Oefenpakket Inleiding Strafrecht

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


Tentamen september 2013

Casus – Van Gogh Los

De broers Bram en Mike hebben een rijk crimineel verleden. In de loop der jaren zijn ze met name bedreven geraakt in woninginbraken, maar nu acht Bram de tijd rijp voor het grotere werk. Daarom heeft hij een aantal weken geleden het plan opgevat een kunstroof te doen. De keuze valt op een zelfportret van Vincent van Gogh dat in het Van Gogh museum in Amsterdam hangt. Na een aantal weken van voorbereiding brengen Bram en Mike het plan van Bram in de nacht van zondag 19 maart 2012 op maandag 20 maart 2012 tot uitvoering. Op de bewuste zondag kopen zij een kaartje bij het museum en smokkelen de spullen die ze nodig hebben bij de roof onder hun kleding mee naar binnen. Aan het eind van de middag verlaat Mike het museum via de bezoekersuitgang, terwijl Bram in het museum achterblijft en zich verstopt in één van de toiletten. Om twee uur ’s nachts komt hij in actie. Binnen luttele seconden schakelt hij het infrarood alarm uit, zodat hij ongestoord de museumzalen kan betreden. Vervolgens boort hij met een kleine handboor het slot uit een raam aan de straatkant, waarna hij zich richting het bewuste doek begeeft. Daar aangekomen trekt hij het doek een stukje weg van de muur en knipt met een tang behendig de beveiligingsdraden los. Met het doek onder zijn arm rent hij richting het raam aan de straatkant, waar Mike hem staat op te wachten. Mike zet snel een trapje tegen de buitenmuur, pakt het schilderij aan en legt het in de vluchtauto. Als ook Bram beneden is, springen zij samen in de auto en rijden met hoge snelheid de nacht in.

 

Gealarmeerd door een door Bram niet uitgeschakeld beveiligingssysteem komt de politie gelijk in actie. Ook wordt het OM onmiddellijk op de hoogte gesteld van de roof. De uitvalswegen van Amsterdam worden zo snel mogelijk afgesloten en de directe omgeving van het Van Gogh museum wordt uitgekamd. Tevergeefs, de kunstrovers zijn al gevlogen. Het rechercheonderzoek in en rond het museum levert meer op. Na snelle bestudering van de banden van de beveiligingscamera’s bij de ingang van het museum, constateert de politie dat twee mannen het museum samen hebben betreden, maar dat slechts één van hen het museum ook heeft verlaten. Nu er geen enkel spoor van braak vanaf buiten is aangetroffen, gaat de politie er vanuit dat de kunstroof van binnenuit heeft plaatsgevonden. Natrekking van de beeltenissen van de twee mannen in het politiearchief leert dat het hier mogelijk gaat om Bram en Mike en dat zij eerder in aanraking zijn geweest met politie en justitie wegens woninginbraak. Vanaf dat moment worden Bram en Mike door de politie en het OM aangemerkt als verdachte.

 

Op 20 maart om 7.00 uur besluiten officier van justitie De Vries en rechercheurs JAmyen en Van Beek, beiden opsporingsambtenaren in de zin van artikel 141 sub b Sv en beiden hulpofficier van justitie, dat er snel moet worden gehandeld. In afwachting van de nadere uitkomsten van het buurtonderzoek en het technisch onderzoek in het museum, worden JAmyen en Van Beek alvast richting de woning van de beide broers gestuurd. Zij laten zich hierbij vergezellen door de agenten Dijkstra en De Boer, beiden opsporingsambtenaren in de zin van artikel 141 sub b Sv doch geen hulpofficier van justitie. Bij de woning aangekomen ziet het viertal dat er binnen de woning licht brandt. Hierop besluiten zij de woning een tijdje in de gaten te houden, in de hoop dat de beide broers – al dan niet met het schilderij – naar buiten zullen komen. Na ongeveer een uur komen de beide broers inderdaad naar buiten, maar zonder een pakket dat het schilderij zou kunnen bevatten. Ze stappen in hun auto en rijden rustig de straat uit. JAmyen en Van Beek besluiten de taken te verdelen: JAmyen en Dijkstra zullen het huis van de beide broers binnengaan om te kijken of het schilderij in het huis is achtergebleven, terwijl Van Beek en De Boer de beide broers onopvallend en op gepaste afstand zullen blijven volgen.

 

Voordat JAmyen en Dijkstra de woning van de broers betreden, nemen zij contact op met officier van justitie De Vries die hen direct schriftelijk machtigt tot het betreden van de woning ter inbeslagneming van het schilderij, voor het geval zij dat in de woning aantreffen. Na het telefoongesprek komen JAmyen en Dijkstrain actie, ze forceren het slot van de voordeur van de beide verdachten en betreden de woning. Nadat zij alle kamers hebben doorlopen en niets hebben aangetroffen, doorzoeken JAmyen en Dijkstraalle kasten van de woning. Wanneer ook dit geen succes oplevert, gaan zij grondiger te werk. Ze schuiven het meubilair van de muur, tillen de bedden van de grond en beginnen te tikken op vloeren en muren, op zoek naar eventuele holle ruimtes. Helaas levert hun zoektocht niets op. Eenmaal terug in hun auto stellen ze hun collega’s op de hoogte van hun verrichtingen.

 

Nadat zij zijn ingelicht door hun collega’s, besluiten Van Beek en De Boer dat het hun beurt is om tot actie over te gaan. Ze halen Bram en Mike in en dwingen hen te stoppen. Omdat Van Beek eerst met zekerheid de identiteit van de beide jongens wil vaststellen, vraagt hij Bram naar zijn rijbewijs. Inzage in het rijbewijs bevestigt Van Beek in zijn vermoeden dat hij hier te maken heeft met de verdachten. Hierop vraagt hij de beide jongens waarheen zij op weg zijn. Bram antwoordt: ‘Gewoon naar een klant. Waarom wilt u dat weten, agent?’. Dan valt het oog van Van Beek op een groot bruin pak dat plat op de achterbank ligt. ‘Wat zit er in dat pak, als ik mag vragen?, vraagt hij. Bram antwoordt dat het een levering voor een klant is. Hierop besluit Van Beek dat het welletjes is en voegt de beide jongens toe: ‘Heren, ik verzoek u uit te stappen, ik houd u bij deze aan op verdenking van diefstal van een kostbaar schilderij.’ De beide broers gehoorzamen en worden door Van Beek en De Boer ingerekend. Bij de latere doorzoeking van de auto van de broers wordt het schilderij echter niet aangetroffen.

 

Na aankomst op het bureau om 12.00 uur worden beide broers opgehouden voor onderzoek en direct – zonder overleg te hebben kunnen voeren met een raadsman – aan een verhoor onderworpen. Hierbij bekennen zij die dag daarvoor naar het Van Gogh museum te zijn geweest, maar ontkennen elke betrokkenheid bij de diefstal. Om 21.00 uur worden zij in verzekering gesteld door Van Beek en De Boer. Op donderdag 23 maart 2012 worden Bram en Mike om 10.00 uur voorgeleid bij de rechter-commissaris die hen voor veertien dagen in bewaring stelt. Hierna wordt de gevangenhouding van de beide broers voor de duur van negentig dagen bevolen. Op 10 juni 2012 wordt aan de beide broers op rechtens correcte wijze een dagvaarding betekend.

Aan zowel Bram als Mike wordt tenlastegelegd dat:

 

1.

hij op of omstreeks de periode van 19 maart 2012 tot en met 20 maart 2012 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, althAmy alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen het schilderij ‘Zelfportret’ van Vincent van Gogh, althAmy een schilderij, althAmy enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het Van Gogh museum, althAmy aan een ander dan verdachte en/of zijn mededader(s).

