Samenvatting Critical Thinking in Psychology (Sternberg)

Deze Samenvatting bij Critical Thinking in Psychology (Sternberg) is geschreven in 2014


1: Kritisch denken

Inleiding

Vaak wordt onderwijs gekenmerkt door non-kritisch leren, uit het hoofd leren en lager niveau denken, wat ten koste gaat van het kritische of hogere orde denken. Tentamens bevatten vaak feitenvragen, die gecombineerd worden met enige toepassing, zoals: Noem ieder stadium van Piaget’s theorie van cognitieve ontwikkeling te noemen en noem bij ieder stadium een voorbeeld van een cognitieve taak die dan wordt beheerst. Vaak geven studenten dan het voorbeeld dat ook in het boek of tijdens college is gegeven. Waarschijnlijk zullen zij niet in staat zijn om Piaget’s theorie in de praktijk toe te passen, bijvoorbeeld om een leeftijdsgeschikte activiteit voor een kind van voorschoolse leeftijd te bedenken. De informatie wordt wel opgeslagen, maar wordt waarschijnlijk niet gebruikt.

 

Voorbeelden

Voorbeeld 1: Het begrijpen, vormen en communiceren van meningen over complexe onderwerpen

Stel, twee mensen bedenken een vraag voor een poll op over leerrechten (bonnen voor het betalen van hoger onderwijs) voor ouders. De ene is voorstander en de ander is tegenstander van leerrechten. De twee vragen luiden als volgt:

  1. Ben je er vóór of tegen dat leerlingen en ouders op kosten van de gemeenschap voor een particuliere school kunnen kiezen?
  2. Ben je er vóór of tegen dat leerlingen en ouders op kosten van de gemeenschap voor ieder type school (openbaar of particulier) kunnen kiezen?

 

Beide vragen dekken dezelfde inhoud, maar leiden door de formulering tot andere percentages die vóór en tegen leerrechten zijn. Ouders kunnen altijd openbare scholen kiezen, maar openbare scholen worden in vraag 1 niet expliciet genoemd. Resultaten van dergelijke polls worden vaak gebruikt om publieke opinies te vormen en communiceren en om wetten en beleid te vormen. Soms wordt de formulering expres zo gekozen om twijfelaars te overtuigen op een manier die niet duidelijk zichtbaar is.

 

Voorbeeld 2: Denken met getallen

Beantwoord de volgende twee vragen:

  1. Is de populatie van China groter of kleiner dan 2 miljard?
  2. Maak een schatting van de populatie van China.

 

De eerste vraag wordt een ‘ankervraag’ genoemd. De meeste mensen zullen op vraag 1 ‘kleiner’ antwoorden. Als er in vraag 2 echter ’40 miljoen’ had gestaan, zouden de meesten waarschijnlijk ‘groter’ antwoorden. Opmerkelijk is, dat de schatting die je maakt voor de tweede vraag afhankelijk is van de ankervraag. Bij ‘2 miljard’ zal de schatting vaak groter zijn dan bij ’40 miljoen’. Dit wordt verklaard doordat mensen het aangeboden getal vaak als startpunt voor hun denken gebruiken. Vervolgens passen zij hun denken vanaf daar aan. De manier waarop je denkt, kan dus worden beïnvloed door getallen. Je manier van denken kan tevens worden beïnvloed wanneer je geen exacte getallen of helemaal geen getallen te horen krijgt, bijvoorbeeld door te zeggen dat de populatie van China niet zo groot is als je zou denken.

 

Voorbeeld 3: Toegepast onderzoeksdesign en analyse

Stel, je ziet een reclame voor een dure examentraining, waarbij wordt beweerd dat studenten die deze training hebben gevolgd over het algemeen hoger scoren dan leerlingen die deze training niet hebben gevolgd. Kan inderdaad worden geconcludeerd dat de training effectief is? Waarschijnlijk verschillen studenten die de training hebben gevolgd op vele manieren van studenten die dit niet hebben gedaan. Degenen die deze training kunnen betalen, hebben waarschijnlijk vele voordelen die worden geassocieerd met een hogere sociaal-economische status, zoals een grotere woordenschat. Om te onderzoeken of de training daadwerkelijk effectief is, zou een willekeurige, representatieve steekproef moeten worden getrokken. De studenten in de steekproef zouden vervolgens willekeurig toegewezen moeten worden aan de trainingsgroep en de controlegroep. Daarna kunnen de scores van beide groepen met elkaar orden vergeleken om te bestuderen of de trainingsgroep gemiddeld hoger scoort dan de controlegroep.

 

Kritisch denken

Kritisch denken omvat vaardigheden en de neiging om die vaardigheden op een nauwkeurige en bedachtzame manier te gebruiken. De meeste definities voor de term ‘kritisch denken’ omvatten redeneren, logica, oordelen, metacognitie, reflectie, betwijfelen en mentale processen. De volgende definitie omvat de belangrijkste concepten:

Kritisch denken is het gebruik van cognitieve vaardigheden of strategieën die de kans op een gewenste uitkomst vergroten. Het wordt gebruikt om doelgericht, beredeneerd denken te omschrijven. Dit type denken wordt gebruikt bij het oplossen van problemen, het trekken van conclusies, het berekenen van kansen en het maken van beslissingen, als de denker vaardigheden gebruikt die effectief zijn voor die specifieke context en het type denktaak.

 

Er zijn veel verschillende taxonomieën van kritische denkvaardigheden. Echter, inhoudelijk zijn ze grotendeels hetzelfde. Kritische denkvaardigheden worden vaak ‘hogere orde cognitieve vaardigheden’ genoemd om ze te onderscheiden van simpelere denkvaardigheden. Hogere orde vaardigheden zijn relatief complex. Ze vereisen een oordeel, analyse en synthese en worden niet toegepast op een mechanische, geautomatiseerde manier. Voorbeelden van algemene vaardigheden die in veel situaties belangrijk kunnen zijn, zijn: erkennen dat er een probleem is, een planmatige benadering ontwikkelen om prioriteiten te stellen, het genereren van een beredeneerde methode om de juiste handelingswijze te kiezen en het leggen van verbanden tussen nieuwe kennis en eerder opgedane kennis.

 

Een voorbeeld van een taxonomie, omvat de volgende tien categorieën (bij iedere categorie wordt een voorbeeld van een kritische denkvaardigheid genoemd):

  1. Kritisch denkraamwerk: Een algemene set van vragen om het denken te sturen.

Voorbeeld: Wat is het doel?

  1. Geheugen: De verwerving, het behouden en het terughalen van kennis.

Voorbeeld: Abstracte informatie betekenisvol maken.

  1. Verband tussen gedachten en taal.

Voorbeeld: Het begrijpen en gebruiken van strategieën om te betwijfelen en luisteren.

  1. Redeneren: Het trekken van deductief valide conclusies.

Voorbeeld: Het maken van onderscheid tussen deductief en inductief redeneren.

  1. Argumenten analyseren.

Voorbeeld: Het beoordelen van de geloofwaardigheid van een informatiebron.

  1. Denken als hypothesetesten.

Voorbeeld: Het isoleren en controleren van variabelen om sterke causale beweringen te doen.

  1. Kans en onzekerheid: Het begrijpen van kansen.

Voorbeeld: Het gebruiken van kansberekeningen om het maken van beslissingen te verbeteren.

  1. Het maken van beslissingen.

Voorbeeld: Het begrijpen van het onderscheid tussen de kwaliteit van een beslissing en de uitkomst ervan.

  1. Ontwikkeling van probleemoplossende vaardigheden.

Voorbeeld: Het plannen en monitoren van een strategie om een oplossing te vinden.

  1. Creatief denken.

Voorbeeld: Het visualiseren van het probleem.

 

Sternberg heeft een andere manier ontwikkeld om het kritisch denken te categoriseren:

  1. Analytische denkvaardigheden: analyseren, bekritiseren, beoordelen, evalueren, vergelijken en contrasteren.
  2. Creatieve denkvaardigheden: creëren, ontdekken, uitvinden, verbeelden en hypothetiseren.
  3. Praktische denkvaardigheden: het toepassen, gebruiken en oefenen van de andere denkvaardigheden.

 

Uit onderzoek blijkt dat studenten vaak een voorkeur hebben voor één van de drie bovenstaande denkvaardigheden. Als het onderwijs wordt aangepast aan hun voorkeur, leren zij beter dan wanneer de primaire onderwijsmethode net bij hun voorkeur aansluit.

