Boeksamenvatting bij Media Psychology van Brewer


Hoofdstuk 1: Mediageweld

Het onderwerp mediageweld komt nogal eens in opspraak, vooral wanneer er bepaalde gewelddadige of distinctieve misdaden zijn gepleegd die te maken (lijken te) hebben met mediageweld. Een goed voorbeeld hiervan komt uit 1993, toen twee tienjarige kinderen een tweejarige jongen vermoordden. Veel mensen vonden dit moeilijk te geloven, maar de rechter wierp op dat dit gedrag gedeeltelijk verklaard werd door blootstelling aan gewelddadige video’s. Dit trok de aandacht van de media en het publiek en wordt gebruikt als “bewijs” dat mediageweld leidt tot real-life agressie.

De verschillen in soorten media komt goed naar voren uit de kritiek die de media zelf levert op het geweld in de media. Vooral op nieuws gebaseerde media (het nieuws, documentaires) hebben kritiek op het grafische content van televisieprogramma’s en films.

Voor veel mensen (het grote publiek) is het kopieer-element van een misdaad het belangrijkste bewijs dat mediageweld leidt tot real-life geweld. Wanneer er scenes uit films worden nagedaan, of bepaalde kleding wordt gedragen die ook in favoriete films van de moordenaars voorkomen, leggen mensen al snel deze link. Het is echter zo dat individuen die relatief snel agressief gedrag vertonen bepaalde scenes nadoen omdat ze “geïnspireerd” worden door de media, maar dat de media niet verantwoordelijk is voor de agressie.

In dit hoofdstuk wordt het onderwerp mediageweld uitgediept vanuit een wetenschappelijk perspectief. Er wordt gekeken naar de mate waarin media geweld bevat, naar het bewijs voor en tegen de relatie tussen mediageweld en real-life agressie, dominante psychologische theorieën en twee vormen van mediageweld die onlangs in het nieuws zijn geweest.

 

1.1 Media-inhoud

Het is moeilijk om te bekijken hoeveel men wordt blootgesteld aan geweld via de media, omdat definities van geweld tussen onderzoekers kunnen verschillen. In de meeste definities van mediageweld zit “de openlijke expressie van fysiek kracht”. Met het gebruik van definities van dit type, wordt in onderzoek geschat dat 60% van de televisieprogramma’s geweld bevat. Dit kan onderschat zijn, omdat het beschrijven van gewelddadig gedrag, en het stalken van een slachtoffer niet voldoet aan het geweld-criterium. Ook is het zo dat strips en tekenfilms vaak geweld bevatten, maar niet als zodanig worden gezien omdat het onrealistisch is en vaak humor bevat. Daar tegenover staat het nieuws en documentaires, waarbij geweld wordt goedgekeurd en waarbij wordt gevonden dat het niet moet worden vergeleken met andere genres die alleen geweld tonen voor entertainment. Hierdoor is het moeilijk een standaard te maken waaraan geweld gemeten kan worden.

 

1.2 Het wetenschappelijke bewijs

Onderzoekers, politici en het grote publiek debatteren al decennia over de effecten van mediageweld. In reactie hierop en de noodzaak om begrip te verhogen, zijn er wetenschappelijke studies gedaan. De meeste hiervan zijn experimenteel, cross-sectioneel (ook correlationeel) en longitudinaal. Natuurlijk kunnen bepaalde factoren de waarschijnlijkheid van het uiten van gewelddadig gedrag verhogen, en zelfs onderzoekers die geloven dat mediageweld schadelijk is zien deze invloed in de context van meerdere oorzaken van agressie. Oftewel, onderzoekers denken dat mediageweld de waarschijnlijkheid van het uiten van agressie verhoogt, maar dat deze waarschijnlijkheid niet automatisch leidt tot agressie.

 

1.3 Experimenteel bewijs

Bij experimentele studies kunnen onderzoekers kijken naar de oorzaak-gevolgrelatie terwijl er gecontroleerd wordt voor andere variabelen die van invloed kunnen zijn. In deze studies wordt vaak stukjes gewelddadige media laten zien aan participanten en vergeleken met een controlegroep waarbij dit niet gewelddadig is. Na het bekijken hiervan, wordt er de participanten de mogelijkheid gegeven om zich agressief te gedragen (het opnemen tegen een ander persoon, of een ander persoon straffen). Dit wordt vergeleken met een controlegroep die geen gewelddadige scene hebben gezien. Het meeste experimentele onderzoek focust zich hierdoor op het korte-termijn effect van mediageweld. Er is wel gelimiteerde evidentie dat blootstelling aan gewelddadige media de incidentie van agressief gedrag verhoogd, maar dit wordt effect wordt niet altijd gevonden.

Een van de meest voorkomende kritiekpunten van experimenteel onderzoek is dat je niet weet of het effect ook opgaat in het echte leven. Populaire metingen voor agressie (zoals het indrukken van een knop om een elektrische schok uit te delen of het straffen van een persoon door hen slechte feedback te geven) hebben weinig gemeen met het fysiek aanvallen van een ander. Ook is het zo dat experimentatoren hun toestemming geven om enige vorm van agressie te laten zien, en dat het slachtoffer niet kan reageren. Dit komt niet overeen met het dagelijks leven. Daarom zijn er ook naturalistische experimenten gedaan, waarbij is gekeken naar realistische situaties. Canadese plaatsen waarin een of meerdere televisiestations waren (Unitel en Multitel) werden vergeleken met een plaats waar op dat moment het eerste televisiestation kwam (Notel). In Notel was agressie hoger na de introductie van televisie van in de plaatsen die al blootgesteld werden aan televisie. Dit kan alleen niet verklaren waarom agressie in deze plaatsen gelijk was voor de invoering van televisie in Notel. Het is ook belangrijk om te bedenken dat televisie de samenleving kan beïnvloeden op verschillende manieren. Het kan bijvoorbeeld ook zijn dat verhoogd materialisme door televisie kan leiden tot meer criminaliteit.

 

1.3.1 Cross-sectioneel bewijs

Onderzoek met een cross-sectioneel (ook correlationeel) design meet de mate waarin individuen blootgesteld worden aan gewelddadige media en een vorm van agressie in de natuurlijke omgeving. Belangrijk is dat deze onderzoeken realistischere (of ecologisch valide) resultaten kunnen geven. Ze kunnen de suggestie geven dat mediageweld is geassocieerd met “real-life” agressie. Cross-sectionele onderzoeken hebben consistent laten zien dat blootstelling aan gewelddadige televisie en films gerelateerd zijn aan agressie. Uit een onderzoek kwam bijvoorbeeld naar voren dat de mate van blootstelling aan mediageweld invloed heeft op de mate van acceptatie van geweld in het dagelijks leven van participanten.

Er kan niks gezegd worden over de oorzaak-gevolgrelatie bij cross-sectionele studies, maar het is wel sterk omdat het effect wordt gevonden bij zowel volwassenen als bij kinderen. Ook is de relatie tussen mediageweld en agressie onderzocht bij in verschillende culturen.

 

1.3.2 Longitudinaal bewijs

De longitudinale methode waarin participanten worden gemeten op twee (of meer) tijdstippen, laat de onderzoeker de mogelijkheid om meer te weten te komen over de real-life agressie en om de oorzaak-gevolgrelatie te onderzoeken. Daarom is longitudinaal onderzoek van groot belang om te kijken naar het lange-termijn effect van mediageweld dat leidt tot real-life agressie. Het heeft veel voordelen, maar vergt meer investering van onderzoekers en daarom zijn er minder van gedaan. Uit de longitudinale onderzoeken die er zijn gedaan kan geconcludeerd worden dat wanneer de observatie van mediageweld van een kind het aanleren van agressieve gewoontes promoot, het schadelijke levenslange consequenties kan hebben.

 

1.3.3 Evaluatie, meta-analyse en verslagen

Geen enkele studie kan een volledige en accurate beschrijving geven over de relatie tussen mediageweld en agressie. Consistente resultaten gebaseerd op vele onderzoeken met verschillende methodologische benaderingen kunnen echter wel zorgen voor het “grote geheel” en een algehele effectgrootte.

Als toegevoegde waarde op alle individuele onderzoeken, zijn er ook meta-analyses gedaan. Deze integreren meerdere onderzoeken om uiteindelijk een betrouwbaardere conclusie te kunnen geven. Geconcludeerd hieruit kan worden dat blootstelling aan mediageweld het level van agressiviteit en antisociaal gedrag verhoogd. Opmerkelijk is dat de effectgroottes die worden gevonden in onderzoeken naar mediageweld en agressie niet significant zijn, maar wel hoger dan die voor asbest en kanker en die voor meeroken en kanker. Hierdoor vinden veel onderzoekers dat het dezelfde mate van aandacht vereist.

 

1.4 Belangrijke factoren

Een aantal factoren van mediageweld zijn gebleken uit wetenschappelijk onderzoek. Er zijn echter ook factoren die in de ogen van het publiek belangrijk zijn, maar waar het belang nooit van is bewezen.

 

1.4.1 Consequenties

De consequenties van het geweld (zowel het lijden van het slachtoffer als het straffen en belonen wat ontvangen wordt door de dader) zijn belangrijk. Media die nadruk legt op de pijn en het lijden van het slachtoffer kan voor kijkers moeilijk zijn om te negeren of bagatelliseren. Agressie is minder waarschijnlijk na blootstelling aan mediageweld als de pijn en het lijden van het slachtoffer wordt benadrukt. Dit is belangrijk omdat er in de meeste gevallen van mediageweld niks over de fysieke of emotionele uitkomsten van het slachtoffer wordt gezegd. Gewelddadige acties die worden beloond (of geen zichtbare consequenties hebben) worden vaker nagedaan dan geweld dat wordt bestraft. Dit is ook belangrijk om te weten, omdat slechts 20% van de agressiviteit op televisie bestraft wordt en veel agressiviteit zelfs beloont wordt. Hierbij is wetenschappelijke onderbouwing, namelijk de Sociale Leertheorie van Bandura.

 

1.4.2 Realisme en context

Bij realistische scenes met geweld wordt het vaker beoordeeld als gewelddadig, terwijl het bij humor vaak niet als erg wordt ervaren door het publiek. Een ander aspect van realisme is ook belangrijk, namelijk of de mate waarin het uitgevoerde geweld echt zou kunnen. Mensen zijn meer geneigd om zich realistisch geweld te herinneren en te imiteren. Identificatie met een held is ook van belang. Bij James Bond wordt geweld vaak beloont. Hij is de held van het verhaal, en daarom zijn mensen meer geneigd ook geweld te willen gebruiken.

 

1.4.3 Karakteristieken van de televisiekijker

Ook al kan mediageweld agressie op elke leeftijd, met elk geslacht of sociale groep doen toenemen, sommige individuen zijn er meer vatbaar voor van anderen. Van kinderen wordt in het bijzonder gedacht dat ze vatbaarder zijn voor geweld in de media en sommige onderzoeken hebben een link gerapporteerd tussen blootstelling aan mediageweld en agressie bij kinderen. Dit zou kunnen komen omdat kinderen het moeilijk vinden om echt van fantasie te onderscheiden. Individuele verschillen (zoals persoonlijkheid) zouden voor een deel kunnen verklaren op welke manier verschillende mensen op dezelfde media reageren en deze interpreteren. Mensen die snel agressief worden, zijn bijvoorbeeld meer waarschijnlijk om agressief te reageren na het zien van een gewelddadig media-onderwerp dan mensen die meestal niet agressief zijn. Bij kinderen is ook de reactie van volwassenen van belang. Wanneer deze accepteren (positief of neutraal reageren) komt er meer agressie voor dan wanneer deze dit bestraffen.

 

1.5 Theorieën van mediageweld

Er zijn een aantal theorieën die de onderzoeker helpen om de relatie tussen mediageweld en agressie uit te leggen, te begrijpen en te voorspellen. Dit deel gaat over de meest voorkomende theorieën, waaronder de Sociale Leertheorie, Scripts, Cultivatie en Desensitisatie. Sommige theorieën (zoals sociaal leren) geven een uitleg van zowel de lange als korte termijn effecten, en andere theorieën geven alleen een lange of korte termijn effect aan.

 

1.5.1 Sociale Leertheorie

De Sociale Leertheorie gebruikt leerprincipes om de impact van mediageweld uit te leggen. Agressie kan aangeleerd worden door directe en indirecte ervaring. Direct leren hangt af van de consequenties van een agressieve daad. Als een kind agressie gebruikt om het speelgoed van een ander kind te stelen, is dit waarschijnlijker om herhaalt te worden wanneer dit beloont wordt (als ze het speelgoed mogen houden), dan wanneer dit bestraft wordt (ze moeten het terugbrengen). Indirecte ervaring is de observatie en imitatie van agressief gedrag. Dit vormt de basis van de Sociale Leertheorie. Veel onderzoek wordt gedaan bij jonge kinderen, maar is ook belangrijk bij oudere kinderen, jongvolwassenen en volwassenen. De Sociale Leertheorie geeft aan dat observatie van karakters op televisie (niet alleen real-life familieleden en leeftijdsgenoten) van invloed zijn en een model geven die geïmiteerd moet worden door de kijker. Zelfs jonge kinderen doen dit na. Het korte termijn effect hiervan is dat de kijker het gedrag van televisie nadoet. Als dit een gewoonte wordt, geldt het als lange termijn effect. De kijker doet dit niet expres, en is zich er niet van bewust. Dit is te zien bij het Bobo doll experiment, waarbij kinderen na het zien van een wel/niet gewelddadig filmpje hun pop gewelddadig konden behandelen of niet. Kinderen werden gewelddadiger na het zien van een gewelddadig filmpje. De manier waarop er met agressie wordt omgegaan is hierdoor van belang. Wanneer er na agressief gedrag sprake is van een verhoogde status of aantrekkelijkheid, wordt dit sneller na gedaan.

 

1.5.2 Scripts theorie

Vergeleken met andere verklaringen legt de Scripts Theorie meer nadruk op het cognitieve proces die wordt beïnvloed door mediageweld. De theorie gaat ervan uit dat men verschillende cognitieve scripts heeft, die hun gedrag leiden. Bestaande scripts zijn opgeslagen in het geheugen, maar kunnen zich blijven ontwikkelen wanneer een persoon nieuw gedrag observeert. Hierdoor breidt het script zich verder uit naar andere ervaringen. Een voorbeeld: als ik nu aan Sinterklaas en kerst denk, denk ik aan veel geld uitgeven aan cadeaus en aan de enige vakantie van het jaar. Vroeger was dit cadeaus krijgen en gezellige familiebijeenkomsten. Dit is dus erg anders dan nu. Televisie kan nieuwe scripts aanmaken en al bestaande scripts versterken. Daarom heeft de media impact op zowel de ontwikkeling als het in stand houden van agressief gedrag. In real-life selecteert een persoon het script dat het beste past in de situatie en neemt een passende rol aan in het script dat zijn gedrag stuurt. Dus wanneer iemand veel huislijk geweld op televisie ziet, kan hij sneller agressief worden tegenover zijn partner wanneer ze ruzie hebben. Het script ‘huislijk geweld’ wordt immers sneller opgehaald uit het geheugen. Het is bij agressie wel van belang hoe vergelijkbaar het real-life event is met datgene op televisie. Het wordt sneller nagedaan als het er meer op lijkt. Men is ook sneller agressief tegen iemand die op het slachtoffer op televisie lijkt, ook al gaat het om dezelfde naam.

 

1.5.3 Cultivatie en angst

De Cultivatietheorie legt meer nadruk op de angst die geassocieerd wordt met mediageweld dan op de real-life agressie. De theorie gaat er vanuit dat het geweld op televisie niet zozeer direct schadelijk is, maar dat mensen banger worden in hun dagelijks leven. Door al het geweld op tv kunnen ze gaan denken dat de wereld gemeen en slecht is, en bang worden. Televisieprogramma’s kunnen kinderen bijvoorbeeld voor jaren bang maken (denk aan Karbonkel). Hierdoor is het cumulatieve effect van deze blootstelling hetgene wat het slecht maakt. Er worden zoveel mensen vermoord op televisie per avond, met zo weinig die blijven leven, dat men de kans op moord in het dagelijks leven overschat (base rate bias). Hierdoor zijn mensen die veel televisie kijken banger dan mensen die minder vaak televisie kijken. Het kan echter ook zijn dat bange mensen meer thuis blijven en meer televisie kijken, want het meeste onderzoek naar deze theorie is cross-sectioneel.

 

1.5.4 Desensitisatie

Bij deze theorie wordt geweld minder erg als men er vaker aan bloot wordt gesteld. Hierdoor zoekt men steeds heftiger geweld op, en vindt het ook niet meer erg in het dagelijks leven. Het kan zelfs als acceptabel gedrag worden ervaren. Kinderen vertellen eerder dat er agressie op school heeft plaatsgevonden als ze agressie op televisie zien, wat duidt op tolerantie van agressie. Ook is het zo dat er minder arousal optreedt bij een geweld in het echte leven na het zien van geweld op televisie.

 

1.6 Specifieke inhoudstypes

Onderzoek naar mediageweld gaat vaak om fysiek geweld (slaan, maar ook agressieve gedachten). Wat nu steeds meer opkomt is indirecte agressie en gewelddadige pornografie. Ook wordt er meer gekeken naar videogames, aangezien deze steeds interactiever worden. Dit komt terug in hoofdstuk 6.

 

1.6.1 Indirecte agressie

Hieronder vallen verbale agressie en relationele agressie (pogingen om sociale of romantische relaties te verbreken, zoals roddelen). Het wordt steeds meer duidelijk wat voor effect deze typen agressie kunnen hebben en de mate waarin dit gebeurd. In onderzoek dat gedaan is, wordt dit vaak niet als agressief beschouwt, terwijl het wel vaker op televisie voor komt dan directe agressie. Uit de onderzoeken die er wel gedaan zijn, blijkt dat het kijken naar indirecte agressie gerelateerd is met een toename van indirecte agressie. Hieruit blijkt de noodzaak voor verder onderzoek. Ook blijkt dat bij het zien van relationele media agressie zowel fysieke als relationele agressie toeneemt.

 

1.6.2 Gewelddadige pornografie

Een groot deel van de media-inhoud kan worden omschreven als expliciet seksueel. Hierbij wordt pornografie omschreven als materiaal dat ontwikkelt, geselecteerd en geconsumeerd wordt om als kijker seksueel opgewonden te raken, in plaats van materiaal dat ontwikkelt is om op te voeden of als artistieke expressie. Men is het er nog niet over eens of dit alleen over media moet gaan waarbij het enige doel is om seksueel opgewonden te raken, of ook moet gaan om populaire films waar seksueel prikkelend materiaal in zit. Ted Bundy heeft voor zijn executie een interview gehouden, waarin hij vertelde dat pornografie zijn gedrag had beïnvloed. Dit leidde uiteindelijk tot meer dan 30 moorden. Veel mensen zeggen dat hij dit alleen deed om zijn eigen schuld te verminderen, maar er moet aandacht aan besteed worden. Er is uit onderzoek gebleken dat de associatie tussen blootstelling aan seksueel expliciet materiaal en verhoogde acceptatie van rape myths (bijvoorbeeld: het slachtoffer was zelf ook schuldig aan de verkrachting) en interpersoonlijk geweld is niet afhankelijk van het gewelddadige onderwerp.

 

Conclusie

Er zijn verschillende studies uitgevoerd in dit gebied, waarvan de meeste experimenteel, cross-sectioneel of longitudinaal waren. De algemene conclusie uit deze onderzoeken is dat mediageweld de waarschijnlijkheid dat agressief gedrag ontstaat vergroot. Hierbij is het zo dat sommige individuen hier vatbaarder voor zijn dan andere. Er zijn verschillende theorieën die proberen uit te leggen waarom dit gebeurd, en de belangrijkste hiervan is de Sociale Leertheorie.

 

Hoofdstuk 2: Gezondheidscommunicatie

Gezondheidscommunicatie is het gebruik van en de studie naar communicatiestrategieën om persoonlijke en maatschappelijke beslissingen te beïnvloeden die de gezondheid verbeteren. Hierbij is het de brug tussen gezondheid en communicatie. Geneeskunde, volksgezondheid en verpleging zijn delen van gezondheidscommunicatie.

