Samenvatting Families count: Effects on child and adolescent development (verplichte stof voor het eerste tentamen)

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


1. Familie en opvoeding

 

De rol die de familie speelt in de ontwikkeling van een kind staat al lange tijd centraal in pedagogische onderzoeken, theorieën en interventies. Ook in de studie naar risico en veerkracht bij de ontwikkeling van psychopathologie is de rol van de familie belangrijk.

 

Modellen

De invloed van families op een kind kan direct of indirect zijn. Een voorbeeld van directe invloed is het doorgeven van genen. Een voorbeeld van indirecte invloed is als het inkomen van de ouder (familiefactor) beïnvloedt waar het gezin woont (mediator), wat vervolgens invloed heeft op in welke buurt het gezin woont, naar welke school het kind gaat en vervolgens de ontwikkeling en het gedrag van het kind.

Verder kunnen families de ontwikkeling van een kind zowel op een positieve als op een negatieve manier beïnvloeden. Wanneer een direct effect van de familie positief is voor een kind, noemen we dit een ‘promotive’, een ‘resource’ of een ‘asset’. Wanneer een attribuut van een familie een voorspeller is van psychopathologie of andere negatieve uitkomsten, noemen we dit een risicofactor. Wanneer positieve effecten van de familie compenseren voor de effecten van risicofactoren van buitenaf, noemen we dit compenserende factoren.

Cumulatieve risicomodellen beschrijven meerdere eigenschappen van de familie die samen een index van risico vormen voor het gedrag of de ontwikkeling van het kind. Transactionele modellen beschrijven een meer dynamische, complexe interactie door de tijd heen waarin familie en kind elkaar wederzijds beïnvloeden.

Wanneer de familie het effect van een andere conditie of factor op het kind verandert, noemen we familie een moderator. Wanneer het effect hiervan positief is, noemen we de familie een protectieve factor of beschermende factor.

 

Opvoeding en ontwikkeling

De kwaliteit van de opvoeding en de relatie tussen ouder en kind blijken telkens weer te correleren met positieve ontwikkeling, zowel in normatieve als in ongunstige situaties: de aanwezigheid van competente en verzorgende ouders of mentors correleert met een goede aanpassing van kinderen in risicovolle situaties. Hieruit blijkt dat families en opvoeding biologisch en cultureel zijn ontwikkeld om de ontwikkeling van kinderen te stimuleren en te beschermen.

Ouder-kindrelaties worden ook gezien als belangrijke regulators van het gedrag van het kind, door middel van bijvoorbeeld troosten, monitoren en het bieden van een veilige omgeving. De manier waarop ouders dit vormgeven behoort door de tijd heen te veranderen, omdat de behoeften van een kind veranderen naarmate het ouder wordt.

Gehechtheidrelaties zijn fundamenteel voor de rol van de familie en voor de ontwikkeling van emotieregulatie. Ze hebben invloed op leren, reacties op bedreiging, exploratiegedrag en vele andere gedragingen. Kinderen die geen gehechtheid hebben ontwikkeld of onveilig gehecht zijn, laten veel ontwikkelingsproblemen zien in deze gebieden.

De gehechtheidrelatie en andere familiefactoren hebben verschillende regulerende functies, bijvoorbeeld de regulatie van stress. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat er een verschuiving is van regulatie door de ouder naar zelfregulatie door het kind, door middel van een proces waarbij het kind de regulerende functie van de ouder internaliseert door leren, scaffolding en assimilatie. Neurobiologisch gezien kan dit gebeuren doordat de regulerende functie van de moeder de organisatie van het brein en de genexpressie bij het kind verandert. In risicogezinnen kan dit proces op een negatieve manier werken. Onderzoeken naar zo’n neurobiologisch aspect zijn vrij nieuw en moeten nog veel herhaald worden.

 

Ouder- en familierollen

Ouders spelen veel rollen, zeker in de vroege ontwikkeling van het kind: leraar, socializer, beschermer, culturele overdrager. Ook verstrekken ouders de belangrijkste bronnen en mogelijkheden aan hun kinderen: eten, onderdak, kleding, boeken, sociale relaties, toegang tot school en bijvoorbeeld muziekles, enzovoort. Hierdoor vormen zij de dagelijkse context van het leven van een kind, wat ervoor zorgt dat zij een hoofdrol spelen in de vorming van de sociale en culturele identiteit van kinderen.

Uit modellen blijkt dat er verschillende rollen zijn die de familie kan spelen in de ontwikkeling van het kind:

  • Bedreiging en risico: de familie kan ook een bron van bedreiging vormen voor de ontwikkeling het kind. Dit kan op een passieve of een actieve manier. Voorbeelden van passieve bedreiging zijn het doorgeven van genen die zorgen voor risico op bepaalde stoornissen of kwetsbaarheid, het vormen van een risicovolle sociale omgeving, het incompetent zijn als ouders en sociaal-economische status (SES). Voorbeelden van actieve bedreiging zijn mishandeling (zowel vanaf de ouders naar het kind gericht als tussen ouders zelf) en een hardvochtige en inconsistente opvoeding.

Omdat er zoveel manieren zijn waarop ouders invloed kunnen hebben op de ontwikkeling van kinderen, kan het beste worden gekozen voor een cumulatieve benadering die kijkt naar de invloed die verschillende risicofactoren samen hebben. Eén factor alleen hoeft geen bedreiging te zijn, maar kan gecombineerd met andere risicofactoren ineens veel problemen opleveren. Het nadeel van de cumulatieve benadering is dat het lastig is om individuele processen te onderscheiden in een dergelijke ophoping van risicofactoren.

  • Mediator: de ecologische theorie en de systeemtheorie zien de ontwikkeling van het kind als ingesloten in het familiesysteem, wat op zijn beurt weer ingesloten is in andere systemen zoals het werk van de ouders, de cultuur en de gemeenschap. Soms fungeert de familie als mediator van risico- of protectieve factoren buiten het familiesysteem. Een voorbeeld hiervan is dat moeilijkheden die de ouder ervaart zijn of haar manier van opvoeden kunnen veranderen, waardoor deze moeilijkheden indirect invloed hebben op het gedrag van het kind. Ook gebeurtenissen op regionaal en nationaal niveau kunnen invloed hebben op het familiesysteem, denk hierbij aan politieke beslissingen of een economische crisis. Opvoeding kan ook een rol spelen als mediator van genetische risico’s.

  • Moderator: de familie kan ook als moderator fungeren, dit kan zowel positief uitwerken (protectieve factor) als negatief (risicofactor). Een familie kan bijvoorbeeld als een plek van veiligheid functioneren middenin een gevaarlijke buurt. Hierdoor modereert (verandert) de familie de negatieve effecten van de buurt. Wanneer thuis geen veilige haven is, kan dit voor kinderen die in een gevaarlijke buurt wonen in het bijzonder gevaarlijk zijn, omdat dit de al aanwezige negatieve effecten van de buurt juist versterkt. Verder is de mate waarin ouders het gedrag van hun kinderen monitoren een belangrijke moderator van negatieve omstandigheden (bijvoorbeeld negatieve invloed van peers).

Ook kunnen bepaalde kindkenmerken (zoals leeftijd en temperament) als moderator fungeren voor de familie, bijvoorbeeld doordat ouders andere opvattingen krijgen over opvoeding of zekerder worden van hun opvoeding naarmate het kind ouder wordt. De kwaliteit van ouderschap kan gemedieerd worden door systemen die invloed hebben op het gedrag van ouders, zoals sociale systemen voor werk, cultuur of een gemeenschap. Een steunende echtgenoot of grootouder kan een protectieve factor zijn voor kinderen, zowel direct door met hen te praten of hen op te vangen als indirect door de ouders bij te staan.

Mediërende en modererende processen kunnen samenwerken. In sommige families wordt bijvoorbeeld de kwaliteit opvoeding niet beïnvloedt door negatieve omstandigheden doordat de ouders sociale steun zoeken. Op die manier wordt een kind met een familie die hulp zoekt aan minder risicofactoren blootgesteld dan een kind uit een familie in precies dezelfde omstandigheden die geen hulp heeft.

 

Interventies

Er zijn veel interventies (bijvoorbeeld die van Brody en collega’s) die proberen om positieve opvoedingsstijlen te stimuleren in moeilijke omstandigheden, om zo de rol van opvoeding als mediator te veranderen. Een voorbeeld hiervan zijn interventies gericht op het aanmoedigen van sensitiviteit, om zo een veilige gehechtheidsrelatie te stimuleren.

 

2. Veerkracht

 

Veerkracht bestaat uit het hebben van een relatieve weerstand tegen risicovolle ervaringen of het overwinnen van stress of moeilijkheden. Het concept veerkracht verschilt van het concept van risico- en protectieve factoren: risico- en protectieve factoren zijn externe factoren die een balans vormen die de uitkomst van een bepaalde situatie bepaalt, terwijl veerkracht focust op de individuele verschillen tussen personen in dezelfde situatie. Veerkracht bouwt dus verder op het onderzoek van risico- en protectieve factoren.

Het concept veerkracht heeft vier implicaties:

  • Het is mogelijk dat een factor die protectief is in een risicovolle situatie niet protectief werkt in een niet-risicovolle situatie

  • Ervaringen die lange tijd na het originele risico-effect plaatsvinden, kunnen de levensloop alsnog beïnvloeden

  • Er moet nadruk liggen op hoe mensen hun ervaringen verwerken en hoe zij omgaan met moeilijkheden

  • Zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek is belangrijk voor veerkracht: een variabele die veerkracht beïnvloedt kan klein of smal lijken, maar hier kunnen vele psychologische en sociale invloeden achter liggen

Het concept veerkracht bouwt verder op twee bevindingen:

  1. De individuele verschillen tussen mensen in hoe zij omgaan met moeilijkheden. Hier is veel experimenteel onderzoek naar gedaan. Er zijn zelfs individuele verschillen in fysieke reacties merkbaar. Verder blijven grote individuele verschillen aanwezig, ook al is er langdurige stress aanwezig (bijvoorbeeld bij kinderen die opgegroeid zijn in een weeshuis)

  2. Steeling effects’: het effect dat mensen ‘hard worden’ van ervaringen en dus veerkracht hiervoor ontwikkelen. Deze effecten worden waarschijnlijk veroorzaakt doordat het mensen lukt op een goede manier om te gaan met stressvolle situaties. Bij steeling effects spelen de volgende aspecten een rol: fysiologische aanpassing, psychologische gewenning, het bereiken van self-efficacy, het verkrijgen van effectieve copingstrategieën en een cognitieve herdefinitie van de ervaring. Alle aspecten zijn belangrijk maar welke het meest prominent aanwezig is, is afhankelijk van de situatie.