(artikel 310 jo. 311 lid 1 sub 4° Wetboek van Strafrecht)

 

2.

hij op of omstreeks de periode van 19 maart 2012 tot en met 20 maart 2012 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een raam, althAmy een goed, geheel of ten dele toebehorende aan het Van Gogh museum, althAmy aan een ander dan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door met een boormachine, althAmy met een stuk gereedschap, het slot van dat raam te forceren en/of uit dat raam te boren.

(artikel 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

 

Uiteindelijk wordt de zaak na een eerdere pro forma zitting op 6 september 2012 inhoudelijk behandeld. De beide broers verblijven op dat moment nog steeds in voorlopige hechtenis.

 

 

 

Meerkeuzevragen met vier alternatieven naar aanleiding van de casus

 

Vraag 1
Waren de vier opsporingsambtenaren bevoegd de woning van Bram en Mike in de gaten te houden?

  1. Nee, een opsporingsambtenaar is slechts bevoegd tot observatie na een bevel hiertoe van de officier van justitie;

  2. nee, er was geen sprake van een heterdaad situatie;

  3. ja, zij waren hiertoe bevoegd op grond van artikel 3 Politiewet 2012 en artikel 141 Sv;

  4. ja, zij waren hiertoe bevoegd op basis van de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Vraag 2
Waren de agenten JAmyen en Dijkstra bevoegd de woning van Bram en Mike te betreden en te doorzoeken ter inbeslagneming van het schilderij?

  1. Zij waren noch tot het betreden van de woning noch tot het doorzoeken van de woning bevoegd;

  2. zij waren wel bevoegd tot het betreden van de woning, maar zij waren niet bevoegd tot het doorzoeken van de woning;

  3. zij waren zowel tot het betreden van de woning als tot het doorzoeken van de woning bevoegd;

  4. dat hangt af van de vraag of de agenten zich daarbij hebben gehouden aan de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging.

Vraag 3
Was opsporingsambtenaar Van Beek bevoegd Bram en Mike te vragen waarheen zij op weg waren en wat er in het bruine pakket op de achterbank zat?

  1. Ja, er was immers slechts sprake van toezicht;

  2. ja, maar Van Beek had Bram en Mike eerst de cautie moeten geven;

  3. nee, hiermee maakte Van Beek een ernstige inbreuk op de grondrechten van Bram en Mike;

  4. nee, er was immers geen sprake van een verhoorsituatie.

 

Vraag 4
Op welke datum is in de onderhavige casus volgens de systematiek van het Wetboek van Strafvordering de vervolging gestart?

  1. 20 maart 2012;

  2. 23 maart 2012;

  3. 10 juni 2012;

  4. 6 september 2012.

Vraag 5
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting voeren Bram en Mike bij monde van hun raadsman het verweer dat zij voorafgaand aan hun eerste verhoor toegang tot een raadsman hadden moeten hebben. Welke van de volgende stellingen is in dit verband juist?

  1. Dit verweer is niet gegrond, aangezien Bram en Mike door bij hun eerste verhoor een verklaring af te leggen, afstand hebben gedaan van hun consultatierecht;

  2. dit verweer is niet gegrond, nu het consultatierecht slechts geldt vanaf het moment van inverzekeringstelling;

  3. dit verweer is gegrond, maar dit behoeft geen consequenties te hebben nu Bram en Mike hierdoor niet in hun belangen zijn geschaad;

  4. dit verweer is gegrond, hetgeen dient te leiden tot uitsluiting voor het bewijs van de tijdens het eerste verhoor afgelegde verklaringen.

Vraag 6
Om wat voor type tenlastelegging gaat het in deze casus?

  1. Een enkelvoudige tenlastelegging;

  2. een gekwalificeerde tenlastelegging;

  3. een primair/subsidiaire tenlastelegging;

  4. een cumulatieve tenlastelegging.
     

Vraag 7
Hoe kan het onder 1 tenlastegelegde delict het best worden omschreven?

  1. Als een commissiedelict;

  2. als een materieel omschreven delict;

  3. als een door het gevolg gekwalificeerd delict;

  4. als een culpoos delict.
     

Vraag 8
Stel dat het schilderij beschadigd in de auto van Bram en Mike zou zijn aangetroffen en dat de schade op € 120.000,- wordt begroot. Kan het Van Gogh museum deze schade in de context van het strafproces op Bram en Mike verhalen?

  1. Ja, mits wordt aangenomen dat Bram en Mike naar burgerlijk recht aAmyprakelijk zijn voor de schade aan het schilderij;

  2. nee, een dergelijke vordering is te hoog om in de context van het strafproces te kunnen behandelen;

  3. nee, er is hier immers geen sprake van rechtstreekse schade;

  4. nee, maar de rechter kan wel uit eigen beweging een schadevergoedingsmaatregel in de zin van art. 36f Sr aan Bram en Mike opleggen.
     

Vraag 9
Bram en Mike worden op 20 september 2012 zowel ter zake van diefstal in vereniging (artikel 310 jo. 311 lid 1 sub 4° Sr) als ter zake van vernieling (artikel 350 lid 1 Sr) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaar. Tegen dit vonnis wordt noch door het Openbaar Ministerie noch door de beide broers hoger beroep ingesteld.

Omstreeks welke dag zullen Bram en Mike dan weer op vrije voeten komen?

  1. Op of omstreeks 20 maart 2016;

  2. op of omstreeks 20 september 2016;

  3. op of omstreeks 20 maart 2018;

  4. op of omstreeks 20 september 2018.

 

 

Einde meerkeuzevragen naar aanleiding van de casus

 

Meerkeuzevragen met twee alternatieven

 

Vraag 10
Nederland kent een negatief wettelijk bewijsstelsel. Dit houdt in dat de rechter alleen maar gebruik mag maken van hetgeen in de wet als bewijsmiddelen is aangewezen. Daarnaast moet de rechter op grond van de bewijsmiddelen ook de overtuiging hebben bekomen dat de verdachte het ten laste gelegde begaan heeft.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

 

Vraag 11
Verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer zijn beide maatregelen gericht op het uit de samenleving halen van voorwerpen die naar aanleiding van een mogelijk gepleegd strafbaar feit in beslag zijn genomen.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

Vraag 12
Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, is strafbaar indien de voorbereiding zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

Vraag 13

Bij een voorwaardelijke veroordeling wordt altijd de algemene voorwaarde gesteld dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een nieuw strafbaar feit. Daarbovenop kunnen eventueel bijzondere voorwaarden worden gesteld waaraan de veroordeelde zich binnen de proeftijd moet houden.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

Vraag 14
Indien de officier van justitie ervoor kiest een aantal strafbare feiten ad informandum te voegen aan de dagvaarding en de rechter deze feiten ook als zodanig afdoet, is er ten aanzien van die feiten geen sprake van vervolging. Hierdoor stuit een eventueel latere vervolging van deze feiten niet af op het ne bis in idem beginsel.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

Vraag 15
Het legaliteitsbeginsel staat in de weg aan de toepassing van extensieve interpretatie.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

Vraag 16
Op verzoek van de verdachte kan de rechter-commissaris bevelen dat een getuige de status van bedreigde getuige krijgt toegekend.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

Vraag 17
In het De auditu arrest (HR 20 december 1926, NJ 1927, 85) heeft de Hoge Raad een belangrijke nuancering aangebracht op het beginsel van interne openbaarheid.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

Vraag 18
Van de deelnemingsvorm doen plegen (art. 47 lid 1, 1° Sr) is alleen sprake als degene die het gedrag uit de delictsomschrijving heeft verricht, niet kan worden gestraft.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

Vraag 19
In de delictsomschrijving van strafbare feiten die als misdrijven zijn aangewezen, is altijd een subjectief bestanddeel opgenomen.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

 

 

 

Meerkeuzevragen met vier alternatieven

 

Vraag 20
Mees moet op 10 april 2013 voor de meervoudige kamer in Den Haag verschijnen. Hem wordt een diefstal (art. 310 Sr) gepleegd op 5 maart 2013 en vernieling (art. 350 lid 1 Sr) gepleegd op 8 maart 2013 ten laste gelegd. Wat is de maximale duur van de gevangenisstraf die in dit geval aan Karel kan worden opgelegd indien de rechter tot een veroordeling komt?