Gezondheid is een staat van complete fysiek, mentaal en sociaal welzijn en niet alleen gedefinieerd door de absentie van ziekte of zwakte.

 

2.1 Historische achtergrond

De eerste massamedia communicatiecampagne in de US was in de 18e eeuw. Rond 1950 werd gezondheid erg veel besproken, en ontstonden veel nieuwe medische modellen. Hierbij was niet veel aandacht voor preventie, maar alleen voor behandeling. Gebruik van massamedia voor gezondheid groeide rond 1970 in de US en West Europa, zoals voor anti-alcohol posters en billboards. Nu wordt internet steeds populairder.

 

2.2 Campagnes voor gezondheidscommunicatie

Campagnes zijn meer gericht op preventie dan op behandeling van gezondheid (anti-alcohol, roken etc.). Wat gezondheidscommunicatie campagnes meestal doen is: 1) het geven van directe informatie waardoor het publiek zijn gedrag kan aanpassen naar gezonder gedrag, 2) ze hebben invloed op een groot publiek en hebben substantiële middelen nodig (geld, tijd), 3) meerdere kanten van communicatie bekijken en combineren van gemedieerde (internet) met persoonlijke (gezondheidsprofessionals) kanalen, 4) het willen veranderen van bewustzijn, attitudes en sociale normen, en self-efficacy, die allen gedrag beïnvloeden, 5) ze worden gesponsord door de overheid of professionele organisaties, 6) proberen om de politiek te veranderen, zoals accijnzen.

Sociale marketing kan gezondheidsgedrag verkopen op een manier zoals commerciële marketing dit doet met shampoo of verzekeringen. Het starten van een gezondheidscommunicatie campagne gaat via de volgende stappen:

  1. Situatieanalyse (kiezen van het doel van de campagne, met zijn sterke en zwakke kanten, kansen en bedreigingen, SZKB)

  2. Doelgroep bepalen

  3. Doelen bepalen (wat wil je bereiken met de campagne?)

  4. Strategie bedenken met de 4 P’s: product (welk gedrag wil de campagne veranderen?), prijs (fysieke, sociale en psychologische kosten van aanpassen naar het gedrag), plaats (kan het gewenste gedrag volgen in deze omstandigheden?) en promotie (van het gedrag)

  5. Planning voor uitvoering, controle en evaluatie van de campagne maken

 

2.3 Belangrijke kenmerken van gezondheidscommunicatie campagnes

2.3.1 Doelgroep

Voor het bepalen van de doelgroep moet je wat weten van de: 1) demografische factoren (leeftijd, geslacht, ras, etnische achtergrond, taal, burgerlijke staat, hoeveelheid kinderen, geletterdheid), 2) behoeftes, waarden, attitudes, sociale normen en gedrag (ook de bestaande of waargenomen barrières voor het aannemen van nieuw gedrag), 3) geografische factoren (locatie, ruraal/urbaan, klimaat en transportmiddelen), 4) socio-economische factoren (inkomen, educatie, professionele status), 5) lifestyle (favoriet tijdverdrijf, werk-familie balans, culturele waarden, religieuze overtuigingen), 6) fysieke of medische factoren (gezondheid, medische geschiedenis, gezondheidsrisico’s), 7) andere specifieke karakteristieken.

Er is ook nog verschil tussen primaire en secundaire doelgroep. De primaire doelgroep is mensen die de campagne tracht te beïnvloeden. De secundaire doelgroep is mensen, groepen, maatschappijen en organisaties die keuzes en gedrag van de primaire doelgroep kunnen beïnvloeden. Soms wordt er geprobeerd de primaire doelgroep te bereiken via de secundaire doelgroep (Chlamydia voorkomen door gezondheidsmedewerkers te informeren). Hierbij kan segmentatie ook een rol spelen. Bij segmentatie wordt informatie aangepast aan de doelgroep. Dus aan het bepaalde kenmerk dat de doelgroep met elkaar verbindt. Zo komt informatie beter over. Dit allen ligt ook aan de rol van de theorie, waarmee de gekozen theorie bedoelt wordt. Als je vanuit het Heath Belief Model kijkt naar segmenteren, wordt de nadruk gelegd op kosten en baten. Vanuit de Sociale Leertheorie wordt er vanuit gegaan dat mensen leren door het observeren van anderen.

Belangrijk bij het maken van een campagne, is het kiezen van het einddoel. Het moet realistisch zijn, en er moet bekeken worden hoe dit doel bereikt kan worden. Voordat mensen er zelfs maar aan denken om gedrag te veranderen moet er ingespeeld worden op kennis, attitudes, overtuigingen, sociale normen, risicoperceptie en andere factoren. Een of meerdere van deze factoren moeten worden beïnvloed. Het is wel erg belangrijk om gezondheidscommunicatie campagnes uit te voeren, omdat individuele lifestyle keuzes de grootste (indirecte) doodsoorzaak is in Europa en de US.

Er zijn verschillende soorten van gedragsverandering, namelijk het aanleren van nieuw gedrag of het stoppen met ongezond gedrag. Gedragsverandering gebeurd allemaal in een sociale setting, ook al zijn dit individuele keuzes. Zo zorgde het verbod van roken in restaurants voor minder nieuwe rokers.

Campagnes moeten een theorie hebben om succesvol te zijn. Deze theorieën variëren van niveau die ze beïnvloeden: individueel, interpersoonlijk of maatschappelijk. Op individueel niveau wordt gekeken hoe informatie wordt verwerkt en hoe hierop wordt gereageerd. Op interpersoonlijk niveau wordt bijvoorbeeld gekeken met de Sociale Leertheorie, hoe mensen andere mensen beïnvloeden. Op maatschappelijk niveau wordt gekeken hoe de maatschappij nieuwe ideeën opneemt.

Ook is cultuur van belang bij de uitkomst van een campagne. Bij collectivistische samenlevingen heeft de omgeving bijvoorbeeld meer invloed op een persoon dan in individualistisch samenlevingen.

 

3.2.2 Typen media

Het type medium en de boodschap die gekozen worden hangen af van de doelgroep, doelstellingen en verwachte uitkomsten. Vaak wordt bij gezondheidscampagnes gekozen voor televisie, radio, krant en pamfletten. Dit is echter soms te smal. Er zijn verschillen tussen media, namelijk in reikwijdte (mensen die het zien), specialisatie (kan de specifieke subgroep bereikt worden?), indringendheid (ziet men het ook als het niet expres geïnitieerd wordt?), veiligheid (het type media moet niet zorgen voor een boomerang effect - het veranderen van gedrag in de tegenovergestelde richting - of irritatie bij het publiek), participatie (kan men interacteren met het mediakanaal), keuzemogelijkheid (hoe moeilijk is het om berichten van het kanaal te verwerken?), diepte (capaciteit van het kanaal om gedetailleerde en complexe onderwerpen te laten zien), agenda-setting (het kanaal moet de prioriteit van het onderwerp kunnen laten zien), toegankelijkheid (gemak van het plaatsen van berichten in het kanaal), kosten (van productie en verspreiding), efficiëntie (gemak van het produceren en verspreiden van de boodschap).

 

3.2.3 Internet en social media

Internet heeft bepaalde functies die verschillen van andere mediatypen, die vooral voordelig zijn voor gezondheidscommunicatie campagnes. Het kost minder dan traditionele media, maakt user tracking mogelijk (het laat reclame alleen aan de doelgroep zien) en kan beter segmenteren. Dit kan bijdragen aan goedkopere, meer doelgerichte en effectievere campagnes. Bepaalde doelgroepen kunnen bereikt worden die anders niet bereikt zouden kunnen worden, en de berichten kunnen voor sommige doelgroepen anders worden uitgezonden dan voor andere doelgroepen. Ook kunnen hyperlinks, foto’s en geluiden worden toegevoegd.

 

3.2.4 Impact van theorie en cultuur op mediatype

De keuze van het type media kan beïnvloeden welke theorie er bij de campagne wordt gebruikt. De Cultuvatietheorie en Sociaal Cognitieve Theorie kunnen gebruikt worden voor televisie, vooral voor entertainment educatie. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat kijkers impressies over de echte wereld creëren door het kijken naar televisie. Ook moet rekening worden gehouden met cultuur. In het Midden-Oosten wordt de mobiele telefoon het meest gebruikt, waarbij internet handig kan zijn voor het verspreiden van boodschappen. In andere landen hoeft dit niet zo te zijn.

 

3.2.5 Mediaberichten

Het meest ontwikkelde gedeelte van gezondheidscommunicatie-onderzoek is onderzoek naar hoe berichten aankomen bij het publiek, en dus hoe efficiënt de berichten zijn. Berichten kunnen bijvoorbeeld overkomen als saai, irritant, niet motiverend of aanstootgevend. Stap 1 is informatie verzamelen over het uitzenden van een goed bericht, via SZKB (Sterktes, Zwaktes, Kansen en Bedreigingen). Sterk kan bijvoorbeeld zijn door experts uit te laten leggen dat accijnzen op tabak hoger moeten worden, doordat er veel geld nodig is voor het genezen van rokersziektes. Stap 2 is informatie verzamelen over je doelgroep. Voor blanke tieners kan een bericht anders over komen dan voor Afro-Amerikaanse tieners. Ook is het zo dat sensatie zoekers vaker drugs gebruiken en verslaafd worden, en berichten op een andere manier ontvangen. Zij hebben meer positieve gevoelens bij misbruik-gerelateerde onderwerpen dan anderen, en zouden zo ook andere berichten kunnen ontvangen. Hierop kan ingespeeld worden bij een campagne. Ook hebben zij vaker ziektes door misbruik, dus zouden zij goed bereikt moeten worden bij gezondheidscommunicatie campagnes. Stap 3: de doelen van een campagne beïnvloeden de berichtgeving ook. Als het doel is om mensen te informeren, moet het bericht anders zijn dan als er gedrag moet worden uitgevoerd. Moet het gedrag volgen, dan moet er bij de berichtgeving bijvoorbeeld: “praat over drug X met uw dokter, dit is geen schande”, of iets dergelijks. Tot slot moet het promoten van gezondheidsattitudes, kennis en gedrag centraal staan. Dit is stap 4. Hierbij kan gedacht worden aan de emotie van het bericht dat overgebracht moet worden. Hierbij is het zo dat er vaker wordt gekozen voor negatieve berichten dan voor positieve berichten, en dit komt door de negativiteitsbias. Dit houdt in dat mensen meer gewicht hangen aan negatieve dan aan positieve berichten. Hieronder valt een populaire negatieve benadering, namelijk het gebruik van angst in gezondheidsberichten. Wanneer er sprake is van het beroep op angst, dan zijn de veranderingen in attitude, intentie en gedrag groter. Hierbij wordt angst gebruikt (als je rookt krijg je longkanker en ga je dood) om gedrag te veranderen bij mensen. Wanneer de angst en afschuw echter te erg worden (vieze plaatjes) werkt dit helemaal niet meer.

 

3.3 Effectiviteit en evaluatie

De evaluatie van een campagne moet 3 functies hebben: 1) vaststellen in welke mate de campagne zijn doelstellingen bereikt heeft, 2) leg uit hoe en waarom de campagne heeft gewerkt, 3) geef relevante informatie voor het plannen van vervolgactiviteiten. Campagne-effectiviteit is echter erg subjectief, omdat het niet goed te meten valt of, als gedrag al is veranderd dit gedrag echt verandert is door de campagne. Je kunt wel zien dat het door de campagne komt als gedrag een tijdje na de invoering van de campagne verandert. Het gebeurt namelijk nooit gelijk, het kost tijd voordat mensen hun gedrag veranderen.

 

3.4 Conclusie

Dit hoofdstuk focust zich op gezondheidscommunicatie campagnes, hun geschiedenis en kenmerken. Deze campagnes geven vaak directe kennis aan hun doelgroep, hebben invloed op veel mensen, maken gebruik van verschillende middelen en communicatiebenaderingen, worden gesponsord door de overheid of professionele organisaties en kunnen proberen het publieke beleid te veranderen. Ook willen ze bewustzijn creëren, attitudes, sociale normen, self-efficacy en uiteindelijk gedrag veranderen. Stappen voor succes van een campagne zijn: 1) situatieanalyse van de omgeving van de campagne doen, 2) doelgroep bepalen, 3) doelen en doelstellingen bepalen, 4) strategie bepalen (product, prijs, plaats, promotie), 5) plannen voor uitvoering, controle en evaluatie van de campagne.

 

Hoofdstuk 3: Lichaamsbeeld en Eetgedrag

Lichaamsbeeld is een psychologisch construct dat bestaat uit cognities en gevoelens over iemands fysieke vorm en verschijning. Ontevredenheid is vooral groot als het lichaam dat je denkt te hebben veel verschilt van het lichaam dat je wil hebben. Het hebben van een negatief lichaamsbeeld kan leiden tot milde en zware psychologische stoornissen die naar buiten komen als eetstoornissen. Dit wordt vaak geassocieerd met jonge meisjes, maar ook jongens en oudere mensen kunnen een negatief lichaamsbeeld hebben. Er is al sinds 1980 een stijgende lijn in mensen met een eetstoornis, die nog steeds toeneemt. In dit hoofdstuk zal gekeken worden naar de rol die de media speelt in de relatie van ontwikkeling van het zelfconcept door middel van het lichaam en het voor komen van een verstoorde eetpatroon.

 

3.1 Media en culturele context

Lichaamsidealen zijn vaak cultuurafhankelijk. Het ideaal in Westerse landen is dun, terwijl dit in andere landen niet zo is. De sociale norm kan geconditioneerd en geïnternaliseerd worden door een individu. Dit kan op verschillende manieren. Rolmodellen in het leven van het individu zelf (vooral ouders en leeftijdsgenoten) kunnen invloed hebben op het ideaalbeeld, maar er is ook ondersteuning gevonden voor de gedachte dat het ideaalbeeld kan worden beïnvloed door media. Westerse landen zouden dan een dunideaal hebben doordat er vooral dunne mensen op televisie verschijnen. Ook kan hierbij gedacht worden aan beroemdheden, fitness magazines en videospellen.

 

3.2 Theorieën over invloed van de media op lichaamsbeeld

De impact van media op het lichaamsbeeld wordt uitgelegd door verschillende theorieën. Theoretische modellen variëren van modellen die proberen uit te leggen hoe beelden uit de media iemands zelfbeeld kunnen beïnvloeden, tot modellen die bekijken hoe wijdverbreide sociale overtuigingen over geslacht en lichaamsvorm neergezet kunnen worden door de media.

 

3.2.1 Sociale Vergelijkingstheorie

De sociale vergelijkingstheorie wordt gebruikt om media-effecten op lichaams-zelfconcepten te begrijpen. Hierbij wordt het eigen lichaam vergeleken met die van acteurs, filmsterren en modellen, waarbij het eigen lichaam vaak als minder aantrekkelijk wordt beschouwd. Sommige individuen zijn meer geneigd om deze sociale vergelijkingen te maken dan anderen. Hierbij wordt gedacht dat mannen dit minder doen dan vrouwen. Een andere versie van de sociale vergelijkingstheorie is de “Zelf-Ideaal Discrepantie”. Hierbij wordt gezegd dat sommige individuen zich niet zozeer met anderen vergelijken, maar een vergelijking maken tussen hun lichaamsvorm zoals ze die zelf zien en een ideaal zelf. Dit is de vergelijking tussen de “echte zelf” en de “ideale zelf”. Door de waargenomen dissonantie hiertussen krijgen ze motivatie om dit gat te dichten. Een groot gat wordt vaak gezien bij individuen die ontevreden zijn met hun lichaam, en bij mensen met een eetstoornis.

 

3.2.2 Cultivatietheorie

Representaties van sociale fenomenen in de media kunnen mediaconsumenten (televisiekijkers bijvoorbeeld) beïnvloeden. Zij geven voorbeelden die zij op moeten volgen, en geven hen een beeld van de wereld die een overdreven of vertekend beeld van de alledaagse werkelijkheid is. Regelmatige blootstelling hieraan kan leiden tot bias of stereotypering, waarbij het dagelijks leven zo moet zijn als die in de media. Dus regelmatige blootstelling aan dunne modellen laat zien dat dun normaal is en jij ook zo moet zijn. Dit heeft negatieve gevolgen voor het zelfbeeld. Sociale vergelijking kan de mate waarin cultivatie-effecten voorkomen bepalen.

 

3.3 Bewijs door onderzoek

Uit onderzoek blijkt dat ook bij videogames en speelgoed vergelijking plaatsvindt met betrekking tot hun lichaamsvorm. Ook blijkt dat zelf gerapporteerde blootstelling aan artikelen in tijdschriften en advertenties waarop dunne modellen staan, te voorspellen wat het ideaalbeeld is van de lezers (tienermeisjes). Er is evidentie dat televisie kijken geassocieerd is met hoge lichaamsontevredenheid, dat meisjes die een dun karakter als favoriete karakter hadden in een soap het meest waarschijnlijk waren om zichzelf als dikker te zien dan ze waren en dat het kijken naar programma’s met hele dunne en aantrekkelijke karakters gerelateerd was aan grotere ontevredenheid bij vrouwelijke studenten in Canada. Lichaamsideaal verschilt tussen culturen, Afro-Amerikaanse meisjes zijn tevredener met hun lichaam dan Europees Amerikaanse meisjes, maar kijken wel even graag naar dezelfde series. Dit gaat niet op wanneer de meisjes het lichaamsbeeld in de series idealiseren, dan zijn ze even ontevreden over hun lichaam. Mannen worden ontevreden over hun lichaam wanneer hen plaatjes van mannelijke, gespierde modellen wordt laten zien. Bij vrouwen werd gevonden dat vrouwen met een laag zelfbeeld vrouwelijke modellen mooier vonden dan vrouwen die een hoog zelfbeeld hadden. Bij dunne mensen in videogames gold dat vrouwen met een laag zelfbeeld zichzelf dikker inschatten dan ze echt waren, en ook bij vrouwen met een relatief hoog zelfbeeld gold dit, maar wel minder. Wanneer vrouwen zelfbewust werden gemaakt overdreven ze hun lichaamsomvang minder.

 

3.4 Mannelijk lichaamsbeeld

Er bestaat niet alleen een bias in lichaamsvormen voor meisjes, maar ook voor jongens. Voor jongens is dit een gespierd lichaam, en mannen kunnen zich dun en iel voelen wanneer zij gespierde mannen zien. Dit is het meeste zo bij jongens en mannen met een laag zelfbeeld. Voor homo’s geldt dat ze meer beïnvloed worden door beelden uit de media.

 

3.5 Eetgedrag en –aandoeningen

onderzoek naar het effect van media op eetstoornissen is gedaan in studies met klinische en non-klinische populaties. Er is in een studie gekeken of vrouwen met een eetstoornis een lager zelfbeeld hadden na het zien van plaatjes van dunne modellen in vergelijking tot het zien van plaatjes van gemiddelde vrouwen. Dit bleek inderdaad het geval. Bij non-klinisch onderzoek is gebleken dat tienermeisjes na blootstelling aan tijdschriften met foto’s van aantrekkelijke lichamen, meer gemotiveerd zijn om gewicht te verliezen en extreem gaan diëten. Het lezen van modetijdschriften wordt geassocieerd met boulimia, en het lezen van fitness tijdschriften met boulimia en anorexia. Bij adolescenten is het lezen van fitness tijdschriften gerelateerd aan ongezond afvallen (laxeermiddelen en crash diëten). Bij televisie kijken is geen link gevonden tussen tv kijken en diëten of verstoord eetgedrag. Wanneer tijdschriften en tv samen wordt genomen, wordt wel gevonden dat vrouwen die hier veel aan bloot gesteld worden dunner willen zijn en een laag beeld van hun lichaam hebben. Meer blootstelling aan televisieprogramma’s die dikke mensen bevatte, was gerelateerd aan sterkere boulimische neigingen, en blootstelling aan tijdschriften die dunne mensen bevatte was gerelateerd aan sterkere anorectische neigingen. Bij adolescente vrouwen is het van belang of de dunne rolmodellen van televisie vergelijkingsmateriaal zijn voor hen, niet alleen dat ze dun zijn. Vrouwen die behandeld werden voor een eetstoornis gaven aan dat zij zichzelf vaak vergeleken met modellen uit tijdschriften en van televisie.