 

Meten van veerkracht

Bij het meten van veerkracht is het belangrijk te letten op misleidende uitkomsten. Misleiding kan worden uitgesloten door te letten op de volgende aspecten:

  • Of er sprake is van een echte ervaring van risico vanuit de omgeving. Hierbij moet worden gecontroleerd of de effecten niet puur genetisch zijn, moet worden gekeken of er geen invloeden van de persoon op de omgeving zijn door longitudinaal onderzoek te doen en moet er rekening worden gehouden met sociale selectie en effecten van derde variabelen

  • Of de gevonden veerkracht niet gewoon een functie is van variaties in de blootstelling aan risico. Om dit te voorkomen is een gedegen analyse van aanwezige risico’s nodig

  • Of de veronderstelde veerkracht niet het resultaat is van een te smalle meting van uitkomsten: doordat niet alle uitkomsten of problemen mee zijn genomen in de analyse, kan het lijken dat mensen veerkracht hebben verkregen terwijl dit niet zo is

Verder is het belangrijk om te letten op variaties in de kwetsbaarheid voor psychosociale stress en moeilijkheden. Hierbij spelen vier factoren een rol:

  1. Interacties tussen genen en omgeving: bepaalde genen kunnen zorgen dat een persoon meer ontvankelijk is voor stress: een bepaald gen wat serotonine beïnvloedt heeft bijvoorbeeld een hoofdeffect op het wel of niet ontwikkelen van een depressie na mishandeling in de kindertijd

  2. Gevolgen van vroege ervaringen: vroege ervaringen kunnen ook invloed hebben op de ontvankelijkheid voor stress

  3. Sociale context: ervaringen in de sociale context (zoals veel ruzie tussen de ouders) kan ook invloed hebben op de ontvankelijkheid voor stress

  4. Het verwerken van en omgaan met ervaringen: kinderen zijn geen passieve organismen in het ervaren van stress en moeilijkheden, maar zij verwerken dit actief en ontwikkelen daardoor copingsstrategieën. Individuele verschillen in de reactie op stress kunnen als volgt worden gecategoriseerd:

  • Definitie van de ervaring als uitdaging, mogelijkheid of bedreiging

  • Reactie op de ervaring door te plannen/ermee om te gaan of door acceptatie/terugtrekking

  • Manier van coping: ‘adaptive’ (positieve consequenties op de lange termijn) of ‘maladaptive’ (negatieve consequenties op de lange termijn)

  • Kinderen die in tehuizen opgroeien, hebben vaak het gevoel dat zij een speelbal zijn van externe omstandigheden en ontwikkelen daardoor geen effectieve copingstrategieën.

Voor veerkracht is niet alleen belangrijk wat er gebeurt tijdens de stressvolle ervaring, maar juist ook wat na deze ervaring gebeurt. Kinderen die opgegroeid zijn in enorm depriverende tehuissituaties en die daarna geadopteerd zijn in goed functionerende families, laten bijvoorbeeld een grote veerkracht zien: ze maken een inhaalslag zien in fysieke groei, cognitief functioneren en op sociaal- en gedragsniveau. Deze inhaalslag is echter zeker niet altijd volledig. Vroege moeilijkheden kunnen zorgen voor blijvende patronen van negatieve interacties met anderen, waardoor mensen gevoelig blijven voor psychosociale risico-ervaringen en negatieve zelfconcepten vormen. Deze blijvende veranderingen hebben misschien te maken met een verstoring van de normale modulatie van endocriene activiteit of met beschadigingen aan neurale structuren zoals de hippocampus.

 

Interventies

Er zijn preventieve interventies die gericht zijn op het stimuleren van veerkracht. Dit kan op drie verschillende tijdstippen: 1) voordat stressvolle ervaringen plaatsvinden, 2) terwijl stressvolle ervaringen plaatsvinden en 3) nadat stressvolle ervaringen hebben plaatsgevonden.

  1. Bij interventies voordat stressvolle ervaringen plaatsvinden, zijn de volgende twee acties belangrijk:

  • Het stimuleren van de volgende protectieve kwaliteiten:
      • Hoge intelligentie en schoolse prestaties

      • Veilige gehechtheid aan verzorgers en andere mensen die belangrijk zijn voor het kind

      • Meerdere harmonieuze relaties

      • Een gevoel van self-efficacy (vertrouwen in je capaciteiten om met situaties om te gaan)

      • Sociale probleemoplossingsvaardigheden voor verschillende situaties

      • Een positieve stijl van sociale interactie

      • Een flexibele, aangepaste aanpak van nieuwe situaties

  • Het aanbieden van een aantal gevarieerde ervaringen waardoor geleerd kan worden om succesvol om te gaan met uitdaging en stress

  1. Bij interventies terwijl stressvolle ervaringen plaatsvinden zijn de volgende vijf dingen belangrijk:

    • Soms is het mogelijk om de impact van een stressor op een kind te beperken (bijvoorbeeld door een depressieve ouder te stimuleren om negatieve gevoelens niet op het kind af te reageren)

    • Het kan helpen om alternatieve bronnen van steun te creëren in relaties, door bijvoorbeeld een kind te stimuleren om activiteiten buitenshuis te ondernemen wanneer de omgeving thuis stressvol is

    • Kinderen kunnen worden geholpen in het ontwikkelen van betere sociale probleemoplossingsvaardigheden, een grotere self-efficacy en meer aangepaste copingstrategieën

    • Jonge mensen kunnen worden geholpen om een meer positieve en aangepaste cognitieve set te ontwikkelen voor de uitdagende omstandigheden waar ze mee te maken hebben

    • Het is belangrijk om jonge mensen te helpen om destructieve copingsstrategieën (zoals drugsgebruik of woede en agressie) te vermijden

  1. Interventies nadat stressvolle ervaringen hebben plaatsgevonden hebben als doel om te zorgen voor een positief keerpunt. Hierbij zijn drie dingen belangrijk:

    • Het zorgen voor nieuwe mogelijkheden die een breuk veroorzaken met negatieve aspecten van eerdere ervaringen

    • De mogelijkheid voor veranderingen in mentale sets

    • Omstandigheden die de ontwikkeling van verbeterde copingstrategieën mogelijk maken

 

Implicaties voor onderzoek en de praktijk

De belangrijkste implicatie voor onderzoek die voortkomt uit bovenstaande informatie is dat onderzoek zich moet concentreren op de processen die ten grondslag liggen aan individuele verschillen in reactie op stressvolle ervaringen vanuit de omgeving. Dierenstudies kunnen hierbij zinvol zijn.

Ten tweede is het van belang om te focussen op causale mechanismen die betrokken zijn bij positieve keerpunten. Ten derde moeten psychosociale onderzoeksbenaderingen en biologische onderzoeksbenaderingen (zoals hersenscans en neuro-endocriene studies) gecombineerd worden, om zo interacties tussen genen en omgeving (G x E) te vangen. Ten vierde is het van belang om de rol van mentale sets en modellen te onderzoeken.

Verder zijn er zijn vijf belangrijke implicaties voor de praktijk:

  • Er moet een bredere visie komen op verschillende mogelijkheden die zorgen voor de stimulatie van veerkracht, door aandacht te besteden aan protectieve ervaringen (zoals adoptie of een ondersteunend huwelijk in het latere leven)

  • Interventies zouden moeten zorgen voor een brede impact in verschillende sociale contexten: in het individu, de familie, de school en de gemeenschap

  • Destructieve copingstrategieën moeten effectief kunnen worden opgespoord en mensen moeten worden geholpen om alternatieve copingstrategieën te gebruiken

  • Vanuit de gemeenschap moet gestimuleerd worden dat iedereen de mogelijkheid heeft om bepaalde verantwoordelijkheid te krijgen en succes te kunnen bereiken in een bepaald gebied

  • Men moet open staan voor farmacologische interventies (zoals medicijnen die neurotransmitters beïnvloeden) en deze niet zomaar buiten beschouwing laten

 

3. Risicofactoren en protectieve factoren

Risicofactoren

Een relatief groot deel van de jeugd in de VS kampt met ontwikkelingsproblemen. De afnemende kwaliteit van de kind-familie-omgeving correleert hier duidelijk mee. Het aantal gezinnen met inkomens onder de armoedegrens en het aantal kinderen met alleenstaande moeders stijgt. Ook zijn er veel meer werkende moeders dan vroeger en is er een stijging van huiselijk geweld.

Bij onderzoek naar ontwikkelingsproblemen is het belangrijk om te beseffen dat (1) de familie hierin een cruciale rol speelt, (2) ook de sociale context een grote rol speelt en (3) er geen op zichzelf staande oorzaken zijn voor stoornissen. Dit laatste punt sluit aan bij het begrip risicofactor: de aanwezigheid van één risicofactor wil niet zeggen dat iemand een stoornis heeft, maar hoe meer risicofactoren een individu heeft, hoe meer kans hij of zij heeft op het ontwikkelen van de bijbehorende stoornis. Of: hoe meer aanwezige risicofactoren, hoe meer gedragsproblemen een kind vertoont. Een slechte mentale gezondheid binnen de familie en een lage SES zijn twee van de belangrijkste risicofactoren voor probleemgedrag en psychopathologie. Ook de hoogte van het inkomen van ouders en de gezinssituatie worden vaak genoemd.

Bij onderzoek naar risicofactoren is het belangrijk om een ecologische benadering te handhaven, door te kijken naar de verschillende systemen waar een kind deel van is: familie, school, peers, gemeenschap, etc. Er zijn veel verschillende studies gedaan waarbij kinderen met veel risicofactoren (acht of meer) zijn vergeleken met kinderen met weinig risicofactoren. De hoeveelheid risicofactoren is belangrijk, omdat het gaat om een samenspel. Een risicofactor alleen zou weinig tot geen scade aanrichten, het is juist de combinatie van risicofactoren die ze zo risicovol maakt. Uit al deze studies is dus ook gebleken dat hoe meer ecologische risicofactoren er aanwezig zijn, hoe slechter de uitkomsten zijn voor het kind. Verder heeft de aanwezigheid van risicofactoren vroeg in het leven een negatief effect op het hele schooltraject van kinderen.

 

Protectieve en promotieve factoren

Protectieve factoren zijn die factoren die de veerkracht die een individu heeft ten opzichte van stress bevorderen. Drie belangrijke variabelegroepen die als protectieve factoren fungeren zijn:

  1. Eigenschappen van het kind zoals temperament, cognitieve vaardigheden en positieve reactiviteit naar anderen

  2. Families met warmte, samenhang en structuur

  3. De beschikbaarheid van externe steun

In eerder onderzoek werd de term ‘protectieve factor’ gereserveerd voor factoren die alleen in interactie met risico een protectieve functie hadden. Het effect van een protectieve factor is dan dus minimaal wanneer er geen risico aanwezig is, maar veel groter wanneer er wel risico aanwezig is. In recent onderzoek kunnen factoren die ook zonder de aanwezigheid van risico direct zorgen voor gewenste uitkomsten protectief genoemd worden. De auteur pleit echter voor het gebruik van de term ‘promotive factor’ voor deze factoren. Promotieve factoren zijn tegenovergesteld aan risicofactoren: hoe meer promotieve factoren er aanwezig zijn, hoe kleiner de kans op negatieve uitkomsten. Het stimuleren van promotieve factoren heeft dus zin voor alle jongeren, terwijl het stimuleren van protectieve factoren alleen zin heeft voor diegenen die blootstaan aan meerdere risicofactoren. Een voorbeeld van een promotieve factor is een positief gezinsklimaat, tegenover de risicofactor van een negatief gezinsklimaat.