 

Kan kritisch denken worden aangeleerd?

Een veel gestelde vraag is: is kritisch denken een aangeboren vermogen dat relatief immuun is voor de effecten van leren, of is het een vermogen dat ontwikkeld en verbeterd kan worden door middel van instructie? Deze vraag is een variant van de ‘nature versus nurture’ vraag met betrekking tot intelligentie. Er is geen reden om te denken dat kritisch denken niet verbeterd zou kunnen worden middels instructie.

 

Instructies voor kritisch denken worden gebaseerd op twee aannames:

  • Er zijn duidelijk identificeerbare en definieerbare denkvaardigheden, die studenten kunnen leren herkennen en toepassen.
  • Als de denkvaardigheden worden herkend en toegepast, zullen de studenten meer effectieve denkers zijn.

 

Er zijn sterke aanwijzingen dat specifieke instructie gericht op denkvaardigheden in diverse soorten contexten leidt tot verbeterde kritische denkvaardigheden, die generaliseren naar verschillende situaties.

 

Instructie gericht op kritische denkvaardigheden

Naast het expliciet aanleren van kritische denkvaardigheden moeten instructies:

  • ervoor zorgen dat studenten een neiging ontwikkelen tot inspannend (‘effortful’) denken en leren;
  • zorgen voor directe leeractiviteiten, die de kans op transcontextuele overdracht vergroten;
  • en metacognitieve monitoring expliciet en openlijk maken.

 

Kritisch denken is inspannend. Het vereist nauwkeurigheid en de bereidheid om te volharden bij moeilijke taken en om snelle en gemakkelijke reacties te onderdrukken. Het vereist een openheid voor nieuwe ideeën, wat men vaak moeilijk vindt. Veel mensen vinden het gemakkelijker om een nieuw idee af te wijzen, omdat de oude oplossing ook nog werkt. Bovendien lijkt het vaak gemakkelijker om geen nieuwe dingen te leren of proberen, omdat er een kans op falen bestaat.

 

Eén van de componenten van kritisch denken is bewuste reflectie op het denkproces en de evaluatie van het eigen denkproces. Metacognitie is persoonlijke kennis, bijvoorbeeld inschatten hoe groot de kans is dat je je een bepaalde gebeurtenis over een tijdje nog kunt herinneren. Het onderliggende idee is dat iedereen in staat moet zijn om te beoordelen hoeveel ze van een onderwerp weten om een geredeneerde beslissing te maken. Uit onderzoek blijkt dat als menen weinig kennis over een onderwerp hebben, ze zichzelf overschatten. Dit kan verklaren waarom sommige mensen nooit van hun fouten lijken te leren; ze zien hun fouten niet. Door de metacognitieve vaardigheden te verbeteren, leer je om je eigen competentieniveau beter te herkennen. Dit is een belangrijke stap richting het plannen en evalueren van je eigen denken en leren, omdat je je dan meer bewust bent van je eigen kennis- en vaardigheidsniveau.

 

Studenten kunnen beter leren denken en leren leren door de gewoonte te ontwikkelen om hun eigen begrip te monitoren en de kwaliteit van hun leren te beoordelen. Instructie over leren en het geheugen kan positieve effecten hebben, omdat studenten daardoor beter leren te beoordelen wat en hoeveel ze weten en omdat ze daardoor beter in staat zijn om op manieren te leren die hen helpen bij het onthouden van informatie op de lange termijn.

 

2: Het evalueren van experimenteel onderzoek

Inleiding

Pas tussen 1850 en 1900 werden experimentele methoden toegepast op onderzoek naar menselijk gedrag. Kritisch denken (het vertalen van hypothesen naar experimentele tests) ligt ten grondslag aan experimentele methoden.

 

De experimentele methode

Een theorie of hypothese suggereert het verband tussen twee (of meer) variabelen. Een variabele in een experiment is een factor die gemanipuleerd of gemeten kan worden. Een onafhankelijke variabele is de factor die in het experiment gemanipuleerd wordt. De onderzoeker wil bepalen hoe de manipulatie van de onafhankelijke variabel invloed heeft op een uitkomst of gedraging (de afhankelijke variabele). De afhankelijke variabele in een experiment is de factor die wordt gemeten.

 

Een andere set factoren in een experiment wordt controlevariabelen genoemd. Dit zijn factoren die de onderzoeker kan manipuleren, maar zo constant mogelijk probeert te houden. Als ze niet constant kunnen worden gehouden, worden ze willekeurig tussen condities verdeeld. Het idee achter een experiment is bepalen welk effect de manipulatie van de onafhankelijke variabele heeft op de afhankelijke variabele. Het is daarom cruciaal om alle andere variabelen zo constant mogelijk te houden, om er zeker van te zijn dat een eventueel effect het gevolg is van de onafhankelijke variabele. Als andere variabelen ook kunnen variëren, kunnen deze variaties de oorzaak zijn van een eventueel gevonden effect.

 

Als een andere factor tezamen met de onafhankelijke factor varieert, is het experiment verstoord, omdat een effect op de afhankelijke variabele dan het gevolg is van de onafhankelijke variabele dan wel de verstorende variabele. Een verstorende factor varieert met of hangt samen met de onafhankelijke variabele. Het kan voorkomen dat een onderzoeker denkt één variabele te manipuleren, terwijl die variabele in werkelijkheid uit meerdere componenten bestaat. De onderzoeker kan dan denken dat component A het experimentele effect veroorzaakt, terwijl componenten B en C met component A variëren. Nader onderzoek kan vervolgens aantonen dat het effect veroorzaakt wordt door component C in plaats van A.

 

Between-subjects en within-subjects design

Een andere belangrijke beslissing bij het ontwerpen van experimenten is het gebruiken van verschillende groepen mensen of dezelfde mensen in de verschillende experimentele condities. Bij een between-subjects experimenteel design wordt aan iedere experimentele conditie een andere groep mensen toegewezen. Vervolgens worden beide groepen na een bepaalde periode getest. Een belangrijke factor bij between-subjects experimentele designs is dat mensen willekeurig moeten worden toegewezen aan de verschillende onderzoeksgroepen. Dit moet ervoor zorgen dat beide groepen ongeveer hetzelfde zijn.

 

Een ander type between-subjects experiment is het matched-groups design, waarbij een bepaalde relevante vaardigheid vóór het experiment wordt gemeten. Vervolgens worden de participanten toegewezen aan de experimentele condities, zodat ze op de relevante dimensie gematcht zijn. Op deze manier kan de onderzoeker er relatief zeker van zijn dat er geen belangrijke verschillen tussen de groepen bestaan.

 

Bij het within-subjects experimentele design worden dezelfde mensen voor alle experimentele condities gebruikt. Dit design kent echter ook meerdere complicaties, waaronder het leereffect. Dit verwijst naar het feit dat oefening in de eerste experimentele conditie invloed heeft op de prestatie in de tweede experimentele conditie. Oefening kan dus een verstorende factor zijn. Een manier om dit probleem op te lossen, is tegenbalanceren (‘counterbalancing’): het variëren van de volgorde van de condities tussen participanten. Als de condities bijvoorbeeld X en Y zijn, krijgt de helft van de participanten eerst X en dan Y, terwijl de andere helft eerst Y krijgt en daarna X. Deze oplossing is echter moeilijker wanneer een onderzoek meerdere condities omvat.

 

Een ander probleem bij within-subjects experimenten is het differentiële overdrachtseffect. In dit geval kan participatie aan de ene conditie de prestatie in de andere conditie aanzienlijk veranderen. Stel dat een onderzoeker wil bestuderen of het creëren van mentale beelden een betere strategie is voor het onthouden van informatie dan mentaal repeteren. Bij een within-subjects design moet gebruik worden gemaakt van tegenbalancering. Echter, als participanten eerst mentale beelden moeten creëren en ontdekken dat dit heel goed werkt, maken ze bij de volgende conditie (waarbij ze moeten repeteren) waarschijnlijk nog steeds gebruik van mentale beelden. In dit geval zorgt tegenbalancering er niet voor dat leereffecten worden uitgeschakeld, omdat er sprake is van differentiële overdracht tussen condities, wat tot een verstoring van het experiment kan leiden.