  1. 2 jaar

  2. 4 jaar

  3. 5 jaar en 4 maanden

  4. 6 jaar

Vraag 21
Welke stelling over schulduitsluitingsgronden is niet juist?

  1. Een geslaagd beroep op een schulduitsluitingsgrond leidt in beginsel tot ontslag van alle rechtsvervolging. Dit is anders bij een culpoos delict, waarbij een geslaagd beroep op een schulduitsluitingsgrond leidt tot vrijspraak;

  2. schulduitsluitingsgronden tasten de verwijtbaarheid aan;

  3. afwezigheid van alle schuld is een buitenwettelijke schulduitsluitingsgrond, ontwikkeld door de Hoge Raad in het Veearts-arrest (HR 20 februari 1933, NJ 1933, 918);

  4. een geslaagd beroep op een schulduitsluitingsgrond zorgt ervoor dat de dader niet meer strafbaar is.

Vraag 22
Robin heeft een dagvaarding uitgereikt gekregen waarin hem een gewapende overval ten laste wordt gelegd. Hij meent echter dat het voor hem te belastend is om voor de rechtbank te verschijnen. Daarom stelt hij bezwaar in tegen de dagvaarding. Wat is niet juist met betrekking tot dit bezwaar?

  1. De rechtbank toetst de vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie integraal;

  2. het bezwaar moet binnen acht dagen na de betekening van de dagvaarding worden ingediend bij de rechtbank;

  3. het bezwaar wordt door de raadkamer van de rechtbank achter gesloten deuren behandeld;

  4. de ratio van het bezwaar is het bieden van een waarborg tegen het terechtstaan in het openbaar.

 

Vraag 23
De tweede hoofdvraag van art. 350 Sv die de rechter moet beantwoorden betreft de zogeheten kwalificatievraag. Welk van de onderstaande gevallen staat niet in de weg aan een positieve beantwoording van de vraag of het door de rechter bewezen verklaarde feit ook een strafbaar feit is?

  1. De officier van justitie is vergeten een bestanddeel uit de delictsomschrijving in de tenlastelegging op te nemen;

  2. de tenlastelegging bevat slechts een (feitelijke) omschrijving van een bestanddeel uit de delictsomschrijving;

  3. de feitelijke omschrijving van een bestanddeel in de tenlastelegging komt niet overeen met het bestanddeel in de delictsomschrijving;

  4. de toepasselijke strafbepaling wordt onverbindend verklaard.

    Vraag 24
    Welk van de onderstaande alternatieven met betrekking tot de rechterlijke competentie is niet juist?

  1. Binnen de rechtbank worden zware misdrijven afgedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken, bestaande uit drie rechters;

  2. binnen de rechtbank worden lichte misdrijven en overtredingen afgedaan door de enkelvoudige kamer voor strafzaken, bestaande uit één rechter;

  3. op het niveau van de rechtbank voorziet de wet in nadere aanduidingen van de enkelvoudige kamer voor strafzaken, namelijk in die van de kantonrechter en die van de politierechter;

  4. binnen de rechtbank worden lichte misdrijfzaken afgedaan door de kantonrechter en overtredingen door de politierechter.

Vraag 25
Sanne vraagt ter terechtzitting voor het eerst om het horen van een getuige die niet eerder is gehoord. Welk van onderstaande mogelijkheden heeft zij hiertoe?

  1. Sanne kan ingevolge art. 182 Sv de rechter-commissaris verzoeken onderzoekshandelingen te verrichten, bestaande uit het oproepen van getuigen;

  2. Sanne kan ingevolge art. 263 Sv deze getuige bij de officier van justitie opgeven;

  3. Sanne kan ingevolge art. 287 Sv de rechtbank verzoeken deze getuige te laten oproepen;

  4. Sanne kan ingevolge art. 315 jo. 328 Sv de rechtbank verzoeken deze getuige te laten oproepen.

Vraag 26
Aan welk beginsel toetst de rechter de rechtmatigheid van de vervolgingsbeslissing van de officier van justitie niet?

  1. Gelijkheidsbeginsel;

  2. vertrouwensbeginsel;

  3. het verbod op détournement de pouvoir;

  4. opportuniteitsbeginsel.

Vraag 27
De surveillerende opsporingsambtenaar Joost ziet in het park Michiel zitten. Enige dagen geleden is Michiel weggerend toen Joost hem wilde aanhouden wegens een poging tot diefstal in een winkel (art. 45 jo. art. 310 Sr). Joost wil nu zijn kAmy grijpen door Michiel buiten heterdaad aan te houden. Terwijl Joost op Michiel afloopt maken de twee oogcontact. Michiel glimlacht en vraagt vriendelijk of er iets is. Joost neemt geen enkel risico en wil Michiel door middel van een karatetrap tegen de grond werken om hem te kunnen aanhouden. Michiel weet Joost echter eenvoudig af te weren door hem een stevige duw te geven. Joost valt achterover, komt ten val en raakt met zijn hoofd een stoeprand. Hij loopt daarbij een schedelbasisfractuur op.

Michiel wordt vervolgd voor ‘zware mishandeling’ (art. 302 lid 1 Sr). Op welke strafuitsluitingsgrond zou Michiel zich succesvol kunnen beroepen?

  1. Noodweer;

  2. niet op noodweer, maar wel op noodweerexces;

  3. zowel op noodweer als op noodweerexces;

  4. noch op noodweer, noch op noodweerexces.

Vraag 28
Op een mooie dag besluit Daan nu eens niet te gaan eten met zijn collega’s in de bedrijfskantine van ABC Publishing te Amsterdam, maar eens lekker te gaan lunchen in de buitenlucht op het terras van restaurant Buitengewoon. Na een exquise lunch verlaat Daan het terras, echter zonder te betalen. Dit bevalt Daan uitermate goed en hij gaat die zomer structureel lunchen in het centrum van Amsterdam en elke keer verlaat hij het terras zonder te betalen. Dit gaat goed totdat hij op een dag door een politieagent in de kraag wordt gegrepen wanneer hij, wederom zonder te betalen, het terras probeert te verlaten. Daan wordt door de rechtbank veroordeeld ter zake van flessentrekkerij (art. 326a Sr). Tot welke van de volgende combinaties van straffen kan de rechtbank hem niet veroordelen?

  1. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en een geldboete van € 5.000,-;

  2. een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar waarvan zes maanden voorwaardelijk;

  3. een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar en een taakstraf voor de duur van 200 uur;

  4. een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar en een voorwaardelijke geldboete van € 17.500,-.