Factoren kunnen alleen promotief zijn (bijvoorbeeld ouderlijke betrokkenheid bij school), zowel promotief als protectief (zoals het bieden van consistente discipline) of alleen protectief (zoals steun vanuit peers).

Protectieve en promotieve factoren kunnen onderscheiden worden in factoren binnen het kind zelf en omgevingsfactoren. Het is dan dus de vraag of interventies zich moeten focussen op het kind zelf of op de (sociale) context van het kind. Psychologische variabelen van het kind zijn het meest interessant voor interventies, omdat die enigszins te beïnvloeden zijn. Hieronder vallen efficacy, mentale gezondheid en intelligentie. Uit verschillende onderzoeken is echter gebleken dat omgevingsfactoren meer invloed hebben op het kind dan psychologische kindvariabelen: kinderen met een hoge efficacy waarbij veel omgevingsrisico aanwezig was, deden het slechter dan kinderen met een lage efficacy waarbij weinig omgevingsrisico aanwezig was.

 

Interventies

Interventies die gericht zijn op het verbeteren van de competentie van kinderen, zullen zich moeten richten op het brede scala van ecologische factoren waarin individuen en families leven. Interventies gericht op het elimineren van één risicofactor zullen dus weinig effectief zijn, want het is juist de cumulatie van vele risicofactoren die zorgt voor negatieve uitkomsten. Het zou dus ideaal zijn om promotieve factoren te vinden die als buffer fungeren voor vele risicofactoren tegelijk. Volgens velen is het bestrijden van armoede is volgens velen zo’n factor.

Verder speelt veerkracht een belangrijke rol in interventies, maar het is efficiënter om te focussen op promotieve invloeden die competentie bevorderen in alle kinderen dan naar veerkracht in selecte groepen of individuen.

Drie belangrijke eigenschappen voor succesvolle interventies zijn:

  • Ze zijn ‘multi-system’, dat wil zeggen dat ze zich richten op verschillende risicofactoren binnen de ecologische systemen waar het kind zich in bevindt

  • Ze zijn langdurig

  • Ze zijn gebaseerd op wetenschappelijke theorie over ontwikkelingsprocessen

 

4. Adolescentie: invloed van familie en peers

Adolescentie

De adolescentie is een belangrijke en veel onderzochte periode. Twee belangrijke kenmerken van de adolescentie zijn:

  1. Sociale netwerken worden uitgebreider en meer divers
  2. Relaties met peers worden intensiever

Adolescenten hebben door hun bredere sociale netwerk een grote range van potentiële ervaringen: ze hebben veel verschillende groepen beschikbaar die hun kunnen helpen, die met hen bevriend kunnen zijn maar ook waar ze mee kunnen ruziën. Dichtbij zijn dat de familie en de beste vrienden, verder weg bijvoorbeeld leraren. Ook doet tijdens deze periode de romantische relatie zijn intrede. De intimiteit met ouders maakt plaats voor intimiteit met goede vrienden en/of romantische partners.

Een veel voorkomende misvatting is dat terwijl peers steeds belangrijker worden, ouders steeds minder belangrijk worden vanaf de adolescentie. Onderzoek wijst namelijk uit dat ouders juist prominent aanwezig blijven in de sociale netwerken van adolescenten en zelfs na de puberteit een belangrijke invloed blijven uitoefenen. Bovendien komt het vaak voor dat ouders en peers de beslissingen van adolescenten in dezelfde richting beïnvloeden. Ook nemen adolescenten soms alleen beslissingen, los van ouders of peers. Veranderingen in de relatie tussen ouders en adolescenten zijn dus vooral een teken van minder afhankelijk zijn van de ouders.

Relaties met ouders en peers zijn dus beiden van groot belang voor de ontwikkeling van adolescenten en er is daardoor veel kans dat deze significante invloed hierop hebben. De mate van gelijkheid en soms ook wederzijdse aanvulling tussen de ouder-adolescent- en peer-adolescentrelatie maken het waarschijnlijk dat de invloeden van deze beide relaties gecombineerd worden, in plaats van dat deze elkaar tegenspreken.

 

Onderzoek naar invloeden tijdens adolescentie

Vroeger werden eenvoudige, exclusief correlationele designs gebruikt voor onderzoek naar omgevingsinvloeden tijdens de adolescentie. Tegenwoordig wordt gebruik gemaakt van designs die meer aansluiten bij de ‘echte wereld’. Deze geven daardoor een completer en meer gedifferentieerd beeld van deze invloeden. Uit deze nieuwere studies kunnen vier conclusies worden getrokken:

  1. Zowel tweelingstudies als simpele correlaties tussen eigenschappen van de ouders en eigenschappen van de adolescent zijn op zichzelf niet voldoende om te meten of er invloeden vanuit de omgeving zijn die de adolescent beïnvloeden

  2. Zowel genetische invloeden als invloeden uit de omgeving zijn aanwezig

  3. Interacties en correlaties tussen genetische- en omgevingsinvloeden geven een betere verklaring voor sociaal gedrag, attitudes, persoonlijkheid en motivatie dan deze invloeden apart van elkaar

  4. In contrast tot de nadruk die vroeger vooral lag op de invloed van ouders, zijn er ook andere belangrijke omgevingsinvloeden (ook van buiten de familie) die een significante rol spelen in de ontwikkeling van adolescenten

Deze conclusies komen voort uit drie typen studies, die achtereenvolgens zullen worden beschreven: interventies, longitudinale studies en analyses van ‘genen x omgeving’-effecten.

 

1. Interventies

Er zijn twee typen interventies mogelijk:

  • Natuurlijke interventies: dit zijn interventies die direct op het kind zelf zijn gericht. Hiervan is adoptie een belangrijk voorbeeld. Kinderen die voordat ze zes maanden oud waren zijn geadopteerd, laten weinig problemen zien totdat ze de adolescentie bereiken. Dan komen emotionele- en gedragsproblemen op. Dit impliceert dat de ouders invloed hebben op adolescenten en hun ontwikkeling

  • Ouder-interventies: interventies gericht op het gedrag van ouders kunnen gelinkt worden aan veranderingen in het gedrag van kinderen of adolescenten, bijvoorbeeld het vertonen van minder antisociaal gedrag

 

2. Longitudinale studies

Ook door middel van longitudinale studies kan bewijs worden gevonden dat ouders en peers invloed hebben op de ontwikkeling van adolescenten. Dit wordt gedaan door de relatie tussen ouders en peers op een bepaald moment te meten en om vervolgens te kijken of veranderingen van relaties door de tijd heen invloed hebben op het gedrag van adolescenten. Verschillende van deze studies hebben bevestigd dat dit het geval is. Mensen die in hun adolescentie goede vriendschappen ervaren, hebben op een leeftijd van 23 jaar een beter zelfbeeld, ervaren hogere intimiteit in hun relaties en zijn minder depressief. Ook voorspelt acceptatie door peers tijdens de adolescentie de beroepscompetentie op een leeftijd van 23 jaar. Verder hebben peers invloed op hoe adolescenten school waarderen. Tot slot zijn lage niveaus van acceptatie door peers gerelateerd aan onzekerheid in relaties tijdens de late adolescentie. Ook de ouders hebben invloed op onzekerheid: kinderen waarvan de ouders weinig proactief en erg intrusief waren, waren later meer onzeker in relaties. Invloeden van ouders hebben aan het begin vaak een kleine effectgrootte, maar zijn erg consistent en hopen zich daardoor door de tijd heen op totdat ze een groter, meer algemeen effect hebben op het kind.

 

3. Genen x omgeving

Deze studies kijken naar interactie-effecten tussen genen en omgeving. Een belangrijke uitkomst hiervan is dat ouders en peers als omgeving een buffer kunnen vormen voor adolescenten die een genetische predispositie hebben voor psychopathologie of probleemgedrag. Geadopteerde kinderen waarvan de biologische ouder schizofreen was, hadden bijvoorbeeld alleen meer kans om psychiatrische stoornissen te ontwikkelen wanneer ze in een risicogezin werden opgenomen. Wanneer ze in een goed functionerend gezin werden opgenomen, was er geen verschil tussen hen en tussen geadopteerde kinderen die geen genetisch risico voor psychiatrische stoornissen hadden.

Een ander voorbeeld van een genen x omgeving-effect is het MAOA-gen, wat alleen bij mannen voorkomt. Jongens die mishandeld zijn en die hoge niveaus van MAOA-expressie hadden, hadden minder kans om antisociale problemen te ontwikkelen dan jongens met lage niveaus van MAOA-expressie.

 

Dyadische processen

Tot nu toe is duidelijk geworden dat peers en ouders invloed hebben op de ontwikkeling van adolescenten. Die invloed vindt plaats door middel van de gezamenlijke, wederzijdse actiepatronen die plaatsvinden tussen de twee betrokken personen. Binnen deze patronen kunnen de twee personen zowel invloed ervaren als de ander beïnvloeden. Bij delinquente adolescenten kan bijvoorbeeld worden gezien dat er meer (positieve) wederzijdse communicatie is tussen twee vrienden dan tussen twee kennissen.

In studies naar de invloed van ouders op kinderen wordt vaak gesproken over opvoedstijlen (autoritair, autoritatief en permissief). Hierbij ligt de focus op het gedrag van de ouder. In het licht van de wederzijdse actiepatronen kan echter worden gesteld dat de opvoedstijlen niet los staan van het gedrag van de adolescent. Zowel de opvoedstijl van de ouder als het gedrag van de adolescent zijn het gevolg van verschillende kenmerken van de ouder-kindinteractie. Bij een autoritatieve opvoedingsstijl is er bijvoorbeeld sprake van veel wederkerige communicatie tussen de ouder en het kind. Bij een autoritaire opvoedingsstijl wordt deze communicatie verstoord door de dominantie van de ouder, bij een permissieve opvoedingsstijl door de dominantie van het kind.

Deze verschillen in de ouder-kindrelatie leiden ook tot verschillende uitkomsten bij het kind. Hoge niveaus van wederzijdse communicatie en acceptatie tijdens de kindertijd en de vroege adolescentie correleren bijvoorbeeld positief met psychosociale rijpheid in de late adolescentie. De continue aanwezigheid van veel conflict in een ouder-kindrelatie hangt juist samen met psychosociale- en relatieproblemen tijdens de adolescentie en volwassenheid.

