdoving) is de aanname dat wat aangeleerd kan worden, kan ook afgeleerd worden. Ook wel het stoppen van de reactie, wanneer de geconditioneerde stimulus herhaaldelijk wordt aangeboden, zonder gepaard te gaan met de ongeconditioneerde stimulus. Dus na het rinkelen van de bel bij de hond werd er geen eten meer gegeven aan de hond. Uiteindelijk was er nog wel de reactie, het kwijlen, maar het werd steeds zwakker.

 

Er zijn hier twee opmerkingen bij:

1. Men moet onderscheid maken tussen actieve training in extinction (zoals Pavlov dat deed) en het volhouden van geconditioneerde respons zonder training. Zonder training zou het kunnen dat de respons 'slaapt' (tijdelijk afwezig is) totdat de geconditioneerde stimulus weer optreedt. Een voorbeeld hiervan is het gaan naar de tandarts. We gaan niet dagelijks naar de tandarts, en sommige mensen worden bang van het geluid van de boor. Deze angstgevoelens zijn er niet altijd, alleen als ze naar de tandarts gaan. De reactie slaapt dus.

2. Het effect van extinction hangt af van het type geconditioneerde respons. Uit onderzoek blijkt dat interne reacties, zoals bloeddruk en stress, langer blijven dan spierreacties.

 

Spontaan herstel (spontaneous recovery) is het opnieuw optreden van de geconditioneerde respons wanneer de geconditioneerde stimulus wordt gegeven nadat er wat tijd is verstreken sinds de extinction training. Dit laat zien dat wat we leren nooit werkelijk vergeten wordt, maar wordt overladen met andere ervaringen.

 

Hoger geordende conditionering

We hebben eerder gezien dat de principes van de klassieke conditionering voorzien worden door mechanismen waarbij nieuwe stimuli een reflex-respons kan opwekken. Pavlov stelde een mogelijk mechanisme voor, hij noemde dit ‘higher order conditioning’.

 

Higher order conditioning (hoger geordende conditionering): is een vorm van klassieke conditionering, waarin een van tevoren ontstane geconditioneerde stimulus wordt gebruikt alsof het een ongeconditioneerde stimulus is. Dit wordt gedaan om conditionering van een nieuwe stimulus te creëren.

 

Twee voorbeelden van hoger geordende conditionering:

1. Het woord cake laat een kind kwijlen. Bij het leren praten maakte het kind een verband tussen de cake en het zien van het object. Bij het zien van het object (de cake) moet het kind kwijlen, en door het woord cake constant met het aanzicht van de cake te associëren, ontstaat er higher order conditioning.

2. Een ander voorbeeld is als ouders hun kind lichamelijk straffen en tegelijkertijd zeggen “that's bad”. Een kind associeert dat met elkaar en voelt de angst bij de woorden “that's bad”. Als het kind vervolgens een slecht cijfer haalt en de ouders zeggen de woorden “that's bad”, dan voelt het kind de angst en dan wordt het slechte cijfer dus zelf een geconditioneerde stimulus voor angst.

 

Er zijn bij hoger geordende conditionering 3 fases, voor de conditionering, tijdens en na.

– Voor de hoger geordende conditionering: De neutrale stimulus leidt tot een georiënteerde respons. De geconditioneerde stimulus leidt tot een geconditioneerde respons.

– Tijdens de hoger geordende conditionering: De neutrale stimulus en de tweede geconditioneerde stimulus leidt tot de eerste geconditioneerde en die leidt vervolgens weer tot een geconditioneerde respons.

– Na de hoger geordende conditionering: De tweede geconditioneerde stimulus leidt tot een geconditioneerde respons.

 

Geconditioneerde emotionele respons

Pavlovs werk aan de klassieke conditionering heeft zich snel ontwikkeld en werd snel bekend, waarschijnlijk omdat Pavlov al bekend was geworden door zijn werk met betrekking tot de spijsvertering. John B. Watson was een van degene die de belangrijkheid zag van dit nieuwe paradigma. Watson zag in Pavlovs werk een model voor de behaviouristische methodologie die hij wilde bevorderen. Hij zag potentie in de studie van emotie, wat het domein was van de introspectionisten. Zij bestuderen emoties door het beschrijven van mentale stadia. Watson geloofde dat emoties observeerbare reacties vertegenwoordigen en hij probeerde dit te onderzoeken door emotionele reacties te veroorzaken in een experiment.