Vraag 29

Amy helpt al jaren een vermogende alleenstaande dame. Zij weet dat de dame haar spaargeld ergens in huis heeft verstopt. Amy heeft hoge schulden en denkt er al maanden over om de dame met een mes te bedreigen en haar geld te stelen. Op een vroege morgen besluit Amy de daad bij het woord te voegen. Ze parkeert haar auto voor de woning van de dame, trekt een masker voor haar gezicht en neemt een keukenmes stevig in de hand. Amy twijfelt en blijft nog zeker vijf minuten in haar auto zitten. Dan stapt ze uit, loopt naar de deur van de woning en belt aan. Op dat moment gaat de deur van de buurman open. De buurman kijkt Amy verwonderd aan. Amy schrikt en rent weg. Een paar straten verderop wordt ze door een motoragent opgevangen. Een buurtbewoner die Amy in haar auto heeft zien zitten blijkt de politie te hebben gebeld. Amy wordt vervolgd voor een poging tot diefstal met geweld (art. 45 jo. 312 lid 1 Sr).

Welk van de onderstaande beweringen is juist?

  1. Er is geen sprake van een strafbare poging, want er is geen begin van uitvoering;

  2. er is geen sprake van een strafbare poging, want de verdachte heeft geen voornemen gehad om het strafbare feit diefstal met geweld te begaan.

  3. er is geen sprake van een strafbare poging, want de verdachte is vrijwillig teruggetreden;

  4. er is wel sprake van een strafbare poging.

 

Vraag 30
Waarom wordt door de wetgever in bepaalde delictsomschrijvingen het bestanddeel wederrechtelijkheid opgenomen?

  1. Omdat het opnemen van wederrechtelijkheid in de delictsomschrijving de mogelijkheid opent een beroep te doen op een rechtvaardigingsgrond;

  2. omdat de delictsomschrijving onvoldoende zou onderscheiden tussen strafwaardig en niet-strafwaardig gedrag wanneer dit bestanddeel niet zou zijn opgenomen;

  3. omdat zonder het opnemen van wederrechtelijkheid in de delictsomschrijving de tenlastelegging niet bewezen zou kunnen worden.

  4. omdat wederrechtelijkheid een algemene voorwaarde voor strafbaarheid is, waaraan altijd moet worden voldaan;

Vraag 31
De derde vraag van art. 348 Sv ziet op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Welke van de volgende alternatieven vormt geen mogelijke reden voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie?

  1. Schending van het vertrouwensbeginsel;

  2. overlijden van de verdachte;

  3. schending van de redelijke termijn;

  4. overdracht van de vervolging aan het buitenland.

 

Vraag 32
Merel vernielt een bushokje. De vernieling wordt geregistreerd door bewakingscamera’s van een nabijgelegen warenhuis. Merel wordt vervolgd voor het vernielen van het bushokje (art. 350 Sr). Tijdens het onderzoek ter terechtzitting voert de raadsman van Merel aan dat zij handelde onder grote druk van een paar meiden met wie zij ruzie had en die dreigden haar huis in de fik te zitten als ze het bushokje niet zou vernielen. Welke van de onderstaande stellingen is juist?

  1. De raadsman doet een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand. Aanvaarding van dit verweer leidt tot vrijspraak;

  2. de raadsman doet een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand. Aanvaarding van dit verweer leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging;

  3. de raadsman doet een beroep op psychische overmacht. Aanvaarding van dit verweer leidt tot vrijspraak;

  4. de raadsman doet een beroep op psychische overmacht. Aanvaarding van dit verweer leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging.

 

 

Antwoorden tentamen september 2013
 

1 C IX.2.5 dwangmiddelen blz 248
2 B IX.2.5 dwangmiddelen en onderzoek blz 242
3 B IX2.2 De verdachte blz 233/234
4 B Ix.3 vervolging blz 250
5 B Ix 4.4.21 onrechtmatig bewijsBlz 295
6 D IX.3.5.1 cummulatieve, subsidiare en alternatieve tenlastelegging Blz 270/271
7 A III.3.2 specialiteit blz 88 / II1.6 doleuze/ culpoze delicten
8 A IX4.3.3 Het slachtoffer blz 282 /X 2.1.3 De strafregtelijke maatregelen blz 337
9 A X4.5 de voorwaardelijke invrijheidsstelling blz 389
10 A IX 4.4.2.1 onrechtmatig bewijs Blz 300 / IX 4.4.2 de materiele vragen van art 350 sv blz 290
11 B IX 2.5 dwangmiddelen en onderzoek Blz 243
12 B VI.1.4 strafbare voorbereiding blz 157
13 A X 2.3 strafvorm: voorwaardelijke veroordeling blz 344
14 B IX 4.4.2.5 Opleggen van straf of maatregel blz 305
15 B I 4.6 implicaties van de nullum delictum, nulla poena-regel blz 47/48
16 A IX 3.1 onderzoekshandelingen door de R-C blz 257
17 B IX 4.4.2 De materiele vragen van art 350 blz 292/293
18 A VI.2.3 doen plegen blz 165
19 A III.1 De bestandsdelen der delictomschrijving blz 73
20 C III3.3 De meerdere samenloop blz 89/90 / X4.5 de voorwaardelijke invrijheidsstelling blz 389
21 C V.4.4 Avas blz 133/134
22 A + D IX3.6 bezwaarschrift tegen de dagvaarding blz 271/272
23 B IX 4.4.2.3 kwalificatie blz 302t/m 304
24 D II1.4 competentie blz 60
25 D IX 4.3.1 het getuigenverhoor blz 275 t/m 280
26 D IX 3.4 vervolgingsbeleid blz 263 t/m 265
27 A V 3.1.1 noodweer blz 122/123
28 C X 2.1.1 de hoofdstraffen blz 330
29 D V 1.1 vereisten blz 143 t/m 145
30 B V 3 de wederrechtelijkheid blz 116/ 117
31 C IX 4.4.1 De formele vragen van art. 348 SV blz 287/288
32 D V 3.4.1 overmacht blz 135/ 136

 

 

 

Tentamen juni 2013
 

Casus Cyberkraak

Op 21 april 2010 doet Jolande aangifte van computercriminaliteit, beweerdelijk jegens haar gepleegd door Karin. Op 15 november 2011 ontvangt Jolande van de officier van justitie bericht dat Karin niet zal worden vervolgd omdat er sprake is van onvoldoende bewijs ter zake van strafbare feiten. Jolande laat het er niet bij zitten en dient op 20 november 2011 een klaagschrift in de zin van art. 12 Sv bij het Hof Den Haag in, met het verzoek de vervolging van Karin te bevelen. Meer in het bijzonder verzoekt Jolande om vervolging van Karin ter zake van art. 350b Sr en/of art. 138ab Sr. Op 5 januari 2012 wordt het klaagschrift in de raadkamer van het Hof behandeld. Daarbij zijn aanwezig de advocaat van Jalande alsmede de opsporingsambtenaar Hans. Hans heeft als opsporingsambtenaar onderzoek verricht naar aanleiding van de aangifte van Jolande.