 

Samenhangende invloeden

Zoals al eerder is aangegeven, is het waarschijnlijk dat peers en ouders een gecombineerde invloed hebben op adolescenten. Hierbij spelen verschillende mechanismen een rol. Uit onderzoek is gebleken dat bepaalde opvoedingsstijlen en opvoedingspraktijken samenhangen met bepaald gedrag van adolescenten, die er op hun beurt voor zorgen dat adolescenten in specifieke peergroepen terechtkomen. De normen van deze groepen sluiten aan bij wat van de ouders is geleerd en moedigen dus de gedragingen aan die de adolescent in de eerste plaats bij deze peers heeft gebracht. Ook is gebleken dat adolescenten die extreem vatbaar zijn voor peerinvloeden vaak vinden dat hun ouders erg streng zijn en hen het gevoel hebben dat hun ouders hen geen rol laten spelen in beslissingen die hen aangaan.

Tot nu toe is er vooral onderzoek gedaan naar de invloed van peers en ouders op de regulatie van antisociaal gedrag bij adolescenten. Meer onderzoek is nodig naar de invloed op competentie.

 

Moderator- en mediatoreffecten

Naast directe invloed hebben relaties met ouders en peers ook op een andere manier effect op adolescenten.

Ten eerste spelen hechte relaties een rol als moderator, doordat ze invloed hebben op de mate waarin relaties samenhangen met bepaalde uitkomsten bij adolescenten. Een voorbeeld hiervan: adolescenten die van mening zijn dat ze een goede relatie met hun ouders hebben, zijn meer geneigd om het voorbeeld van hun ouders te volgen in middelengebruik. Hierbij modereert de ervaren kwaliteit van de ouder-kindrelatie dus de mate waarin er effecten van die relatie optreden op middelengebruik.

Ten tweede spelen hechte relaties een rol als mediator, door het vormen van een verbinding tussen ervaringen en het gedrag van adolescenten. Een voorbeeld hiervan is conflict binnen de familie, wat een mediërende rol speelt tussen financiële moeilijkheden enerzijds en agressie, angst en depressie bij de adolescent anderzijds.

 

Focus op relaties

Sinds de jaren ’40 werd het onderzoek in de ontwikkelingspsychologie gedomineerd door een individualistische visie op volwassenheid, waarbij slechts wordt gekeken naar individuele eigenschappen zoals (anti)sociaal gedrag en schoolprestaties. Recent is er echter veel meer nadruk gekomen op het belang van relaties voor een goede ontwikkeling. Dit zorgt voor een veel bredere range van competenties die gemeten moeten worden, zoals samenwerking, onderhandelen en effectiviteit in hechte relaties.

Op basis van deze visie gaat effectief ouderschap niet meer alleen over het hebben van bepaalde opvoedingscompetenties. Minstens even belangrijk is het creëren van een relatie met het kind, die als een voorbeeld kan fungeren voor het sociaal functioneren van het kind zelf. Verder worden kenmerkende prestaties in de adolescentie (zoals het bereiken van autonomie en identiteit) het meest eenvoudig behaald als adolescenten veel veilige relaties hebben die veel kans hebben om voort te duren tot na de adolescentie. De gehechtheidsrelatie met de ouders speelt hierin dus niet de grootste rol. Ook is gebleken dat vroege relaties (zowel met ouders als met peers) grote invloed hebben op de kwaliteit en betrokkenheid in romantische relaties later.

 

Implicaties voor de praktijk en onderzoek

Er is dus uit veel onderzoek gebleken dat relaties met peers en familie tijdens de kindertijd en adolescentie een significant effect hebben op zowel de ontwikkeling van individuele karaktertrekken als op het hebben van effectieve en bevredigende relaties. Dit betekent dat interventies zich zouden moeten richten op het verstrekken van optimale ervaringen in relaties voor kinderen en adolescenten. Dit kan op twee manieren:

  • Door het veranderen van het gedrag van ouders: dit heeft positieve effecten op zowel het gedrag van het kind als op de ouder-kindrelatie

  • Door het veranderen van het gedrag van individuele kinderen: dit kan zorgen voor meer positieve interacties tussen kinderen en adolescenten en in de ouder-kindrelatie

Verder is het belangrijk dat er een meer duidelijk interpersoonlijk en transactioneel model komt van invloeden op de ontwikkeling van adolescenten, waarbij niet alleen wordt gekeken naar antisociaal gedrag als uitkomst maar naar een bredere range van positieve competenties.

 

5. De rol van ouders en peers in vroeg middelengebruik

 

De meeste theorieën over de ontwikkeling van deviant gedrag benadrukken zowel de rol van de ouders als die van peers. Er zijn echter weinig studies en wetenschappelijke analyses die nadruk leggen op de manier waarop deze twee factoren aan elkaar gerelateerd zijn en een dynamische rol spelen tijdens de kindertijd en adolescentie. Dit onderwerp staat in dit hoofdstuk centraal.

 

Ontwikkelingspatronen in middelengebruik

Uit Amerikaans onderzoek is gebleken dat weinig kinderen starten met middelengebruik voor een leeftijd van 8 jaar, dat het risico hierop elk jaar toeneemt van 10 tot 18 jaar en dat dit risico daarna sterk afneemt. Verschillende perspectieven maken onderscheid tussen een vroege start van middelengebruik (voor 15 jaar) en een latere start. Dit onderscheid is van belang omdat een vroege start meer risico geeft op problematische uitkomsten dan een late start. Experimenteren met middelengebruik na 15 jaar is namelijk onderdeel van het normale ontwikkelingspad voor adolescenten. Middelengebruik voor 15 jaar komt dan ook minder voor, hoewel het zeker niet zeldzaam is.

Eerdere studies die probeerden middelengebruik te verklaren, richtten zich vooral op persoonlijkheidskenmerken van kinderen. Volgens deze studies werd middelengebruik dus puur veroorzaakt door genetische kenmerken. Latere studies richtten zich ook op (vroege) omgevingsinvloeden en ontdekten dat deze soms de oorzaak waren van bepaalde kindkenmerken die door eerdere studies als overgeërfd werden beschreven. Dit is dus een meer ecologische benadering.

 

Een dynamisch model

Wanneer je de literatuur over middelengebruik bij adolescenten bekijkt, kun je zeggen dat er zes factoren zijn die bijdragen aan de start van jeugdmiddelengebruik: kindfactoren, vroege sociaal-ecologische familiefactoren, vroege opvoedingsfactoren, vroege peerrelaties, opvoedingsfactoren tijdens de vroege adolescentie en peerrelaties tijdens de adolescentie. Samen vormen zij het dynamisch ontwikkelingsmodel.

 

1. Kindfactoren

Er zijn verschillende kindkenmerken die kunnen bijdragen aan de start van middelengebruik:

  • Etniciteit: de meningen zijn erover verdeeld of middelengebruik verschilt tussen kinderen van verschillende etniciteiten. Sommige studies laten minder middelengebruik zien onder Afrikaanse Amerikanen dan onder Europese Amerikanen, andere vinden juist minder middelengebruik onder Europese Amerikanen. Er wordt gesuggereerd dat het behoren bij een etnische minderheid correleert met een vroegere start van middelengebruik

  • Geslacht: verschillen tussen meisjes en jongens in middelengebruik zijn nihil. Wel is uit onderzoek gebleken dat de leeftijd waarop voor het eerst middelen wordt gebruikt sneller daalt voor meisjes dan voor jongens

  • Erfelijkheid: uit tweeling- en adoptiestudies is gebleken dat middelengebruik deels erfelijk is, voor jongens maar niet voor meisjes. Waarschijnlijk is er geen direct erfelijk effect op middelengebruik, maar worden er bepaalde cognitieve eigenschappen geërfd die de ontwikkeling van middelengebruik beïnvloeden (zoals tolerantie en vatbaarheid voor verslaving). Dit suggereert dat het afhankelijk is van specifieke levenservaringen of erfelijke risicofactoren daadwerkelijk leiden tot middelengebruik

  • Temperament: bepaalde temperamentkenmerken voorspellen middelenmisbruik. Hierbij gaat het met name om een hoog niveau van nieuwsgierigheid (‘novelty seeking‘) en een laag niveau van vermijden van beschadiging (‘low harm avoidance‘). Verder voorspelt een algeheel moeilijk temperament (een hoog energieniveau en negatieve emotionaliteit) middelenmisbruik

 

2. Vroege sociaal-ecologische familiefactoren

SES is een belangrijk sociaal-ecologische familiefactor die invloed heeft op middelengebruik: hoe lager de SES van de familie, hoe hoger de kans op middelengebruik. Een tweede factor is het wonen bij een ouder die middelen misbruikt. Het is echter niet duidelijk hoe de relatie tussen middelenmisbruik van en ouder en middelenmisbruik bij het kind precies werkt: het kan een genetische oorzaak hebben of kinderen kunnen het gedrag van de ouder als model gebruiken.

Verdere sociaal-ecologische familiefactoren die correleren met middelengebruik zijn: opgroeien in een familie waar een biologische ouder mist, ouderlijke (emotionele) instabiliteit, ouderlijke stress, medische condities van de familie, werkeloosheid en de ratio van het aantal kinderen per ouder binnen een huishouden.

 

3. Vroege opvoedingsfactoren

De disciplinestijl die de ouders hebben is een belangrijke vroege opvoedingsfactor die een risico vormt voor middelengebruik zijn. Het hebben van ouders met een negatieve disciplinestijl voorspelt middelengebruik bij jongens op een leeftijd van 15 jaar. Fysiek misbruik door ouders vormt een nog sterkere voorspeller van middelengebruik, met name seksueel misbruik. Verder is een gebrek aan warmte en betrokkenheid vanuit de ouders een risicofactor voor middelengebruik.

Een disciplinestijl waar verbaal onderhandelen en discussie bij te pas komt, blijkt kinderen juist te beschermen van middelengebruik.

Verdere vroege opvoedingsfactoren vanuit de ouders die samenhangen met middelengebruik zijn: inconsistente permissiviteit, onduidelijke regels, een gebrek aan regels over dagelijkse zaken, het falen in het ontmoedigen van middelengebruik. Factoren die minder direct gerelateerd zijn met middelengebruik maar die hier wel mee correleren, zijn: middelengebruik door ouders zelf, huwelijkse problemen en wisselingen in huwelijken.

 

4. Vroege peerrelaties

Vroege peerrelaties zijn minstens zo belangrijk voor middelengebruik als opvoedingsfactoren. Invloeden kunnen worden onderscheiden in de reacties van peers op het kind en de reacties van het kind op peers. Sociale afwijzing door peers voorspelt een zeer vroege start met middelengebruik. Wat het kind zelf betreft correleert sociale competentie sterk met middelengebruik: hoe minder competentie, hoe meer risico op middelengebruik. Sociale competentie voorspelt middelengebruik sterker dan intelligentie of zelfbeeld. Er zijn echter academische risicofactoren die de kans op middelengebruik verhogen, zoals weinig betrokkenheid bij school en het niet naar de zin hebben op school.