 

3.6 Conclusie

De groeiende bezorgdheid over de impact van mediarepresentaties van het lichaam, heeft ertoe geleid dat adverteerders, redacteurs en televisie- en filmproducenten goed na zijn gaan denken over het lichaamsbeeld dat zij neerzetten door het uitzoeken van acteurs en modellen die in de populaire media komen. Dit alles kan het zelfbeeld van mensen aantasten, en zorgen voor eetstoornissen. Dit komt ook door Photoshop. De studie naar het zelfbeeld van het lichaam en verstoord eetgedrag komt nu erg op en kan zorgen voor studies naar de ontwikkeling van zelfidentiteit, en waar en hoe het mis kan gaan. Complexe cognitieve en sociale processen spelen wanneer individuen reageren op mediabeelden en teksten. Hiernaar is nog niet voldoende onderzoek gedaan.

 

Hoofdstuk 4: Adverteren

Adverteren is de communicatie die ingezet wordt om de consument over te halen om een product of dienst te kopen. Veel media is afhankelijk van advertenties, sommige kunnen niet eens voortbestaan zonder. Hier krijgen zij hun inkomen van. Er is nog weinig onderzoek gedaan naar adverteren vergeleken met andere gebieden van de media. In dit hoofdstuk wordt beschreven wat de technieken zijn van adverteerders om consumenten voor zich te winnen, wordt naamsbekendheid besproken en het vergroten van productverkoop. Ook komt internet aan bod, en dominante theorieën van adverteren.

 

4.1 Blootstelling en vermijding

Adverteerders maken gebruik van televisie, radio, internet, tijdschriften en kranten. Hierdoor komen mensen vaak in aanraking met reclame. De gemiddelde Brit ziet 40 televisiecommercials per dag. Veel mensen zijn sceptisch over reclameblokken en vermijden deze fysiek (weg zappen) of mentaal (met iemand anders praten). Het is algemeen bekend dat mensen minder aandacht hebben voor reclame dan voor de televisieprogramma’s zelf. Toch bestaan veel zenders dankzij de reclame. Redenen voor het vermijden zijn verveling of interesse in andere activiteiten (mail checken), maar de voornaamste reden is een negatieve attitude tegenover reclame. Mensen die er positief tegenover staan (denken dat reclame informatief kan zijn) hebben meer aandacht ervoor. Dit heeft ook te maken met hoeveel een persoon al eerder bloot is gesteld aan reclame. In Oostbloklanden (voormalige Sovjet) komen mensen pas relatief kort met reclame in aanraking, en hebben mensen meer aandacht voor reclame dan in Westerse landen. Hier zijn ze ook minder sceptisch over reclame.

 

4.2 Technieken

Adverteerders hebben een aantal technieken om aandacht van consumenten te trekken, naamsbekendheid te verhogen, productinformatie uit te zenden en gedrag en attitudes van de consument te veranderen. Ook hebben factoren als productcategorie invloed op het succes van de techniek en de manier waarop consumenten reageren op de advertentie.

 

4.2.1 Nieuws en informatie

Wanneer iets als nieuw verkondigt wordt (“nieuwe formule”) dan trekt dit consumenten. Er wordt namelijk geclaimd dat de informatie relevant is, dus letten mensen op. Echter, wanneer dit te veel gebeurd (iedere shampoo heeft ineens een nieuwe formule waardoor het merk beter wordt), worden consumenten sceptisch. Als iedere shampoo zegt de beste te zijn, kan dit voordelig zijn voor minder populaire shampoos. Consumenten gaan dan namelijk denken dat er weinig verschil tussen zit, terwijl als een shampoo dit zegt, ze die gaan kopen.

 

4.2.2 Entertainment, houden van en humor

Wanneer een reclame leuk wordt gevonden, kan een consument positieve associaties krijgen met het merk, zal hij het merk sneller kunnen onthouden en zal hij de reclame vaker kunnen zien zonder dat het vervelend wordt. Dit kan bereikt worden door humor en minidrama’s. Adverteerders moeten hierbij er wel voor zorgen dat het merk zelf er goed in voor komt, anders onthouden consumenten de reclame maar niet het merk. Doordat er nu abonnementen komen waarbij men geen reclame meer hoeft te zien (DVR’s, Spotify Premium etc.), wordt het steeds belangrijker dat reclames leuk zijn om naar te kijken. Waar het vroeger vooral ging om wijdverbreide verspreiding, gaat het nu om de reclame zelf. Als de reclame leuk is, wordt deze ook vanzelf door consumenten verspreidt (Nespresso die dankzij George Clooney gedeeld wordt op Twitter etc.).

 

4.2.3 Controverse

Een andere techniek om consumenten te winnen, is door te choqueren/provoceren. Dit moet echter niet te veel zijn, anders gaan consumenten vermijden of boycotten, of krijgen ze een negatieve associatie met het merk. Daarom moet goed de doelgroep bekeken worden en moet hierop ingespeeld worden. Als dit goed gebeurd, gaan mensen meer praten over de reclame en verspreidt het zich vanzelf onder het publiek, ook onder mensen die de reclame niet gezien hebben. Mensen kunnen het dan ook beter onthouden.

 

4.2.3 Populariteit

Consumenten worden beïnvloed door populariteit. Ze willen graag populaire producten kopen, omdat ze erbij willen horen en ook omdat ze dan weten dat andere mensen het ook kochten en er tevreden over waren. Zo weten ze dat het merk te vertrouwen is. Vooral bij mensen die bezig zijn met hun zelfbeeld is het belangrijk om erbij te horen. Consumenten worden ook aangetrokken tot producten die snel groeien in populariteit. Dit kan echter ook tot gevolg hebben dat het product slechts tijdelijk is en snel opzij wordt geschoven door mensen die graag een eigen onderscheidende smaak willen hebben (Furby).

 

4.3 Naamsbekendheid: het gebruik van beroemdheden en karakters

Als een beroemdheid in de reclame van een merk zit, kan dit voordelen hebben. Wanneer we opkijken tegen deze beroemdheid (aantrekkelijk, populair) dan kunnen consumenten eerder het product willen kopen omdat ze er dan “bij horen”. In dit geval is het kopen van het product goed voor de ontwikkeling van een zelfidentiteit. Voor sommige merken staat de culturele status centraal voor de populariteit, meer dan dat er een kwalitatief verschil is met een ander merk. Een beroemdheid kan er ook voor zorgen dat trekken van deze beroemdheid (sportprestatie bijvoorbeeld) geassocieerd wordt met het merk. Als consumenten dit leuk vinden, gaan ze het kopen. Het is van belang om de best passende beroemdheid voor het merk te vinden, want dit beïnvloed de perceptie door de consument van het product. Wanneer de beroemdheid echter met een schandaal te maken krijgt (Tiger Woods met zijn affaires), kan het merk al geassocieerd zijn met de beroemdheid, zelfs al worden alle advertenties verwijderd. Een makkelijker alternatief kan hierdoor het creëren van een karakter zijn, zoals Ronald McDonald voor McDonalds. Voor deze karakters kan zelf bedacht worden wat ze doen, en komen geen schandalen.

 

4.3.1 Presentatoren

Wanneer de bedrijfsleider vertelt wat het product inhoudt etc. kan een consument het idee hebben dat deze hem wil overtuigen, en dit kan een negatief effect hebben. Wanneer deze leider een ander karakter in de reclame overtuigd, kan de consument zelf wel overtuigd worden (dit is minder confronterend). Als de bedrijfsleider degene is die het uitlegt, kan het bedrijf als minder onpersoonlijk worden ervaren. Voice-overs werken minder goed, maar worden meer gebruikt omdat het goedkoper is. Wel goed werkt een voice-over die goed te herkennen is, zoals een beroemdheid met een makkelijk te herkennen stem.

 

4.4 Product placement

Product placement is wanneer er een product of dienst van een merk in de media komt die niet wordt herkend als reclame. Dit komt vaak voor in televisieprogramma’s en films, maar ook in boeken en muziek (Bacardi bij 50 Cent). Deze techniek is steeds populairder geworden, ook doordat mensen dankzij DVR’s niet meer naar reclame hoeven te kijken en adverteerders het dus moeten integreren in programma’s. Bij een Happy Meal kun je bijvoorbeeld StarWars poppetjes krijgen, als er andersom ook reclame voor McDonalds wordt gemaakt. Het lijkt effect te hebben, maar de aantrekkelijkheid en identificeerbaarheid van het merk is belangrijk voor het succes. Het is belangrijk om het merk met de juiste film en publiek te matchen. Kijkers hebben product placement vaak niet door, waardoor het ook vaak ter discussie staat. Ze hebben het wel door wanneer een product ineens vervangen wordt (Mac in Sex and the City door PC, Aston Martin in James Bond door BMW’s) en kunnen denken dat het geen goed alternatief is.

 

4.5 Internetreclame

Adverteren op internet is steeds populairder geworden. Eerst waren dit vooral pop-ups, die erg ineffectief waren, nu zijn het vooral zoekreclames. Hierbij kun je denken aan betalen om bovenaan te staan met je advertentie bij Google als een consument iets zoekt. Dit is erg effectief, en internet wordt het meest gebruikt om informatie op te zoeken. Internet geeft ook de mogelijkheid om veel te weten te komen over mensen (demografische details, zoekgeschiedenis, interesses etc.), waardoor er gerelateerde advertenties kunnen komen aan interesses.

 

4.6 Reclametheorie

Er wordt meer onderzoek gedaan naar het praktische gebruik van reclame. Zo wordt er gekeken welke campagnes werken en waarom, en dit kan invloed hebben op volgende campagnes. De belangrijkste theorieën: Hiërarchie van Effecten Model en het Elaboratie Waarschijnlijkheidsmodel.

 

4.6.1 Hiërarchie van Effecten Model

Dit model wordt veel gebruikt om te beschrijven en uit te leggen wat de invloed is van massamediareclame. Volgens het model reageert de consument op een voorspelbare manier op reclame. Eerst cognitief (denken), dan affectief (gevoel/emotie) en als laatste reactie (actie en gedrag). Er zijn factoren die invloed hebben op de tijd dat het duurt om het product te kopen, zoals de betrokkenheid met de reclame en de gehechtheid met een concurrerend merk. Er is wel kritiek op de volgorde van de stadia. Sommigen zeggen dat informatie ervoor zorgt dat consumenten het product kopen, in plaats van emotie. Verder kan een consument het product kopen wanneer zijn “eigen” bekende product op is, en hierdoor zijn attitude tegenover het product veranderen. Anderen zeggen dat je geen onderscheid kunt maken tussen cognitief en affectief.

 

4.6.2 Elaboratie Waarschijnlijkheidsmodel

Deze theorie focust zich op overhalen, en op de formatie en ontwikkeling van attitudes. Het is succesvol toegepast, en wordt geaccepteerd in de reclamewereld. Volgens het model zijn er twee routes van overhalen (en een verandering in attitude tegenover het merk): de centrale route en de perifere route. Bij de centrale route is elaboratie belangrijk en dit gebeurd wanneer de consument in detail over de reclame nadenkt. Er wordt bijvoorbeeld inhoudelijk naar de argumenten in de reclame geluisterd en er wordt na gedacht over of de consument de boodschap accepteert, en of hij deze dus overtuigend vindt. Voor de centrale route is motivatie en de mogelijkheid om de boodschap te verwerken. Voor de perifere route is uitgebreide elaboratie niet nodig en gaat het alleen om de oppervlakkige karakteristieken zoals fysieke aantrekkelijkheid. Het ligt aan de motivatie en mogelijkheid om de reclame te evalueren, of de consument de centrale of perifere route neemt. Als het interessant is voor diegene (hondenvoer voor iemand met een hond), gaat het sneller langs de centrale route. Attitudes die ontstaan na elaboratie (centrale route) zijn stabieler en veranderen minder snel, ook bij tegenstrijdige informatie. Een probleem van de theorie is dat het kan zijn dat er gemiddelde motivatie is maar nog geen interesse, en dit wordt niet verklaard. Ook wordt er gezegd dat via de perifere route aantrekkelijkheid de attitude verandert, maar de initiële attitude tegenover het product kan de attitudeverandering ook voorspellen via de centrale route. Tot slot neemt het model aan dat een consument die is begonnen met het volgen van een route, deze ook afmaakt. Vaak is dit niet zo (je wordt afgeleid of iemand anders werpt zijn eigen mening op).

 

4.7 Meting en evaluatie

Er wordt veel reclame gemaakt, maar er is nog helemaal niet veel duidelijk over de algemene effectiviteit, of over hoe effectiviteit moet worden gemeten. Het makkelijkste is om succes te meten aan de hand van verkoop, maar hierin kan bias zitten. Zo kan het zijn dat het product ineens een prominentere plaats in de winkel krijgt, dat medewerkers meer overtuigd zijn van het product en dit beter kunnen overbrengen aan consumenten etc. Er werd eerst gedacht dat herhaalde blootstelling aan reclame altijd goed was, maar als consumenten de reclame stom en irritant vinden leidt dit juist tot het niet kopen van het product. Er zijn nu focusgroepen ingesteld om te meten of de boodschap overkomt en of consumenten het leuk vinden, maar hoe dit bij veelvuldige blootstelling aan de boodschap zit is dan niet bekend. Ook is het meten van technieken moeilijk. Je kunt humor bijvoorbeeld niet makkelijk meten, want er zijn veel vormen van. Wat consumenten grappig vinden kan verschillen tussen culturen en individuen. Ook kan de verspreiding van de reclame succes tot gevolg hebben, in plaats van alleen de uitvoering ervan. Veel mensen moeten het namelijk zien. Het meten van effectiviteit kan wel op internet, door te kijken hoeveel mensen de reclame aanklikken.

 

4.8 Kinderen en reclame

Hierbij komen twee zaken naar voren: de mate waarin jonge consumenten een advertentie kunnen evalueren en verschil kunnen maken tussen reclame en andere media, en de potentiële impact die reclame kan hebben op het gedrag en de attitude van een kind. Hieruit is voortgekomen dat directe reclame tegenover kinderen zoveel mogelijk beperkt moet zijn.

Kinderen hebben minder cognitieve vaardigheden om reclame met evenveel scepticisme en onderscheid te analyseren als volwassenen. Hierdoor zijn kinderen vatbaarder voor reclame (meer bij jonge kinderen dan bij oudere). Zelfs als ze snappen dat de reclame hen wil overhalen, willen ze het product toch omdat ze het principe van uitgestelde beloning niet snappen (marshmallow experiment). Blootstelling aan reclame bij kinderen is gelinkt aan verhoogd materialisme en ongenoegen wanneer ze het product niet krijgen, en meer overhalen van ouders door kinderen om producten te kopen (= pest power). Ouders kunnen dit gedrag wel beïnvloeden, het is namelijk zo dat kinderen die zonder ouders tv kijken meer producten willen dan als ze met ouders tv kijken. Kinderen worden ook makkelijk overgehaald om producten te kopen bij reclame die ze zien (ze zijn fan van Spiderman en willen alles hebben wat ermee te maken heeft). Er is weinig onderzoek naar individuele verschillen, terwijl jongens alleen jongens-speelgoed willen wat voor hun eigen leeftijd is etc. dus het wel degelijk een rol speelt.

 

4.9 Reclame en gezondheid van kinderen

De meeste bezorgdheid om directe reclame tegenover kinderen, gaat om de gezondheid. Er is bijvoorbeeld gebleken dat kinderen waarschijnlijker zijn om een keer te gaan roken of alcohol te gebruiken, bij blootstelling aan reclame voor tabak of alcohol. Het meest dominante gebied bij directe reclame die schadelijk is voor gezondheid is (ongezond) voedsel. Vaak wordt in reclames die gericht zijn op kinderen voedsel geassocieerd met populariteit of sportprestaties (sportdrank en sportprestatie bijvoorbeeld). Hiervoor zijn zij erg vatbaar. Advertenties en televisie kijken is gerelateerd aan obesitas bij kinderen. Hiervan wordt door critici gezegd dat het komt door te vaak tv kijken en te weinig beweging. Hoewel dit kan bijdragen, is wel gebleken dat er meer (vooral ongezond) voedsel wordt geconsumeerd bij veel blootstelling aan televisie.

 

4.10 Conclusie

Adverteerders gebruiken veel media (zoals televisie en radio) om aandacht van de consument te krijgen. Ook verhogen ze naamsbekendheid en promoten verkoop van het product. Populaire technieken zijn het inpassen van beroemdheden in reclame en het maken van controversiële/choquerende reclame. Gebruik van humor of entertainment en product placement wordt steeds populairder, voornamelijk doordat er met een abonnement op bijvoorbeeld Spotify geen reclame meer wordt getoond. Veel onderzoek op dit gebied is gedaan door reclamemakers en kijkt hierdoor alleen maar naar verspreiding van reclame. Psychologen hebben de impact van reclame op attitudes en gedrag van consumenten onderzocht (ook bij kinderen). Reclame geeft een interessant beeld van de media psychologie, waarbij vaak wordt gezorgd dat de associatie tussen blootstelling aan de media en gedrag van de consument geminimaliseerd wordt.

 

Hoofdstuk 5: Internet en Interactie

In 1962 werd er het eerst over internet gesproken als een “galactisch netwerk” waarin computers met elkaar verbonden waren en data van de ene naar de andere locatie kon. Inmiddels is internet steeds dominanter geworden en is het zelf zo dat deze manier van communiceren nodig is in een wereld met steeds groter wordende globalisering. Desalniettemin komt deze communicatie met nadelen. Zo zeggen critici dat we door het gebrek aan zintuiglijke cues niet effectief met elkaar kunnen communiceren. Deze cues zijn ontwikkeld gedurende de gehele menselijke geschiedenis, en zijn dus onmisbaar. Ook kan alles op internet worden gezegd zonder grenzen, waardoor geen rekening gehouden wordt met de partner in kwestie. Ook wordt er veel naar ‘onszelf’ gezocht online (wie ben ik?) op bijvoorbeeld forums. In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de opkomst en snelle toename van online sociale groepen, van op tekst gebaseerde chatrooms tot games en virtuele werelden. Er wordt gekeken of het erg is dat er zintuiglijke cues missen, naar de anonimiteit en de positieve kanten van internet.

 

5.1 De reikwijdte van internetgroepen en online forums

Eerst zaten alleen tieners en jongvolwassenen op internet, inmiddels zijn zij ouder geworden en zitten zowel hun ouders als hun kinderen ook op internet. Er zijn een paar functies te onderscheiden op internet, namelijk informatie en onderzoek, professioneel of carrière, educatie en vaardigheden verbeteren, nieuws (oud en huidig nieuws), specifieke interesses, games en socialiseren. Deze zijn allemaal met elkaar in contact.

 

5.1.1 Informationeel en onderzoek

Deze sociale sites bestaan uit mensen die informatie willen verspreiden en uit deze die informatie zoeken. Deze informatie kan komen van professionele bronnen, maar ook van ‘gewone mensen’ met ervaring of een bepaald inzicht. Hierbij kan het contact met deze sites langdurig of kort zijn en de relaties die hier worden opgedaan kunnen online en offline voortbestaan.

 

5.1.2 Professioneel of carrière

Deze sites kunnen helpen om vaardigheden te ontwikkelen of om werknemers of werk te vinden (LinkedIn). Hierbij zijn relaties in het algemeen slecht en reflecteren de individuen online meestal mensen offline.

 

5.1.3 Educatie en ontwikkeling van vaardigheden

Hier gaat het om sites met educatieve doeleinden. Er staat informatie op voor studenten van alle leeftijden, met lezingen, video’s, online klassen en andere middelen. Studenten, potentiële studenten, leraren en administratoren kunnen hier allemaal bij. Relaties zijn vaak zwak, waar iedereen toegang heeft tot deze systemen. De online identiteit reflecteert vaak de offline identiteit.

 

5.1.4 Nieuws (oud en huidig)

Nieuwswebsites floreren samen met informatiewebsites. Sommige sites blijven jaren bestaan, anderen zijn snel weer weg. Online identiteit komt overeen met offline identiteit.