 

Of een onderzoeker beter gebruik kan maken van een between-subjects of within-subjects design hangt af van verschillende factoren. Een voordeel van within-subjects designs is dat dezelfde mensen voor beide condities worden gebruikt, waardoor er vaak minder variatie in prestatie is als gevolg van verschillende mensen in de groepen. Bij between-subjects designs kunnen groepen, ondanks willekeurige toewijzing aan de verschillende condities, enigszins van elkaar verschillen. De power (het vermogen om een effect van de onafhankelijke variabele te detecteren) van een within-subjects experiment is vaak groter dan van een between-subjects experiment. Echter, een within-subjects design heeft ook nadelen. Als deelname aan de ene experimentele conditie waarschijnlijk een grote invloed heeft op de prestatie in andere condities, wordt de voorkeur over het algemeen gegeven aan een between-subjects design.

 

Subject variabelen

Als individuele verschillen tussen mensen op een bepaalde taak worden bestudeerd, wordt deze factor een subject variabele genoemd. Het lijkt op een onafhankelijke variabele, omdat er onderzoek wordt gedaan naar het effect ervan op de afhankelijke variabele, maar er zijn ook enkele belangrijke verschillen tussen onafhankelijke en subject variabelen. Een subject variabele kan niet worden gemanipuleerd, zoals een onafhankelijke variabele. Daarnaast kunnen subject variabelen niet willekeurig worden toegeschreven aan condities. Het grote gevaar met subject variabelen is dat een andere factor samenhangt met de factor van interesse, wat leidt tot een verstoring van het experiment. Daarom is het van belang om te proberen om mensen in verschillende condities aan elkaar te matchen.

 

Een voorbeeldexperiment

Er zal een voorbeeld worden gegeven van een experiment, aan de hand waarvan het kritisch evalueren van experimenteel onderzoek zal worden besproken. Het experiment heeft betrekking op valse herinneringen. Iemand heeft een valse herinnering wanneer hij/zij een gebeurtenis zich anders herinnert dan hoe het daadwerkelijk gebeurde, of wanneer hij/zij zich een gebeurtenis herinnert die überhaupt nooit heeft plaatsgevonden. In het experiment kregen de onderzoeksparticipanten lijsten met 15 aan elkaar gerelateerde woorden te horen, bijvoorbeeld ‘deur’, ‘glas’, ‘huis’, ‘gordijn’, enzovoorts. Na de lijst één keer gehoord te hebben, moesten ze alle woorden opschrijven die ze zich nog herinnerden. Ze werden gewaarschuwd voor gokken en hen werd verteld om zo nauwkeurig mogelijk te zijn. Uit het experiment blijkt dat de onderzoeksparticipanten vaak een bepaald geassocieerd woord opschrijven, dat niet in de lijst voorkwam (in dit voorbeeld ‘raam’). De 15 aangeboden woorden waren afgeleid van associatienormen; als aan participanten wordt gevraagd welk het eerst in hen opkomt bij het horen van ‘raam’, zijn de 15 woorden in de lijst de meest genoemde woorden. Een mogelijke verklaring voor valse herinneringen is dat de aangeboden woorden geassocieerd worden met andere woorden (zoals ‘raam’) en dat deze associaties worden geactiveerd tijdens het horen van de woordenlijst.

 

Om dit experiment kritisch te evalueren, moeten de specifieke kenmerken ervan worden beoordeeld. In het experiment waren er 24 lijsten, met op iedere lijst 15 woorden die geassocieerd worden met een bepaald woord (het kritische item) dat niet werd aangeboden. In het experiment hoorden studenten 16 woordenlijsten. Na acht lijsten kregen ze twee minuten de tijd om zoveel mogelijk woorden op te schrijven, terwijl ze bij de andere acht lijsten twee minuten de tijd kregen om rekensommen op te lossen. De reden hiervoor was om te kunnen bepalen of het al dan niet direct opschrijven van de woorden effect heeft op de prestatie op een latere test. Na het horen van 16 woordenlijsten en het opschrijven van de woorden van acht van deze lijsten, kregen studenten aan het eind van het experiment een herkenningstest. In deze test moesten studenten van 96 woorden aangeven of ze al dan niet in één van de woordenlijsten voorkwamen. Van de 96 woorden was de ene helft al eerder aangeboden en de andere helft niet. Van de aangeboden woorden kwamen er drie uit iedere lijst. De niet-aangeboden woord (afleiders) omvatten 16 kritische items van de woordenlijsten (woorden die waren gebruikt om de lijsten op te stellen, zoals ‘raam’) en 32 nieuwe woorden.

 

Generaliseerbaarheid en beperkingen van experimentele resultaten

Het voordeel van een experiment is het isoleren van één of meerdere factoren en om andere factoren constant te houden, zodat het mogelijk wordt om het effect op een afhankelijke variabele te bestuderen. Het nadeel is dat als een simpele setting wordt gecreëerd om één factor te isoleren, de kans wordt verkleind dat de resultaten naar een meer gecompliceerde setting kunnen worden gegeneraliseerd.

 

Het valse herinneringsexperiment kan en wordt bekritiseerd als kunstmatig en als weinig relevant voor de ontwikkeling van valse herinneringen buiten het laboratorium. Echter, vaak kunnen laboratoriumomstandigheden het juist moeilijker maken om een bepaald resultaat waar te nemen.

 

Experimenten dienen om hypothesen te testen en causaliteit vast te stellen. Ze worden uitgevoerd om de interne validiteit van een resultaat te bepalen, met andere woorden: of de onafhankelijke variabele invloed heeft op de afhankelijke variabele. Experimenten hebben vaak een hoge interne validiteit, maar een lage externe validiteit. De externe validiteit verwijst naar de generaliseerbaarheid van de bevindingen naar andere contexten. Voordat aandacht besteed moet worden aan externe validiteit, moet eerst de interne validiteit worden vastgesteld. Met andere woorden: men moet eerst zeker zijn van een bevinding (bijvoorbeeld: het manipuleren van X leidt ertoe dat Y varieert), voordat het überhaupt nuttig is om te onderzoeken of deze bevinding ook in settings buiten het laboratorium waarneembaar is

 

Als er een experiment is uitgevoerd en hier belangrijke resultaten naar voren komen, is de eerste stap altijd replicatie van het resultaat: kunnen andere wetenschappers hetzelfde experiment uitvoeren en hetzelfde resultaat behalen? Bij een directe replicatie wordt het experiment zo gelijk mogelijk uitgevoerd in een poging om hetzelfde resultaat te behalen. Een volgende stap is een conceptuele replicatie: het zoeken naar dezelfde algemene patronen van resultaten, maar door middel van iets andere methoden dan de oorspronkelijke procedure. Kan het basisconcept van het experiment worden gerepliceerd? Blijft het experimentele effect bestaan als de onafhankelijke variabele iets anders wordt gemanipuleerd of als de afhankelijke variabele iets anders is? Als uit een conceptueel replicatie-experiment dezelfde resultaten naar voren komen, is het fenomeen in ieder geval enigszins generaliseerbaar. Als het effect daarentegen niet wordt gevonden, zijn er grenscondities voor het fenomeen gevonden. Dit zijn variabelen waarnaar het experimentele effect niet gegeneraliseerd kan worden. Het vaststellen van grenscondities is vaak belangrijk, zowel voor het ontwikkelen van theorieën als voor praktische doeleinden.

 

Jenkin’s benadering van generaliseerbaarheid

Jenkins heeft een nuttige manier bedacht om na te denken over generaliseerbaarheid in het onderzoek. Hij wees erop dat ieder experiment of resultaat bekeken moet worden in de context van de factoren die constant zijn gehouden, maar potentieel zouden kunnen variëren. Met andere woorden: ieder experiment vindt plaats in de context van controlevariabelen, maar die variabelen hadden ook gemanipuleerd kunnen worden.

 

Figuur 1. Jenkin’s tetrahedrale model.

 

Jenkin’s basale idee van contextualisme wordt gepresenteerd in het tetrahedrale model van geheugenexperimenten (zie figuur 1). Dit model omvat vier dimensies:

  • De participanten: generaliseren de bevindingen naar andere groepen?
  • De materialen: als een experiment wordt uitgevoerd met woordenlijsten, worden dezelfde resultaten dan gevonden bij het gebruik van bijvoorbeeld passages of plaatjes
  • De instructies: welke strategieën gebruiken mensen en hebben de instructies invloed op hun strategieën?
  • De uitkomstmeting: zouden dezelfde resultaten worden gevonden als de afhankelijke variabele op een andere manier gemeten zou worden?