 

Het Hof stelt bij de behandeling van het klaagschrift vast dat Jolande eigenaar is van een in Leiden gevestigd bedrijf dat gespecialiseerd is in ‘vriendendiensten’. Op basis van door cliënten ingevulde profielen, brengt het bedrijf mensen met elkaar in contact. Jolandeheeft door de jaren heen een computerdatabank opgebouwd van duizenden profielen. Voorts stelt het Hof vast dat op 31 maart 2010 iemand als ‘hacker’ toegang heeft verkregen tot deze databank, waarbij veel bestanden zijn gewist en/of beschadigd. Hiervan is gebleken toen Jolande op 31 maart 2010 contact opnam met haar netwerkbeheerder, omdat zij op dat moment geen toegang tot haar computersysteem kreeg. Deze netwerkbeheerder, die in het opsporingsonderzoek als getuige is gehoord, heeft vervolgens vastgesteld dat vanaf een bepaald Internet Protocolnummer (IP-nummer) toegang was verkregen tot de computer van Jolande. Nadat dit IP-nummer in het opsporingsonderzoek is gekoppeld aan een computer die toebehoort aan Karin, is Karin op last van de officier van justitie in haar woning aangehouden. Tijdens deze aanhouding zijn opsporingsambtenaren door de woning van Karin gaan lopen. In een garderobekast die op slot zat en die zij, onder protest van Karin, gemakkelijk hebben opengebroken, vonden zij een computer, die zij in beslag hebben genomen. Karin is vervolgens op het politiebureau opgehouden voor onderzoek en in dat verband, zonder dat zij op enig moment een raadsman heeft gesproken, verhoord. Na afloop van zijn verhoor is Karin in vrijheid gesteld.

 

Blijkens het proces-verbaal van verhoor heeft Karin bij de politie verklaard dat zij de bedoelde computer stelselmatig gebruikt om zich toegang te verschaffen tot de computers van derden met het doel om deze gehackte computers te gebruiken als tussenstations teneinde andere computers te kunnen bereiken, die een snelle toegangstijd en omvangrijke schijfruimte hebben. Karin verklaarde voorts dat zij aan een programma op zijn computer aan het begin van een doorsnee dag de opdracht gaf om te starten met scannen en aan het eind van de dag te scannen hoe vaak het was gelukt om toegang te krijgen tot andere computers. Uit onderzoek van zijn computer blijkt dat deze tientallen programma’s bevatte om te kunnen scannen en hacken. Hans verklaart bij het Hof dat hij van de netwerkbeheerder van Jolande heeft vernomen dat deze heeft geconstateerd dat Karin het computersysteem van Jolande is binnengedrongen en in dat computersysteem programma’s heeft weggeschreven, waardoor een groot deel van haar databank verloren is gegaan. Het Hof verklaart op 5 januari 2012 het beklag gegrond en beveelt de vervolging van Karin ter zake van de bovenvermelde feiten waarop het beklag betrekking heeft.

Op 1 maart 2012 ontvangt Karin een dagvaarding voor de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 15 maart 2012. Zij wordt, in verband met het hacken van de computer van Jolande, vervolgd voor overtreding van art. 138ab lid 1 en lid 3 sub b Sr en art. 350b lid 1 Sr. Karin kiest ervoor niet aanwezig te zijn op de zitting. Ter zitting is wel aanwezig Hans, die zijn eerdere verklaring bij het Hof herhaalt. Bij pleidooi voert de gemachtigde raadsman van Karin – zakelijk weergegeven – de volgende verweren.

  • De officier van justitie heeft zijn bevoegdheid tot vervolging verloren door eerder te beslissen dat onvoldoende bewijs aanwezig is in deze zaak.

  • Er kan niet tot bewezenverklaring worden gekomen, omdat alle informatie die is verkregen als gevolg van onderzoek in de computer van Karin van het bewijs dient te worden uitgesloten. Deze informatie is immers onrechtmatig verkregen als gevolg van de onrechtmatige doorzoeking ter inbeslagneming van de computer.

  • Ook de verklaring van Karin dient van het bewijs te worden uitgesloten, omdat deze eveneens onrechtmatig is verkregen.

  • Ook indien de rechtbank besluit deze verklaring niet uit te sluiten, kan niet tot bewezenverklaring worden gekomen. Zoals ook blijkt uit zijn verklaring, hackt Karin weliswaar computers om deze te gebruiken als tussenstations teneinde andere computers te kunnen bereiken; niettemin kan niet met zekerheid een koppeling worden gemaakt tussen het IP-adres van Karin en de op de computer van Jolande aangetroffen schadeveroorzakende bestanden. Het zou aldus ook kunnen dat een andere hacker zich de toegang tot de computer van Jolande heeft verschaft. In ieder geval is dit te summier onderzocht om tot een juist oordeel te kunnen komen. De dag voor de zitting heeft de raadsman met een computerdeskundige, Aron, gesproken, die bereid is te verklaren dat niet met zekerheid een koppeling tussen het IP-adres van Karin en de schadeveroorzakende bestanden op de computer van Jolande kan worden gemaakt. Deze getuige dient derhalve te worden opgeroepen.

  • Ook al zou het Karin zijn geweest die de computer van Jolande heeft gehackt, dan nog was het niet zijn bedoeling specifiek toegang tot haar computer te krijgen. Ook wilde Zij zeker niet dat haar bestanden beschadigd zouden raken.

De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot oproeping van de door haar bedoelde getuige af en doet veertien dagen later uitspraak. Met verwerping van alle door de raadsman van Karin gevoerde verweren en gelet op hetgeen gebleken is uit het procesdossier en het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting, komt de rechtbank tot het oordeel dat het dossier voldoende aanwijzingen bevat dat Karin zich toegang tot de computer van Jolande heeft verschaft. Gelet op de verklaring van Karin en de gegevens die bij haar zijn aangetroffen, kan er naar het oordeel van de rechtbank vanuit worden gegaan dat Zij een werkwijze hanteert die erop gericht is toegang te verkrijgen tot computers van derden teneinde deze vervolgens te gebruiken. Voorts zijn binnen het computersysteem van Jolande bestanden aangetroffen die bedoeld zijn om te hacken. Nu niet is gebleken van andere informatie met betrekking tot de verkregen toegang dan het IP-adres van verdachte, acht de rechtbank bewezen dat Karin degene is geweest die de bedoelde toegang heeft verkregen. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat aan computersystemen grote schade kan worden toegebracht als gevolg van handelingen van ‘hackers’. De rechtbank komt aldus tot bewezenverklaring ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten en acht zowel de feiten als Karin strafbaar. Karin wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar, met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur. De rechtbank acht de vordering van Jolande als benadeelde partij, ten bedrage van € 100.000,-, niet-ontvankelijk, nu een dermate hoog schadebedrag naar het oordeel van de rechtbank niet door de strafrechter in behandeling kan worden genomen.

 

Drie weken na de uitspraak begint Jolande boze e-mails te krijgen van de cliënten van haar bedrijf. De strekking van alle e-mails is hetzelfde. Karin zou op zijn Facebook-pagina een lijst van e-mailadressen van deze cliënten hebben geplaatst met de begeleidende tekst dat het hier gaat om een lijst van zielige stumpers die geen vrienden kunnen maken en daarvoor het bedrijf van Jolande hebben moeten inschakelen. Op zijn zeer populaire Twitter-account, met 20.000 volgers, heeft karin ook een link geplaatst naar deze lijst, met de tekst ‘Steun Karin en vrijheid op internet, mail Nerds van Nederland’. De cliënten van Jolande zijn op de hoogte geraakt doordat zij van trouwe volgers van Karin beledigende mails krijgen. In de loop van de week lopen de boze e-mails die Jolande krijgt op tot honderden per dag. Jolande doet meteen aangifte bij de politie, ter zake van diefstal van e-mailadressen. Naar aanleiding van deze aangifte bekijken opsporingsambtenaren de Facebook-pagina van karin en stellen vast dat zij inderdaad een lijst van e-mailadressen en de desbetreffende teksten heeft geplaatst. Gedurende een dag volgen zij ook de Twitter-account van Karin en stellen vast dat Zij in de loop van de dag minstens twintig berichten plaatst waarin Zij haar oproep tot het mailen van de cliënten van Jolande herhaalt.