 

Conditioned emotional response (geconditioneerde emotionele respons) is een emotionele reactie, zoals angst, die wordt veroorzaakt door klassieke conditionering. Uit onderzoek van Watson is gebleken dat extinction niet is toe te passen bij emotionele reacties.

 

Niet alleen angst kan klassiek geconditioneerd worden, maar ook andere emoties. Een nieuw geboren kind reageert instinctief op het lichaam van de moeder. Later wordt deze plezierige reactie geassocieerd met het gezicht van de moeder. Nog later kan dat zelfs geassocieerd worden met objecten in het huis en zelfs met het huis zelf. Ook het horen van een liedje kan emoties oproepen. Daarnaast zijn woorden nog de ergste stimuli in termen van emotionele conditionering.

 

Geconditioneerde drug en respons van het immuunsysteem

De relatie tot de biologische benadering, is het menselijk lichaam een geïntegreerd systeem, met betrekking tot het neurale, hormonale en immunologische activiteiten. Ondanks dat de fysiologische mechanismen onderliggend aan de klassieke conditionering niet besproken zijn, geloofde Pavlov dat de mechanismen neuraal waren. Pavlov was geïnteresseerd in de vraag of reacties op drugs of medicijnen mogelijk klassiek geconditioneerd kunnen zijn. Sommige studies laten zien dat als een hond een ongeconditioneerd stimulus krijgt waar de hond van moet spugen, de respons van de hond op de geconditioneerde stimulus is dat de hond moet spugen.

 

Andere studies laten het tegenovergestelde zien, het lichaam doet precies het tegenovergestelde van wat het medicijn doet als reactie op de geconditioneerde stimulus.

Waarom deze tegenstelling bestaat is niet duidelijk, wel is duidelijk dat er een invloed bestaat. Het zou dus goed kunnen zijn dat conditionering een invloed kan hebben op onze lange termijn gezondheid.

We kunnen niet stellen dat alle kwesties rondom de klassieke conditionering zijn opgelost, maar er bestaat een limiet in het vinden van nieuwe toepassingen en inzichten. Dit limiet is bereikt.

 

Operante conditionering

Hoe belangrijk de klassieke conditionering ook is, er moet worden erkend dat deze conditionering alleen om gaat met hoe nieuwe stimuli zover komen om bestaande niet-vrijwillige reacties te controleren. Terwijl reflexen worden geassocieerd met emoties die een significante rol spelen in onze alledaagse ervaringen, is het meeste van ons gedrag vrijwillig. Om de dynamiek van ons gedrag te begrijpen, moet er een nieuwe benadering worden overwogen. Deze benadering wordt operante conditionering genoemd.

 

Operante conditionering is een manier van leren die zich bezig houdt met veranderingen in een geuite reacties (vrijwillig gedrag) als een functie van de consequenties.

Een voorbeeld: als Pim in een boom klimt, dit is een vrijwillige actie/gedrag, en hij raakt hierdoor gewond, dit is de consequentie, dan klimt hij daarna niet meer in de boom.

 

Om de origine van de operante conditionering te begrijpen, moeten we terug naar het werk van Edwin Thorndike. Ook al bestudeerde Thorndike het gedrag van dieren en het leren op dezelfde manier als Pavlov, Thorndike hield zich toch meer bezig met oplossingen en intelligentie. Hij hield zich niet bezig met simpele reflexen, maar met situaties waarin het dier actief interacteerde met zijn omgeving. In een experiment moest een kat uit een kooi zien te komen, maar dat kon alleen maar door op een hefboom te drukken. Thorndike legde eten buiten de kooi neer als prikkel en zo leerde de kat om op de hefboom te drukken. Uit Thorndike’s werk kunnen twee conclusies worden getrokken:

1. De tijdsduur van hoe lang de kat erover deed om op de hefboom te drukken werd steeds korter.

2. Deze verbetering in het optreden presenteerde een verandering in het gedrag als gevolg van de ervaring, de kat heeft dus geleerd.