 

5.1.5 Speciale interesses

Speciale interesse-groepen (SIGs) brengen mensen samen die dezelfde interesses hebben. Deze creëren vaak sterke, langdurige gemeenschappen. Het gaat van amateur strologen tot mensen die van Texas chili houden. Hier kunnen mensen informatie delen en vrienden maken, en mensen zijn offline vaak hetzelfde als online.

 

5.1.6 Advocacy (strijd om voor belangen en rechten van minderheden op te komen)

Deze sites hebben elementen van SIG, nieuws, educatie en sociale gemeenschappen en geven middelen en andere hulp voor mensen met een issue met betrekking tot een bepaalde sociale ontwikkeling. Het doel van deze gemeenschap is om gelijkgestemden te identificeren en verzamelen in grote getalen, om invloed te hebben op sociale veranderingen op alle levels van de maatschappij. Relaties zijn sterker bij kleine groepen en online identiteit is hetzelfde als offline.

 

5.1.7 Gamen

Er wordt veel gebruik gemaakt van games. Eerst waren videogames het populairst, waarbij je in je eentje gamede. Nu wordt meer gebruik gemaakt van online games (World of Warcraft bijvoorbeeld). De identiteit van een gamer kan totaal anders zijn dan die van zijn karakter in de game. Wel kunnen er vriendschappen online kunnen worden gesloten die erg sterk zijn, en soms ook offline worden.

 

5.1.8 Socialiseren

Voor veel mensen geeft het internet de gelegenheid om een sociaal netwerk op te bouwen, of het huidige netwerk uit te breiden. Een voorbeeld van een populaire sociale gemeenschap momenteel is Second Life. Hier kunnen leden nieuwe identiteiten aanmaken en bespreken hun offline identiteit niet. Relaties kunnen zowel sterk als zwak zijn, en identiteit kan overeenkomen met echt, maar dit hoeft niet.

 

5.2 Sociale Netwerk sites

Deze sites groeien nog steeds, en zijn nu al erg groot. Veel volwassenen en mensen van verschillende culturen zitten ook op sites als Facebook. Vele van hen zelfs al op meerdere sites met verschillende profielen. Het gebruik van virtuele werelden om aan sociale activiteiten deel te nemen groeit ook.

 

5.3 Verschillen tussen online en offline interactie

De reden waarom mensen met elkaar interacteren online en offline blijkt niet te verschillen: mensen hebben elkaar nodig voor steun, vriendschap, liefde, het bereiken van doelen en voor sommigen spirituele voldoening. Ze hebben elkaar ook nodig om een gevoel van zelfinzicht te krijgen, waarbij andere mensen de waarde zien van wie je bent en wat je doet. Soms is dit er niet in de offline wereld, en zoeken mensen dit online. Er wordt echte gezegd dat er niet goed gecommuniceerd kan worden, doordat er geen zintuiglijke cues zijn en er daarom misinterpretaties kunnen ontstaan en grenzen worden overschreden. Er is in ieder geval gebleken dat online gedrag anders is dan offline interactie, ook al doen ze dezelfde activiteit. Dit kan komen door gebrek aan informationele cues, deïndividualisatie en het opbouwen van vertrouwen.

 

5.3.1 Informationele cues

Mensen gebruiken hun zintuiglijke vaardigheden, gecombineerd met ervaringen uit het verleden, om een impressie te maken van wie andere mensen zijn. Ze reageren op deze persoon op een manier die gerelateerd is aan deze impressie, waarbij deze constant wordt bijgewerkt. Op een bepaald punt wordt (hopelijk) het beeld dat iemand heeft van jou, hetzelfde als je eigen zelfconcept, om een relatie op te bouwen die relatief goed functioneert. Een groot deel van het opbouwen van relaties berust op de vaardigheid van een persoon om de andere persoon te “lezen”. Door het gebruik van fysieke nuances maken mensen dingen als toonhoogte, lichaamshouding, haar en kleding, taalgebruik en dergelijke betekenisvol. Hierbij voegen mensen historische context, culturele interpretaties en stemming toe. In de online wereld zijn deze cues er niet, en proberen mensen hiervoor te compenseren. Dit gebeurd bijvoorbeeld door het gebruik van smiley’s. Dit werkt wel, maar is nog te primitief. Het gebrek aan cues kan ook positief zijn, omdat er geen stereotypering is. Mensen benaderen elkaar en kunnen vrienden worden, zonder bias. Dit kan erg fijn zijn voor mensen met sociale beperkingen. Het toevoegen van zintuiglijke cues in sociale gemeenschappen staat ter discussie, want sommigen willen lieven anoniem blijven en anderen willen authenticiteit.

 

5.3.2 Deïndividualisatie

Deïndividualisatie is het loslaten van iemands individualiteit of uniek zijn. Bij deïndividualisatie is het zo dat het bijna lijkt alsof iemand anders doet wat jij doet. Je laat los wat je zelf meemaakt, en kijkt ernaar alsof iemand anders het doet. Sommige theoretici zeggen dat de reductie van sociale cues ervoor zorgt dat mensen zich niet kunnen uiten en dat mensen de identiteit van anderen ook niet compleet kunnen zien. Dit kan leiden tot verwarring en ongemak, omdat mensen geen zelfconcept krijgen en ook hun relatie met anderen niet snappen. De anonimiteit van het online netwerk kan leuk zijn, maar mensen willen toch als een unieke persoonlijkheid beschouwd worden. Wanneer dit niet gebeurd kunnen mensen een ongewone persoonlijkheid ontwikkelen. Er zijn onderzoekers die zeggen dat dit leidt tot gewelddadige en primitieve reacties in een poging om zichzelf opnieuw te reguleren. Dit kan leiden tot intense emotionele reacties die op iemand gericht zijn, het creëren van irritante of zelfs destructieve situaties, over-seksualiteit online, promoten van een extreme kijk ergens op (offensief of zelfs illegaal) en tot cyber-stalken.

 

5.3.3 Disinhibitie

Disinhibitie kan worden omschreven als gedrag waarbij men zich niet bezig houdt met iemands zelfpresentatie naar anderen toe, of met hun oordeel over jou. Dit komt vaak op in online omgevingen, door psychologische factoren zoals anonimiteit, doordat er veel communicatie naast elkaar verloopt wat asynchroon is met het echte leven, en het gebrek aan sterke sociaal geconstrueerde grenzen die hen vertellen wanneer ze de grens overschrijden. Het is op zichzelf een neutraal effect, dat waarde aanneemt bij het gebruik. Iemand kan zich bijvoorbeeld vrij voelen in de virtuele wereld en op een andere, positieve manier vriendschappen aangaan. het kan echter ook destructieve gevolgen hebben, die een negatief effect hebben op welzijn van het individu of op anderen. Het kan gerelateerd zijn aan deïndividualisatie, omdat wanneer iemand het gevoel heeft niet uniek te zijn, hij of zij gemotiveerd is om atypisch gedrag te gaan vertonen om een nieuw zelfbeeld te ontwikkelen. Disinhibitie kan worden onderverdeeld in 6 factoren:

  1. Asynchroniciteit: mensen kunnen iets online zeggen en weggaan, zonder ooit aangesproken te worden op wat ze hebben gedaan. Dit is anders dan in het dagelijks leven.

  2. Dissociatieve anonimiteit: mensen voelen zich bevrijdt van sociale grenzen en kunnen op een manier reageren die atypisch is in hun echte leven.

  3. Dissociatieve verbeelding: mensen zien de online wereld als een plaats waar regels niet gelden. Ze kunnen er verschillende identiteiten aanmaken, rollenspellen spelen etc.

  4. Onzichtbaarheid: het gebrek aan een fysiek lichaam creëert een disinhibitie effect. Voor sommige mensen is het bijvoorbeeld makkelijker om boos te worden aan de telefoon dan in het echt.

  5. Minimaliseren van autoriteit: op internet weet niemand wie er heeft gestudeerd of wie er portier is. Iedereen behandelt elkaar als gelijken en mensen die nooit met elkaar zouden praten doen dit nu wel.

  6. Solipsistic introjections: we creëren een beeld en identiteit van de persoon met wie we online interacteren, zonder dat er sociale cues zijn. Onze creaties hoeven niet eens in de buurt te komen van de werkelijkheid, maar ze hebben een psychologisch doel, namelijk om een band te kunnen opbouwen die aan onze behoeftes voldoet.

 

5.3.2 Zelfonthulling

Zelfonthulling (self-disclosure) is het blootgeven van persoonlijke informatie over jezelf aan anderen. In online sociale gemeenschappen wordt het gebruikt om het gebrek aan zintuiglijke cues goed te maken. Online wordt meer gebruik gemaakt van zelfonthulling, doordat er minder gebruik kan worden gemaakt van holistische communicatie (woorden, lichaam, context) en er toch kennis moet komen om de gaten op te vullen om zo hun eigen identiteit duidelijk te maken binnen de relatie. Mensen gaan bijvoorbeeld meer vragen stellen online, waardoor mensen de neiging hebben zichzelf meer bloot te geven. Dit helpt om een veilige omgeving voor interactie te creëren, om zo van de anonimiteit af te komen om een relatie op te bouwen. Wanneer een persoon tevreden is met de informatie die hij over iemand anders heeft verzameld, gaat hij zelf minder informatie geven. Dit duidt allemaal op onzekerheidsreductie, mensen hebben informatie over elkaar nodig om een veilige omgeving te creëren. Het zou goed zijn om informatiezoekende activiteiten zoals vragen stellen en zelfonthulling te bekijken om te zien of hun offline delen adequaat vervangen worden hierdoor.

 

5.3.3 Vorming van vertrouwen

Ons vermogen om relaties te vormen en te onderhouden vraagt erom dat we anderen kunnen vertrouwen en dat zij ons kunnen vertrouwen. Deze vertrouwensfactor kan gebaseerd zijn op assumpties die we maken over anderen als resultaat op de informationele cues die we laten zien. We vertrouwen erop dat anderen zich gedragen als hoe wij ze inschatten. In het begin van elke relatie zijn er puzzelstukjes die ingevoegd moeten worden, en zijn er dingen die je niet verwacht van de ander. Dit kan leiden tot verschuiving van het beeld, of tot einde van de relatie. Online groeit deze complexiteit, want er is weinig informatie. Dit zorgt voor het stellen van meer vragen en zelfonthulling. Zo wordt het vertrouwen vergroot en het risico verkleint. Er is nog een conditie van vertrouwen, namelijk interdependentie. Een relatie heeft coöperatie nodig van elke partij in de relatie, om wederzijdse en individuele doelen te bereiken. Mensen zoeken elkaar uit voor wederzijds voordeel. Door anderen te helpen, verwacht je dat zij hetzelfde voor jou doen. Hiervoor is vertrouwen nodig. Offline kun je zien of de relatie eenzijdig is, of dat het dit kan worden. Online duurt dit langer en blijft het moeilijker.

 

5.4 De invloed en effecten van online groepen

Sociale netwerksites helpen mensen om relaties te behouden, ook al zijn ze gescheiden in het echte leven. Jarenlang deed de telefoon dit, maar dit is nu makkelijker geworden. Ook kunnen er filmpjes etc. worden gestuurd, en op Facebook kan een profiel bij worden gehouden die het mogelijk maakt om te zien wat iemand offline doet. Dit is dus een echt profiel, geen nagemaakte. Dit kan helpen om informatie bij te houden over te ander. Inherent aan deze online interactie is het concept sociaal kapitaal. Sociaal kapitaal houdt in dat mensen andere mensen helpen om een situatie te creëren waarin anderen zich geroepen voelen om hetzelfde terug te doen. Het is een construct dat ervoor zorgt dat er voordelen voortkomen uit de relatie met anderen. Psychologisch gezien komen er voordelen uit sociale netwerken online. Mensen met weinig zelfvertrouwen hebben bijvoorbeeld meer profijt bij hun online sociale netwerk dan mensen met veel zelfvertrouwen. Dit komt doordat ze in hun echte leven waarschijnlijk geen ondersteuning vinden. Er zitten echter niet alleen voordelen aan, en dit wordt steeds onderzocht. Het is wel duidelijk dat mensen die sociaal kapitaal online opbouwen, waarschijnlijker zijn om positief gedrag te uiten en een betere psychologische staat hebben. Internetgebruik is wel geassocieerd met depressie en eenzaamheid, maar wanneer er sociale gemeenschappen zijn is er juist meer zelfvertrouwen en welzijn. Er kan worden aangenomen dat mensen met slechte offline sociale netwerken een positief effect ondervinden van een online gemeenschap van vergelijkbare anderen waarmee ze kunnen interacteren.

 

5.4.1 Verhoogde eigenwaarde of identiteit

het zelf is opgebouwd uit twee interacterende componenten: identiteit en eigenwaarde. Identiteit is het deel van het zelf dat cognitief functioneren uitvoert en die mening interpreteert en ontvangt. Eigenwaarde is het effectieve zelf dat omgaat met iemands gevoelens en daaruit voortkomend gedrag. Als je denkt aan hoe sociale constructie onze zelfpresentatie beïnvloedt kunnen we zien hoe iemands betekenis over zichzelf of vastgesteld door hoe hij de wereld ziet en hoe hij interacteert met anderen. Hij interpreteert en geeft mening aan deze interacties en gedraagt zich op een manier die gebaseerd is op het gevoel van deze interpretaties. Onze eigenwaarde en identiteiten komen voort uit sociale interacties. Wanneer mensen positieve ervaringen in sociale gemeenschappen meemaken krijgen ze hier een positief beeld van en kunnen ze ook een positief beeld van zichzelf krijgen.

 

5.4.2 Gereduceerd sociaal isolement en eenzaamheid

Online relaties lijken leeg, maar dankzij het vragen stellen en zelfonthulling wordt dit minder. Maar zelfs niet sterke relaties kunnen goed zijn. In het alledaagse leven hebben we ook praatjes met allemaal mensen waarmee we geen goeie band hebben. Dit kan wel leiden tot veel informatie en een verhoogd zelfbeeld. Voor sommige is het heel goed om online relaties te hebben, omdat ze in het echte leven dit niet hebben, om wat voor reden dan ook (geografie of beperkingen). Voor deze individuen kan het nodig zijn om deze relaties aan te gaan. In onderzoek is er contradictie tussen internetgebruik en eenzaamheid. Er is gevonden dat internetgebruik ons sociale netwerk vergroot terwijl het helpt met het opbouwen van nieuwe relaties, maar ook dat verhoogd internetgebruik leidt tot minder sterke relaties en het gevoel van eenzaamheid.

 

5.5 Conclusie

Internet werd vanaf het begin gezien als massa communicatiemiddel die in staat was om mensen bij elkaar te houden. Wel zijn er dingen anders tussen online en offline interactie. In online interactie missen er bepaalde cues, waardoor mensen elkaar leren kennen en elkaar kunnen inschatten. Dit is nodig in de echte wereld, en dus ook in de virtuele wereld. Dit wordt beperkt door zelfonthulling, waarbij bijvoorbeeld meer vragen worden gesteld dan in het echte leven. Zo kan er een identiteit van iemand anders worden gecreëerd, en kan sociaal ongemak worden verminderd terwijl disinhibitie gepaard met anonimiteit gelden om stereotypering en te voorkomen en om een nieuwe identiteit aan te maken. Om met anderen in contact te komen kan men in solipsistic introjections meedoen en een mentaal beeld en identiteit van de virtuele ander als een manier zien om contextuele ruimte voor interactie te waarborgen. Sommige gedragingen kunnen echter niet alleen in de echte wereld voor komen, maar ook in de virtuele wereld. Dit is extreem gedrag waarbij mensen radicale ideeën gaan opwerpen en atypische activiteiten gaan doen die kunnen worden gezien als psychologisch en sociaal ongezond. Hierbij wordt gedacht dat dit een reactie is aan het gebrek van zintuiglijke en sociale cues, en door het verdwijnen van identiteit en de zelf. Vooral de negatieve effecten worden nu onderzocht, terwijl het ook positieve effecten kan hebben. Hoe complexer online contact wordt, hoe meer parallellen er zullen komen tussen de echte en virtuele wereld er zullen komen.

 

Hoofdstuk 6: Computer- en videospellen

Gamen is heel snel heel populair geworden. Zo populair, dat 97% van de Amerikaanse jongeren aan gamen doet. Dit leidt wel tot bezorgdheid, want het kan in de plaats komen van dingen als lichamelijke activiteit en studie. Gamen voorspelt slechtere schoolprestaties, en aandachtsproblemen bij adolescenten. Ouders, politici en media zijn ook bezorgd om de mogelijke negatieve effecten van deze games. Jongeren worden op deze manier namelijk blootgesteld aan geweld en het lijkt inderdaad negatieve effecten te hebben, gezien de vele schietpartijen op scholen in de afgelopen jaren. Veel van de daders waren namelijk fanatieke gamers, maar sommige niet. Er wordt gezegd dat gamen meer invloed heeft op het aanleren van agressief gedrag dan bijvoorbeeld televisie kijken, omdat je zelf het spel speelt en er direct feedback op komt. In dit hoofdstuk wordt kritisch gekeken naar het onderzoek dat tot nu toe is gedaan, en wordt geclaimd dat er een meer holistisch beeld moet worden gevormd van meerdere factoren dan nu wordt gedaan.

 

6.1 Voorgestelde effecten van blootstelling aan gamegeweld

6.1.1 Psychologische arousal

Er wordt geclaimd dat blootstelling aan gewelddadige games geassocieerd is met arousal (verhoogde hartslag, verandering in bloeddruk en hormoonlevels), die kunnen leiden tot agressief gedrag. gewelddadige beelden leiden tot meer arousal dan neutrale of negatieve (niet gewelddadige) beelden, en leiden tot vijandigheid bij mannen.

 

6.1.2 Agressieve gevoelens

Studies hebben een link aangetoond tussen blootstelling aan gewelddadige games en agressieve gevoelens.

 

6.1.3 Agressieve gedachten

Er wordt gezegd dat arousal ervoor zorgt dat er agressieve cognitieve en gedragsmatige scripts worden aangemaakt en bekrachtigd. Hierdoor wordt er aangeleerd dat het goed is om agressief te reageren in verschillende situaties, en wordt er sneller agressief gereageerd. Ook worden meer situaties als agressief ingeschat. Er is gevonden dat mensen die veel gamen sneller reageren op agressie en meer agressieve attributie bias hebben (iets sneller inschatten als agressief) in ambigue situaties.

 

6.1.4 Desensitisatie

Hierbij is desensitisatie de sleutel voor het proces waarbij herhaalde blootstelling aan agressieve games zorgt voor agressieve attitudes en gedrag. Gamers raken gewend aan agressiviteit, en reageren minder en zijn meer gewend aan agressief gedrag in het echt. Hierdoor vinden zij agressiviteit minder erg in het echte leven en dit zorgt ook voor verdere versterking van de agressieve scripts en maakt het waarschijnlijker dat een individu agressief reageert op ambigue situaties of conflictsituaties.

 

6.1.5 Laten zien van agressief gedrag

Blootstelling aan agressieve games zorgt voor agressieve attitudes en agressief gedrag, omdat kinderen leren dat agressief gedrag gepast is door middel van belonen en straffen door ouders, leeftijdsgenoten en media. Ze gaan dit agressieve gedrag dan ook imiteren, volgens de Sociale Leertheorie. Er is gevonden dat agressieve videogames leiden tot fysieke agressie door het verhogen van de agressieve norm en de vijandige attributiebias. In andere studies is echter geen link gevonden.

 

6.2 Het Algemene Agressiemodel (GAM) en het Algemene Leermodel (GLM)

Deze twee modellen vormen samen de socio-cognitieve modellen die de effecten van game-geweld op leren, persoonlijkheid en agressie-gerelateerde uitkomsten uitleggen. Ze gaan over het persoon (individuele overtuigingen, attitudes, eerdere ervaringen) en de situatie (provocatie of andere agressieve cues, blootstelling aan mediageweld) als input variabele voor het leren van agressief gedrag. De interactie tussen deze inputvariabelen beïnvloeden de interne staat van het individu en leert het individu aan om agressief te reageren op externe gebeurtenissen. Bij deze modellen wordt er vanuit gegaan dat het spelen van gewelddadige videogames zorgt voor agressieve cognities (o.a. scripts), die zorgt voor agressieve affectieve staten (o.a. woede), die weer zorgt voor verhoogde arousal. Op de lange termijn wordt er dan agressiever gereageerd op de omgeving.