De meest consistente voorspeller van middelengebruik in vroege peerrelaties is echter agressie naar peers toe. Gedragsstoornissen (‘conduct disorders’) vormen dan ook een groot risico voor middelengebruik. ADHD vormt ook een risico voor middelengebruik, maar er wordt gesuggereerd dat dit komt doordat ADHD vaak voorkomt in combinatie met gedragsstoornissen. Verlegenheid tijdens de kindertijd beschermt juist tegen middelengebruik, tenzij dit gecombineerd is met agressiviteit. In de adolescentie kan internaliserend gedrag echter juist een risico vormen voor middelengebruik.

 

5. Opvoedingsfactoren tijdens de vroege adolescentie

Als een kind in de vroege adolescentie komt, vindt er een verschuiving plaats wat betreft opvoedingsrisicofactoren voor middelenmisbruik. De disciplinestijl van de ouders is nu niet meer het belangrijkst, maar supervisie en monitoring. Lage supervisie en monitoring zorgen dan voor het toenemen van risico voor middelengebruik. Supervisie door ouders is waarschijnlijk in het bijzonder belangrijk in bepaalde situaties, zoals buurten waarin er gemakkelijk toegang tot drugs is of bepaalde kinderen die veel risico hebben voor deviantie.

Ook blijft de kwaliteit van de ouder-kindrelatie een belangrijke factor: een lage binding aan de familie vormt voor een adolescent een risico voor middelengebruik.

 

6. Peerrelaties tijdens de adolescentie

Tijdens de adolescentie vindt er ook in peerrelaties een verschuiving plaats: niet algemene acceptatie door peers is nu de belangrijkste voorspeller, maar associatie met deviante peers. Dit is vooral een sterke voorspeller van middelengebruik wanneer deze peers zich zelf bezighouden met middelengebruik. Deze relatie is echter waarschijnlijk niet direct causaal. Allereerst is de relatie met peers wederkerig: zij beïnvloeden het kind, maar het kind beïnvloedt hen ook. Ten tweede kan betrokkenheid met deviante peers voorspeld worden uit eerdere afwijzing door peers en externaliserende problemen. Ten derde blijkt een sterke relatie met de ouders een kind te beschermen tegen betrokkenheid met deviante peers. Ten vierde zijn niet alle adolescenten vatbaar voor invloed van peers, ook al zijn ze betrokken bij deviante peers.

Deze zes factoren kunnen geïntegreerd worden in een dynamisch ontwikkelingsmodel. Hierin bouwen de verschillende factoren op elkaar voort in een proces dat leidt naar middelenmisbruik. Dit model is te zien in Figuur 1. De vroege kindkenmerken en vroege sociaal-ecologische context zijn de eerste factoren in dit model. Een kind met een moeilijk temperament dat wordt geboren in een stressvol gezin met een alleenstaande, alcoholgebruikende, sociaal geïsoleerde tienermoeder na een niet-geplande zwangerschap met medische complicaties heeft vijftien jaar later dus een hoger risico op middelenmisbruik. De volgende factor in het model is de vroege opvoeding. De vroege kindfactoren en sociaal-ecologische context hebben hier invloed op: het zojuist omschreven kind heeft grote kans om opgevoed te worden met een harde discipline en in andere negatieve omstandigheden, wat de kans op middelenmisbruik tijdens de adolescentie verhoogt. Vervolgens gaat het kind naar de basisschool en krijgt het te maken met vroege peerrelaties. Dit kind zal waarschijnlijk door alles wat het heeft meegemaakt agressieve gedragsproblemen vertonen, wat zorgt voor afwijzing door peers. Dit verhoogt ook nog eens de kans op middelenmisbruik in de adolescentie. Als het kind hierna in de adolescentie komt, is er veel kans dat de ouders hun pogingen om hun kind te socialiseren opgeven en het de vrije teugel geven. Hierdoor is er geen supervisie en monitoring in de opvoeding en is het kind vrij om in contact te komen met deviante peers die aan middelenmisbruik doen. Dit verhoogt wederom de kans dat het kind start met middelenmisbruik.

Alle factoren uit dit model zijn getoetst in een Amerikaanse longitudinale studie genaamd ‘Child Development Project‘, waarbij kinderen zijn gevolgd van de vroege kindertijd tot in de late adolescentie. De uitkomsten van dit onderzoek waren erg consistent met het model. Sommige factoren uit het model hebben zowel een direct effect als een mediërend effect op de start met middelenmisbruik. Peerrelaties tijdens de adolescentie mediëren bijvoorbeeld het effect van opvoeding tijdens de adolescentie op de start met middelenmisbruik. Verder is gebleken dat monitoring en supervisie door ouders bij de sterkste predictoren van de start van middelenmisbruik horen.

Er zijn wel enkele kanttekeningen bij dit onderzoek te plaatsen. Ten eerste is het misschien niet generaliseerbaar naar andere steekproeven, doordat de interacties voor proefpersoonvariabelen niet heel duidelijk zijn. Ten tweede zegt het alleen iets over de start met middelenmisbruik, maar niet over de voortgang hiervan. Dit zou verder moeten worden onderzocht. Ten derde moeten de verschillende onderdelen van het model apart van elkaar worden onderzocht, waarbij wordt gecontroleerd voor leeftijd. Niet alle risicofactoren die aanwezig zijn in het leven van een kind hebben dezelfde impact op dezelfde leeftijd.

 

Implicaties voor beleidsvorming

Uit het dynamische ontwikkelingsmodel blijkt dat het ontwikkelingspad van middelengebruik al vroeg in het leven van kinderen start. Daarom zijn allereerst preventieve interventies gewenst. Met name economische steun aan families met jonge kinderen zou het ontwikkelingspad van middelenmisbruik al vroeg kunnen voorkomen of afbreken. Ouders met jonge kinderen hebben vaak te weinig financiële middelen door gebrek aan tijd om te werken of hun positie, terwijl juist in die vroege jaren de ontwikkeling van het kind baat heeft bij dingen die je aan kunt schaffen met geld. Ten tweede zouden scholen kinderen meer kunnen trainen in sociale vaardigheden, om afwijzing door peers te voorkomen. Ten derde kunnen ouders worden gestimuleerd om hun kinderen te monitoren en supervisie over hen te houden. Verder onderzoek is gewenst om deze interventies te testen op effectiviteit.

 

8. Huwelijkse problemen en het welzijn van kinderen

 

Studies naar huwelijkse problemen tonen aan dat zowel chronische ruzie tussen ouders als scheiding van ouders een risicofactor vormt voor een veelheid van problemen bij kinderen. Ook zijn er studies gedaan die aantonen dat deze problemen doorwerken tot in de volwassenheid. Kinderen waarvan de ouders veel conflicten hebben, laten als volwassenen een negatieve interpersoonlijke stijl zien die de kwaliteit van hun eigen huwelijk negatief beïnvloedt. Bij zulk soort studies naar de langetermijneffecten van huwelijkse problemen voor kinderen is het van belang dat longitudinaal onderzoek wordt gedaan. Hierbij wordt tijdens de kindertijd informatie verzameld over het huwelijk van ouders, waarna deze kinderen worden gevolgd tot in de volwassenheid.

Verschillende mechanismen lijken verantwoordelijk voor deze negatieve langetermijneffecten:

  • Het observeren van conflict tussen ouders is een directe stressor voor kinderen

  • Jonge kinderen geven zichzelf vaak de schuld voor huwelijkse problemen van ouders, wat resulteert in schuldgevoelens en een negatiever zelfbeeld

  • Er vindt vaak een ‘spillover-effect‘ plaats: conflict tussen ouders vloeit voort in conflict in de interacties met hun kinderen

  • Kinderen worden vaak betrokken bij conflicten tussen hun ouders

  • Ouders modelleren verbale en/of fysieke agressie voor hun kinderen, waardoor die leren dat meningsverschillen beter met conflict kunnen worden opgelost dan met gesprekken. Hierdoor leren ze niet de sociale vaardigheden aan om succesvolle relaties te hebben

  • Kinderen die uit families met veel conflict komen, gaan eerder uit huis en worden minder financieel gesteund door hun ouders, waardoor ze op jonge tijd werk moeten zoeken en dus niet gaan studeren. Ook trouwen zij eerder en krijgen eerder kinderen, wat een risicofactor vormt voor lage economische-, huwelijkse- en psychologische uitkomsten

Genetische effecten kunnen echter ook (deels) de oorzaak zijn van deze veronderstelde effecten van huwelijkse problemen. Erfelijke kenmerken zoals antisociaal gedrag of de onmogelijkheid om hechte relaties te hebben kunnen de directe oorzaak zijn van zowel huwelijkse problemen en scheiding als van problemen bij kinderen. Verschillende studies hebben echter effecten gevonden van huwelijkse problemen terwijl er was gecontroleerd voor relevante erfelijke aspecten. Ook zijn de associaties tussen huwelijkse problemen en vele problemen bij kinderen gelijk voor geadopteerde en biologische kinderen.

 

De Marital Instability-studie

De ‘Marital Instability Over the Life Course study‘ is een longitudinale studie waarbij op verschillende momenten het conflictniveau en de huwelijkse status van ouders is vastgesteld en vervolgens werd gekeken naar effecten hiervan op de kinderen, tot in de volwassenheid. De volgende uitkomsten van dit onderzoek zullen worden besproken: allereerst de algemene resultaten, vervolgens genderverschillen in deze effecten en daarna leeftijdsverschillen in deze effecten. Hierna zal worden beschreven of de effecten van huwelijks conflict lineair zijn. Tot slot zullen effecten van de mate van conflict voor en na een scheiding worden beschreven.

 

1. Algemene resultaten

Uit deze studie zijn de volgende resultaten gekomen: kinderen die een scheiding hadden meegemaakt, rapporteerden een lager psychologisch welzijn en een groter aantal verbroken relaties, genoten minder onderwijs en waren minder hecht met hun ouders dan kinderen met gelukkig getrouwde ouders. Ook hadden zij later zelf meer huwelijkse problemen.

Kinderen met ouders die wel veel conflicten hadden maar nooit zijn gescheiden, lieten veelal dezelfde problemen zien als kinderen met gescheiden ouders: een lager niveau van psychologisch welzijn, minder sociale steun, een slechtere relatie met de vader en meer conflict later in hun eigen huwelijk. Deze groep liet echter wel minder uitkomsten zien dan de scheiding-groep. Zij genoten bijvoorbeeld niet minder onderwijs en hadden niet meer verbroken relaties dan kinderen met gelukkig getrouwde ouders, in tegenstelling tot de scheiding-groep.