 

Skinner en operante conditionering

In het behaviorisme neemt B. F. Skinner een belangrijke plek in, in sommige opzichten heeft Skinner zelfs een grotere invloed dan Watson. Beiden nemen een plek in binnen het radicale behaviorisme. Radicale behaviorisme is een term dat pleit dat de mentale staten zowel ontoegankelijk zijn voor wetenschappelijk onderzoek en dat ze irrelevant zijn voor het begrijpen van gedrag. Skinner had een paar doelen, dingen die hij wilde veranderden;

– Skinner ergerde zich aan het dagelijkse dubbelzinnige taalgebruik binnen de psychologie, daarom ontwikkelde hij nieuwe termen om gedrag beter te kunnen begrijpen en beter te kunnen analyseren. Skinner zegt dat zijn benadering pragmatisch is, maar velen zijn het hier niet mee eens. Zijn framework wordt zelfs gezien als een metatheorie.

– Naast het veranderen van het taalgebruik, veranderde Skinner ook de interactie tussen de concepten van operante conditionering en de methode van observatie en meten van gedrag. Hij vond dat er te veel arbeid nodig was voor een onderzoek van Thorndike, dus ontwikkelde hij een apparaat dat continu in staat was om trials te lopen. Hij noemde dit apparaat de auto-environmental chambre. Men ging vanaf toen kijken naar de frequentie van bepaalde gebeurtenissen.

 

Beloningen en beloning

Skinner ergerde zich aan de vaagheid van het woord voldaan in de definitie van law of effect van Thorndike. Om dit te vermijden, introduceerde Skinner een nieuwe term, namelijk beloning (letterlijk vertaald: bekrachtiger). Beloning is een stimulus die, als hij op een reactie volgt, resulteert in een verandering in de waarschijnlijkheid van die optredende reactie. Het woord “voldaan” heeft Skinner nu veranderd in iets observeerbaars. Beloning is het proces waarbij een beloning de waarschijnlijkheid van de reactie verhoogd. Het gaat bij de waarschijnlijkheid van een reactie om de frequentie van de reactie.

 

De meeste basis beloningen zijn degene die gerelateerd zijn aan overleving, zoals water en eten. Zulke beloningen worden ook wel primary reinforcers genoemd. De definitie van primary reinforcer is: in operante conditionering, een stimulus waarvan het zijn capaciteit is om zich voor te doen als een beloning gebaseerd op biologisch belang.

Een voorbeeld: een baby huilt omdat het honger heeft. Als de baby te eten krijgt, dan speelt dit als beloning op de reactie van het huilen. Als een resultaat van dit beloningsproces, is het voor de baby aannemelijk om de volgende keer weer te gaan huilen als het honger heeft.

 

Er zijn ook beloningen die niet gerelateerd zijn aan biologische overleving. Zulke beloningen worden conditioned reinforcers genoemd. Definitie van conditioned reinforcers: in operante conditionering, een stimulus die optreedt als beloning, maar die niet gebaseerd is op biologische overleving. Een voorbeeld van zulke beloningen is: geld en aandacht.

 

Een belangrijk element voor een zuivere beloning is samenhang: de beloning moet onmiddellijk op de reactie volgen. Als een kind iets goeds doet, moet hij onmiddellijk worden geprezen, anders kan het zijn dat de beloning een andere reactie veroorzaakt. Bijvoorbeeld: een kind plast op de wc en niet meer in zijn broek. Een half uur later prijst de moeder hem hiervoor, terwijl hij op dat moment bezig is met stiekem een koekje eten. Het kind zal dan het stiekem een koekje eten associëren met de lof van zijn moeder.

 

Zoals eerder gezegd, zijn beloningen stimuli die de waarschijnlijkheid van gedrag kunnen veranderen. Thorndike maakt onderscheid tussen bevredigende consequenties en onbevredigende consequenties. Skinner erkend dat niet alle beloningen gelijk zijn. Er bestaan positieve beloningen en straffen:

– Positieve beloning: is een stimulus die, als hij op een respons volgt, ervoor zorgt dat de waarschijnlijkheid van de respons in de toekomst wordt vergroot. Dit is vergelijkbaar met een beloning.

– Straf: een stimulus die, als hij volgt op een respons, ervoor zorgt dat de waarschijnlijkheid van de respons in de toekomst verkleind wordt. Dus deze beloning maakt het gedrag minder waarschijnlijk in de toekomst, dus iets onplezierigs.