 

6.3 Modererende factoren

Er wordt in veel studies een relatie gevonden tussen gewelddadige games en agressie, maar veel replicaties mislukken. Hierdoor worden theoretische en methodologische assumpties beter bekeken. Een punt van kritiek is namelijk dat er geen rekening wordt gehouden met derde variabelen, die erg van belang kunnen zijn. Bijvoorbeeld het bezitten van een agressieve karaktertrek, of geweld in de familie, kunnen beide de relatie tussen blootstelling en agressief gedrag modereren. Daarom moet er gekeken worden naar individuele verschillen en naar de blootstelling aan verschillende risicofactoren voor agressieve attitudes en agressief gedrag.

 

6.3.1 Individuele verschillen

Adolescenten met een karaktertrek van vijandigheid, reageren vaker agressief dan die zonder vijandige karaktertrek, na blootstelling aan gewelddadige games. Ook is er bij agressie als karaktertrek meer sprake van agressieve gedachtes en gedrag a blootstelling aan agressieve games. Hierdoor is duidelijk dat agressieve games niet voor alle gamers hetzelfde effect hebben en maakt duidelijk dat het belangrijk is om de factoren te vinden die maken dat sommige individuen meer vatbaar zijn voor de effecten van gewelddadige games.

 

6.3.2 Sociale factoren en omgevingsfactoren

Factoren als huiselijk geweld en de relatie met familie en leeftijdsgenoten, kunnen agressief gedrag beïnvloeden. Zo werd gevonden dat agressieve persoonlijkheid en fysiek geweld van ouders positief gecorreleerd waren met delinquent gedrag. Er zijn dus meerdere factoren van belang bij de relatie tussen blootstelling aan agressieve games en agressie-gerelateerde uitkomsten.

 

6.3.3 Motivatie

Gaming wordt gezien als een wereldwijd sociaal probleem in de maatschappij, maar het is ook een populaire, intrinsiek motiverende en leuke vrijetijdsbesteding voor veel mensen. Het zorgt voor psychologische voldoening en plezier. Ook wordt er flow ervaren bij gamen, wat een positieve psychologische gemoedstoestand is. Dit kan zorgen voor plezier en positief affect. Deze motivaties moeten ook meegenomen worden in onderzoeken naar de negatieve kant van gamen, omdat motivatie mee kan spelen.

 

6.3.4 Sociale context

Tot nu toe wordt er in onderzoek nog bijna niet gekeken naar de invloed van de sociale context waarin gamen zich voordoet. Het wordt gezien als activiteit die je in je eentje doet, maar het wordt steeds meer een sociale activiteit (online met mensen, of offline met vrienden). Veel mensen gamen liever met anderen dan alleen, en sociale interactie wordt gezien als een motivationele en ervaringsgerichte factor van gamen, en als een factor voor amusement van het gamen. Onderzoek wijst erop dat het er ook aan ligt wat het doel is van het spel. Als het competitief is, dan kan er frustratie en agressie ontstaan. Wanneer het doel coöperatief is, kunnen er juist positieve factoren uit voort komen. De rol van sociale context is dus erg belangrijk.

 

6.4 Methodologische kritiek

Behalve het kritiek van de smalle, individuele focus van het onderzoek op dit gebied, zijn er ook methodologische problemen. Er is bijvoorbeeld een publicatie bias gevonden, die ervoor zorgt dat onderzoekers de link tussen agressieve games en agressie-gerelateerde uitkomsten graag willen vinden, anders wordt het niet gepubliceerd.

 

6.4.1 Validiteit van metingen van agressie in het lab

Er wordt gezegd dat ongestandaardiseerde maten van agressie leiden tot grotere effectgroottes dan gestandaardiseerde en betrouwbare maten. Geschreven maten van agressie hebben een hogere constructvaliditeit dan fysieke reactiematen en zijn minder vatbaar voor sociale conformiteit of demand characteristics die participanten kan beïnvloeden wanneer ze fysieke agressie laten zien in het laboratorium. Vaak wordt anti-agressief gedrag niet gemeten, maar alleen agressief gedrag. Ook wordt in onderzoek vaak alleen reactief agressief gedrag gemeten (o.a. verbale agressie), terwijl progressieve agressie niet wordt bekeken (een kind leert door straf en beloning of hij agressief moet zijn in die situatie), terwijl dit de kern is voor het agressieparadigma. Ook kan er bij agressie in het lab niet worden gezegd dat ze ook zo reageren in het echt.

 

6.4.2 Periode van speelplezier

In het laboratorium wordt vaak maar kort gegamed, waardoor eigenlijk niks gezegd kan worden over de blootstelling hieraan op agressief gedrag. Veel gamers gamen namelijk erg lang achter elkaar. Ook is er uit onderzoek gekomen dat er geen verschil is tussen niet-agressieve games en agressieve games, bij het meten van agressie naderhand. Dit kan komen door het korte tijdsbestek van spelen.

 

6.4.3 Controle van videogames tussen condities

Er is kritiek op de keuze van videogame in de experimentele designs. Er wordt onvoldoende rekening gehouden met de verschillen in karakteristieken van de games tussen de condities, zoals complexiteit, genre en moeilijkheidsgraad. Hierdoor kan eigenlijk niet gekeken worden naar het effect van deze games op agressie, omdat er meer factoren spelen. Er zouden meerdere games aan bod moeten komen, want uit onderzoek blijkt dat het effect van videogame-geweld op pro-sociaal gedrag tussen verschillende games erg anders is.

 

6.4.4 Sampling

Bij het onderzoek wordt vaak gebruik gemaakt van psychologiestudenten als participanten. Dit is heel normaal bij psychologisch onderzoek, maar veel gamers zijn man dus in dit geval is het niet per se methodologisch goed. Veel psychologiestudenten zijn namelijk vrouw. Mannen en vrouwen hebben verschillende motivaties voor het spelen vaan games, en ze ervaren videogames anders. Vrouwen zijn minder handig met het spelen van videogames dan mannen en dit kan leiden tot frustratie. Ook kan de motivatie van gamers en niet-gamers om mee te doen aan het onderzoek anders zijn. Niet-gamers willen participatiepunten (extrinsieke motivatie), terwijl gamers het leuk vinden (intrinsieke motivatie). Op deze manier kunnen deze participanten het spel heel anders ervaren en de consequenties ervan kunnen ook anders zijn. Dit alles zorgt ervoor dat de resultaten niet gegeneraliseerd kunnen worden naar de gehele populatie.

 

6.5 Positieve kanten van gamen

Er wordt vooral de nadruk gelegd op de negatieve kanten van gamen, maar er zijn ook positieve kanten. Steeds meer komen games op de markt die zorgen voor fysieke beweging (Wii) en cognitieve uitdaging (Big Brain Academy). Hiervoor moet worden onderzocht of dit echt goed is, en wat de consequenties hiervan zijn op het welzijn (psychologisch en fysiek). Ook moet er gekeken worden naar de positieve kanten van het spelen van videogames.

 

6.6 Conclusie

In dit hoofdstuk is er kritisch omgegaan met het bestaande theoretische en empirische bewijs voor de link tussen blootstelling aan agressieve games en agressie-gerelateerde uitkomsten. Hierbij zijn methodologische en theoretische beperkingen bekeken, en is gezegd wat er verder moet worden onderzocht. Media en publiek blijven beweren dat er een directe causale rol is voor agressieve games op agressief gedrag, terwijl hier minimaal bewijs voor is. Bij de schietpartijen op scholen zijn niet games verantwoordelijk, maar psychopathische, depressieve en suïcidale neigingen. Huidig bewijs voor de negatieve effecten van de nieuwe media is zwak, en de overweging van deze invloed moet in een bredere context worden gezet.

 

Hoofdstuk 7: Beroemdheids- en parasociale relaties

Er kan niks over media en psychologie gezegd worden, zonder te bekijken wat het op het kruispunt tussen deze onderwerpen staat, namelijk beroemdheid en vooral de fans die hen bewonderen of aanbidden. Er staat dan een voorbeeld over een onderzoek die is gedaan waarbij de “Celebrity Worship Scale” is ingevoerd. Hierbij is het zo dat de rol van de media bij dit artikel liet zien dat het bestuderen van “fan zijn” kwetsbaar is voor dezelfde psychosociale factoren als het aanbidden van een beroemdheid zelf. In de media werd de “Celebrity Worship Scale” omgetoverd naar “Celebrity Worship Syndrome”, waarbij er vanuit werd gegaan dat er een nieuwe psychologische stoornis was uitgevonden. Dit was absoluut niet het geval, en dit is precies het probleem bij de media. Dingen worden aangenomen door een boel mensen die niet de moeite nemen om het artikel zelf te lezen en erachter te komen wat waar is en wat niet. Dit is ook zo bij aanbidding van een beroemdheid.

 

7.1 Het concept beroemdheid en het bestaan van parasociale relaties

Van het eten dat we eten, de kleren die we dragen, de auto’s waarin we rijden en de idolen die onze kinderen “volgen” online, beroemdheden hebben veel invloed op ons leven. Beroemdheden hangen aan hun roem omdat vele van hen niet erg slim of vaardig zijn. Ze worden gekend omdat ze bekend zijn. Er zijn drie soorten onderzoek naar beroemdheid. Ten eerste is er belang bij karakteristieken die vooraanstaande mensen met vaardigheden, goed uiterlijk of intelligentie scheidt van de algemene populatie. Ander onderzoek gaat erover hoe beroemdheden publieke attitudes beïnvloeden, zoals het gedrag van consumenten. Ten derde zijn er psychologische consequenties van het bereiken van roem, zoals het bereiken van chronisch zelfbewustzijn en misschien zelfs zelfdestructief gedrag. Ook is er nog een vierde aspect gevonden, maar die wordt minder onderzocht. Dit is het effect dat beroemdheden hebben op hun fans, de beroemdheidsaanbidders. Deze onderwerpen zijn wel belangrijker geworden, nu de rol van parasociale interactie is gevonden. Dit is de eenzijdige relatie waarbij een partij (fan) veel weet over de ander (beroemdheid), maar diegene niks weet over de fan. Dit wordt gepromoot door televisie, internet, reclame etc. Dit is verder niet erg, er is gevonden dat kinderen zowel modellen als idolen hebben. Modellen zijn belangrijker dan idolen, en deze worden ontwikkelt door realisme, rationalisme en relativisme, terwijl idolen worden gevonden door idealisme, romanticisme en absolutisme. Voor sommige mensen kan het wel een significant gedragsfenomeen zijn, die hun leven overneemt.

 

7.2 Ontwikkeling van de “Celebrity Attitude Scale” (de vragenlijst die eerder bekend was als “Celebrity Worship Scale”)

De paper presenteerde de resultaten van een empirische studie van mensen die lieten zien wat verschillende maten van beroemdheidsaanbidding waren, wat door hun antwoorden op een tweeëndertig vragen lange vragenlijst werd aangegeven. Dit ging over entertainment onderwerpen (ik vind het leuk als mijn favoriete beroemdheid op televisie is), sociale of groepsaffiliatie motieven (mijn vrienden en ik hebben het er graag over wat mijn favoriete beroemdheid heeft gedaan), en zelfwaardering (de successen van mijn beroemdheid, zijn ook mijn successen). Ook waren vluchten (door nieuws over mijn beroemdheid hoef ik niet na te denken over mijn eigen dingen) en pathologische identificatie (als mijn favoriete beroemdheid dood gaat, voelt het alsof ik ook dood ga) aan de orde.

 

7.3 Levels van beroemdheidsaanbidding

Ten eerste is er het lage aanbiddingslevel, die het Entertainment-Sociale Stadium heet. Hierbij hoort individualistisch gedrag zoals kijken, lezen en leren over, bijhouden van of luisteren naar beroemdheid, voor entertainment. Een trede hoger staat het Intens Persoonlijke Stadium waarbij sociale activiteiten zoals kijken, horen en praten over de beroemdheid in het bijzijn van andere fans of vrienden hoort. Het hoogste level is het Borderline Pathologische Stadium, waarbij aan de ene kant empathie hoort (je leeft mee met de beroemdheid, in zijn succes en falen), maar ook over-identificatie, compulsief gedrag dat gerelateerd is aan het bijhouden van plaatjes en souvenirs, repetitieve gedachtenpatronen en een obsessie met details van de beroemdheid.

 

7.4 Een Absorptie-Addictie Model van beroemdheidsaanbidding

De originele “Celebrity Worship Scale” legde de levels van beroemdheidsaanbidding uit in termen van dit model. Drie algemene bevindingen hiervoor:

  1. Er is geen lijn te trekken van pathologisch naar niet-pathologisch, maar er zijn gradaties in ernst van beroemdheidsaanbidding.

  2. Het continuüm van beroemdheidsaanbidding houdt drie levels van theoretische stadia in. Ten eerste: het laagste stadia heeft entertainment als doel, een hoger level wordt gekarakteriseerd door activiteiten als kijken, luisteren en praten over de beroemdheid met anderen en de hoogste heeft empathie en over-identificatie in zich, waarbij dit verslavend of compulsief gedrag kan hebben.

  3. De stadia zijn niet anders bij individuele verschillen zoals leeftijd, gender of type van de beroemdheid.

 

7.5 Prevalentie van beroemdheidsaanbidding

In de onderzoeken die tot nu toe zijn gedaan, scoort een vierde van de mensen in het middelste stadium (Intens Persoonlijke Stadium) of hoger. Er is echter nog geen grootschalig onderzoek gedaan, dus dit moet met een korreltje zout genomen worden. Het is de vraag of de aanbidding meer is geworden, of dat het een meer serieus sociaal issue is geworden. Zijn er meer aanbidders dan vroeger, zijn de consequenties van het zijn van een aanbidder groter? Dit zijn moeilijke vragen zonder longitudinaal onderzoek. Wel kan er gezegd worden dat er meer over het privéleven van beroemdheden bekend is dan vroeger, dus dat er ook op een andere manier aanbeden kan worden. Het is niet duidelijk of de media de mensen gewoon geeft wat ze willen, of dat ze de mensen een bepaalde richting op sturen.

 

7.6 Beroemdheidsaanbidding en persoonlijkheid

De drie stadia van beroemdheidsaanbidding lijken parallel te zijn aan de drie dimensies van Eusenckian’s persoonlijkheidstheorie. Het Entertainment-Sociale Stadium laat extraverte persoonlijkheidstrekken (sociaal, levendig, actief en open) uit de theorie zien, het Intens Persoonlijke Stadium laat neuroticismetrekken zien (gespannen, emotioneel, humeurig), en het Borderline Pathologische Stadium laat psychotische trekken zien (impulsief, antisociaal, egocentrisch). Het laat niet gelijk zien dat er problemen zijn, maar wel dat die er kunnen zijn. Hierbij zou meer onderzoek gedaan kunnen worden.

 

7.7 Conclusie

De beroemdheden die er altijd al waren (acteurs, zangers, sporters, politici) krijgen nog steeds aandacht, maar er zijn nu ook mensen die ‘per ongeluk’ beroemdheden worden dankzij de media. Deze hebben reality shows, doen aan bloggen of maken YouTube-filmpjes. Hierdoor zijn er ook beroemdheden die geen geweldige vaardigheden hebben. Ook zijn er beroemdheden die “leeg” zijn. Ze geven bijvoorbeeld een statement aan die eigenlijk fout is, maar als juist wordt aangenomen omdat het een beroemdheid is. Dankzij de media treedt er ook meer parasociale communicatie op, waarbij een fan de beroemdheid wel kent, maar andersom niet.

 

Hoofdstuk 8: Misdaad in de Media

Er wordt gezegd dat de media ervoor zorgt dat mensen verkeerd geïnformeerd en bang worden, en zelfs dat ze er sneller misdrijven door plegen. Dit was al zo bij het uitbrengen van de eerste krant, en is nu nog steeds zo met internet en games in de hoofdrol. Ook al ontwikkelt de media zich snel, de onderwerpen blijven hetzelfde. In dit hoofdstuk zal gekeken worden naar twee soorten van criminaliteit, namelijk waargebeurde misdaad (journaal en krant) en fictie (drama’s). Ook gaat het over de combinatie, misdaden die echt gepleegd zijn maar worden uitvergroot in een documentaire. Nadat de rol van de media is bekeken, wordt er bekeken waarom de media dit doet. Hierbij wordt het publiek onderzocht, die direct impact heeft op de manier waarop de media de misdaden laat zien. Daarna wordt er op theorieën gefocust, en op wat er uit onderzoek is gebleken over het effect van de media op perceptie, angst en misdadig gedrag.

 

8.1 Aanhoudende populariteit van misdaad

Vroeger werd nieuws en informatie over echte misdaad alleen via kranten en het journaal gegeven. Inmiddels zijn internetsites met nieuws steeds populairder, ten koste van kranten. Misdaad komt bij de media terecht wanneer het een vaststaande gebeurtenis is (er is aanbod van hoe het echt is gegaan), er moet gemakkelijk informatie te winnen zijn (ruimte voor journalisten op de plek van de gebeurtenis) en er moet interesse zijn voor het onderwerp bij het publiek. Waarom het publiek precies geïnteresseerd is in misdaden is niet duidelijk, maar waarschijnlijk is dit om verschillende redenen. Dit kan zijn om het risico voor het zelf in te schatten, of om een kijkje te nemen in het even van anderen (een soort vermaak). Vaak wordt er gekeken naar lokale misdaad (uit risicoschatting), maar ook naar sensationele gebeurtenissen ver weg (andere motivatie dan risicoschatting).

 

8.2 Keuze van nieuwsmateriaal

Er worden bewust keuzes gemaakt door de media voor het aanbod van nieuws. In een lokale krant kunnen alle gepleegde misdaden een plekje krijgen in de krant (“Bezem gestolen van lokaal recreatiecentrum”), maar in de krant van een grote stad niet. Dit kan wel als alles ongedetailleerd besproken zou worden, maar er wordt gekozen om een selectie te maken en dit uitgebreid te beschrijven. Dit wordt “nieuwswaardigheid” genoemd. Een misdaad wordt nieuwswaardig door 5 factoren. 1) Ten eerst wanneer het persoonlijk is in plaats van abstract. Hierdoor wordt er vaker geschreven over degene die het uitvoert, als om het onderwerp zelf (“de president …” in plaats van “het statement”). Ook gaat het daarom vaker om individuele misdaden dan om statistische patronen. 2) Er moet drama en conflict in zitten. 3) Actie. Het publiek moet zien dat er iets gebeurd: een bombardement, vliegtuigcrash, een schoen die tegen de president wordt gegooid, het is allemaal actie. Soms is dit er niet, zoals bij het tekenen van een vredesverdrag, en dit is dan nieuws voor een dag en niet langer. 4) Nieuwheid en afwijking. Huiselijk geweld is niet nieuw. Als een familielid een tarantula loslaat om zijn gezin bang te maken, wel. Dit kan in de krant komen dan. Zelf sommige moorden zijn geen nieuws, of slechts een klein stukje in de krant. 5) een nieuwswaardig bericht moet een link hebben met een onderliggend thema. Als er ineens een seriemoordenaar blijkt te zijn of een heleboel oude vrouwtjes worden beroofd op straat, dan is het nieuwswaardig. Behalve deze 5 karakteristieken, zijn er nog 4 secundaire karakteristieken. 1) Nieuwswaardig materiaal moet niet offensief zijn. Politie die iets doet wat niet goed is, wordt expres niet in de krant gezet omdat het het publiek boos maakt. Ook kan het zijn dat een moord in een stad niet op de voorpagina wordt gezet, omdat het toeristen buiten houdt. 2) Geloofwaardigheid. Mensen die zeggen aliens te hebben gezien, worden niet serieus genomen ook al is het nieuw en afwijkend. 3) Sound bites. Hiermee wordt bedoelt dat er slogans en nicknames worden bedacht om een misdaad aan te geven. Dit werd altijd al gedaan (Jack the Ripper), maar wordt nu steeds vaker gebruikt, vooral op televisie. 4) Lokale invloed. Hiermee wordt bedoelt dat er wordt gezocht of er iemand dichtbij is, die iets met het geweld ver weg te maken heeft. Er wordt bijvoorbeeld altijd gezegd hoeveel Nederlanders er bij een vliegtuigongeluk zijn omgekomen, ook al waren dat er 3 en was de rest Australisch. Zo wordt er een band ontwikkelt.