 

 

 

Meerkeuzevragen met vier alternatieven naar aanleiding van de casus

 

Vraag 1
Waarom zal de rechtbank het verzoek van de raadsman van Karin tot het doen oproepen van de computerdeskundige Aron hebben afgewezen?

  1. Omdat Karin geen verdedigingsbelang had bij de oproeping van deze getuige;

  2. omdat de desbetreffende getuige niet eerder in het vooronderzoek is gehoord;

  3. omdat de oproeping van deze getuige niet noodzakelijk was;

  4. omdat Karin er zelf verantwoordelijk voor was de getuige mee te brengen naar de zitting.
     

Vraag 2
Welke van onderstaande stellingen met betrekking tot het verweer van de raadsman van Karin dat zij niet specifiek de computer van Jolande wilde hacken, is juist?

  1. Het verweer ziet op het ontbreken van opzet bij Karin, maar kan niet leiden tot vrijspraak in verband met de tenlastelegging ter zake van art. 350b Sr;

  2. het verweer ziet op het ontbreken van culpa bij Karin; maar kan niet leiden tot vrijspraak in verband met de tenlastelegging ter zake van art. 138ab lid 1 en lid 3 sub b Sr;

  3. het verweer ziet op het niet wederrechtelijk zijn van de gedraging van Karin;

  4. het verweer ziet op het niet verwijtbaar zijn van de gedraging van Karin.

 

Vraag 3
Karin is, toen zij op het politiebureau werd opgehouden voor onderzoek, verhoord zonder dat zij op enig moment een raadsman heeft gesproken. Welk van onderstaande stellingen is in dat verband juist?

  1. Daarmee is een vormverzuim begaan dat de rechter op basis van art. 359a Sv dient te beoordelen;

  2. daarmee is een vormverzuim begaan dat evenwel nimmer tot toepassing van een van de in art. 359a Sv bedoelde gevolgen kan leiden;

  3. daarmee is geen sprake van een vormverzuim, omdat het ophouden voor onderzoek niet valt binnen het vooronderzoek in de zin van art. 359a Sv;

  4. daarmee is geen sprake van een vormverzuim, omdat de uiteindelijk tenlastegelegde feiten niet gelden als feiten ter zake waarvan een recht op rechtsbijstand bestaat tijdens het ophouden voor onderzoek.

 

Vraag 4
Wat voor procedure is gevoerd bij het onderzoek ter terechtzitting in de zaak tegen Karin?

  1. Het ging om een procedure op tegenspraak, omdat de aanwezige raadsman gemachtigd was;

  2. het ging om een procedure op tegenspraak, omdat Karin op de hoogte was van de door zijn raadsman gevoerde verweren;

  3. het ging om een verstekprocedure, omdat Karin niet aanwezig was;

  4. het ging om een verstekprocedure, omdat de procedure voor de meervoudige kamer is gevoerd.

 

Vraag 5
Welk van onderstaande beweringen met betrekking tot het verweer van de raadsman omtrent de onrechtmatige inbeslagneming van de computer van Karin is juist?

 

  1. Dit verweer is door de rechtbank terecht verworpen, omdat bij de inbeslagneming geen vormen zijn verzuimd;

  2. dit verweer diende door de rechtbank te worden gehonoreerd, omdat het niet mogelijk is ter inbeslagneming kasten open te breken;

  3. dit verweer is door de rechtbank terecht verworpen, omdat opsporingsambtenaren bij aanhouding buiten heterdaad ook bevoegd zijn voorwerpen in beslag te nemen;

  4. dit verweer diende door de rechtbank te worden gehonoreerd, omdat Karin geen toestemming heeft gegeven tot doorzoeking ter inbeslagneming.

 

Vraag 6
Jolande is van mening dat de rechtbank ten onrechte haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk heeft verklaard. Heeft zij gelijk?

  1. Ja, een dergelijke vordering kan niet worden afgewezen louter op basis van de hoogte van het gevorderde bedrag;

  2. nee, in het strafproces kan niet een hoger bedrag worden gevorderd dan de op het bewezenverklaarde strafbare feit gestelde maximale geldboete;

  3. ja, de rechtbank had de vordering ontvankelijk moeten verklaren omdat een voldoende hoge straf op de delicten van art. 138ab lid 1 en lid 3 sub b Sr en art. 350b Sr is gesteld;

  4. nee, de rechtbank is volledig vrij in de beslissing of een vordering van een benadeelde partij al dan niet ontvankelijk is.

Vraag 7
De officier van justitie die de leiding heeft over het onderzoek in verband met de tweede aangifte van Jolande overweegt welke feiten hij ten grondslag zou kunnen leggen aan een eventuele vervolging. Bij een op art. 310 Sr gebaseerde tenlastelegging schat hij in dat de vervolging niet kansrijk zal zijn, omdat het legaliteitsbeginsel zich zal verzetten tegen een bewezenverklaring waarbij e-mailadressen worden begrepen als ‘goed’ in de zin van art. 310 Sr. Welk van de onderstaande alternatieven is juist met betrekking tot deze gedachtegang van de officier van justitie?

  1. Hij voorziet dat het lex certa vereiste zich tegen een dergelijke restrictieve teleologische interpretatie door de rechter zal verzetten;

  2. hij voorziet dat het verbod van terugwerkende kracht zich tegen een dergelijke restrictieve grammaticale interpretatie door de rechter zal verzetten;

  3. hij voorziet dat het verbod van analogische wetstoepassing zich zal tegen een dergelijke extensieve teleologische interpretatie door de rechter zal verzetten;

  4. hij voorziet dat het verbod van terugwerkende kracht zich tegen een dergelijke extensieve teleologische interpretatie door de rechter zal verzetten.

 

Vraag 8
De officier van justitie die de leiding heeft over het onderzoek in verband met de tweede aangifte van Jolande overweegt ook hoe hij de gedragingen van de ‘volgers’ van Karin eventueel zou kunnen betrekken in een strafvervolging van Karin ter zake van belediging in de zin van art. 266 Sr en belaging in de zin van art. 285b Sr. Welk van de onderstaande alternatieven is in dit verband juist?

  1. Karin kan met succes worden vervolgd voor het doen plegen van de genoemde delicten;

  2. Karin kan met succes worden vervolgd voor voorbereiding van de hierboven genoemde delicten;

  3. Karin kan met succes worden vervolgd voor poging tot de hierboven genoemde delicten;

  4. Karin kan met succes worden vervolgd voor het uitlokken van de hierboven genoemde delicten.

 

 

 

 

Einde meerkeuzevragen naar aanleiding van de casus

 

 

Meerkeuzevragen met twee alternatieven

 

Vraag 9
In de regel wordt de overschrijding van de redelijke termijn gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Slechts in uitzonderlijke gevallen leidt de overschrijding van de redelijke termijn tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

 

Vraag 10
Sinds het Verpleegster-arrest (HR 19 februari 1963, NJ 1963, 512) weten we dat voor het vervullen van het bestanddeel ‘schuld’ in culpoze misdrijven als artikel 307 lid 1 Sr een ‘mindere of meerdere mate van grove onoplettendheid’ vereist is. Niet elke geringe fout levert direct ‘schuld’ op. Wanneer sprake is van een ernstige fout (roekeloosheid) kan echter een extra hoge straf worden opgelegd.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

 

Vraag 11
Wanneer de officier van justitie besluit tot een beleidssepot, kan hij hieraan bepaalde voorwaarden verbinden. Bij een technisch sepot is dit niet mogelijk.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

 