 

Net als de positieve beloningen, kunnen straffen zowel primair als geconditioneerd zijn. Primaire straffen zijn consequenties die schade kunnen toebrengen of de overlevingsdrang bedreigen, zoals een fysieke slag. Straffen kunnen ook geconditioneerd worden, door geassocieerd te worden met primaire straffen. Een voorbeeld van geconditioneerd straffen is als een kind kritiek krijgt en dit associeert met geslagen worden, dan wordt de kritiek een negatieve geconditioneerde beloning.

 

Contingencies of reinforcement

De relatie tussen een respons en een beloning word contingency of reinforcement genoemd. Contingentie is hoe een actie wordt beïnvloed door een andere gebeurtenis. Een type van contingentie is beloning. Beloning resulteert altijd in een verhoogde kans op een respons. Dus wanneer een respons onmiddellijk wordt gevolgd door een positieve beloning, dan wordt de respons later meer waarschijnlijk. Dit wordt door Skinner positive reinforcement genoemd.

De definitie van beloning is “operante conditionering, een proces van een stijgende kans van de waarschijnlijkheid van een reactie, als hij onmiddellijk op de reactie volgt met een wenselijke stimulus”. Het tegenovergestelde hiervan is punishment (straf). Punishment is een proces waarbij een respons gevolgd wordt door een straf, wat resulteert in een vermindering in de waarschijnlijkheid van de respons. Dit kan geen beloning genoemd worden, omdat beloning altijd voor vermeerdering van de waarschijnlijkheid leidt.

 

Toch kan ook een straf leiden tot een vermeerdering van een respons. Een voorbeeld hiervan is: als iemand zich verwaarloosd voelt en aandacht wil, is de straf een positieve beloning die ervoor zorgt dat de respons vermeerdert. Denk hierbij aan een kind dat niet veel aandacht krijgt van zijn ouders. Alleen als het kind iets fout doet, worden de ouders boos. Het kind krijgt dan wel aandacht. Dus vanuit het kind gezien, doet hij iets fout waardoor de ouders boos worden en willen zorgen dat het kind het minder doet, maar het kind ziet dit als aandacht krijgen, en zal het dus vaker doen om zo meer aandacht te krijgen. De straf is de positieve beloning die ervoor zorgt dat de waarschijnlijkheid vermeerdert.

 

Negatieve beloning is een proces waarin de waarschijnlijkheid van een respons vermeerdert zodat de respons onmiddellijk leidt tot beëindiging of onthouding van een straf (een afkerende stimulus). Het is niet hetzelfde als punishment omdat de waarschijnlijkheid hier toeneemt en bij punishment vermindert de waarschijnlijkheid. Binnen de negatieve beloning zijn er twee variaties: ontsnapping en vermijding. Ontsnapping: bij ontsnapping geef je steeds niet toe aan de straf. Je moeder blijft bijvoorbeeld zeuren dat je je kamer moet opruimen. Hierdoor blijft het zich herhalen, tot de respons wordt gegeven. De ouders blijven dus zeuren tot de kamer is opgeruimd. Vermijding: bij vermijding wordt er al een respons gegeven voor de straf wordt gegeven, dit om het gezeur van de ouders te voorkomen.

 

Omission (letterlijk vertaald: weglaten) is een proces waarbij een respons wordt gevolgd door beëindiging of onthouding van een positieve beloning, wat resulteert in een vermeerdering van de waarschijnlijkheid van een respons.

 

Een positieve beloning kan ook overgaan in een straf. Bijvoorbeeld als je een drankje krijgt als je een liedje zingt, dan ga je een liedje zingen. Na dit drie keer gedaan te hebben, hoef je geen drankje meer en dus zing je dus ook niet meer. De positieve beloning is negatief geworden, het drankje is negatief geworden. Het drankje is hier niet veranderd, maar de waarde die de persoon eraan geeft wel en dat is het cruciale punt. Om gedrag te begrijpen, moet men kijken naar hoe het gedrag veranderd om de contingentie (hoe het een van het ander afhangt) te identificeren.