Al deze strategieën zorgen ervoor dat we de misdaden makkelijker onthouden en het levendiger wordt. We proberen te vergeten wat offensief is, en onthouden wat ons aangreep. Hierop speelt de media in.

 

8.3 Selectieconsequenties

Ten eerste wordt veelvoorkomende misdaad onder gerapporteerd in de media. Het is niet nieuw en er wordt daarom niet veel over geschreven. Daarnaast wordt misdaad dat bezit betreft niet beschreven, en gewelddadige misdaad wel. Dit houdt in dat bankfraude van duizenden euro’s niet wordt beschreven en een bankoverval van 200 euro wel. Ook wordt er meer geschreven over de verdwijning van een fotogeniek iemand, dan van een lelijk iemand. Daarnaast is het zo dat als er over misbruik wordt geschreven, er vaak niet wordt besproken wie dit dan heeft gedaan. Zo wordt er gedacht dat dit een random persoon was, terwijl dit vaak een familielid of vriend is. Hierdoor wordt onderschat hoeveel geweld er is binnen families en kennissen. Er is een groot verschil tussen nieuws op televisie en in de krant. Op televisie komt vooral het nieuws naar voren waarbij schokkende/goede beelden zijn, waar er in de krant meer ruimte is voor het beschrijven van de context. Op internet kan nieuws tot op de minuut gevolgd worden, waardoor hier ook minder ruimte is voor context. De krant loopt vaak wat achter op het nieuws vergeleken met televisie. Ook is het zo dat bij ander nieuws op televisie zoals documentaires, vaak meer lijkt op een drama (oftewel veel bij verzonnen) dan op echt nieuws.

 

8.4 Meer misdaad in de media: fictie en docudrama’s

In boeken, op televisie en in films komt vaak fictieve misdaad voor. Veel onderzoek is hierbij gedaan naar het effect van televisiemisdaad in cartoons, omdat veel kinderen hiermee te maken krijgen. Het geweld kan onderverdeelt worden in reëel geweld die lijken op alledaags geweld, en in fictief geweld, zoals Westerns, zombies en vampiers. Docudrama’s zijn misdaden die echt gepleegd zijn, maar dan fictief gemaakt (dingen bij verzonnen, mensen vervangen door andere karakters etc.).

 

8.5 Stijging in de consumptie van misdaad in de media

Er wordt gekeken naar de verandering in de media wat betreft misdaad. Zo was eerst de radio de bron van informatie over misdaad, en toen televisie. Dit duurde erg lang. Het tijdsinterval tussen kranten en internet was erg kort. De trends met betrekking tot misdaad worden belicht.

 

8.5.1 Kranten

De verkoop van kranten gaat al jaren achteruit. Dit is het geval bij volwassenen, en van de jongvolwassenen lezen nog minder de krant. De meest gelezen delen uit de krant zijn de strips, sport- en adviesdelen, in plaats van het echte harde nieuws. Veel kranten gaan failliet, en mensen die de krant nog wel lezen zijn vaak oudere, hoger opgeleide mannen.

 

8.5.2 Nieuwsmagazines

Ook deze vorm van nieuws heeft het zwaar te verduren, en deze proberen zichzelf op een andere manier relevant te maken.

 

8.5.3 Televisie

In Amerika kijken mensen gemiddeld 7 uur per dag televisie, en als ze kabel hebben 8. Oude mensen, vrouwen, Afro-Amerikanen en mensen met lage inkomens kijken het meest televisie. Het is moeilijk om te weten hoe lang iemand televisie kijkt en waar naar, omdat het patroon van televisiekijken erg verschilt. Ook worden er steeds meer programma’s opgenomen, maar er kan niet gekeken worden of dit ook bekeken wordt. Ook zappen mensen vaak, waardoor het niet te zeggen valt wanneer ze nu echt kijken.

 

8.5.4 Internet

Internet is de reden dat er zoveel verandering is gekomen in het nieuws dat mensen zien. Hierbij kan iedereen altijd het meest recente nieuws zien, en het is meer interactief. In plaats van te lezen wat de journalist zegt en wat experts vinden, kan er worden bekeken wat andere mensen (publiek) vindt en kun je zelf iets uploaden. Ook kunnen er totaal bizarre, neppe video’s online worden gezet. Of deze open toegang leidt tot meer of minder accurate informatie over misdaad (en al het andere), moet nog blijken.

 

8.6 Theoretisch raamwerk die relevant is voor misdaad in de media

Het meeste onderzoek is gedaan naar de effecten van agressie in de media op gedrag, maar er is ook veel onderzoek gedaan naar de effecten van misdaad in de media op perceptie, angst en het maatschappelijk beeld. Hier wordt gekeken naar theorieën die dit onderzoek ondersteunen.

 

8.6.1 Injectienaald Model/Magische Kogel Theorie/Directe Effecten Model

Deze theorie gaat er vanuit dat de media kan werken als injectienaald. Hierbij is het zo dat bijvoorbeeld Hitler met zijn toespraken via de radio, ervoor heeft gezorgd dat het publiek geïnjecteerd werd en ging geloven dat de oorlog goed was. Dit werd echter genuanceerd door onderzoek waaruit bleek dat sommige luisteraars niet eens worden geraakt door dit soort toespraken.

 

8.6.2 Minimaal Effect/Selectieve Processen

Bij dit model ligt de nadruk op de rol van selectieve blootstelling en selectief onthouden. Al bestaande attitudes leiden kijkers, luisteraars of lezers bij waar ze naar willen kijken en wat ze onthouden, zodat al bestaande ideeën en attitudes worden versterkt. Uit onderzoek blijkt alleen dat mensen vooral beïnvloedt worden door de media als ze zelf nog geen mening hadden, en dezen met lage opleiding. Media werkt dus vooral bij ongeïnteresseerden en ongeïnformeerden.

 

8.6.3 Gebruik en Bevrediging Theorie

Hierbij is er een actievere rol voor het publiek. Het publiek selecteert de mediaberichten met een doel. Een luisteraar kan bijvoorbeeld de radio aanzetten wanneer er een conservatief programma op is, om zijn eigen kijk op politieke zaken te versterken, terwijl een ander de radio op dit programma zet om te lachen om wat er gezegd wordt (niet serieus nemen). Dus de motivatie om te luisteren kan bij iedereen anders zijn. Dus kan misdaad worden opgezet om te kijken hoe je om moet gaan met zulke situaties, terwijl iemand anders deze programma’s vermijdt omdat hij er bang van wordt. Een ander kan denken dat hij erg anders is dan het slachtoffer en zichzelf zo beschermen.

 

8.6.4 Agenda-setting

Bij agenda-setting gaat het erom dat de media niet beïnvloedt wat mensen denken, maar wel waarover mensen denken. Het is zo dat mensen overschatten hoe vaak een misdaad wordt gepleegd, of hoeveel misdaden er überhaupt worden gepleegd. Dit komt doordat het vaak in het nieuws komt (vliegtuigen meer dan auto-ongelukken). Ook wordt huiselijk geweld bijvoorbeeld als misdaad gezien, terwijl het zonder media ook kan worden bekeken als huwelijksprobleem.

 

8.6.5 Cultivatiehypothese

Hierbij wordt gekeken naar sekse, werk, etnische verschillen en misdaad en geweld presentatie. De hypothese stelt dat mensen die in de topsport van een land zitten, denken dat alle topsporters in de sport uit dat land komen. Of dat mensen die veel naar misdaad kijken denken dat misdaad veel vaker voor komt dan in het echt. Of dat de meeste doden door wapens door anderen komen, in plaats van de 50% die zelfmoorden zijn. De effecten van de media zijn hierdoor op ieder individu verschillend, omdat iedereen naar andere programma’s kijkt en andere interesses heeft.

 

8.7 Effecten van misdaad in de media

De manier waarop kranten en televisie omgaan met misdaad, beïnvloedt de perceptie van misdaadprevalentie en details, net als de verhoogde angst voor misdaad. Ten eerste kan de media voor “misdaadgolven” zorgen. Er werden een paar incidenten van het stelen van tasjes gevonden bij ouderen, de toevallig dichtbij elkaar plaatsvonden. Toen waren mensen gealarmeerd en waren ouderen bang. Toen de media-aandacht naar een ander onderwerp verschoof, dacht iedereen dat de golf over was. Wat bleek: er was helemaal niet meer gestolen tijdens die golf dan anders, het was gewoon door de media gecreëerd. Ook speelt hierbij een overschatting van de waarschijnlijkheid dat een gebeurtenis zich voordoet een rol. Mensen denken dat mensen vaker worden neergeschoten door onbekenden dan door vrienden/familie, terwijl dit absoluut niet waar is. Er wordt wel meer aandacht aan besteed in de media. Ook blijkt dat lezers minder bang dan gemiddeld zijn wanneer random of sensationele misdaad zich voordeed in een andere stad, en dat lezers banger waren dan gemiddeld wanneer dit zich voordeed in hun eigen stad. Ze gebruiken dus sociale vergelijking en wanneer het ergens anders slechter is, denken ze dat het thuis veilig is en andersom.

 

8.8 Angst en fictie

Bij fictie is er geen relatie tussen blootstelling aan misdaad en angst, zoals bij realiteit (journaal). Fictie wordt gezien als “buiten de wijk” en dus niet dichtbij, en is daarom minder eng. Bij kinderen werkt dit niet zo. Jonge kinderen zijn net zo bang na misdaad in fictie, als voor het journaal. Oudere kinderen hebben dit niet, die zijn net als volwassenen minder bang voor fictie. Enge beelden uit de massamedia kunnen angst veroorzaken, zelfs nog in de jonge adolescentie.

 

8.9 Conclusie

De frequentie van misdaad in de massamedia lijkt te stijgen. Hele gewelddadige, enge en random misdaden worden laten zien, en worden over gerepresenteerd, vergeleken met het echte leven. Hierdoor denken kijkers en lezers hiervan dat het vaker voor komt in het echte leven wat leidt tot angst. Ook al leiden mediaberichten over misdaad tot significante effecten op perceptie en emotie, de effecten zijn klein omdat persoonlijkheid, omgeving en familie-ervaringen ervoor zorgen dat het minimaal blijft.

 

Hoofdstuk 9: Stereotypering van Ras en Etniciteit

In 1977 werd er voor het eerst op grote schaal bekeken hoe vaak, en op welke manier minderheden (en vrouwen) op televisie kwamen (nieuws en entertainment). Er kwam uit dat minderheden erg onder gerepresenteerd waren, en gestereotypeerd wanneer ze er wel waren. Tegenwoordig zijn sommige minderheidsgroepen wel meer op tv, maar nog steeds niet genoeg. Ook blijft het stereotype beeld bestaan. In dit hoofdstuk wordt er gekeken wat ras, etniciteit en stereotypering is, wordt er een samenvatting gegeven van onderzoek dat zich richt op ras en etniciteit in de media, en wordt er onderbouwd met theorie. Ook wordt er onderzocht wat het effect is van blootstelling aan raciale/etnische stereotypes in het nieuws en entertainment.

 

9.1 Hoe ras en etniciteit in elkaar zit

Sociale categorisatie helpt ons als mensen om de wereld te begrijpen. Hierdoor kunnen we ons makkelijker aan de omgeving aanpassen, omdat we de mensen erin in kunnen delen. Dit betekent op zichzelf niks, maar toch wordt er vaak een ingroup en outgroup gecreëerd, waardoor discriminatie ontstaat. Een vorm van sociale categorisering is ras en etniciteit. Ras houdt vooral fysieke kenmerken in. Het wordt gedefinieerd door de ingroup of outgroup, en het is bijvoorbeeld huidskleur en gezichtskenmerken waarop gecategoriseerd wordt. Bij etniciteit is het meer bedoelt als positief, doordat het door de ingroup ontwikkelt wordt. Er wordt de nadruk gelegd op het saamhorigheidsgevoel van de groep, door in te delen in gemeenschappelijke taal, historie, herinneringen en cultuur. Etniciteit wordt gedefinieerd in symbolen, geografie, interactie, taal en religie.

 

9.2 Stereotypering

Uit sociale categorisering volgt al snel stereotypering. Stereotypes zijn mentale representaties van de wereld, die beïnvloeden hoe mensen reageren op situaties in ons leven. We hebben stereotypes over bekwaamheid, uiterlijk, attitudes, interesses, kenmerken, sociale status, bezigheden en gedrag van sociale groepen. Er wordt vaak gedacht dat stereotypes negatief zijn, maar eigenlijk is het een handig mechanisme waardoor we alles kunnen organiseren zonder dat we er veel cognitieve energie en tijd aan kwijt zijn om uit alle stimuli iets op te vangen waardoor we dagelijkse dingen begrijpen. Bij raciaal/etnisch stereotyperen komt vaak wel ras-denken, wat vaak tot een vooroordeel leidt tegen een individu en groep. De media speelt een rol in het creëren van cultuur, maar ook op de manier waarop we onszelf en anderen zien. Bij stereotypes is de media belangrijk doordat het stereotypes kan activeren die al bestaan, waardoor deze vaker gebruikt worden in het echte leven. Ook kan de media nieuwe stereotypes creëren, waardoor er een op cultuur gebaseerde betekenis komt van ras en etniciteit. Ook kan de media helpen om stereotypes te laten verdwijnen, waardoor raciale relaties beter worden.

 

9.3 Representaties in de media van ras en etniciteit

Het laten zien van minderheden op televisie gaat in 4 stadia: niet erkennen, ridiculiseren, reguleren en respect. Bij niet erkennen komt de minderheidsgroep simpelweg niet op televisie, zoals Aziaten nu in primetime op Amerikaanse tv. Daarna komt ridiculisering, waarbij minderheidsgroepen belachelijk worden gemaakt en er wordt vaak gezegd dat ze vervelend zijn voor de meerderheidsgroep. Daarna komt reguleren, waarbij de minderheidsgroep vaak in de positie wordt gezet waarbij het lijkt alsof ze de algemene orde bewaken. Latino’s spelen vaak de detective, politieagent of spion. De hoofdrolspelers zijn dan wel allemaal van de meerderheid. Ook worden de bad guys gespeeld door de minderheid. Als laatste komt respect, waarbij de minderheid net zo vaak de hoofdrol, als de goede en slechte karakters speelt. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt. Dit betekent niet dat er geen stereotype meer is of dat ze toch nog iets minder op tv komen, maar wel dat ze veel verschillende rollen hebben.

 

9.3.1 Weghalen uit de media

Zelfs wanneer een minderheidsgroep wel op televisie komt in verschillende rollen, is er nog een probleem. Dit probleem is uitwissen van cultuur. Als de minderheid op tv komt, heeft deze vaak dezelfde kenmerken als de meerderheid. Het enige verschil is zijn ras. De cultuur die hierbij hoort, is vaak niet te zien. Hiermee wordt laten zien dat de minderheid als positief kan worden gezien, als ze zich totaal aanpassen aan de meerderheid. Zo blijven stereotypes bestaan. In Grey’s Anatomy zijn bijvoorbeeld Aziatische dokters, maar deze verschillen niet van de witte dokters. Hierdoor lijken die ‘anders dan andere Aziaten’, waardoor alleen deze goed is en de rest nog steeds slecht.

 

9.3.2 Inhoudsanalyse

Inhoudsanalyse is een voorzichtige, kwantitatieve analyse van het onderwerp van communicatie (berichten uit de massamedia) en de connectie van de bevindingen naar de sociale en politieke context waarin ze voorkomen, waardoor de observatie betekenis krijgt. Hierbij wordt gekeken naar de minderheidsgroepen in de media.

 

9.3.3 Representaties van negroïde mensen

Tegenwoordig zijn zwarte mensen de minderheid die het vaakst en het meest proportioneel op televisie komt. Wel hebben ze een lange historie van negatieve beelden in de media. Er zijn drie stereotypes op tv van oudsher: die van de lelijke, trouwe dienstmeid, met trekken van een moeder en een vriend, en die van de aantrekkelijke, foute vrouw, en die van de hatelijke, gemene en koppige vrouw. Michelle Obama werd als die laatste beschreven door de oppositie, zelfs nu nog (deze heet het Sapphire karakter). Het verschilt per sekse hoe de minderheidsgroep op tv komt. Op televisie worden zwarte mannen vaak laten zien als uit de middenklasse, die rechten studeert en het minst agressief is van allen. Dit staat in contrast tot het nieuws, waarbij het vaker in het nieuws komt als een zwart iemand een misdaad heeft gepleegd dan wanneer een wit persoon dit doet, en ze veel vaker negatief in het nieuws zijn.

 

9.3.4 Representaties van Latino’s

Deze groep wordt onder gerepresenteerd op primetime. Ze worden weinig laten zien, en wanneer ze op televisie zijn is het vaak als zwoele Latino (Latino-lover of prostitué) of als crimineel. Ze worden laten zien als provocatief, dominant en alleen geïnteresseerd in seks. Bij het criminele stereotype dealen ze vaak in drugs en komen ze in gangs. In het nieuws komen Latino’s vaak voor als criminelen, maar dit staat wel in proportie tot de statistieken in de echte wereld (in tegenstelling tot bij zwarten). Er komen nu steeds meer illegale Latino’s in Amerika, waardoor het kan zijn dat er een nieuw stereotype bij komt. Wel zijn er positieve veranderingen op televisie bijvoorbeeld door Ugly Betty. Hierin zitten stereotypes, maar geven wel een kijkje in een Latino-familie. Ook zijn er steeds meer programma’s met Spaanse ondertiteling.

 

9.3.4 Representaties van Aziaten

De groep Aziaten in Amerika groeit snel, maar er komen weinig Aziaten op tv. Als die er zijn, worden ze vaak gespeeld door blanke mensen. Eerst werden Aziaten laten zien als slechteriken, en andere stereotypen zijn die van de expert in materiële kunst, aseksueel en ongewild. Voor vrouwen is dit gewild maar gevaarlijk. Ook kunnen Aziaten passief zijn en conservatief, die alleen voor hun werk gaan. Dit is het type dat de Aziaat succesvol is op academisch niveau, sociaal en commercieel. Dit zorgt voor het beeld dat er geen problemen zijn binnen deze groep, terwijl deze er wel zijn (werkgelegenheid, gezondheid, educatie, immigratie).

 

9.3.5 Representaties van Oorspronkelijke Amerikanen

Er komen bijna geen oorspronkelijke bewoners van Amerika voor op televisie. Die die er wel zijn, zijn die van agressieve, bloed drinkende types of van passieve types die de hielen likken van de overheersing (dit zijn altijd geschiedenis-fragmenten, dus in dit geval van Portugese overheersing). Het stereotype is voor het laatst in Twilight geweest, waarbij ze worden gezien als agressieve, dierlijke mensen die dichtbij de natuur en het oerwoud leven.

 

9.3.6 Representaties van mensen uit het Midden-Oosten

Landen in het Midden-Oosten hebben een slechte band met Westerse landen. Hierdoor wordt deze groep vaak als slecht afgebeeld op televisie, als ze al op tv zijn. Ook is het de kleinste minderheidsgroep, waardoor ze nog minder op tv zijn. Voor veel mensen is de tv dan ook de enige aanraking met deze mensen, waardoor het belangrijk wordt om ze er een goed beeld van te geven. Het lijkt nu alsof mensen uit het Midden-Oosten en Arabieren de vijand zijn, door de oorlogen in Afghanistan en Irak. Deze mensen worden vaak neergezet als Oriëntaal en Arabier, waardoor er geen onderscheid wordt gemaakt in religie, en het wordt gezien alsof deze cultuur primitiever is dan die in het Westen. Door aanslagen worden ze nog meer gezien als terrorist en allemaal moslim (9/11).