Vraag 12
Wil een verdachte een gegrond beroep kunnen doen op de rechtvaardigingsgrond overmacht in de zin van noodtoestand dan zal hij zich met een feitelijke, acute noodsituatie geconfronteerd moeten zien die hem op dat moment dwingt tot handelen in strijd met de wet.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

 

Vraag 13
De wet stelt dat inverzekeringstelling slechts mogelijk is indien sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Dat brengt met zich dat er ernstige bezwaren tegen de verdachte dienen te bestaan alvorens hij in verzekering kan worden gesteld.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

Vraag 14
Preliminaire verweren kunnen door de verdediging worden gevoerd direct nadat de zaak door de officier van justitie is voorgedragen. Wanneer de rechtbank een preliminair verweer honoreert dan leidt dit tot schorsing van de vervolging van de verdachte.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

 

Vraag 15
Friso rijdt met zijn auto met 150 km/h over een provinciale weg, waar 80 km/h is toegestaan en een inhaalverbod geldt. Na drie keer een geslaagde inhaalpoging te hebben volbracht, gaat het de vierde keer mis. Friso botst met volle snelheid frontaal op een tegemoetkomende auto. De twee inzittenden van die auto komen daardoor om het leven. Om voorwaardelijk opzet bij Friso te kunnen bewijzen moet in ieder geval worden vastgesteld dat hij de gevolgen van zijn gevaarlijk rijgedrag, namelijk de dood van de inzittenden van de tegemoetkomende auto, bewust heeft aanvaard.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

 

Vraag 16
Nederland heeft rechtsmacht indien een Nederlander zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit waarop de wet van het land waar het feit is begaan straf heeft gesteld en het feit door het Nederlandse strafrecht als misdrijf wordt beschouwd.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist
     

Vraag 17
Hugo wordt veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens zware mishandeling van zijn buurman Derek, waarmee hij al geruime tijd in de clinch ligt. De rechter kan hierbij bepalen dat twee jaar van deze straf in voorwaardelijke vorm wordt opgelegd, met als bijzondere voorwaarde dat Hugo een agressieregulatietraining volgt. De rechter kan aan deze voorwaardelijke straf een proeftijd van twee jaar verbinden.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

 

 

Vraag 18
De verdachte heeft op het onderzoek ter terechtzitting de vraag van de voorzitter van de rechtbank of hij het tenlastegelegde heeft begaan stellig ontkennend beantwoord. Indien de rechtbank het tenlastegelegde feit desondanks bewezen acht, behoeft zij deze beslissing in haar vonnis niet te motiveren.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist

 

Vraag 19
Iemand die nog geen verdachte is, kan wel het object zijn van opsporingsbevoegdheden in het tweede domein van opsporing, maar hij kan niet aan vrijheidsbenemende dwangmiddelen worden onderworpen.

  1. Dit is juist

  2. Dit is onjuist
     

 

 

 

Meerkeuzevragen met vier alternatieven

 

Vraag 20
Herman en Jan besluiten de laatste Koninginnenacht op 29 april 2013 eens goed te gaan vieren in Amsterdam. Rond middernacht begint de sfeer op de Dam echter wat grimmig te worden. Al snel escaleert de situatie en ontstaat er een grote vechtpartij. Herman en Jan staan vanaf de zijlijn te kijken wanneer Herman ineens een hele harde klap achterop zijn hoofd voelt en ineen zakt. Na ongeveer dertig seconden komt Herman weer bij bewustzijn. Zonder na te denken, rukt hij met alle kracht een verkeersbord los, rent naar de vechtende menigte toe en begint met het verkeersbord in de rondte te slaan. Herman raakt met het verkeersbord Maarten, die ernstig letsel oploopt, bestaande uit een drievoudige kaakfractuur, een gebroken arm en een zware hersenschudding. Herman wordt gedagvaard ter zake van zware mishandeling. Op welke strafuitsluitingsgrond zou Herman zich met succes kunnen beroepen?

  1. Noodweer;

  2. noodweerexces;

  3. zowel op noodweer als op noodweerexces;

  4. noch op noodweer noch op noodweerexces.

Vraag 21
Sven is bij een verkeersongeluk om het leven gekomen. Lissa wordt in verband hiermee vervolgd ter zake dood door schuld (art. 307 Sr). Irene, de vrouw van Sven, wil op de zitting graag gebruik maken van het spreekrecht. Is dit op grond van de wet mogelijk?

  1. Dit is niet mogelijk, nu alleen directe slachtoffers gebruik kunnen maken van het spreekrecht;

  2. dit is niet mogelijk, nu er op het delict dood door schuld geen gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld;

  3. dit is mogelijk, maar slechts indien Irene zich daarbij laat bijstaan door een raadsman;

  4. dit is mogelijk, maar Irene mag slechts spreken over de gevolgen die het ongeluk bij haar teweeg hebben gebracht.

 

Vraag 22
David staat terecht ter zake van de vernieling van het graf van de moordenaar van zijn vriendin (art. 149 Sr). Zijn raadsman voert het verweer dat deze vernieling hem niet te verwijten is, aangezien hij ten tijde van de vernieling handelde uit psychische overmacht. Hoe luidt de einduitspraak indien de rechtbank dit verweer honoreert?

  1. Ontslag van alle rechtsvervolging, omdat het feit niet strafbaar is;

  2. vrijspraak, omdat het bestanddeel wederrechtelijkheid niet kan worden bewezen;

  3. ontslag van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte niet strafbaar is;

  4. vrijspraak, omdat het bestanddeel opzet niet kan worden bewezen.

 

 

Vraag 23
Welk van de onderstaande beweringen in verband met het legaliteitsbeginsel is niet juist?

  1. De wetgever mag in verband met art. 91 Sr niet afwijken van de algemene bepalingen van het Wetboek van Strafrecht;

  2. het verbod van terugwerkende kracht verzet zich niet tegen een wijziging van de wet ten voordele van de verdachte;

  3. de codificatiegedachte als opdracht aan de wetgever is uitgewerkt in artikel 107 Gw en art. 1 Sv;

  4. het bepaaldheidsgebod schrijft voor dat de wet voldoende duidelijk en in ieder geval niet vager dan noodzakelijk moet zijn.

 

Vraag 24
Bob wordt op 1 mei 2013 omstreeks 21.00 uur rechtmatig aangehouden. De hulpofficier van justitie beveelt de inverzekeringstelling van Bob in verband met het strafbare feit ‘vernieling’ (art. 350 Sr). Op 4 mei 2013 wordt Bob om 16.00 uur voorgeleid aan de rechter-commissaris. De officier van justitie vordert de bewaring van Bob. Welk van de onderstaande beweringen is juist?

  1. De verdachte is niet tijdig voor de rechter-commissaris geleid;

  2. de rechter-commissaris toetst uitsluitend of op vordering van de officier van justitie een bevel tot bewaring kan worden verleend;

  3. een hulpofficier van justitie is niet bevoegd een bevel tot inverzekeringstelling te verlenen;

  4. voor het strafbare feit vernieling (art. 350 Sr) is voorlopige hechtenis toegelaten.

 

Vraag 25
Matthijs , een autistische scheikundige, besluit na een avond vol hevige ruzies met zijn vrouw dat hij genoeg heeft van haar gezeur. De volgende ochtend staat hij vroeg op om een kop thee voor haar te maken, met een flinke eetlepel cyaankali erin. Terwijl hij aan het wachten is tot het dodelijke vergif oplost in de thee, ziet hij een politieauto met sirenes voorbijrijden. Hij bedenkt zich hierdoor onmiddellijk en gooit de inhoud van de kop thee leeg in de gootsteen. Tot welke beslissing zal de rechter komen indien Matthijs wordt vervolgd ter zake van poging tot moord op zijn vrouw?