 

Hieronder zal worden besproken hoe iedere factor invloed heeft op de valse herinneringen in het voorbeeldexperiment.

 

Participanten

Verschillende groepen participanten variëren aanzienlijk in geheugenprestaties. Zo hebben oudere volwassenen en mensen met de ziekte van Alzheimer meer valse herinneringen dan studenten. Een manier om te bevestigen dat dezelfde processen werkzaam zijn bij geheugenverstoring in het laboratorium en de echte wereld is door te onderzoeken of mensen die in de echte wereld vatbaar zijn voor geheugenfouten ook in het laboratorium vatbaarder zijn voor valse herinneringen. Mensen die bijvoorbeeld vatbaar zijn voor geheugenverstoringen, zijn mensen die beweren ontvoerd te zijn geweest door buitenaardse wezens. Er is onderzocht of deze mensen ook in het laboratorium meer valse herinneringen hebben dan mensen die niet beweren ontvoerd te zijn. Hierbij is gebruik gemaakt van woordenlijsten. Uit dit experiment komt naar voren dat ‘ontvoerde mensen’ twee keer zo veel valse herinneringen hebben dan controleparticipanten. De ‘ontvoerde mensen’ lijken er meer moeite mee hebben om onderscheid te maken tussen aangeboden woorden en woorden die enkel impliciet geactiveerd zijn. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat beide groepen mogelijk op meerdere aspecten significant van elkaar verschillen. Zo ervaren ‘ontvoerde mensen’ meer depressieve gevoelens dan de controleparticipanten en dit hangt positief samen met het hebben van valse herinneringen. Het is dus onduidelijk of een depressie leidt tot een toename in valse herinneringen, of dat er een daadwerkelijk verschil bestaat in de geheugenprocessen van ‘ontvoerde mensen’. Desondanks blijkt uit dit onderzoek dat mensen die in de echte wereld meer valse herinneringen hebben ook in het laboratorium meer ontvankelijk zijn voor valse herinneringen. Dit suggereert dat de geheugenprocessen die betrokken zijn bij valse herinneringen in het laboratorium overeenkomen met die betrokken zijn bij valse herinneringen in de echte wereld.

 

Uitkomstmeting

Geheugenonderzoek heeft verschillende soorten afhankelijke variabelen, die gevoelig zijn voor verschillende soorten manipulaties. Zo blijkt uit onderzoek dat woorden die in de Engelse taal minder vaak worden gebruikt beter worden herkend dan woorden die vaker worden gebruikt. Woorden die vaker worden gebruikt, worden daarentegen weer beter herinnerd dan woorden die minder vaak worden gebruikt. Het is dus vaak het geval dat verschillende geheugentests moeten worden gebruikt om resultaten te generaliseren naar verschillende soorten metingen.

 

Hoewel herinnerings- en herkenningstests soms leiden tot verschillende resultaten, afhankelijk van de aard van de onafhankelijke variabelen die gemanipuleerd worden in een experiment, geldt dit over het algemeen niet voor valse herinneringen. Manipulatie van een onafhankelijke variabele heeft vaak dezelfde invloed op valse herinnering als valse herkenning.

 

Materialen

Zou het valse geheugeneffect dat uit het voorbeeldexperiment blijkt, generaliseren als gebruik wordt gemaakt van verschillende materialen en modaliteiten (visuele versus auditieve aanbieding van de materialen)? Onderzoek heeft aangetoond dat het effect erg robuust is en generaliseert naar de meeste bestudeerde condities. Wel wordt de sterkte van het effect beïnvloed door de specifieke materialen en hun organisatie.

 

Instructies en de experimentele setting

Een laatste belangrijke kwestie bij het bepalen van de generaliseerbaarheid van onderzoeksbevindingen is de algemene setting van het experiment: de instructies, de onderzoeker, de ruimte en de strategieën die de participanten gebruiken. Een aantal van deze factoren heeft invloed op de valse herinneringen van participanten.

 

Samenvatting van Jenkin’s contextuele benadering

Uit het bovenstaande kan het volgende worden geconcludeerd:

  • Het valse geheugeneffect is redelijk robuust en blijft bestaan bij verschillende participanten, uitkomstmetingen, materialen en instructies.
  • Valse herinneringen verschillen tussen participanten, soorten materialen en instructies. Ze veranderen echter relatief weinig bij verschillende manieren om geheugenprestatie te meten (herinnering versus herkenning).

 

Deze conclusies kunnen alleen worden getrokken na het nauwkeurig bekijken van de contextuele factoren die het geheugen kunnen beïnvloeden. Het basale idee van de contextuele benadering is om te proberen het bestudeerde fenomeen te beïnvloeden door de factoren te manipuleren die in het oorspronkelijke onderzoek constant zijn gehouden. Alleen door dit te doen, kan een compleet beeld worden gevormd van het bestudeerde fenomeen.

 

3: Kritisch denken over quasi-experimenteel onderzoek

Inleiding

Dit hoofdstuk richt zich op kritisch denken over quasi-experimenteel onderzoek. Bij dit type onderzoek zijn dezelfde aspecten van kritisch denken van belang als in het vorige hoofdstuk zijn beschreven. Echter, bij quasi-experimenteel onderzoek speelt nog een andere kwestie: het kritisch denken over willekeurige toewijzing.

 

Causaliteit

Wat is een oorzaak?

Een ‘INUS’-conditie is een onvoldoende (‘insufficient’), maar niet-overvloedig (‘non-redundant’) deel van een onnodige (‘unnecessary’), maar voldoende (‘sufficient’) conditie. Denk bijvoorbeeld de oorzaak van een bosbrand. Een aangestoken lucifer is:

  • onvoldoende, omdat dit zonder andere omstandigheden niet kan leiden tot een bosbrand;
  • niet-overvloedig als het iets toevoegt dat kan leiden tot vuur, dat anders is dan andere factoren in de samenstelling (bijvoorbeeld zuurstof en droge bladeren);
  • in combinatie met de volledige samenstelling van factoren deel van een voldoende conditie om een brand te veroorzaken, maar die conditie is niet noodzakelijk, omdat ook andere omstandigheden voor een brand kunnen zorgen.

 

De meeste oorzaken zijn eigenlijk INUS-condities. Veel factoren zijn vaak noodzakelijk om een effect te laten plaatsvinden, maar we kennen zelden alle factoren en hoe deze aan elkaar gerelateerd zijn. Dit is één van de redenen waarom de meeste causale verbanden niet deterministisch zijn, maar slechts de kans vergroten dat een effect zal plaatsvinden. Het is ook de reden waarom een causaal verband wel onder bepaalde omstandigheden zal bestaan, maar niet universeel is. Alle causale verbanden zijn in bepaalde mate contextueel afhankelijk, waardoor de generaliseerbaarheid van experimentele effecten altijd een kwestie is.

 

Experimentele oorzaken zijn manipuleerbaar. In een experiment worden de effecten onderzocht van iets dat gemanipuleerd kan worden, zoals de dosis van een medicijn of het aantal kinderen in een klas. Niet-manipuleerbare gebeurtenissen of kenmerken, zoals iemands leeftijd of geslacht, kan geen oorzaak zijn in een experiment. Dit geldt echter alleen voor experimentele oorzaken. Het betekent dus niet dat álle oorzaken manipuleerbaar moeten zijn. Denk bijvoorbeeld aan een genetisch defect dat niet-manipuleerbaar is, maar wel leidt tot fenylketonurie.

 

Wat is een effect?

Wat een effect is, kan beter worden begrepen aan de hand van een tegenfeitelijk (‘counterfactual’) model. Een tegenfeit is iets dat tegengesteld is aan een feit. Bij een experiment wordt bijvoorbeeld geobserveerd wat er gebeurt als mensen een behandeling krijgen. Het tegenfeit is kennis van wat er gebeurd zou zijn als diezelfde mensen op dat moment geen behandeling hadden gekregen. Een effect is het verschil tussen wat er gebeurt en wat er gebeurd zou zijn. Een tegenfeit kan echter nooit worden geobserveerd. In een experiment staan twee taken centraal: (1) het creëren van een hoogwaardige, maar imperfecte bron van een tegenfeit (controlegroep) en (2) het bestuderen van het verschil tussen deze bron en de behandelgroep. Soms kan gebruik worden gemaakt van een within-subjects design, waarbij dezelfde groep mensen bijvoorbeeld wordt blootgesteld aan de behandel- en controleconditie. De reactie van de persoon in de controleconditie kan een goede bron van een tegenfeit zijn, omdat het indiceert wat er gebeurd zou zijn als hij/zij geen behandeling had gekregen. Echter, het is niet perfect, omdat er sprake kan zijn van een volgorde-effect als gevolg van bijvoorbeeld vermoeidheid. Deze problemen kunnen tot op bepaalde hoogte worden verminderd door middel van tegenbalancering.