 

9.4 Blootstelling aan raciale/etnische media stereotypes

Er is weinig onderzoek gedaan naar de effecten van blootstelling aan raciale/etnische media stereotypes op de attitudes, overtuigingen, identiteit, zelfconcept en gedrag van mensen in het echte leven. Wel is er gebleken dat er een relatie is tussen blootstelling aan stereotypes in de media en iemands individuele stereotypische oordelen. Hier wordt verder theoretische onderbouwing gegeven voor deze stereotypering.

 

9.4.1 Constructie en activatie van raciale/etnische stereotypes

De media zorgt voor priming volgens deze theorie. Blootstelling aan stereotypes in de media activeert stereotypes, die ervoor zorgen dat de individuen sneller stereotype vooroordelen maken. Centraal bij priming is saillantie. Dit zijn in het oog springende dingen, die je hierdoor niet snel vergeet. Dus als donkere mensen vaker in het nieuws komen als agressief en moordenaar, denk je ook sneller als je een donker iemand ziet dat deze gevaarlijk is. Zo gaat dat bij alle stereotype voorbeelden (Latino vrouw, die zal wel van op seks uit zijn). Hierbij gaat het echter om stereotypes die eigenlijk al bestonden, maar sneller aangesproken worden door de media. De media kan echter ook geheel nieuwe stereotypes maken. Mentale modellen geven ons een raamwerk waardoor we dit creëren van stereotypes kunnen begrijpen, net als activatie. Mentale modellen zijn cognitieve representaties van situaties, mensen, plaatsen, evenementen en dingen. Deze cognitieve structuren zijn flexibel en het is mogelijk om deze aan te passen aan de presentatie van nieuwe informatie. De media helpt hierbij met het creëren van nieuwe mentale modellen die gerelateerd zijn aan ras en etniciteit, of ze kunnen de waarschijnlijkheid verhogen dat we mentale modellen vanuit het geheugen terugkrijgen (bijvoorbeeld stereotypes uit de media). Hierdoor kan worden uitgelegd hoe de media ons leert te denken over raciale/etnische groepen. Uit onderzoek is gebleken dat hoe meer tv studenten kijken en hoe minder ze echt contact hebben met Latino’s, ze een meer stereotype beeld hebben bij Latino’s in het echte leven.

 

9.4.2 Cumulatieve (lange-termijn) impact van het kijken naar stereotypes in de media

De meeste onderzoeken die gedaan zijn, kijken naar de cumulatieve effecten van blootstelling aan de media, en gebruiken een survey design. Hierdoor wordt alleen de lange termijn bekeken van de blootstelling op attitudes en overtuigingen. Ze zijn correlationeel en laten alleen een statistisch significante relatie zien tussen media blootstelling en raciale/etnische stereotypering, maar geen causale. Deze cumulatieve effecten van herhaalde blootstelling aan primes, heet chronische toegankelijkheid. Doordat er vaak naar de televisie wordt gekeken, worden de stereotypes steeds makkelijker toegankelijk, ook wanneer het niet kort geleden is dat er geprimed is. Volgens de Cultivatie Theorie is het zo dat iemand denkt dat de echte wereld gelijk is aan die op televisie, wanneer men veel tv kijkt. Dus als er Arabieren terrorist zijn op tv, gaat men denken dat dit in het echt ook zo is.

 

9.4.3 Sociale Identiteitsbenadering

Mensen hebben de neiging om individuen in te delen in sociale groepen (raciaal en etnisch) en om vergelijkingen te maken gebaseerd op goede karakteristieken van de ingroup en (meestal) negatieve karakteristieken van de outgroup, waardoor de eigen groep beter lijkt. Interpersoonlijk contact met leden van de outgroup leidt ertoe dat stereotypes doorbroken worden en de relatie tussen de groepen verbetert. Er kan echter ook een negatief effect optreden na korte blootstelling aan stereotype minderheidsgroepen. Hierbij is het zo dat de meerderheidsgroep alles plaatst binnen de vooroordelen, waardoor het alleen maar bevestigd wordt. Wanneer mensen via de media zien dat vriendschap mogelijk is met de minderheidsgroep, werkt dit wel positief (Will and Grace, homoseksueel en heteroseksueel zijn bevriend).

 

9.5 Conclusie

Uit onderzoek naar massacommunicatie bij ras en etniciteit in de media, is consistent gebleken dat minderheidsgroepen onder gerepresenteerd werden en dat er een stereotype beeld van hen werd geschetst. Negroïden worden nu wel goed weergegeven in de media, maar dit geldt niet voor Aziaten, Latino’s, de oorspronkelijke bewoners van Amerika en mensen uit het Midden-Oosten. Er moet nog onderzoek gedaan worden naar media buiten het nieuws, zoals videogames en films. Ook moet er meer onderzoek komen naar klasse, leeftijd en seksuele geaardheid, in plaats van alleen ras/etniciteit en geslacht.

 

Hoofdstuk 10: Stereotypering van geslacht op televisie

Onderzoek naar stereotypering van geslacht op televisie begon nadat er werd opgemerkt dat vrouwen veel minder vaak op televisie kwamen dan mannen. In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de theoretische oriëntatie hiervan, en naar hoe dit veranderd is over tijd.

 

10.1 Theoretische oriëntatie

Socialisatie is de manier waarop mensen leren over hun cultuur, en zijn waarden, overtuigingen, perspectieven en sociale norm leren. Het is een doorgaand proces, het gaat door gedurende heet hele leven. Hier hebben ouders, leeftijdsgenoten, leraren en anderen veel invloed op. Er is echter gebleken dat de media hier ook invloed op heeft, hoewel anders omdat dit geen directe sociale interactie bevat. Het bestaat hierdoor uit observationeel en/of sociaal leren. Dit gaat via de Sociale of Observationele Leertheorie van Bandura, waarbij de rol van modelleren in het ontwikkelen van gedrag bij kinderen wordt bestudeerd. Hierbij imiteren kinderen gedrag van de televisie net zo als ze dit doen bij ouders en leeftijdsgenoten. Een andere relevante theorie is de Cultivatietheorie. Hierbij is de hypothese dat hoe meer tijd mensen besteden aan televisie kijken, hoe waarschijnlijker het is dat ze gaan denken dat de wereld zo in elkaar zit als op televisie.

 

10.2 Televisiebeelden

Het lijkt alsof televisie heel afwisselend is, door alle programma’s en zenders, maar er is consistentie qua onderwerpen en stereotypes. Nog steeds zijn vrouwen minder op televisie in primetime, ook al is dit wel meer dan vroeger. Ook verschilt het per genre. Bij actieprogramma’s zijn veel meer mannen en bij komedie zijn mannen en vrouwen bijna gelijk. Maar er zijn wel veel meer actieprogramma’s op tv dan komedies, dus zijn er meer mannen op tv dan vrouwen.

 

10.2.1 Leeftijd en hoeveel tijd sekse innemen op televisie

Stereotypes komen bij beide geslachten voor. Er kunnen veel voorbeelden bedacht worden waarbij geen stereotypes zijn, maar bij de grote programma’s komt dit wel vaak voor. Zelfs wanneer karakters breken met een stereotype, vallen ze wel in een ander stereotype bijvoorbeeld de manier waarop ze omgaan met hun relatie. Vrouwen op televisie in primetime zijn vaak jonger dan mannen, en de meeste mensen bij primetime zijn jongvolwassen op van middelbare leeftijd. Vaak spelen vrouwen over de 50 oudere vrouwen, terwijl mannen over de 50 gewoon nog werken. Mannen hebben vaker een baan dan vrouwen, maar ze hebben wel vaak een typisch mannelijke baan terwijl vrouwen vaak geen typisch vrouwelijke baan hebben.

 

10.2.2 Programma’s en films voor kinderen

Vrouwen komen nog minder voor in programma’s voor kinderen. In achtervolgingsprogramma’s (Tom & Jerry) het minst, gevolgd door avontuurlijke programma’s (Ninja Turtles) en daarna (min of meer) opvoedkundige programma’s (Smurfen). Vrouwen hebben wel meer stereotype afbeelding, zoals emotioneel, romantisch, affectief en huislijk. Er zijn maar weinig ouderen in de series, en als ze er zijn, zijn ze stereotypisch lelijk, te dik en tandeloos. Bij superhelden zijn vrouwen emotioneel, mooi en bezig met hun uiterlijk, terwijl mannen bijna allemaal gespierd waren.

 

10.3 Filmbeelden

Er komen veel minder vrouwen voor dan mannen in films, en in meer stereotypische rollen. Ook zijn de vrouwen jonger. De oude mannen die voor komen hebben macht en de oude vrouwen zijn erg gestereotypeerd, lelijk en onzichtbaar.

 

10.4 Impact van de stereotypering op kijkers

Kijkers (vooral kinderen) weten dat ze stereotypes gaan zien op televisie, en ze zijn hierop voorbereid. Kinderen kunnen precies beschrijven wat vrouwelijke tekenfilmfiguren doen, en mannelijke. Dit is stil zijn, huislijk versus stoer en actief. Kijkers weten dus dat deze stereotypes van sekse er zijn, maar de grote vraag is hoe deze stereotypes hun gedrag en attitudes beïnvloeden, vooral als je kijkt naar de identificatie met de karakters en de overbrenging van sekse-specifieke rollen.

 

10.4.1 Identificatie

Identificatie met karakters in de media wordt beïnvloed door stereotypes. Bij kinderen is het zo dat jongens vaker een mannelijke tekenfilmfiguur als favoriet kiezen, terwijl meisjes even vaak een jongen als een meisje kiezen als favoriet. Meisjes kiezen vrouwelijke karakters als deze aantrekkelijk zijn en een mannelijke wanneer deze intelligent of sterk zijn. Meisjes zien deze mannen als vrienden, niet als rolmodel. Ook bij studenten kiezen meisjes iemand waarmee ze zich identificeren, zoals slimme meisjes met zelfvertrouwen. Jongens kiezen de man met een hoge positie als favoriet, maar identificeren zich niet per se met karakters die een baan hebben waarvoor je erg slim of vaardig moet zijn.

 

10.4.2 Cultivatie van beelden over sekse rollen

Het is belangrijk om te kijken hoe de media de kijk van individuen (vooral kinderen) kan vormen met betrekking tot wat zij verstaan onder het vrouw of man-zijn. Dit kan helpen bij (of werken tegen) het bereiken van doelen van een persoon. Er wordt vaak gevonden dat er een relatie is tussen televisie kijken en het hebben van een stereotypisch beeld over genderrollen bij kinderen. Meisjes zijn het gelukkigst als ze thuis voor de kinderen zorgen en jongens worden geboren met meer ambitie, zijn van die stereotype voorbeelden. Jongens zijn meer seksistisch wanneer ze veel televisie kijken. Stereotypes van genderrollen worden ook beïnvloed door reclames. Rond 1970-1980 kwam uit onderzoek dat televisie kijken gerelateerd was aan de houding dat vrouwen een kleinere rol hadden in de maatschappij, vooral in de politiek. Tussen 2000 en 2006 werd dit onderzoek herhaald, maar werd een kleiner effect gevonden. Er wordt gezegd dat dit komt doordat de vragenlijst anders was, of doordat er andere vragen met betrekking tot genderrollen werden gesteld. Het kan zijn dat er nu weinig differentiatie is tussen mannen en vrouwen omdat mensen vandaag in een andere maatschappij leven, waarbij vrouwen veel meer te zeggen hebben. Televisie is wat dat betreft nog niet zo ver als de maatschappij, omdat er minder vrouwen op tv komen.

 

10.5 Conclusie

In dit hoofdstuk is de socialisatie van genderrollen bekeken vanuit het communicatie-onderzoek. Er wordt een stabiel beeld gevonden waarbij mannen veel vaker op tv komen dan vrouwen. Er is wat verandering gevonden, maar de vrouwen op tv die wel werken zijn meestal alleenstaand of gescheiden. Dus is het beeld nog steeds dat de getrouwde vrouw niet de kinderen, het huwelijk en werk kan combineren. Vrouwen die niet onder dit stereotypische gedrag vallen, bijvoorbeeld door hun werk, zijn meestal wel stereotypisch in hun relatie. Dus vrouwen moeten niet beter zijn dan mannen, vooral niet dan die waarmee ze getrouwd zijn of een relatie hebben. er is een relatie tussen televisie kijken en het hebben van een meer stereotypisch beeld van genderrollen. Dit wordt gevonden in elke levensfase. Er wordt ook gesuggereerd dat televisie bijdraagt aan het volhardende beeld dat vrouwen minder te zeggen hebben in de maatschappij. Wel moet er verder onderzoek worden gedaan, omdat er nog problemen zijn met het onderzoek en omdat er bijgehouden moet worden of er veranderingen zijn.

 

Hoofdstuk 11: Politiek

Communicatiemedia en nieuws zijn cruciaal voor democratie, die volgens de democratische theorie de burgers politiek moeten informeren. Nieuwsberichten bestaan uit informatie die uit de politiek komt, die in een ander jasje wordt gestopt en wordt uitgezonden. In dit hoofdstuk gaat het om de politieke impact van de media, met omschrijving van hoe recente gebeurtenissen in communicatietechnologieën de politieke communicatie en het nieuws hebben beïnvloed.

 

11.1 De functies van het nieuws

Omdat er geen direct contact is met de politiek, is de media bepalend voor het beeld dat mensen hebben over politiek. De massamedia geeft daarom informatie voor burgers, wat zorgt voor politieke hulpmiddelen voor publiek en de elite, en het waarschuwt burgers wanneer de overheid zich slecht gedraagt of slecht functioneert.

 

11.1.1 Burgers inlichten

De meeste mensen zijn het erover eens dat het belangrijkste doel van de media is om burgers informatie te geven. Dit gaat via gesproken en getypte berichten, beelden en geluiden, en de verhalen zorgen ervoor dat burgers de verkiezingen kunnen bijwonen en het van verschillende perspectieven te zien. De mogelijkheid om het beeld van de politiek zo grootschalig te kunnen beïnvloeden, maakt media erg belangrijk voor individuen en groepen waarvan nieuws wordt gemaakt omdat ze publiciteit krijgen of juist genegeerd worden in de politiek. Ook speelt de media een cruciale rol bij politieke socialisatie. Jonge mensen hebben nog geen vaststaande attitudes en gedrag. Naast hun familie komt de meeste informatie die zij verzamelen over de politiek, vanuit de massamedia. Hierop baseren zij hun opinies. Met hetzelfde idee komen de meeste nieuwe opinies van volwassenen tot stand door de massamedia. Hierom is de massamedia belangrijk voor politieke socialisatie van volwassenen.

 

11.1.2 Politici steunen

Succesvolle politici zijn in staat om met hun verhalen hun doelgroep te overtuigen en een politieke omgeving te creëren waardoor ze kunnen bereiken wat ze willen. Dit is de reden dat politici veel aandacht besteden aan journalisten, omdat ze het publiek willen bereiken. Hierbij kan de media ingeperkt worden, zodat gruwelijke acties niet aan het licht komen (Apartheid in Zuid-Afrika, niet iedereen wist hiervan). Hierbij zorgen politici dat dit niet bij journalisten komt. Het nieuws en politici zijn afhankelijk van elkaar, want politici hebben het publiek nodig via de media, en de media moet schrijven over ontwikkelingen in het land die de politici vertellen. Politici zijn de grootste bron van informatie voor de media. Hierdoor kan de politicus het verhaal vertellen wat hij in de media wil hebben, en zal dit vaak ook zo in de krant komen. Ook doordat journalisten niet veel tijd hebben om het artikel te redigeren.

 

11.1.3 Voor waakhond spelen

Journalisten en publiek spelen voor waakhond tegenover de overheid. De media kan negatief nieuws plaatsen, en daarmee politici schaden of zelfs soms laten opstappen. Deze rol is zeer belangrijk, zodat er zich geen schandalen voordoen en de democratie blijft bestaan.

 

11.2 Het belangrijkste gedrag en acties van de media

Mediagedrag is een complex fenomeen dat veel processen inhoudt die invloed heeft op wat voor politiek nieuws het publiek ontvangt en hoe die informatie wordt neergezet. Massacommunicatie mediums zijn hierdoor belangrijke politieke instituties, en noodzakelijk voor het publiek om opinies te vormen, te stemmen, en om het politieke proces bij te wonen. Er zijn drie belangrijke gedragingen en rollen van de massamedia: 1) poortwachten (gatekeeping), 2) agenda-setting en 3) inkaderen.

 

11.2.1 Poortwachten

Het is niet mogelijk voor de krant, televisie, een radioprogramma of een internet site om alles bij te houden wat er gebeurt in de wereld. Daarom is de media een soort poortwachter, die sommige informatie doorlaat naar het grote publiek en hier aandacht aan geeft, en sommige informatie niet doorlaat. Dit is eigenlijk hetzelfde als wat mensen in hun omgeving doen, aan sommige dingen in je omgeving besteed je wel aandacht, aan andere dingen niet.

 

11.2.2 Agenda-setting

In hun rol als poortwachter, is de media ook een politieke agenda-setter. Politici proberen onderwerpen op de agenda te krijgen (die erg gelimiteerd is, er komen maar een paar onderwerpen aan bod) door middel van elkaar beïnvloeden, via lobbyisten, corporaties etc. De media krijgt het snel voor elkaar om een onderwerp te lanceren waar iedereen het over heeft, en is daarom erg belangrijk. Er zijn onderwerpen die sowieso van belang zijn zoals oorlogen en politieke verkiezingen, maar onderwerpen als details in de wetgeving worden pas belangrijk als de media hier aandacht aan geeft. Zo bepaalt de media onder andere waar het publiek het over heeft, en zo ook waar de politiek over gaat.

 

11.2.3 Inkaderen

Als er is gekozen aan welk onderwerp aandacht wordt besteed, moet er ook nog gekeken worden hoe dit onderwerp in kaart wordt gebracht. Vaak zijn onderwerpen subjectief (vooral in de politiek), dus er moet worden bepaalt waar aandacht aan besteed wordt en waar niet, tot in details. De bedoeling van een journalist is vaak om twee kanten van het verhaal te vertellen, en niet om een standpunt aan te nemen. Maar hij moet wel kiezen hoe hij een evenement beschrijft, hoe hij het verhaal in historische en sociale context zet, op welke bronnen hij vertrouwt bij het schrijven van het verhaal en op welke delen van het evenement hij de nadruk legt. Deze keuzen leiden tot een kader waarin het verhaal past, en deze kaders hebben consequenties in de politieke omgeving. Dit leidt tot opinies en evaluaties van het publiek.

 

11.3 Klassiek onderzoek: experimenteel bewijs van media priming

Er is in het laboratorium onderzocht of politieke videoberichten attitudes en percepties beïnvloedde. Hieruit kwam dat de video invloed had op wat participanten het belangrijkste onderwerp vonden, en wie er schuld/positieve bijdrage had aan het onderwerp.

 

11.4 De evolutie van onderzoek naar media-effecten op de politiek

Onderzoek naar de effecten van massamedia op politieke processen, publieke attitudes en voorkeuren, is door twee extreme fases gegaan. Eerst werd gedacht dat de media heel veel invloed had, daarna dat het geen invloed had. Voordat er wordt bekeken wat de specifieke rol is van de media in politieke campagnes, wordt er gekeken naar het langdurige debat over de effecten van massamedia op politiek in het algemeen.

 

11.4.1 Vroege theorie: propaganda en substantiële effecten

Na de tweede wereldoorlog, werd er argwanend gekeken naar de effecten van de media. Mensen waren heel verbaasd hoe politieke berichten hele naties konden mobiliseren en de oorlog konden steunen, en vooral hoe Nazi propaganda de Holocaust kon vergemakkelijken. Men dacht dat de media politieke attitudes, overtuigingen en gedrag kon veranderen.

 

11.4.2 Nieuwe onderzoekstechnieken: gelimiteerd/geen effect

Men dacht eerst dat er veel effect was, maar in onderzoek was dit niet te vinden. Er kwam uit dat er stabiele karakteristieken waren die zorgden voor de stemkeuze, zoals economische staat en identificatie met een partij. Echter, dit is in lijn met theorieën die stellen dat mensen informatie negeren waar ze het niet mee eens zijn. Mensen zorgen ervoor dat er geen cognitieve dissonantie optreedt, en ze kijken alleen naar media die informatie geeft waar ze het mee eens zijn (selectiviteitsbias).