 

2. Genderverschillen

In deze studie is ook gekeken naar verschillen tussen jongens en meisjes. Over het algemeen waren de langetermijngevolgen van huwelijkse problemen en scheiding van ouders gelijk voor zonen en dochters. Er zijn echter wel twee verschillen gevonden:

  • Het effect van een scheiding op de vader-kindrelatie was twee keer zo groot voor dochters dan voor zonen

  • Het effect van huwelijks conflict op het aantal verbroken relaties was alleen aanwezig voor dochters, niet voor zonen

 

3. Leeftijdsverschillen

Verder is gekeken of er verschillen zijn in de effecten van een scheiding voor kinderen die een verschillende leeftijd hadden op het moment dat de scheiding plaatsvond. Die leeftijd varieerde van het eerste levensjaar tot 22 jaar. Gebleken is dat de leeftijd op het tijdstip van de scheiding gerelateerd is aan drie uitkomsten:

  • Onderwijsprestaties: er was alleen een negatief effect van scheiding op onderwijsprestaties voor kinderen waarbij de scheiding plaatsvond tijdens de peuter- of basisschoolperiode. Dit komt waarschijnlijk doordat deze jonge kinderen zich nog niet hebben ontwikkeld tot sterke of zwakke studenten, waardoor scheiding hier invloed op heeft

  • Waargenomen sociale steun: het effect van een scheiding op waargenomen sociale steun was het hoogst in de vroege volwassenheid. Waarschijnlijk leidt een scheiding voor jongeren op deze leeftijd tot een focus op de problemen van ouders in plaats van op hun eigen sociale ontwikkeling. Verder kunnen jongeren zich vervreemd voelen van één ouder, waardoor zij ook alle familie van die kant kwijtraken

  • Relaties met vaders: de effecten voor relaties met vaders werden kleiner naarmate de kinderen ouder waren op het tijdstip van de scheiding. Waarschijnlijk is het moeilijk voor vaders en kinderen om een hechte emotionele band te vormen wanneer ze fysiek gescheiden worden wanneer de kinderen nog jong zijn. Wanneer de scheiding plaatsvindt als kinderen al ouder zijn, is de vader-kindrelatie al gevormd en zijn er dus minder effecten

Conclusie: kinderen die jong zijn tijdens een scheiding doen het over het algemeen slechter op school en hebben een slechtere band met hun vader, maar netwerken van sociale steun ontwikkelen normaal. Oudere kinderen doen het over het algemeen juist goed op school en houden een goede band met hun vader, maar ervaren verbrekingen in andere sociale relaties.

Er is ook gekeken of de leeftijd op de tijd van blootstelling aan huwelijks conflict (waar geen scheiding op volgde) gerelateerd was aan het welzijn van kinderen op de lange termijn. Hieruit is gebleken dat er geen periode is waarin kinderen immuun of juist speciaal kwetsbaar zijn voor de negatieve effecten van conflict tussen hun ouders.

 

4. Zijn de effecten van huwelijks conflict lineair?

Over het algemeen is gebleken dat de effecten van huwelijks conflict (waar geen scheiding op volgde) op kinderen lineair zijn. Hoe meer conflicten, hoe meer negatieve effecten op de relatie met ouders en hoe lager het psychologisch welzijn. Er is echter één niet-lineair effect gevonden: er is geen verschil in de mate van later ervaren huwelijks conflict te zien tussen kinderen die vroeger zijn opgegroeid met ouders met gemiddelde niveaus van conflict en kinderen die zijn opgegroeid met ouders met hoge niveaus van conflict. Dit suggereert dat de kwaliteit van het huwelijk wordt doorgegeven van generatie op generatie: kinderen met harmonieuze ouders leren vaardigheden aan voor het op een goede manier oplossen van conflicten, terwijl kinderen met ouders met gemiddelde of hoge niveaus van conflict deze niet aanleren.

 

5. Effecten van de mate van conflict bij scheiding

In tegenstelling tot wat over het algemeen wordt gedacht, laten de meeste stellen in de tijd voor een scheiding een periode van weinig conflict zien. Een scheiding heeft vooral nadelige effecten voor kinderen wanneer er weinig conflict aan vooraf gaat. Dit lijkt vreemd, maar wordt waarschijnlijk veroorzaakt doordat de scheiding als een onwelkome verrassing komt voor kinderen wanneer er weinig conflict aan vooraf is gegaan. Wanneer er veel conflict is geweest voor de scheiding, vormt deze juist vaak als een opluchting voor hen.

Verder is gebleken dat de mate van conflict tussen ouders nadat een scheiding heeft plaatsgevonden geen relatie heeft met het welzijn van kinderen. In andere studies zijn hiervan wel effecten gevonden. Dit heeft er waarschijnlijk mee te maken dat er in deze studie veel tijd was voorbij gegaan sinds de scheiding, waardoor ouders weinig contact meer met elkaar hadden en dus ook weinig conflicten.

 

Implicaties voor beleidsvorming en onderzoek

Kunnen ouders op basis van deze bevindingen beter bij elkaar blijven voor hun kinderen of kunnen zij beter scheiden? Het is moeilijk om een eenduidig antwoord te geven op deze vraag.

Aan de ene kant is het beter om te scheiden dan in een huwelijk met een hoog conflictniveau te blijven, omdat het opgroeien met chronisch conflictueuze ouders een aantal problemen voorspelt voor kinderen. Een scheiding kan in dit geval een aantal van deze effecten verlichten, doordat kinderen worden weggehaald uit een omgeving vol conflict.

Aan de andere kant brengt een scheiding zelf hoge risico’s met zich mee, meer dan een huwelijk met conflicten. Het beste is misschien als ouders een scheiding uitstellen totdat kinderen de latere adolescentie hebben bereikt: dan zijn hun onderwijsprestaties en de relatie met hun vader minder kwetsbaar voor de stress van de scheiding.

Voor ouders die een huwelijk met een laag conflictniveau hebben maar die toch uit elkaar gegroeid zijn, is het voor hun kinderen beter wanneer zij bij elkaar blijven. Voor hen is het erg lastig, maar voor kinderen is deze situatie niet negatief, terwijl scheiding een hele range aan negatieve effecten met zich meebrengt.

De beste optie voor ouders is echter om hun huwelijk te proberen te redden met counseling of therapie. Wanneer beleidsmakers zich willen richten op het verbeteren van de situatie van kinderen, zouden deze services dus makkelijk beschikbaar moeten zijn voor ouders. Misschien is het op deze en andere manieren mogelijk om een beleid te vormen dat de kwaliteit en stabiliteit van huwelijken in de populatie verhoogt.

Toekomstig onderzoek zou allereerst beter moeten uitsluiten dat gevonden effecten van scheiding en conflict voor kinderen gemedieerd worden door genetische factoren. Verder zou het zich meer moeten richten op samples met gekleurde families en families met een laag inkomen. Ten slotte zou het de effectiviteit van interventies gericht op het helpen van kinderen na een scheiding moeten testen.

 

9. Invloed van conflict, scheiding en hertrouwen

Dit hoofdstuk richt zich op de invloed van veranderende familierelaties (door scheiding of hertrouwen) op jongeren van de vroege adolescentie tot de late adolescentie. Gegevens zijn gebaseerd op drie longitudinale studies.

 

Niet-gescheiden, gescheiden en hertrouwde families

De aanpassing van adolescenten in verschillende familietypen kan worden beschreven aan de hand van de volgende drie vragen, die achtereenvolgend zullen worden behandeld:

  • Zijn er verschillen in de aanpassing van adolescenten in verschillende typen families?

  • Zijn er verschillen in de aanpassing van jongens en meisjes en zijn deze gerelateerd aan de verschillende familietypen?

  • Hoe verandert de aanpassing wanneer adolescenten van de vroege adolescentie naar de midden-adolescentie overgaan?

De verschillende familietypen zijn: niet-gescheiden families met een hoog of laag niveau van huwelijks conflict, gescheiden families en simpele en complexe stiefgezinnen. In simpele stiefgezinnen hebben alle kinderen dezelfde biologische relatie tot de ouders: het zijn allemaal kinderen van de vader of allemaal kinderen van de moeder. In complexe stiefgezinnen hebben niet alle kinderen dezelfde biologische relatie tot de ouders: er zijn dan dus kinderen uit een vorig huwelijk van zowel de vader als de moeder, of er zijn zowel kinderen uit een vorig huwelijk van vader en/of moeder als nieuwe kinderen van het hertrouwde stel. In dit onderzoek is er al een aantal jaar gepasseerd na de scheiding of hertrouw, we hebben dus te maken met gestabiliseerde gescheiden of hertrouwde gezinnen.

 

1. Aanpassing van adolescenten in verschillende familietypen

Wat betreft aanpassing van adolescenten in verschillende familietypen zijn de volgende dingen gevonden:

- Adolescenten uit niet-gescheiden gezinnen met weinig conflict lieten meer competent gedrag en minder probleemgedrag zien dan adolescenten uit andere familietypen

- Adolescenten uit gescheiden gezinnen en complexe stiefgezinnen lieten de meeste problemen zien, meer dan kinderen uit niet-gescheiden gezinnen met veel conflict

- Adolescenten uit simpele stiefgezinnen waren echter beter aangepast dan adolescenten uit niet-gescheiden gezinnen met veel conflict en adolescenten uit complexe stiefgezinnen

- Adolescenten uit gescheiden gezinnen en complexe stiefgezinnen scoorden lager op sociale verantwoordelijkheid en cognitieve factoren en hoger op externaliserend gedrag en autonomie dan adolescenten uit niet-gescheiden gezinnen. De hogere score op autonomie wijst erop dat kinderen uit gescheiden gezinnen sneller opgroeien, waarschijnlijk doordat ze minder supervisie en controle ontvangen en meer verantwoordelijkheden krijgen binnen het gezin

Concluderend kan gezegd worden dat de meest gezonde situatie voor adolescenten een niet-gescheiden, harmonieus gezin is. Verder functioneren adolescenten in simpele stiefgezinnen relatief goed in vergelijking met adolescenten uit niet-gescheiden gezinnen met veel conflict en adolescenten uit complexe stiefgezinnen.

Tot slot is het belangrijk om te onthouden dat de meerderheid van adolescenten uit gescheiden gezinnen en complexe stiefgezinnen zich uiteindelijk weet aan te passen en binnen de niet-klinische range van aanpassing en welzijn valt, ook al laten zij meer probleemgedrag zien.

 

2. Aanpassing van jongens en meisjes

Er zijn genderverschillen gevonden in de aanpassing: meisjes waren meer sociaal en cognitief competent dan jongens en lieten minder externaliserend probleemgedrag zien. Zij lieten wel meer internaliserend probleemgedrag zien.

 

3. Van vroege adolescentie naar midden-adolescentie

Als jongens en meiden van de vroege adolescentie naar de midden-adolescentie overgingen, worden ze socialer, kregen ze meer autonomie en een beter zelfbeeld. Meisjes werden meer internaliserend, terwijl jongens juist minder internaliserend werden. De patronen waren gelijk voor de verschillende familietypen, met één uitzondering: meisjes uit gescheiden families lieten meer antisociaal, rebels, externaliserend gedrag zien.