 

Willekeurige toewijzing vormt een controlegroep, die vaak de beste benadering is van een tegenfeit. Echter, ook de controlegroep is niet perfect, omdat de personen in de controlegroep niet identiek zijn aan degenen in de behandelgroep.

 

Het probleem bij quasi-experimenten is dat verschillen tussen de behandel- en controlegroep vaak systematisch in plaats van willekeurig zijn. Daarom kan een niet-willekeurige controlegroep weinig inzicht geven in wat er met de behandelgroep gebeurd zou zijn als deze geen behandeling had gekregen. Vaak wordt bij quasi-experimenteel onderzoek gebruik gemaakt van twee hulpmiddelen om een goede bron van een tegenfeit te creëren:

  • Het observeren van dezelfde eenheid over de tijd heen, zoals bij een ‘time series’ design of een casestudie. Bij een ‘time series’ design zijn er meerdere voor- en nametingen. De voormetingen worden gebruikt om in te schatten wat er gebeurd zou zijn als er geen behandeling zou zijn aangeboden.
  • Het vormen van een niet-willekeurige controlegroep die zoveel mogelijk op de behandelgroep lijkt. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van matching. Echter, matching kan niet plaatsvinden voor een oneindig aantal variabelen, waardoor er altijd onbekende en ongemeten systematische verschillen bestaan tussen de controle- en behandelgroep.

 

Een causaal verband

Er bestaat een causaal verband als voldaan wordt aan drie voorwaarden:

  1. De oorzaak gaat vooraf aan het effect.
  2. De oorzaak is gerelateerd aan het effect.
  3. Er is geen plausibele alternatieve verklaring voor het effect.

 

Of de oorzaak samenhangt met het effect, kan gemakkelijk worden onderzocht door middel van een correlationele analyse. Echter, in veel correlationele studies is het onmogelijk om te bepalen welke van de twee variabelen eerst kwam. Een quasi-experiment is in twee opzichten beter dan een correlationeel onderzoek:

  • Quasi-experimenten dwingen de oorzaak om vooraf te gaan aan het effect door eerst de veronderstelde oorzaak te manipuleren en vervolgens een uitkomst te observeren.
  • Bij quasi-experimenten kunnen enkele (maar niet alle) derde variabelen (die een alternatieve verklaring voor het verband kunnen zijn) controleren.

 

Bedreigingen voor valide causale conclusies

Campbell heeft de meest voorkomende groepsverschillen geïdentificeerd. Deze variabelen vormen bedreigingen voor valide causale conclusies. Hieronder zal iedere variabele worden genoemd en zal een voorbeeld worden gegeven aan de hand van het Head Start experiment. Head Start is een onderwijsprogramma voor kansarme kinderen. Bij het experiment werd geen gebruik gemaakt van willekeurige toewijzing aan de onderzoekscondities. Uit het experiment bleek dat Head Start kinderen lager scoorden op toetsen dan controlekinderen. De bedreigingen voor een valide causale conclusie luiden als volgt:

  • Verleden: gebeurtenissen die gelijktijdig met de behandeling plaatsvinden.

Voorbeeld: kinderen in de behandelgroep werden tijdens het schooljaar verhuisd naar een ander lokaal.

  • Rijping: natuurlijke veranderingen over de tijd heen, die verward kunnen worden met een behandeleffect.

Voorbeeld: er wordt minder voorgelezen aan de Head Start kinderen, waardoor hun woordenschat trager ontwikkelt.

  • Selectie: systematische verschillen tussen de groepen die ook tot het effect zouden kunnen leiden.

Voorbeeld: Head Start kinderen ervaren meer gezinsstress dan controlekinderen.

  • Uitval: uitval van participanten kan leiden tot kunstmatige effecten als het systematisch samenhangt met condities.

Voorbeeld: de best presterende kinderen zullen vaker uit Head Start stappen, omdat hun ouders een beurs hebben gekregen voor een particuliere school.

  • Instrumentarium: de aard van een meting kan over de tijd heen veranderen of kan tussen condities verschillen op een manier, die verward kan worden met een behandeleffect.

Voorbeeld: bij observaties kunnen de toegepaste maatstaven over de tijd heen veranderen, omdat de observatoren verveeld raken of moe worden.

  • Testen: deelname aan een test kan invloed hebben op scores op daaropvolgende deelnames aan die test, wat verward kan worden met een behandeleffect.

Voorbeeld: leerlingen die tijdens de voormeting een zeer moeilijke woordenschattest hebben gemaakt, raken ontmoedigd en zijn eerder geneigd om op te geven bij een volgende afname van de test.

  • Regressie naar het gemiddelde: als eenheden worden geselecteerd op grond van extreme scores, hebben zij vaak minder extreme scores op andere variabelen, wat verward kan worden met een behandeleffect.

Voorbeeld: degene die het hoogst op de eerste test scoort, behaalt op de tweede test vaak niet de hoogste score. Voor Head Start zijn de hoogst scorende kinderen geselecteerd. Hun scores waren bij de tweede test niet zo hoog, waardoor het gemiddeld lijkt alsof zij achteruit zijn gegaan.

 

Het is niet haalbaar, maar ook niet noodzakelijk om alle mogelijke alternatieve verklaringen van een causaal verband uit te sluiten. Er hoeft enkel aandacht te worden besteed aan plausibele alternatieve verklaringen.

 

Falsificatie

Aantonen dat alternatieve hypothesen niet plausibel zijn, hangt sterk samen met een logica die door Popper is voorgesteld. Vóór Popper lag de nadruk op het gebruiken van data om hypothesen te bevestigen. Popper bekritiseerde deze benadering en gaf hierbij het volgende voorbeeld: als mijn hypothese luidt dat alle zwanen wit zijn en ik beweer dat deze hypothese bevestigd is, omdat alle zwanen die ik ooit heb gezien wit zijn, kan mijn hypothese alsnog verkeerd zijn, omdat ik ooit wellicht een zwarte zwaan zal zien. Zelfs grote hoeveelheden data kunnen dus niet bewijzen dat een hypothese klopt. Popper stelde dat het makkelijker is om te bewijzen dat een hypothese niet waar is. Hij benadrukte het belang om hypothesen te falsificeren. Conclusies die standhouden bij falsificatie, worden behandeld als plausibel, totdat iets anders wordt aangetoond. Quasi-experimenteel onderzoek volgt dezelfde logica: onderzoekers bedenken en bestuderen plausibele alternatieve verklaringen die een causale bewering kunnen falsificeren.

 

Echter, falsificatie kan nooit zo zeker zijn als Popper stelde, omdat het afhangt van twee aannames die nooit volledig getest kunnen worden:

  • De causale bewering moet duidelijk, volledig en onbetwistbaar zijn. Dit is nooit het geval. Veel kenmerken van zowel de bewering als de test van de bewering zijn discutabel. Als data suggereren dat de hypothese niet klopt, kunnen onderzoekers daardoor een kleine aanpassing aan hun causale theorie maken en volhouden dat de algemene theorie nog steeds klopt.
  • Falsificatie vereist observationele procedures, die de geteste theorie perfect reflecteren. Echter, observaties zijn nooit perfect. Observaties reflecteren bijvoorbeeld ook de wensen van de onderzoekers.

 

Desondanks is een aangepaste versie van Popper’s logica mogelijk. Volgens dit perspectief zijn causale studies nuttig, zelfs als de aanvankelijke hypothese herhaaldelijk moet worden aangepast om aangepast te worden aan onderzoeksresultaten en kritiek van anderen. Daarnaast kan men meer vertrouwen hebben in tests van hypothesen als deze herhaaldelijk zijn uitgevoerd door verschillende onderzoekers, met verschillende procedures op verschillende plekken en verschillende momenten.