 

Operante conditioneringsfenomenen

In alle voorbeelden was de beloner degene die de waarschijnlijkheid van gedrag in de toekomst wilde veranderen. Hier ontstaat een probleem. Aangezien gedrag dat niet voorkomt, niet beloond of bestraft kan worden, weten we niet hoe nieuw gedrag ontstaat. Hoe leren mensen iets, zoals lopen? Ten eerste zijn dit complexe gedragingen, ontstaan uit meerdere kleine handelingen (kruipen, strompelen, een stapje, lopen). Ten tweede ontstaan nieuwe handelingen volgens Springer vaak willekeurig, omdat we nu eenmaal niet constant hetzelfde doen. Met een proces van ‘shaping’ (vorming) kunnen deze handelingen vervolgens aangemoedigd worden. Dit betekent dat nieuwe responsen versterkt worden door ‘successive approximations’, het gecontroleerd aanleveren van beloning. Bijvoorbeeld een muis die eerst per ongeluk aan een knopje snuffelt en dan eten krijgt, vervolgens alleen nog eten krijgt als hij er echt op drukt. Bij leerprocessen is dit een extreem effectief middel.

 

Extinction

Extinction is het stoppen van een respons, wanneer een beloning niet meer wordt herhaald. Extinction en punishment zijn verschillend. Bij extinction treedt de beloning niet meer op, waardoor de respons steeds meer verzwakt en uiteindelijk verdwijnt. Bij punishment wordt een straf toegediend om het gedrag te onderdrukken. Beloning moet echter wel altijd optreden als het gaat om extinction, anders kan de waarschijnlijkheid van een reactie ook niet minder worden als die reactie eerst niet toeneemt of afwezig blijft. Een voorbeeld hiervan is: mensen gaan elke dag werken, maar krijgen slechts wekelijks of maandelijks betaald.

 

Schema’s van beloning

In het dagelijks leven is er volgens Skinner bijna nooit sprake van echte extinction (totaal geen beloning) of continuous reinforcement. Continuous reinforcement is een schema van beloning waarin elke respons wordt gevolgd door een beloning.

 

Partial reinforcement is een contingentie van beloning waarbij beloning niet op elke respons volgt. Schedule of reinforcement: een beschrijving van condities waarin duidelijk wordt wanneer een respons gevolgd wordt door een beloning.

 

Partial reinforcement kan voorkomen onder oneindig veel variaties. Veel van deze variaties kunnen op twee manieren beschreven worden:

– Er is een verschil tussen de ratio van de schema’s. Waarbij het gaat om het aantal reacties voordat de beloning wordt gegeven.

– Er is een verschil tussen de interval schema’s, waarbij het gaat om de tijd die verstrijkt tussen de beloningen.

 

Er zijn verschillende typen schema’s van beloning:

– Fixed ratio schedule: het aantal responsen dat een organisme moet maken tot het krijgen van een beloning. De ratio is gemeten als FR x, waarbij x staat voor het aantal responsen. Dus bijvoorbeeld na vijf responsen volgt een beloning, dan noteer je dat als FR5.

– Variable ratio schedule: het gemiddelde aantal responsen dat een organismen moet maken tot het krijgen van de beloning. VR 8 betekent dus dat gemiddeld genomen elke 8e respons een beloning geeft. De ratio is op de lange termijn te voorspellen, maar op korte termijn zit er variatie in het aantal responsen.

– Fixed interval schedule: de hoeveelheid aan tijd die moet verstrijken na het geven van de voorgaande beloning, voordat een respons een beloning zal ontvangen. FI 5 min betekent een fixed interval van 5 minuten.

– Variable interval schedule: de gemiddelde intervaltijd die moet verstrijken vanaf de laatste beloning, voordat de respons een nieuwe beloning krijgt. VI 15 sec betekent dan dat over een langere periode het gemiddelde dus 15 seconden is, dit verhoogt het aantal responsen, omdat je niet weet wanneer een beloning komt, het blijft het dus herhalen.

 

Het verschil tussen partial reinforcement en continuous reinforcement is dat er bij partial reinforcement meer werk nodig is om de beloning te krijgen. Dit verschil verkleint als de grootte van de ratio of de lengte van de interval verkleint. Daarnaast veroorzaken variable schedules meer responsen dan fixed schedules

 

Extinction gebeurt sneller bij continuous reinforcement, omdat daarbij na elke respons een beloning komt. Als er een paar keer geen beloning komt, dan weet je dat je geen respons meer hoeft te geven. Er is extinctie. Bij partial reinforcement treedt extinction minder snel op, omdat je niet weet wanneer een beloning niet meer komt. Hoe meer variabel het schema, hoe langer het duurt om erachter te komen of de beloning werkelijk is afgenomen.