  1. De rechter zal Matthijs ontslaan van alle rechtsgevolgen omdat het feit niet strafbaar is;

  2. de rechter zal Matthijs vrijspreken van poging tot moord omdat hij vrijwillig is teruggetreden;

  3. de rechter zal Matthijs veroordelen voor poging tot moord, aangezien hij niet uit vrije wil is teruggetreden;

  4. de rechter zal Matthijs vrijspreken van poging tot moord omdat er nog geen sprake was van een begin van uitvoering.

Vraag 26
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting houdt de voorzitter van de rechtbank de verdachte de korte inhoud voor van een aantal verklaringen die door getuigen tegenover de politie zijn afgelegd. Ook de verklaring van de buurvrouw van de verdachte wordt voorgehouden. De voorzitter deelt mede: “de buurvrouw heeft verklaard dat u tegen haar heeft gezegd dat u uit blinde woede met het vuurwapen heeft geschoten”, en zegt: “hieruit zou je kunnen afleiden dat het geweer niet per ongeluk is afgegaan zoals u heeft verklaard”. Mag de rechtbank de verklaring van de buurvrouw tot het bewijs bezigen?

  1. Nee, dit is in strijd met het onmiddellijkheidsbeginsel;

  2. nee, tenzij de buurvrouw deze verklaring ook ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd;

  3. ja, het betreft een getuigenverklaring in de zin van art. 342 Sv;

  4. ja, het betreft een schriftelijk bescheid in de zin van art. 339 lid 1 sub 5 jo. art. 344 Sv.

 

Vraag 27
Op 16 mei 2012 wordt Marloes in totaal verwarde toestand op straat aangehouden terwijl zij auto’s aan het bekrassen is. Bij haar aanhouding verklaart Marloes dat zij verdovende middelen, te weten cocaïne, heeft gebruikt. Marloes haalt het restant cocaïne uit haar broekzak en geeft dit aan de agenten die hierop de cocaïne in beslag nemen. Na enige tijd wordt Marloes vervolgd ter zake van vernieling (art. 350 Sr). Gedragsdeskundige rapportage wijst uit dat Marloes ten tijde van het tenlastegelegde volledig ontoerekeningsvatbaar was ten gevolge van een psychose, hetgeen er eveneens toe heeft geleid dat zij haar toevlucht had genomen tot verdovende middelen. Voorts blijkt uit de rapportage dat gevaar voor de algemene veiligheid van goederen nog te vrezen is zonder behandeling. De rechtbank gaat mee met het advies in de gedragsdeskundige rapportage en rekent haar de bewezenverklaarde vernieling niet toe. Welk van de onderstaande einduitspraken kan de rechtbank uitspreken?

  1. Ontslag van alle rechtsvervolging, met last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis en verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen;

  2. ontslag van alle rechtsvervolging, met last tot terbeschikkingstelling en onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen;

  3. ontslag van alle rechtsvervolging, met last tot terbeschikkingstelling en verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen.

  4. ontslag van alle rechtsvervolging, met last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis en onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen.

 

Vraag 28
De bevoegdheid tot aanhouding bij heterdaad en de bevoegdheid tot aanhouding buiten heterdaad verschillen voor wat betreft de voorwaarden voor de inzet hiervan op een aantal punten. Waarin zijn deze verschillen gelegen?

  1. In de bevoegde autoriteit en het subject;

  2. in het subject en de gronden;

  3. in de gevallen en de bevoegde autoriteit;

  4. in de gevallen en de gronden.

 

Vraag 29
Welk van de onderstaande beweringen met betrekking tot straffen en maatregelen is niet juist?

  1. Het draagkrachtbeginsel schrijft voor dat de rechter bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete rekening houdt met de draagkracht van de verdachte;

  2. bij het opleggen van een sanctie houdt de rechter rekening met een eventuele overeenkomst uit een bemiddeling tussen het slachtoffer en de verdachte;

  3. de officier van justitie mag bij strafbeschikking enkel hoofdstraffen en bijkomende straffen opleggen en geen maatregelen;

  4. TBS met dwangverpleging kan worden gecombineerd met een gevangenisstraf, mits de verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar is verklaard.

 

Vraag 30

Pim heeft op 30 april 2010 geheel naakt in het stadspark gezeten, terwijl het stadspark niet door de gemeenteraad is aangewezen als een plaats waar men ongekleed mag recreëren. In het park surveillerende opsporingsambtenaren maken een proces-verbaal op. Op 1 maart 2012 vaardigt de officier van justitie een strafbeschikking uit wegens ‘naaktrecreatie buiten aangewezen plaats’ (art. 430a Sr). Pim is het er niet mee eens en doet tijdig verzet tegen de strafbeschikking. Op 10 mei 2013 wordt de zaak behandeld door de kantonrechter. Welk van de onderstaande stellingen is juist?

  1. De officier van justitie is niet-ontvankelijk omdat het strafbare feit is verjaard;

  2. Pim dient strafvermindering te krijgen omdat het strafbare feit is verjaard;

  3. de officier van justitie kan Pim gewoon vervolgen;

  4. de officier van justitie is niet-ontvankelijk omdat de redelijke termijn is overschreden.

 

 

 

Antwoorden
1 C IX 4.3.1 Het getuigenverhoor blz 277
2 A V 4.1 fait materiel blz 133
3 A IX 4.4.2.1 onrechtmatig bewijs blz 295 / IX 2.2 de verdachte blz 233 / 234
4 A IX 4.2 gang van zaken ter terechtzitting blz 273/274
5 D IX 2.5 dwangmiddelen en onderzoek blz 241 t/m 243
6 A+D IX4.3.3 Het slachtoffer blz 282 /X 2.1.3 De strafregtelijke maatregelen blz 337
7 C I 4.6 implicaties van de nullum delictum, nulla poena-regel blz 47/48
8 D VI 2.3 Doen plegen blz 165
9 B IX 4.4.1 de formele vragen van art 348 sv blz 288/289
10 A IV 1 gradaties van opzet en schuld blz 100/101
11 A IX 3.2 verdere vervolging blz 260/262
12 A V 3.2.4. overmacht blz 129
13 B IX 2.5 dwangmiddelen en onderzoek blz 249
14 B IX 4.2 gang van zaken ter terechtzitting blz 273/274
15 A IV 1 gradaties van opzet en schuld blz 100/101
16 A VIII 9 toepassing van nederlandse strafwet blz 216
17 A X 2.3 strafvorm: voorwaardelijke veroordeling blz 344
18 B IX 5 motiveringsplicht blz 306/307
19 A Blz 229
20 D V 3.1.1 Noodweer blz 122/123
21 D IX 4.3.3 Het slagtoffer blz 282/283
22 C IX 4.4.2.4 Strafbaarheid van de dader blz 304
23 A I 4.6 implicaties van de nullum delictum, nulla poena-regel blz 47
24 D IX 2.5 dwangmiddelen en onderzoek blz 249
25 D VI 1.2 geen pogig bij vrijwillige trugtred
26 D IX 4.3.1 Het getuigenverhoor blz 279
27 D X 2.1.3 de strafrechtelijke maatregellen 335
28 C IX 2.5 Dwangmiddelen en onderzoek blz 238
29 C X 2 strafrechtelijke sancties blz blz 334t/m 338/ 248/349
30 C IX 4.4.1 de formele vragen van art 348 sv blz 288/289

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Follow the author: Vintage Supporter
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.