 

De feilbare psychologie van quasi-experimenteel onderzoek

Bij quasi-experimenteel onderzoek hangt het uitsluiten van plausibele alternatieve verklaringen af van kennis van de relevante bedreigingen. Echter, we beschikken vaak niet over deze kennis, waardoor de meeste onderzoekers afhankelijk zijn van hun eigen feilbare oordeel. Mensen zijn niet goed in dit type kritisch denken en zijn ontvankelijk voor veel cognitieve biases en beperkingen. Relevant voor het falsificationisme is de bevestigingsbias: de neiging van mensen om meer oog te hebben voor bewijs vóór dan tegen hun hypothesen en theorieën. Echter, het kritisch denken dat nodig is bij quasi-experimenteel onderzoek vereist juist het tegenovergestelde: onderzoek moet op zo’n manier worden ontworpen dat hypothesen worden gefalsificeerd of dat wordt aangetoond dat de falsificatie niet plausibel is.

 

Willekeurige toewijzing aan onderzoekscondities biedt de beste bron van een tegenfeit, toont aan dat een oorzaak voorafgaat aan een effect en toont aan dat de meeste alternatieve verklaringen voor een effect niet plausibel zijn. Willekeurige toewijzing is in die zin een vervanging voor het kritisch denken over veel van de kwesties die in dit hoofdstuk besproken zijn.

 

4: Het evalueren van vragenlijsten

Elementen van een survey design

De term ‘survey’ verwijst naar systematische dataverzameling bij een steekproef die uit een grotere populatie is getrokken. Als data worden verzameld voor ieder lid van de populatie, wordt de studie een census genoemd. De meest bekende vorm van een survey is de vragenlijst en dit hoofdstuk richt zich dan ook op de kritische evaluatie van vragenlijsten. Een survey moet beginnen met het bepalen van de doelstellingen. De doelstellingen bepalen de te bestuderen populatie, het design van de survey en de vragen die worden gesteld. Hieronder zullen enkele belangrijke elementen van een survey design worden besproken.

 

Survey designs

De meeste surveys hebben één moment van dataverzameling. Deze cross-sectionele surveys maken het mogelijk een schatting te maken van de prevalentie van een mening of gedraging in de populatie en om verschillen tussen subgroepen van de populatie in te schatten. Tevens bieden ze informatie over verbanden tussen variabelen, hoewel niet kan worden vastgesteld of er sprake is van causaliteit. Als representatieve cross-sectionele surveys met verschillende mensen uit dezelfde populatie worden herhaald, kan onderzoek worden gedaan naar veranderingen in de houdingen en het gedrag van de populatie over de tijd heen. Dit time series design maakt causale conclusies mogelijk door de covariatie van variabelen over de tijd heen te bestuderen.

 

Een betere manier om causaliteit vast te stellen, is echter door middel van panel surveys. Hierbij worden dezelfde respondenten meermaals geïnterviewd. Beperkingen van panel surveys zijn echter de hoge kosten en de grote kans op uitval van respondenten.

 

Experimentele surveys omvatten experimentele variaties in een (vaak cross-sectionele) survey.

 

Populaties en steekproeven

De onderzoeksdoelstellingen bepalen de populatie waarover data moeten worden verzameld. Meestal is het onmogelijk om data te verzamelen over álle leden van de populatie en moet een steekproef worden getrokken. De steekproef moet representatief zijn voor de populatie om valide conclusies te kunnen trekken over de gehele populatie. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen een aselecte en een selecte steekproef.

 

Aselecte steekproef

Bij een aselecte steekproef heeft ieder lid van de populatie een even grote kans om in de steekproef te worden opgenomen. De meest basale vorm is de simpele willekeurige steekproef. Hiervoor is een lijst nodig met alle leden van de populatie (steekproefkader), waar de steekproef uit getrokken kan worden. Als de lijst niet compleet is, leidt dit tot een dekkingsfout: discrepanties tussen de populatie en het gebruikte steekproefkader. Simpele willekeurige steekproeftrekking is mogelijk voor sommige populaties, zoals de leden van een organisatie, maar bijvoorbeeld niet voor een heel land.

 

Nationaal representatieve surveys zijn vaak gebaseerd op clustersteekproeftrekking. Dit begint bij het trekken van een willekeurige steekproef van staten/provincies, gevolgd door een willekeurige steekproeftrekking van wijken binnen deze staten/provincies. Vervolgens worden de huishoudens in deze wijken genummerd en wordt een willekeurige steekproef van huishoudens getrokken. Tot slot wordt willekeurig bepaald welk lid van het huishouden wordt geïnterviewd. Tegenwoordig worden de meeste nationaal representatieve surveys echter telefonisch uitgevoerd. Hiervoor kan een steekproef worden getrokken uit de telefoonboeken. Echter, privénummers leiden tot onvolledige telefoonboeken en de hoge mobiliteit van de populatie leidt ertoe dat telefoonboeken vaak niet meer up-to-date zijn. Willekeurig telefoonnummers bellen voorkomt deze problemen. Onderzoekers selecteren willekeurig netnummers en de eerste paar cijfers uit het telefoonnummer en een willekeurige cijfergenerator vult de missende cijfers aan.

 

Nonrespons

Ongeacht de kwaliteit van een steekproeftrekking kan de representativiteit van een steekproef worden verkleind door een lage respons. Degenen die niet bereikt kunnen worden of die weigeren om deel te nemen aan het onderzoek, kunnen verschillen van de mensen die wel willen deelnemen.

 

Selecte steekproef

De hoge kosten van een aselecte steekproeftrekking en het probleem van een lage respons worden vermeden door middel van een selecte steekproeftrekking. Echter, dit type steekproef heeft negatieve gevolgen voor de representativiteit ervan. In het ergste geval wordt gebruik gemaakt van een gemakssteekproef, die bijvoorbeeld bestaat uit mensen die zichzelf opgeven voor een onderzoek. Dergelijke steekproeven zorgen ervoor dat er geen conclusies kunnen worden getrokken voor een populatie, omdat de representativiteit van de steekproef onbekend is.

 

Bij quota steekproeftrekking wordt een steekproef geselecteerd op basis van een set kenmerken in de populatie. Als de te bestuderen populatie bijvoorbeeld bestaat uit 40% getrouwde mensen, 18% allochtonen en 35% mensen ouder dan 45 jaar, kan een steekproef worden getrokken die aan deze kenmerken voldoet. Echter, ook bij dit type steekproeftrekking kunnen er geen sterke conclusies over de populatie worden getrokken, omdat de kans dat een lid van de populatie geselecteerd wordt onbekend blijft.

 

Grootte van de steekproef

De totaalfout van een survey omvat meerdere componenten:

  • De steekproeffout: discrepanties tussen de resultaten van een bepaalde steekproef en de daadwerkelijke populatiewaarden, die kunnen worden toegeschreven aan willekeurige verschillen tussen de steekproef en het steekproefkader.
  • Dekkingsfout: discrepanties tussen de populatie en het gebruikte steekproefkader.
  • Fout als gevolg van non-respons.
  • Meetfout: verstoringen in het proces van vragen beantwoorden.

 

Hieronder zal de steekproeffout nader worden besproken. Mensen verschillen en het willekeurig selecteren van verschillende mensen uit het steekproefkader zal leiden tot enigszins verschillende resultaten. Hoe verschillend, kan worden berekend als de selectiekans bekend is, wat alleen het geval is bij een aselecte steekproef. De steekproeffout neemt af met een toenemende steekproefgrootte, maar deze afname is non-lineair. Bij de meeste nationale surveys streven onderzoekers naar een steekproeffout van 3%, waarvoor een steekproef van ongeveer 1.000 respondenten nodig is. De manier van steekproeftrekking is echter belangrijker dan de steekproefgrootte op zich.

 

Omdat de steekproeffout afhangt van de steekproefgrootte, is de steekproeffout voor een subgroep veel groter dan de steekproeffout voor de gehele steekproef. Het is daarom misleidend om de steekproeffout van een nationale steekproef toe te passen op de resultaten voor een bepaalde staat/provincie (of een andere subgroep). Om nauwkeurige schattingen te maken voor gespecificeerde subgroepen, moet hun representatie worden vergroot door middel van ‘oversampling’. Surveys met een interesse in een bepaalde sociale categorie omvatten vaak een groter aantal leden van die categorie dan het percentage in de populatie. Bij het berekenen van statistieken voor de algemene populatie worden de resultaten van de overgerepresenteerde groepen vervolgens aangepast via weegprocedures.