 

11.4.3 Hedendaags begrip: matig effect binnen context

De methodologie is verbetert en er is meer bewijs voor matig effect van de media. Onderzoekers begrepen dat het ontbreken van bewijs dat er veel effect is, niet betekent dat er geen effect is. Er is nu bewijs dat er een matig effect is op attitudes en gedrag in verschillende politieke contexten.

 

11.5 Politieke campagnes en de media

Politieke campagnes zijn alleen werkelijkheid in de media, daarbuiten krijgt het grote publiek hier niks van mee. Daarom is het zo belangrijk. Eerst werd de krant gebruikt, daarna de radio, en toen ook televisie erbij. Nu is er ook nog internet en mobiel. Dit is zeer belangrijk voor het publiek, want zo komen ze dingen te weten over de kandidaten en hun karakteristieken, hun politieke posities, en vele belangrijke evenementen die er plaatsvinden tijdens de campagne. Een nadeel van de media, is dat er een soort paardenrace kan ontstaan. Hierbij gaat het alleen nog maar om de kandidaten bij de verkiezing, en niet om de onderwerpen. Verder gaat het om wie er voor staat in de peiling.

 

11.5.1 Het expres gebruiken van de media bij campagnes

Veel campagnes draaien alleen nog maar om de media, omdat het publiek vaak niet direct in contact komt met de campagneleiders. Dit is meteen het kritiekpunt: het gaat alleen maar om de kandidaten en niet om wat ze doen. Internet wordt steeds meer ingezet, omdat hiermee het publiek meer direct bereikt kan worden (Twitter bijvoorbeeld). Er wordt steeds meer gepraat over dat de media meer rapporteert over pseudo-evenementen, waarbij de kandidaten voor de verkiezingen op hun best worden laten zien. Er zijn zelfs politieke consultants die kandidaten begeleiden om hen zo positief mogelijk in het nieuws te laten komen. De consultants gebruiken sociale en cognitieve psychologie om hun kandidaten te ‘verkopen’ aan het publiek.

 

11.6 De rol van televisie en internet

11.6.1 Televisie

Sinds 1950 is de televisie erg belangrijk voor informatie over campagnes. Het voordeel hiervan is dat het publiek snel de politieke evenementen kan zien, live zelfs, met visuele en auditieve informatie. Dit is het belangrijkste communicatiemiddel nu hiervoor. Het drama en de intimiteit van politieke evenementen kan worden overgebracht. Voorbeelden hiervan zijn het vallen van de Berlijnse muur, en de moord op John F. Kennedy.

 

11.7 Klassiek onderzoek: het Kennedy-Nixon televisiedebat

Uit onderzoek is gebleken dat mensen die keken naar het televisiedebat van Kennedy en Nixon, dachten dat Kennedy won, en mensen die luisterden via de radio, dachten dat Nixon won. Kennedy ‘zag er meer uit als een president’, hij was namelijk jong, mooi, charismatisch en comfortabel in beeld terwijl Nixon zweette, geen make-up wilde en niet in de camera keek. Sinds de opkomst van de televisie is er veel meer aandacht besteed in campagnes aan uiterlijk, en aan het geven van een beeld van dominantie (hoog op een podium staan etc.).

 

11.7.1 Internet

De ontwikkeling van het internet en het draadloze netwerk die mensen de gelegenheid geeft om overal en altijd informatie op te zoeken, heeft geleidt tot een andere verschuiving van de manier waarop burgers bij een campagne betrokken worden, waarbij er een grotere rol is voor het publiek om te kiezen waar ze het mee eens zijn en hierover meer controle uit te oefenen. Het internet geeft de mogelijkheid om meer informatie te verkrijgen, en hierdoor krijgen kiezers autonomie. Ze kunnen zelf beslissen welke informatie ze belangrijk vinden en wat in lijn staat met wat ze vinden. Hierdoor is de campagne meer democratisch geworden. Het nadeel is dat er veel ongereguleerde propaganda is, waarbij mensen misleidt worden en waarbij er stiekem voordeel uit wordt gehaald voor een kandidaat.

 

11.8 Is televisie een spektakel, of heeft het toegevoegde waarde?

Ondanks de populariteit van de televisie, wordt er vaak gezegd dat televisie afleidt van de boodschap en je om de tuin leidt met het beeld. Hierdoor wordt er niet goed nagedacht over wat er nu werkelijk gezegd wordt (heuristieken bijvoorbeeld). Televisie is inderdaad ondergeschikt aan kranten als het gaat om het geven van abstracte en gedetailleerde feitelijke informatie. Televisie is er meer om het gevoel over te brengen. Toch is televisiekijken gerelateerd aan het begrijpen van politiek. Ook is televisie beter in het overbrengen van daden, zoals een krant niet kan. Een voorbeeld hiervan is de Abu Ghraib, je kunt dit alleen begrijpen als je het ziet, beschrijven kan minder goed.

 

11.9 De prevalentie van negatief adverteren

Negatief adverteren komt veel voor, en het percentage groeit alleen maar. Politieke wetenschappers en het publiek hebben veel kritiek op negatief adverteren, maar toch gebeurd het veel. Ook al houden stemmers hier niet van, ze ontkrachten altijd de argumenten van de tegenstander, en bekrachtigen de standpunten van degene op wie ze stemmen. Als een kandidaat slecht in het nieuws komt, kan dit zijn ondergang betekenen. Veel mensen willen het niet zien, maar doen hier toch zelf aan mee. Wel brengt het contrasten tussen kandidaten naar voren, wat positief is.

 

11.10 Stemming

Het laten zien van tussentijdse stemmingen is goed, omdat het democratie bevorderd. Het is het nieuws geworden, in plaats van dat het onderdeel van het nieuws is. Ook kunnen politieke leiders leren wat het publiek van hen vindt. Toch heeft het ook negatieve consequenties, want het kan worden gebruikt om het publiek te bespelen. Er wordt feedback gegeven op wat de kandidaat zegt, en als het publiek het hier niet mee eens is kan de kandidaat dit standpunt aanpassen zodat het publiek het hier wel mee eens is. Dus het wordt niet meer gebruikt om te laten zien wie de kiezers zijn, maar als middel om te laten zien hoe de kandidaat in de markt ligt. Hierdoor wordt het snel een paardenrace, waarbij het niet meer gaat om de onderwerpen, maar alleen om de verkoop.

 

11.11 Media-gerelateerd cynisme en apathie

De massamedia is het belangrijkst in het geven van cynisme en apathie bij campagnes. Het nieuws concentreert zich op negativiteit, conflict, rampen en entertainment. In de politiek is dit negativiteit, schandalen en conflict. Het kan positief zijn en het publiek inlichten over alles, en het publiek kan zelf dingen opzoeken. Ook kan het negatief zijn omdat het bedraagt aan meningen zoals “alle politiek is slecht”.

 

11.12 Conclusie

In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de rol van massamedia en de nieuwsindustrie in de politieke omgeving. Het nieuws en politiek horen bij elkaar, ze kunnen niet overleven zonder elkaar. Het hoofdstuk gaat over de belangrijkste functies van de media in politiek zoals het informeren van burgers, het bijstaan van kandidaten en het werken als waakhond voor de overheid. De media doet dit via agenda-setting, poortwachten en inkaderen. Ook gaat het hoofdstuk om onderzoek naar media-effecten, van zorgen om propaganda tot claims dat er geen invloed is van de media, en als laatste over het gematigde effect van de media. Ook gaat het om de rol van media bij hedendaagse campagnes en internet.

 

Hoofdstuk 12: Methodologisch Onderzoek

In elk voorgaand hoofdstuk hebben we kunnen zien hoe de media impact kan hebben op individuen, groepen van individuen, en op de maatschappij in zijn geheel. De media heeft een prevalente plaats in ons leven en daarom is het nodig om te begrijpen en in te zien wat de impact is van deze groei. Dit hoofdstuk gaat in op de methodologie die is gebruikt bij het onderzoek naar de impact van de media, en kijkt naar de sterke en zwakke kanten van iedere methodologische benadering.

 

12.1 Het kiezen voor een kwalitatieve of kwantitatieve benadering

Er bestaan twee grote methodologische benaderingen in de psychologie, namelijk kwalitatief en kwantitatief. Deze zijn beide heel prevalent in onderzoek naar media, en hebben allebei verschillende voor- en nadelen, waardoor ze bij verschillende onderzoeken beter werken. Kwantitatieve methodologie wordt veel gebruikt om een specifieke hypothese te testen met een grote sample, met data-analyse die gedaan wordt via statistiek. Hierbij horen experimenten in een laboratorium of in het veld, keuze-interviews en vragenlijsten. Kwantitatieve methodes zijn het beste in situaties waar onderzoekers het antwoord willen weten op een goed gedefinieerde vraag (leidt het kijken naar horrorfilms tot angst bij tieners?). hoe groter de sample en de controle van andere variabelen, hoe beter het te generaliseren is. Bij kwalitatief onderzoek (vragenlijsten met open vragen of interviews en observatiestudies), wordt er gefocust op het verzamelen van bewijs dat niet geanalyseerd is via statistiek, maar is geïnterpreteerd door de onderzoeker. Kwalitatieve methoden geven de onderzoeker de mogelijkheid om het gedrag dat bestudeerd wordt tot in detail te onderzoeken, en sluit beter aan bij gevoelige onderwerpen. Als er wordt onderzocht wat de impact is van horrorfilms op mentale gezondheid, is een een-op-een interview gevoeliger dan het op grote schaal laten invullen van vragenlijsten. Het grootste nadeel van kwalitatief onderzoek is dat grote samples niet mogelijk zijn omdat dit veel tijd en mogelijkheden vraagt, en daarom kan er veel kritiek op worden gegeven en kan het niet gegeneraliseerd worden. Keuze voor kwantitatief of kwalitatief hangt af van de vraag die er onderzocht wordt. Kwantitatief sluit beter aan wanneer er veel participanten nodig zijn en er een duidelijke onderzoeksvraag is die beantwoordt moet worden. Kwalitatief onderzoek is beter als eerdere bevindingen geïnterpreteerd of uitgezocht moeten worden.

 

12.2 Kwantitatieve onderzoeksmethoden

12.2.1 Vragenlijsten

Vragenlijsten worden effectief gebruikt om data over een onderwerp te verzamelen, door een aantal standaard vragen te stellen en de participanten te vragen deze vragen te beantwoorden. Dit kunnen gesloten of open vragen zijn. Het voordeel van een vragenlijst is dat er veel informatie kan worden verzameld in weinig tijd, en dat veel mensen eraan mee kunnen doen. Ook kan het goed gegeneraliseerd worden en is er een hoge betrouwbaarheid.

 

12.2.2 Experimenten in het laboratorium

Laboratoriumonderzoek is veel gebruikt in psychologie om kwantitatieve data te verzamelen die een duidelijke onderzoeksvraag beantwoorden. Er moet duidelijk zijn wat de onderzoeker wil bestuderen, welke variabelen er worden onderzocht en de variabelen die worden veranderd. Het belangrijkste voordeel is dat de onderzoeker geen last heeft van externe variabelen. Deze worden namelijk gecontroleerd. Er zijn wel ook nadelen, namelijk dat de participanten maar weinig tijd hebben om deel te nemen aan de studie, waardoor niet duidelijk is of ze altijd zo reageren op de stimuli als ze doen in die tijdperiode (tieners krijgen geen eetstoornis door het eenmalig kijken naar dunne modellen). Ook kan soms niet precies onderzocht worden wat er onderzocht moet worden, omdat de stimuli te schokkend zijn (kijken naar enge films op angst in het dagelijks leven, maar je kunt niet kinderen voor een hele enge film zetten want dit is niet ethisch verantwoord). Ook is er geen ecologische validiteit, waardoor het niet kan worden gegeneraliseerd naar het echte leven (het is niet realistisch). Zelfs het beeldformaat kan al bepalen hoe het bericht wordt verwerkt.

 

12.2.3 Psychologische metingen in laboratoriumexperimenten

Sinds kort is het mogelijk voor psychologen om data te verzamelen over psychologische responsen op de media. Er kan onderzocht worden wat de link is tussen grappige films en een verbetering van het immuunsysteem. Ook met neuroimaging kan veel onderzocht worden, bijvoorbeeld hoe mensen reageren op stimuli. Met fMRI kan worden bekeken welke delen van het brein actief zijn bij het spelen van videogames bijvoorbeeld.

 

12.2.4 Veldonderzoek

Veldonderzoek kan om sommige problemen van labonderzoek heen, omdat het meer naturalistisch is waardoor echt gedrag kan worden onderzocht. De ecologische validiteit is beter omdat de echte situatie kan worden onderzocht, en daarom is het meer generaliseerbaar.

 

12.2.5 Cross-sectioneel onderzoek

Een andere vorm van data verzamelen die om sommige problemen van labonderzoek heen gaat, is cross-sectioneel onderzoek. Hiervoor zijn twee populaties of twee tijdspunten nodig, die op een verschillende manier naar een onderwerp kijken. Bij eetstoornissen kan dit een groep zijn met hoge blootstelling aan media, en een met lage. Hierbij kan worden gekeken wie er wat voor stoornis heeft, en of die met veel mediablootstelling een ergere mate van eetstoornis heeft.

 

12.2.6 Longitudinaal onderzoek

hierbij kan een groep mensen gedurende een tijdsperiode worden onderzocht, en kan er gekeken worden of er verandering in gedrag is opgetreden. Dit is bijvoorbeeld gedaan bij de impact van advertenties op alcoholinname. Hierbij werden mensen een paar jaar lang onderzocht. Het voordeel hiervan is dat je verandering over tijd kunt zien, waarbij je cumulatieve effecten van adverteren kunt bekijken. Verder kan het helpen om veranderingen in de media te volgen, die de mensen kunnen beïnvloeden. Het nadeel is dat het veel tijd kost, waardoor mensen kunnen afvallen.

 

12.2.7 Inhoudsanalyse

Inhoudsanalyse geeft onderzoekers een objectieve en systematische manier om bepaalde thema’s of concepten te bestuderen, geschreven of in een film. Er kan worden bekeken hoe vaak agressie voorkomt in films, hoe erg deze agressie is etc. Het kost veel tijd, maar het is betrouwbaar omdat het kan worden gedaan door twee onderzoekers.

 

12.3 Kwalitatieve methoden

Kwalitatieve methoden worden vaak gezien als dat deze buiten de wat, waar en wanneer omgaan, en meer focussen op de waarom en hoe.

 

12.3.1 Interviews

Interviews kunnen worden gebruikt om elke methode waarbij de interviewer de gedachten en gevoelens van de geïnterviewde verkrijgt, met betrekking tot een onderwerp. Dit kan face-to-face, maar ook over de telefoon of via film. Open interviews bevatten een paar open vragen waardoor er veel kans is om ervaringen, ideeën, gevoelens en overtuigingen te delen. Hierdoor is er veel flexibiliteit. Dit is vooral bruikbaar als er een nieuw fenomeen wordt onderzocht, waar weinig eerder onderzoek over is gedaan. Wel is het zo dat het uitmaakt met welk medium het interview wordt gedaan. Dit is een nadeel. Via de telefoon kan iemand sneller antwoord geven dan in het echt. Ten tweede zijn er fysieke karakteristieken van de interviewer, die afleidend kunnen zijn (aantrekkelijkheid, maar ook leeftijd/sekse/ras). Dit kan leiden tot bias.

 

12.3.2 Focusgroep

Een focusgroep is een vorm van een groepsinterview en moet niet gezien worden als een makkelijke en snelle manier om data te verzamelen. In groepsdiscussies is de onderzoeker de bemiddelaar die participanten aanmoedigt om met elkaar te praten en vragen te stellen aan elkaar gebaseerd op wat diegene zegt over het onderwerp. Dit is vooral een belangrijke onderzoeksmethode als het om moeilijke onderwerpen gaat. Dan kunnen de durfallen de verlegen mensen aan het praten krijgen. Ook is het niet gebaseerd op schrijven, waardoor de leesvaardigheid niet uitmaakt. De onderzoeker moet van tevoren kiezen of hij wil dat de participanten elkaar kennen of niet. Ook is het belangrijk bij het selecteren van leden of het mensen met een vergelijkbare achtergrond moeten zijn of niet. Ook moet er worden nagedacht over de locatie van het interview, over de groepsgrootte en de manier waarop ideeën gegeneraliseerd worden in het gesprek. Ook willen sommige mensen niet meedoen aan het onderzoek als het zo gevoelig ligt, hier moet rekening mee worden gehouden. Nadelen aan deze methode is dat er geen vergelijkingsmateriaal is. Er kan niet worden gezegd of het betrouwbaar is, want elke groep is weer anders.

 

12.3.3 Observationele methode

Een van de beste manieren om de ecologische validiteit te verhogen, is door te kijken wat mensen doen in het echte leven. Een voorbeeld hiervan is het Bobo doll experiment (eerder besproken). Dit kan op twee manieren worden gedaan, namelijk via observatie waarbij mensen weten dat hun gedrag bekeken wordt. Dit kan tot problemen zorgen doordat de geobserveerde juist zijn gedrag gaat aanpassen wanneer ze weten dat ze bestudeerd worden (mensen gaan geen porno meer kijken als ze weten dat iemand meekijkt). Dit kan via directe observatie of via video. Het is erg intensief en kost veel tijd. Dit gaat wel weg als je lang observeert (in een klaslokaal, een paar weken). De tweede manier is verborgen observatie, waarbij mensen niet weten dat ze geobserveerd worden. Dit lost het probleem op dat mensen zich anders gaan gedragen, maar ligt ethisch gevoelig. Participanten kunnen geen toestemming hebben gegeven om mee te doen aan het onderzoek, want ze weten zelf niet wat het inhoudt. Een ander probleem is dat er veel externe variabelen zijn waarvoor niet is gecorrigeerd, waarmee rekening gehouden moet worden bij het interpreteren van de resultaten. Bij beide vormen moet er objectiviteit zijn, waarbij meerdere onderzoekers het moeten observeren. Als hier veel correlatie tussen is, is het objectief en dus betrouwbaar.

 

12.3.4 Gemixte methoden

De laatste jaren wordt vaak een mix van kwantitatief en kwalitatief gebruikt. Onderzoekers gebruiken bijvoorbeeld kwalitatieve methoden (focus groep), die vervolgens met ideeën komen waar de onderzoeker niet over heeft nagedacht. Met deze nieuwe ideeën kunnen variabelen gemaakt worden, die kwantitatief onderzocht worden.

 

12.4 Ethiek

Zoals met alle psychologische onderzoeken is het zo dat elk onderzoek die kijkt naar de effecten van de media veilig moet zijn voor de participanten. Het kan niet zo zijn dat hun fysieke of mentale gezondheid achteruit gaat. Er moet geen risico zijn. Onderzoekers mogen alleen informatie over het onderzoek achterhouden als dit noodzakelijk is. Participanten dachten bijvoorbeeld bij een onderzoek dat ze tegen iemand anders een computerspel speelde, maar dit was met de computer. Dit was nodig voor het onderzoek. Er moet dan wel naderhand gezegd worden waarom dit werd gedaan, en er moet voor ze gezorgd worden wanneer ze hiervan schrikken.

 

12.5 Conclusie

De psychologie van de media kan, net als alle andere psychologische gebieden, veel verschillende onderzoeksmethodes gebruiken. Bij het kiezen van de meest geschikte methode is het van belang dat er niet voor de meest makkelijke wordt gekozen, of die waarmee de onderzoeker het meest heeft gewerkt. Het moet echt goed passen, en hier moet goed over na worden gedacht (en ethisch).

Bron

  • Deze samenvatting bij Media Psychology van Brewer is geschreven in het studiejaar 2013-2014.
Check page access:
Public
This content is related to:
Begrippenlijst bij Media Psychology van Brewer
Boeksamenvatting bij Media en reclame van Moorman, Faasse & Neijssens
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  3. Search tool: quick & dirty - not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is available at the bottom of most pages or on the Search & Find page
  4. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Quick links to WorldSupporter content for universities in the Netherlands

Follow the author: Vintage Supporter
Check more of topic:
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.