 

Problemen voorafgaand aan een scheiding

Het ligt voor de hand om te denken dat aanpassingsproblemen bij kinderen uit gescheiden gezinnen veroorzaakt zijn door de scheiding zelf. Uit onderzoek is echter gebleken dat er een hele range van problemen is die vaker voorkomt bij volwassenen die later zullen scheiden dan bij volwassenen die niet zullen scheiden. Deze problemen zorgen ervoor dat in hun opvoeding meer conflict, negativiteit en prikkelbaarheid en minder warmte en controle aanwezig is. Ook hebben kinderen van ouders die later zullen scheiden meer gedragsproblemen. Waarschijnlijk hebben al deze factoren een genetische component: antisociale individuen kiezen eerder een ander antisociaal als individu, waardoor er meer kans is op een scheiding én op gedragsproblemen bij kinderen. Uit tweelingonderzoek is echter ook gebleken dat omgevingsfactoren een grote rol spelen in problemen die zowel volwassenen als kinderen hebben bij een ongelukkig huwelijk, conflict, een scheiding of hertrouwen.

 

Opvoeding in verschillende familietypen

Problemen in de aanpassing van kinderen na een scheiding of hertrouwen zijn vaak geassocieerd met inadequate opvoedingspraktijken door (stief)ouders. Biologische moeders worden in de periode na een scheiding minder alert en meer prikkelbaar, hard en inconsistent. Na enige tijd worden ze meer autoritatief, maar gescheiden moeders blijven over het algemeen minder competent dan niet-gescheiden moeders.

De relatie tussen gescheiden moeders en pre-adolescente zonen is met name problematisch. De relatie met pre-adolescente dochters is dan een stuk beter, maar dit verandert wanneer de kinderen in de midden-adolescentie komen. In de onderzochte families nam het conflict tussen ouders en zowel zonen als dochters namelijk toe wanneer deze in de midden-adolescentie kwamen. Warmte, controle en monitoring vanuit de ouders nam af. Dit patroon was te zien in alle familietypen, maar de toename in conflict was het grootst voor moeders met vroegrijpe dochters en voor gescheiden moeders en dochters.

Ouders waren meer betrokken bij hun biologische kinderen en toonden zowel meer positief als negatief affect naar hen dan naar stiefkinderen. Verder werden er opnieuw negatieve effecten gevonden in complexe stiefgezinnen: moeders waren negatiever naar hun biologische kinderen en stiefvaders waren negatiever naar hun stiefkinderen dan in simpele stiefgezinnen. Kort na het hertrouwen hadden stiefouders nog een vrij positieve houding naar hun stiefkinderen, maar wanneer deze in de adolescentie kwamen, escaleerde de relatie en werden stiefouders ongeduldig en negatief. Dit geldt met name voor stiefvaders en stiefdochters, aangezien stiefdochters vaak erg negatief zijn tegenover hun stiefvaders. Dit staat in contrast met de vaak goede relatie tussen biologische vaders en dochters.

Er waren geen verschillen in positieve reacties van adolescenten op hun biologische ouders in de verschillende familietypen. Zij reageerden echter minder positief op stiefouders dan op biologische ouders. Verder waren adolescenten uit hertrouwde gezinnen vaker ongehoorzaam en kritisch en toonden zij meer verzet en negatief affect.

 

Conflictstrategieën

Er kunnen vier verschillende conflictstrategieën worden onderscheiden bij huwelijkspartners:

  1. Vijandig-confronterend: gekenmerkt door veel uitgesproken negativiteit

  2. Vijandig-teruggetrokken: gekenmerkt door negatieve emotie, maar dan meer verdekt in plaats van uitgesproken (bijvoorbeeld door gezichtsuitdrukkingen)

  3. Betrokken: gekenmerkt door positieve emotie, argumentatie, compromis en frequentere conflictoplossing

  4. Conflictvermijdend: gekenmerkt door weinig conflicten, terugtrekkingsgedrag en neutraal of positief affect

Mannen zijn over het algemeen meer vijandig-teruggetrokken en minder vijandig-confronterend dan vrouwen. Beide vijandige conflictstrategieën hangen samen met minder tevredenheid in het huwelijk bij zowel mannen als vrouwen. Vrouwen waren minder tevreden over hun huwelijk wanneer ze een vijandig-teruggetrokken man hadden dan een vijandig-confronterende man, behalve wanneer er sprake was van fysiek geweld. Over het algemeen zijn conflictstrategieën van stellen in eerste huwelijken gelijk aan die van hertrouwde stellen, hoewel hertrouwde vrouwen vaker vijandig-confronterend zijn.

Conflictstrategieën zijn dus gerelateerd aan de mate van huwelijkse tevredenheid, stabiliteit en psychologisch welzijn. Deze factoren zijn gerelateerd aan zowel de kwaliteit van de opvoeding als de aanpassing van kinderen.

 

Spillover-effecten van conflictstrategieën

De ‘spillover-hypothese’ legt een verband tussen huwelijkse conflicten, opvoeding en aanpassingsproblemen bij kinderen: destructieve conflicten tussen ouders ondermijnen de kwaliteit van de opvoeding, waardoor ouder-kindrelaties en relaties tussen brusjes slechter worden, wat een negatieve invloed heeft op de aanpassing van het kind.

Constructieve (opbouwende) conflicten hebben juist een positieve invloed op familierelaties en het welzijn van kinderen.

Bij vaders zijn er duidelijke spillover-effecten te zien van de conflictstrategie met hun partner op de relatie met kinderen, met name met dochters. Vaders die vijandig-confronterend of vijandig-teruggetrokken waren of waarvan de vrouwen vijandig-confronterend of vijandig-teruggetrokken waren, waren meer prikkelbaar en minder warm en betrokken met hun kinderen.

Ook moeders die vijandig-confronterend of –teruggetrokken waren, waren negatiever naar hun kinderen toe. Het opvoedingsgedrag van moeders bleek echter onafhankelijk te zijn van de conflictstrategie van vaders.

 

Invloed van conflictstrategieën op adolescenten

Allereerst is gekeken naar de samenhang tussen conflictstrategieën van ouders op de aanpassing van adolescenten. Adolescenten met vijandig-confronterende of vijandig-teruggetrokken ouders scoorden hoger op externaliserend gedrag en lager op cognitieve factoren en sociale verantwoordelijkheid dan adolescenten met betrokken of conflictvermijdende ouders. Verder scoorden adolescenten met vijandig-teruggetrokken ouders hoger op internaliserend gedrag dan adolescenten met vijandig-confronterende ouders.

Ten tweede is gekeken naar de samenhang tussen conflictstrategieën van ouders en de relatie van adolescenten met brusjes en peers. Zij lieten in relaties met brusjes en peers meer negatief affect en minder argumentatie zien wanneer zij vijandig-teruggetrokken of vijandig-confronterende ouders hadden. Adolescenten met vijandig-confronterende ouders waren agressiever en slaagden minder vaak in het oplossen van conflicten dan adolescenten met vijandig-teruggetrokken ouders. Ook waren adolescenten met betrokken ouders meer assertief en waren zij minder bereid om hun mening op te geven in relatie met peers of brusjes dan adolescenten met conflictvermijdende ouders. Adolescenten met conflictvermijdende ouders waren veel minder assertief en lieten vaak een passieve acceptatie van de mening van peers of brusjes zien.

Ten derde is gekeken naar de samenhang tussen conflictstrategieën van ouders en positieve reacties van adolescenten op ouders. Voor alle familietypen is gebleken dat adolescenten positiever op ouders reageren wanneer ouders conflictvermijdend zijn dan wanneer zij één van de vijandige stijlen hebben.

Ten slotte is gekeken naar de effecten van verschillende combinaties van conflictstrategieën. Uit eerdere analyses is gebleken dat adolescenten uit gescheiden en hertrouwde gezinnen meer externaliserend gedrag vertonen dan adolescenten uit niet-gescheiden gezinnen. Dit is echter alleen het geval wanneer één van de ouders of beide ouders uit het gescheiden of hertrouwde gezin een vijandige stijl hebben. Wanneer één van de ouders een vijandige stijl heeft, zijn de negatieve effecten voor de adolescent minder groot dan wanneer beide ouders een vijandige stijl hebben. Tot slot laten adolescenten uit gescheiden en hertrouwde gezinnen waar beide ouders een betrokken of conflictvermijdende stijl hebben minder externaliserend gedrag zien dan adolescenten uit niet-gescheiden gezinnen waar beide ouders een vijandige stijl hebben.

 

Familieprocessen en de aanpassing van adolescenten

Ook is onderzocht of familieprocessen samenhangen met de aanpassing van adolescenten. Ten eerste is gebleken dat bijna alle effecten van conflictstrategieën op de aanpassing van kinderen gemedieerd worden door de kwaliteit van de opvoeding. Ten tweede is gebleken dat de kwaliteit van de huwelijkse relatie voor moeders minder invloed heeft op hun opvoeding, met één uitzondering: wanneer moeders een vijandige stijl hebben naar hun echtgenoot toe, vloeit dit voort naar de relatie met hun kinderen. Verder is gebleken dat voor zowel moeders als vaders een autoritatieve opvoedingsstijl samenhangt met minder psychopathologie en een verhoogde score op sociale verantwoordelijkheid en cognitieve factoren bij hun adolescente kinderen. Negatieve conflicten tussen ouders en kinderen hebben echter een grotere invloed op psychopathologie dan een gebrek aan autoritatieve opvoeding.

Ten slotte is gebleken dat de aanpassing van adolescenten vrij consistent is van vroege adolescentie naar late adolescentie. Blijkbaar hebben genetische factoren en eerdere ervaringen al het fundament gelegd voor latere aanpassing.

 

Implicaties voor onderzoek en beleidsvorming

Voor toekomstig onderzoek zijn er de volgende aanbevelingen:

  • Families moeten longitudinaal worden gevolgd, zodat alle factoren vóór en na de scheiding kunnen worden meegenomen in een analyse van de aanpassing van adolescenten

  • Meer genetische studies zijn nodig om erachter te komen in hoeverre scheiding en uitkomsten voor kinderen genetisch bepaald zijn

  • De studies uit dit hoofdstuk zijn gedaan onder families uit de Amerikaanse, blanke middenklasse. Er zijn meer studies nodig in andere landen, onder andere etniciteiten en lagere inkomens

Het Amerikaanse landelijke beleid richt zich recentelijk op het voorkomen van scheidingen en dus het stimuleren van traditionele familievormen. Uit dit hoofdstuk is echter gebleken dat het stimuleren van mensen om in destructieve, conflictueuze huwelijken te blijven meer kwaad dan goed doet voor kinderen. Het is namelijk niet de structuur van de familie, maar de familieprocessen die kritiek zijn voor het welzijn van kinderen. Daarom kunnen politieke programma’s zich beter richten op het stimuleren van constructieve familieprocessen en competent ouderschap, ook in stiefgezinnen. Dit kan door effectieve therapeutische interventies te faciliteren die conflict verminderen en positief ouderschap stimuleren.