 

Surveys en experimenten

Het voordeel van een representatieve survey is dat het mogelijk wordt om met behulp van een steekproef conclusies te trekken over een gespecificeerde populatie. Surveys bieden goede beschrijvende data. Een belangrijke beperking is echter dat de data correlationeel zijn, waardoor het niet mogelijk is om causale conclusies te trekken (tenzij gebruik wordt gemaakt van een panel design).

 

Het grote voordeel van experimenten is daarentegen dat het trekken van conclusies hier wel mogelijk is. Door middel van willekeurige toewijzing aan onderzoekscondities kan ervoor worden gezorgd dat andere variabelen dan de onafhankelijke variabelen geen systematische invloed kunnen hebben. Echter, een beperking van veel experimenten is dat ze vaak worden uitgevoerd met een klein aantal vrijwilligers (een gemakssteekproef met een onbekende representativiteit). Hierdoor is het niet mogelijk om conclusies over een gespecificeerde populatie te trekken. Bovendien maakt de vaak homogene aard van de vrijwilligers het onmogelijk om te beoordelen of de invloed van de experimentele manipulatie varieert met de achtergrondkenmerken van de participanten (bijvoorbeeld leeftijd of sociale klasse).

 

Cognitieve en communicatieve processen

Uit onderzoek blijkt dat kenmerken van de taken voor respondenten, zoals de formulering van een vraag of de volgorde van de antwoordmogelijkheden, veel invloed hebben op de antwoorden van respondenten. Deze invloeden worden contexteffecten of responseffecten genoemd. Wetenschappers proberen deze effecten te voorkomen door middel van pretesting.

 

Taken voor respondenten

Respondenten hebben bij surveys diverse taken. Om te begrijpen om welke informatie wordt gevraagd, moeten respondenten de vraag allereerst interpreteren. Vervolgens moeten ze deze informatie uit hun geheugen terughalen. Als naar een mening wordt gevraagd, is de derde taak om op basis van de beschikbare informatie een oordeel te vormen. Vervolgens moet dit naar de onderzoeker worden gecommuniceerd. Vaak kan dit niet in eigen woorden, maar moet worden gekozen uit één van de antwoordmogelijkheden. Wanneer respondenten bang zijn dat hun antwoord sociaal onwenselijk is, passen ze hun antwoord aan voordat ze het communiceren om een negatieve zelfpresentatie te voorkomen.

 

Vraagbegrip

Surveys moeten vragen bevatten, die gemakkelijk te begrijpen zijn. Er moet gebruik worden gemaakt van simpele grammatica en bekende, eenduidige termen. Het begrijpen van de woorden, oftewel het begrijpen van de letterlijke betekenis van de vraag, is vaak niet genoeg om een betekenisvol antwoord te geven. Denk bijvoorbeeld aan de vraag ‘Wat heb je vandaag gedaan?’. Er moet een conclusie worden getrokken over de pragmatische betekenis van de vraag: wat wil de onderzoeker weten? Om dit te achterhalen, wordt gebruik gemaakt van contextuele informatie, zoals de inhoud van de andere vragen en de aard van de antwoordmogelijkheden.

 

Vraagcontext

Respondenten nemen vaak aan dat op elkaar volgende vragen met elkaar samenhangen. Een term als ‘drugs’ heeft bijvoorbeeld verschillende betekenissen als eerdere vragen gingen over iemands medische verleden dan over criminaliteit in de buurt.

 

Antwoordmogelijkheden

Vaak wordt bij surveys gebruik gemaakt van meerkeuzevragen. Antwoordmogelijkheden beïnvloeden de manier waarop een vraag wordt geïnterpreteerd. Bij gesloten vragen is het van groot belang om ervoor te zorgen dat de lijst met antwoordmogelijkheden de volledige reeks gedragingen of meningen omvat.

 

Een ander voorbeeld is het gebruiken van een puntsschaal. Stel, respondenten kunnen de vraag ‘Hoe succesvol ben je?’ beantwoorden met een score. Verwijst ‘helemaal niet succesvol’ naar de afwezigheid van succes of naar de aanwezigheid van falen? Als scores variëren van 0 (helemaal niet succesvol) tot 10 (extreem succesvol) denken de respondenten dat ‘helemaal niet succesvol’ verwijst naar de afwezigheid van succes. Echter, als de waarden variëren van -5 (helemaal niet succesvol) tot +5 (extreem succesvol) denken ze dat ‘helemaal niet succesvol’ verwijst naar het tegenovergestelde van succes, namelijk falen. Over het algemeen suggereert een schaal met positieve numerieke waarden dat de onderzoeker aan een unipolaire dimensie denkt (de aanwezigheid van één kenmerk, zoals succes), terwijl een combinatie van negatieve en positieve numerieke waarden suggereert dat de onderzoeker aan een bipolaire dimensie denkt (de aanwezigheid van een bepaald kenmerk of het tegenovergestelde daarvan, zoals succes versus falen).

 

Opinievragen

Het doel van opiniepeilingen is om inzicht te krijgen in de verdeling van meningen in een populatie door data over een representatieve steekproef te verzamelen. Echter, respondenten beantwoorden de vragen van de onderzoeker in een context waar de populatie nooit aan wordt blootgesteld, namelijk de context van het onderzoeksinstrument. Als de formulering van de vraag of de inhoud van eerdere vragen de aandacht van respondenten richt op aspecten die ze anders nooit in aanmerking hadden genomen, zijn hun antwoorden geen reflectie van wat de populatie denkt. Deze invloeden worden contexteffecten genoemd en bedreigen de validiteit van conclusies over de populatie.

 

Vraagformulering

De formulering van een vraag kan veel invloed hebben op de antwoorden van respondenten. Verschillende termen kunnen verschillende associaties activeren, wat invloed heeft op hun antwoord. Antwoorden hangen af van de manier waarop een kwestie of probleem beschreven wordt. Zonder kennis over de termen waarin de populatie spontaan over de kwestie denkt, is het onmogelijk om te bepalen welke versie van een vraag de meest voorkomende mening omvat.

 

Vraagvolgorde

Uit onderzoek blijkt dat mensen vaak niet alle informatie uit hun geheugen terughalen, die invloed kunnen hebben op een mening. In plaats daarvan stoppen ze het zoekproces als ze genoeg informatie hebben om een mening te vormen. Hun mening is daardoor gebaseerd op de informatie die op dat moment het meest toegankelijk is, bijvoorbeeld doordat het geactiveerd is door een voorgaande vraag.

 

Daarnaast is een interview een communicatieve gebeurtenis, waarop respondenten de regels van alledaagse gesprekken toepassen. Eén van deze regels is dat sprekers nieuwe informatie moeten geven in plaats van informatie herhalen, die de ontvanger al heeft. Daardoor kunnen respondenten informatie ‘achterhouden’, die ze al hebben gegeven, als ze het idee hebben dat aan elkaar gerelateerde vragen mogelijk overbodig zijn.

 

Stel, mensen wordt gevraagd naar de tevredenheid over hun leven en hun huwelijk. Informatie (in dit geval over iemands huwelijk) die omvat wordt in de representatie van het attitude-object (in dit geval ‘mijn leven’) resulteert in assimilatie-effecten: gelukkig getrouwde respondenten rapporteren een hogere levenstevredenheid dan ongelukkig getrouwde respondenten. Informatie die niet gebruikt wordt bij de vorming van een representatie van het attitude-object (‘mijn leven’), leidt daarentegen tot contrast-effecten. Enerzijds rapporteert men een lagere levenstevredenheid als zijn/haar gelukkige huwelijk buiten beschouwing wordt gelaten. Anderzijds kan zijn/haar gelukkige huwelijk dienen als een hoge maatstaf, waardoor de andere levensdomeinen minder positief worden beoordeeld. Talloze variabelen kunnen beïnvloeden of informatie gebruikt wordt bij het vormen van een representatie van een onderwerp of bij het vormen van een representatie van de maatstaf.