 

Discriminerende stimuli

Discriminatie stimuli: een stimulus die de contingentie (de mate hoe het een van het ander afhangt) van de beschikbare beloning signaleert. Een jongetje houdt ervan om spaghetti te eten met zijn vingers. Bij zijn vader mag het, maar bij zijn moeder niet. Als zijn vader er is, eet het kind wel spaghetti met zijn handen, maar als hij bij zijn moeder is niet. Bij zijn vader hoort positieve beloning en bij zijn moeder straf. Een ander voorbeeld is wanneer mensen politie zien. Als er politie wordt gesignaleerd, dan houdt iedereen zich aan de toegestane snelheid, maar als ze er niet zijn, rijden de meesten harder. Dus discriminatie van stimulus heeft invloed op de respons die wij geven, door aan te geven wat de mogelijke consequenties zijn van het gedrag.

 

Onze mogelijkheid om deze discriminatieve stimulus te herkennen en om zo onze reacties te modificeren, maakt het gemakkelijker om ons aan te passen aan de veranderingen in de omgeving.

 

Losstaande beloning

Als de aanwezigheid van de beloning los staat van het optreden van de respons, wordt dit non-contigent reinforcement genoemd. Het valt hierbij op dat de organismen gedrag gaan vertonen dat los staat van de beloning. Dit is superstitious behaviour, het gedrag wordt niet consequent bevestigd en het gedrag heeft geen invloed op de uitkomst. Veel sportrituelen zijn gebaseerd op zulk gedrag.

 

Toepassingen en implicaties van conditionering

Gedragsmodificatie: de toepassing van conditioneringstechnieken op het wijzigen van menselijk gedrag. Vooral die gedragingen die gezien worden als abnormaal.

 

Punishment wordt gebruikt om de frequentie van een respons te verminderen en negatieve beloning wordt gebruikt om een respons te verkleinen. Punishment heeft een aantal beperkingen:

– Het gebruik van punishment hangt af van ‘contiguity’ tussen de respons en de beloning. Dit houdt in dat een beloning meteen na een respons moet optreden om zo het ‘slechte’ gedrag te straffen. Straf die te laat wordt gegeven, is niet effectief en wordt wellicht geassocieerd met een andere respons.

– Straf moedigt vermijdingsgedrag aan. Een leraar die boos wordt op een kind als hij een verkeerd antwoord geeft, kan er voor zorgen dat het kind nooit mee reen antwoord durft te geven.

Negatieve beloning is meestal effectiever dan straf, maar ook straffen kan angst of agressie veroorzaken. Volgens Skinner moeten we in een samenleving alleen gebruik maken van beloningen en extinction van ongewenst gedrag.

 

De onderlinge relaties tussen klassieke conditionering en operante conditionering

Klassieke conditionering en operante conditionering staan niet los van elkaar, ondanks dat dit wel wordt gezegd. Er bestaan onderlinge verbanden tussen deze twee vormen van conditionering. Bijvoorbeeld: als je onder de douche staat en je hoort dat het toilet wordt doorgetrokken, dan ben je bang voor het geluid van de wc en tegelijkertijd spring je weg van de straal. Dit omdat je weet dat het water mogelijk koud kan worden.

 

Autonome conditionering en biofeedback

Miller en DiCare vroegen zich af of het mogelijk was om operante beloning te gebruiken met onvrijwillige (klassieke) responsen. Uit hun onderzoek bleek van wel. Dit proces werd autonomic conditioning genoemd. Dit is een conditionering van veranderingen in autonome en dus onvrijwillige responsen door middel van operante conditionering. Onvrijwillige responsen zijn bijvoorbeeld hartritme en bloeddruk. Dus onvrijwillige responsen kunnen wel degelijk operant geconditioneerd worden.

 

Het essentiële element in autonome conditionering is de mogelijkheid om de respons te meten. Biofeedback is een algemene term voor de toepassing van autonomic conditioning. De naam verwijst naar het feit dat beloning binnenin de mensen gebaseerd is op het geven van informatie aan een individu over psychologische processen die normaal niet te observeren zijn. Informatie geven aan het individu is feedback en psychologische processen is bio, zo komt biofeedback tot stand.