 

10. De ontwikkeling van adolescenten in hoogconflict- en gescheiden gezinnen

 

Ook dit hoofdstuk richt zich op de samenhang van hoog conflict en van een scheiding en de ontwikkeling van adolescenten. Het verschil met voorgaande hoofdstukken is dat het onderzoek waar dit hoofdstuk op gebaseerd is in Duitsland is uitgevoerd in plaats van Amerika. De situatie in Duitsland is anders: er zijn minder gescheiden gezinnen, omdat getrouwde stellen volgens de wet verplicht zijn om een jaar apart van elkaar te leven voordat ze officieel mogen scheiden. Sommige stellen kiezen er daarom voor om nooit te scheiden, hoewel ze wel apart leven. Hierdoor zijn er in deze studie ook getrouwde, apart wonende ouders betrokken.

In deze Duitse studie zijn kinderen zes jaar lang gevolgd, vanaf de late kindertijd tot de late adolescentie. Er is gekeken of jongeren uit lang gescheiden gezinnen door de tijd heen meer problemen rapporteren dan jongeren uit niet-gescheiden gezinnen. Ook zijn gezinnen met alleenstaande ouders vergeleken met stiefgezinnen.

 

De ontwikkeling van adolescenten per familietype

In deze studie werden vier familietypen onderscheiden: stabiele kerngezinnen (met twee biologische ouders), alleenstaande moedergezinnen, stabiele stiefgezinnen en gezinnen in overgang (waarbij een stiefouder erbij kwam of wegging tijdens de studie).

Er werden verschillende effecten van familietype gevonden op de ontwikkeling van adolescenten:

  • Adolescenten uit alleenstaande moedergezinnen hadden minder integratie met peers dan adolescenten uit stabiele stiefgezinnen

  • Adolescenten uit stabiele kerngezinnen waren minder explosief en minder delinquent dan adolescenten uit de andere familietypen

  • Er ontstonden met de tijd verschillen in eigenwaarde en depressieve symptomen tussen de verschillende familietypen: na afloop van de zes jaar hadden adolescenten uit stabiele kerngezinnen de hoogste eigenwaarde en de minste depressieve symptomen. Adolescenten uit gezinnen in overgang hadden de laagste eigenwaarde en de meeste depressieve symptomen. Adolescenten uit stabiele stiefgezinnen en alleenstaande moedergezinnen lieten wat deze factoren betreft een ontwikkeling zien vergelijkbaar met adolescenten uit stabiele kerngezinnen

Deze bevindingen suggereren dat adolescenten uit stabiele gescheiden gezinnen niet meer psychosociale problemen hebben dan adolescenten uit stabiele kerngezinnen, terwijl dit wel het geval is voor adolescenten uit gezinnen in overgang.

 

Effecten van leeftijd, gender en tijd sinds scheiding

Er is allereerst gekeken of effecten van familietype verschillen per leeftijd. Er werd gevonden dat adolescenten uit gezinnen in overgang hun academische competentie beschreven als lager dan adolescenten uit andere familietypen. Dit gold alleen voor de subgroep van vroege adolescenten. Dit effect moet niet overschat worden, omdat het niet in lijn is met de bevindingen uit hoofdstuk H. Daar was juist gevonden dat er de meeste negatieve effecten op academische competentie zijn wanneer een scheiding vroeg in het leven van kinderen plaatsvindt. Verder is gebleken dat er de meeste kans is op het ontstaan van delinquentie bij jongeren in de midden-adolescentie die in gezinnen in overgang leefden.

Verder is er gekeken of effecten van familietype verschillen tussen jongens en meisjes. Er zijn hierbij geen verschillen gevonden.

Ook zijn er geen significante effecten gevonden voor de tijd die voorbij is gegaan sinds de scheiding.

 

Effecten van conflicten tussen ouders

Bij scheidingen komen vaak veel conflicten tussen ouders kijken. De ongunstige gevolgen van een scheiding worden dan ook voor een deel veroorzaakt door deze conflicten. Deze conclusie is getrokken onder andere uit bewijs dat kinderen uit niet-gescheiden gezinnen met een hoog conflictniveau dezelfde problemen vertonen als kinderen uit gescheiden gezinnen. Conflict heeft een directe invloed op kinderen, maar kan ook via ‘spillover-effecten’ overgedragen worden op de ouder-kindrelatie, zie hiervoor ook het vorige hoofdstuk.

De ‘exposure-hypothese stelt dat de negatieve impact van conflict tussen ouders kleiner is voor kinderen in gescheiden gezinnen dan kinderen in niet-gescheiden gezinnen. Kinderen in gescheiden gezinnen zouden volgens deze hypothese minder worden blootgesteld aan conflict tussen hun ouders, makkelijker loyaal kunnen zijn aan één van beide ouders en er zouden minder snel spillover-effecten plaatsvinden. Er is bewijs gevonden voor deze hypothese, maar er is ook bewijs wat dit tegenspreekt. Het kan ook zo zijn dat kinderen uit gescheiden gezinnen juist met een ‘dubbele dosis‘ van stressoren te maken hebben: door het hele proces van de scheiding kunnen ze allereerst minder aan. Verder is er de ervaring van langdurig onopgelost conflict tussen hun ouders. Tot slot kan de stress die de ouder waar ze bij wonen ervaart door conflicten met de ex-partner via de opvoeding ook invloed hebben op hen.

In dit Duitse onderzoek is ook onderzocht of de invloed van conflict tussen ouders op adolescenten verschilt tussen niet-gescheiden en gescheiden gezinnen. Er zijn hierbij veel effecten van conflict tussen ouders gevonden, meer dan voor een scheiding op zichzelf. Deze effecten waren echter hetzelfde voor niet-gescheiden en gescheiden gezinnen. Op volgorde van grootte waren er significante effecten van ouderlijk conflict op depressieve symptomen, explosiviteit, integratie met peers, afwijzing door peers, eigenwaarde en lichamelijke klachten bij adolescenten.

 

Effecten op de relatie met vaders en moeders

Verder is gekeken of scheiding en/of conflict tussen ouders invloed heeft op de relatie met de moeder. Er bleek geen effect te zijn. Conflict tussen ouders heeft echter hoog significante effecten: het zorgt voor een verstoorde relatie met de moeder. Dit geldt voor zowel niet-gescheiden als gescheiden gezinnen.

Op de relatie met de vader heeft een scheiding daarentegen wel effect: adolescenten met gescheiden ouders hadden een minder hechte relatie met hun vader dan adolescenten uit niet-gescheiden gezinnen. Conflict tussen ouders heeft op de vader-kindrelatie ook negatieve effecten, maar alleen voor niet-gescheiden gezinnen. Dit vormt bewijs voor de exposure-hypothese, aangezien er dus in stabiele kerngezinnen meer negatieve impact is gevonden van conflict tussen ouders.

 

Spanning in de relatie met moeder als mediator

Ook is er gekeken of spanning in de relatie met moeder als mediator fungeert tussen ouderlijk conflict en het welzijn van adolescenten. Er is gekozen voor de relatie met moeder in plaats van die met vader, omdat is gevonden dat interpersoonlijk conflict zowel in niet-gescheiden als in gescheiden gezinnen impact heeft op de moeder-kindrelatie. Hierbij is inderdaad gevonden dat de spanning in de relatie met moeder als mediator fungeert. Dit is bewijs voor de spillover-hypothese, die aangeeft dat de spillover van ouderlijk conflict op de ouder-kindrelatie verantwoordelijk is voor de nadelige effecten op het welzijn van adolescenten.

 

Effecten van scheiding en conflict op romantische relaties van adolescenten

Tot slot is onderzocht of er effecten van scheiding en conflict zijn op romantische relaties van adolescenten. Dit bleek inderdaad zo te zijn: zowel adolescenten uit gescheiden gezinnen als adolescenten uit niet-gescheiden gezinnen met een hoog conflictniveau waren meer onzeker in hun romantische relaties. Verder was onzekerheid in de relatie met moeder significant gerelateerd aan onzekerheid van adolescenten in hun romantische relaties. Waarschijnlijk heeft conflict tussen ouders dus invloed op de romantische relaties van adolescenten via hun relatie met de moeder. Dit verklaart echter niet de effecten van scheiding op hun romantische relaties, aangezien hierboven is geschreven dat scheiding geen significante effecten heeft op de moeder-kindrelatie.

 

Conclusie

Deze studie heeft geen nadelen gevonden voor adolescenten uit alle gescheiden gezinnen ten opzichte van adolescenten uit stabiele kerngezinnen: adolescenten die zijn opgegroeid in alleenstaande moedergezinnen of in stabiele stiefgezinnen lieten geen lagere niveaus van welzijn of sociale en academische competenties zien. Wel was de scheiding al vele jaren geleden in deze gezinnen: ze hebben de tijd gehad om te stabiliseren.

Er is echter één familietype waarin adolescenten het wel slechter doen: de gezinnen in overgang, waar er net een nieuwe stiefouder bij is gekomen of waar het juist uit is gegaan tussen de biologische ouder en de stiefouder. Deze adolescenten lieten verhoogde emotionele- en gedragsproblemen zien. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de stabiliteit van de familie de belangrijkste factor is voor adolescenten, en niet per se of er een scheiding heeft plaatsgevonden of niet.

Conflict tussen ouders heeft echter wel in alle gevallen nadelige effecten voor het welzijn van adolescenten. Dit werkt door middel van spillover-effecten van conflict in de ouder-kindrelatie, wat het gevoel van onzekerheid van de adolescent sterk verhoogt, met name in de moeder-kindrelatie. Dit heeft ook negatieve invloed op romantische relaties van de adolescent.

 

Implicaties voor de praktijk en onderzoek

Voor de praktijk is het ten eerste belangrijk dat er wordt gefocust op overgangen in gezinnen, omdat is gebleken dat die voor de meeste stress en nadelige effecten voor adolescenten zorgen. Ouders hebben leiding en steun nodig om sensitief te zijn in deze fasen, juist ook stiefouders. Ten tweede moet er ook een focus zijn op niet-gescheiden gezinnen, omdat ook daar veel ouderlijk conflict aanwezig kan zijn wat de ontwikkeling van de kinderen in gevaar kan brengen. Preventieve interventies om jonge stellen te leren om effectief te communiceren en samenwerken zijn gewenst. Ten slotte moeten interventies zich niet alleen focussen op jonge kinderen, maar moeten ouders ook juist ondersteund worden wanneer hun kinderen in de adolescentie terecht komen.

Voor toekomstig onderzoek is het belangrijk om de romantische relaties van adolescenten niet te negeren, omdat er een direct effect van scheiding van ouders hierop blijkt te zijn. Op deze manier kunnen de effecten van scheiding van ouders op het latere huwelijk van mensen, die wel al veel zijn onderzocht, wellicht beter worden begrepen.

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  3. Search tool: quick & dirty - not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is available at the bottom of most pages or on the Search & Find page
  4. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Quick links to WorldSupporter content for universities in the Netherlands

Follow the author: Vintage Supporter
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.