Elke biofeedback procedure heeft gereedschap nodig om de respons die men wil zien te controleren. De meest betekenisvolle toepassing van biofeedback is voor medische behandelingen. Theoretisch gezien laat autonomic conditioning zien dat operante en klassieke conditionering meer aan elkaar gerelateerd zijn dan men dacht.

 

Biologische beperkingen en learning

Men heeft verschillende aannamen wanneer iemand generaliseert van het lab naar de echte wereld.

 

Equipotentiality premise is de aanname dat de principes van conditionering voor elk gedrag gelden en voor elke soort.

Ethologie is de studie van gedrag van dieren in hun natuurlijke omgeving. Konrad Lorenz wordt gezien als de stichter van deze benadering, onderzoekers binnen deze benadering bestuderen species-specific behaviours. Dit zijn gedragingen die karakteriserend zijn voor alle leden van een soort, deze responspatronen (soms ook wel instincts genoemd) zetten aan tot gedragingen als het vinden van voedsel, verdediging en het opvoeden van nakomelingen.

Critical period betekent dat er bepaalde periodes zijn die optimaal zijn voor het leren van bepaalde gedragingen.

Preparedness: de mate waarin fysiologische structuur invloed heeft op het optreden van gedrag. Het gaat er hier dus om of bepaalde gedragingen al aangeleerd zijn of niet. Sommige vormen van gedrag ontwikkelen zich zonder specifieke ervaringen. Het organisme lijkt fysiologisch gestructureerd om dit gedrag te vertonen.

Baith-shyness: is het optreden van associatie van een nare ervaring met iets dat daar los van staat. Als je na een chemotherapie een gerecht eet, en misselijk wordt, is de kans erg groot dat je later van hetzelfde gerecht weer misselijk wordt.

 

Conclusie

De behaviouristische benadering is geworteld in de aanname dat wetenschap gebaseerd moet zijn op de studie van observeerbare gebeurtenissen. Dit betekent dat er gekeken moet worden naar interacties tussen het organisme en zijn omgeving.

Skinner wees er op dat behaviorisme een methode is van analyse en niet van een theorie. Critici zeiden dat behandeling van organismen als een black box betekent dat de mentale processen centraal staan in menselijk gedrag. Skinner zegt dat zulke evenementen wetenschappelijk onkenbaar zijn en dat ze op geen enkele manier gedrag veroorzaken.

 

Ondanks dat de behavioristische benadering veel heeft betekend om gedrag beter te begrijpen en ondanks dat deze benadering heeft geleid tot veel effectieve therapieën in gedragsaandoeningen, heeft deze benadering niet langer de goede positie in de psychologie als voorheen. Dit benadrukt de limitatie van deze benadering. Het grootste nadeel van deze benadering is dat onderzoek bij ethologen en anderen heeft aangetoond dat de principes van conditionering niet zo universeel zijn als werd beweerd.

 

Kort samengevat

– De behavioristische benadering benadrukt de studie naar observeerbare responsen en niet de studie naar interne processen zoals denken.

– De behavioristen focussen op leren als primaire factor in het uitleggen van veranderingen in gedrag. Afhankelijk van het type respons gebeurt dit met klassieke conditionering of operante conditionering.

– Klassieke conditionering is betrokken bij hoe geconditioneerde stimuli geconditioneerde responsen uitlokken.

– Klassieke conditionering kan toegepast worden op verschillende aspecten van gedrag, zoals emotionele responsen zoals angsten, en zelfs activiteit in het immuunsysteem.

– Operante conditionering is betrokken bij hoe de waarschijnlijkheid van een vrijwillige operante respons verandert in een functie van omgevings consequenties (beloning) welke volgt op een respons.

– Het proces van beloning kan worden geanalyseerd in termen van type beloning, de contingentie van het beloning en het schema van de beloning.

– De toepassing van operante conditionering op hedendaags gedrag wordt gedragsmodificatie genoemd. Gerelateerde onderzoeken bevatten de effecten van aversive control en methode van gedragsveranderingen door biofeedback.

– Recente onderzoeken hebben geconcludeerd dat terwijl conceptuele verschillen, klassieke en operante conditionering toch interrelationeel zijn in actueel gedrag.

 

 

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  3. Search tool: quick & dirty - not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is available at the bottom of most pages or on the Search & Find page
  4. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Quick links to WorldSupporter content for universities in the Netherlands

Follow the author: Vintage Supporter
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.