 

Antwoordvolgorde

De antwoorden van respondenten kunnen eveneens beïnvloed worden door de volgorde van de antwoordmogelijkheden. De antwoordvolgorde kan invloed hebben op de mentale representatie die respondenten van een kwestie vormen. Over welke mogelijkheden respondenten het eerst verder nadenken, hangt af van de volgorde en de modus. Bij een visueel format, zoals een papieren vragenlijst, denken de respondenten over de antwoordmogelijkheden in de volgorde waarin ze worden gepresenteerd. In dit geval wordt een antwoord eerder gekozen wanneer het als eerst wordt gepresenteerd dan wanneer het als laatst wordt aangeboden. Dit wordt het ‘primacy’ effect genoemd. Bij een auditief format, bijvoorbeeld een telefonisch interview, hebben de respondenten niet de mogelijkheid om over de details na te denken totdat het laatste antwoord is voorgelezen. In dit geval wordt een antwoord eerder gekozen wanneer het als laatst is aangeboden. Dit wordt het recentheidseffect genoemd. De antwoordvolgorde heeft met name invloed wanneer respondenten gemengde ideeën hebben, weinig gemotiveerd zijn of het lastig vinden om alle antwoordmogelijkheden te onthouden.

 

Geheugen en schatten

Bij surveys gaan vragen over het gedrag van respondenten vaak over frequentie, bijvoorbeeld hoeveel alcohol ze de afgelopen maand hebben gedronken. Onderzoekers hopen dat respondenten dan alle keren dat ze de afgelopen maand alcohol hebben gedronken tellen. Echter, respondenten volgen vaak niet zo’n ‘terughalen en tellen’ strategie, tenzij de gebeurtenis erg gedenkwaardig is en weinig voorkomt. Meerdere factoren zorgen ervoor dat deze strategie voor de meeste gedragingen ongeschikt is:

  • Het geheugen neemt over de tijd heen af, zelfs als de gebeurtenis relatief belangrijk en gedenkwaardig is.
  • Als de vraag over een veelvoorkomende gedraging gaat, hebben respondenten vaak geen gedetailleerde representaties van talloze individuele gevallen van dat gedrag in hun geheugen. Individuele gevallen van frequente gedragingen zijn niet te onderscheiden en moeilijk terug te halen uit het geheugen.
  • Autobiografische kennis wordt niet georganiseerd op basis van gedragscategorieën, zoals ‘alcohol drinken’. Gedragingen zijn ingebed in herinneringen van andere gebeurtenissen, zoals feestjes, en zijn moeilijk terug te halen door te zoeken naar ‘alcohol drinken’.

 

Bovendien kost een succesvolle zoektocht naar herinneringen tijd, terwijl interviews vaak snel gaan en er weinig tijd is om vragen te beantwoorden. Als gevolg hiervan gebruiken respondenten vaak gevolgtrekkings- en schattingsstrategieën om een redelijk antwoord te geven.

 

Het verleden reconstrueren

Een belangrijke gevolgtrekkingsstrategie is gebaseerd op subjectieve theorieën van stabiliteit en verandering. Bij het beantwoorden van vragen over het verleden gebruiken respondenten vaak hun huidige gedrag of mening als ijkpunt en een impliciete theorie over zichzelf om te beoordelen of gedrag of een mening in het verleden hetzelfde was of verschilt van hun huidige gedrag of mening. Of het antwoord juist is, hangt af van de nauwkeurigheid van de impliciete theorie.

 

Op veel gebieden nemen mensen aan dat de stabiliteit redelijk hoog is, wat leidt tot een onderschatting van de mate van verandering die heeft plaatsgevonden. Retrospectieve schattingen van bijvoorbeeld alcoholgebruik worden beïnvloed door het huidige alcoholgebruik van de respondenten. Anderzijds detecteren respondenten onterecht veranderingen wanneer zij een reden hebben om in verandering te geloven. Retrospectieve rapportage is dus ongeschikt om daadwerkelijke verandering over de tijd heen te meten.

 

Frequentieschalen

Aan respondenten wordt vaak gevraagd om hun gedrag te rapporteren door een mogelijkheid op een frequentieschaal aan te geven. Ervan uitgaand dat de onderzoeker een betekenisvolle schaal heeft geconstrueerd, gebruiken de respondenten de schaal als informatiebron bij het maken van een schatting. Ze nemen aan dat waarden in de middelste waarden de ‘gemiddelde’ of ‘gebruikelijke’ frequentie, terwijl de uiterste waarden corresponderen met de extremen van de verdeling. Ze gebruiken de schaal dus als referentiekader bij het schatten van hun eigen gedragsfrequentie. Deze strategie resulteert in hogere schattingen op schalen die meer hoge dan lage frequentiewaarden weergeven. Vragen naar de frequentie van gedrag kunnen het best in een open format worden gesteld, waarbij de respondent zelf een antwoord moet bedenken.

 

Onduidelijke kwantoren

Sommige onderzoekers gebruiken onduidelijke kwantoren bij het vragen naar gedragsfrequentie, zoals ‘soms’ of ‘vaak’. Hetzelfde woord kan in verschillende contexten een andere betekenis hebben. Vaak hoofdpijn hebben impliceert bijvoorbeeld een hogere absolute frequentie dan vaak een hartaanval hebben. Daarnaast gebruiken verschillende respondenten dezelfde term voor verschillende objectieve frequenties van hetzelfde gedrag. Onduidelijke kwantoren zijn dus ongeschikt voor het meten van objectieve frequenties.

 

Bedreigende vragen en het aanpassen van antwoorden

Er ontstaan extra complicaties als het te bestuderen gedrag onwenselijk is en respondenten het gedrag vertonen, of als het te bestuderen gedrag zeer wenselijk is en respondenten het gedrag niet vertonen. In dit geval kunnen respondenten hun antwoord aanpassen om het meer acceptabel te maken. Deze sociale wenselijkheid neemt af met een toenemende anonimiteit van de interviewsituatie. Invloeden van sociale wenselijkheid zijn vaak matig en beperkt tot erg bedreigende vragen. Technieken die de vertrouwelijkheid van de antwoorden van respondenten moeten waarborgen, verminderen sociale wenselijkheid.

 

5: Kritisch denken bij het ontwerpen en analyseren van onderzoek

Onderzoeksontwerp

Dit hoofdstuk bespreekt 21 basislessen van kritisch denken, zoals toegepast op het ontwerpen en analyseren van onderzoek. Wat betreft het onderzoeksontwerp worden de volgende lessen benoemd:

 

  1. Zorg ervoor dat je onderzoeksvraag het waard is om beantwoord te worden.

Ben je zelf écht geïnteresseerd in het antwoord op de vraag die je stelt, of zou iemand anders dat zijn? Vragen kunnen te klein, maar ook te groot zijn. Vragen moeten dus groot genoeg zijn, maar niet zo groot dat ze diffuus worden.

 

  1. Zorg ervoor dat je onderzoek de onderzoeksvraag mogelijk kan beantwoorden.

Soms beantwoorden studies niet de vraag die oorspronkelijk werd gesteld. Het is van belang om kritisch na te denken of het ontwerp van de studie zich daadwerkelijk richt op de beoogde vraag.

 

  1. Zorg ervoor dat de onderzoeksmethoden geschikt zijn voor het type onderzoeksvraag.

 

Onderzoeksanalyse

Wat betreft de onderzoeksanalyse worden de volgende lessen benoemd:

 

  1. Scores betekenen weinig tot niets zonder informatie over de centrale neiging.

Om een score te interpreteren, moet je het met andere scores kunnen vergelijken. Vaak ontbreekt deze vergelijkingsinformatie.

 

  1. Gemiddelden betekenen weinig tot niets zonder variabiliteitsinformatie.

Zonder informatie over variabiliteit, zoals de standaardafwijking, zeggen gemiddelden niets.

 

  1. Let op de vorm van de verdeling.

Bij het trekken van conclusies uit parametrische statistieken is het van groot belang om er zeker van te zijn dat de onderliggende verdeling ongeveer normaal is.

 

  1. Het significantieniveau van een statistische test vertelt niets over de sterkte van een effect.

Vaak wordt de significantie van een statistische test gebruikt als maat voor de grootte van een effect. Een onderzoeker schrijft dan bijvoorbeeld dat een effect ‘erg significant’ is. De sterkte van een test van statistische significantie wijst niet op de sterkte van een effect, maar hoe groot de kans is dat de data verkregen zouden zijn als de nulhypothese waar zou zijn. Stel, er worden twee verschillende studies gedaan naar behandelprogramma A en behandelprogramma B. Beide programma’s zijn effectief: programma A met een significantie van p < .05 en programma B met een significantie van p < .001.Op basis hiervan kan niet worden beweerd dat programma B effectiever is dan programma A. Stel dat de studie naar programma A wordt gedaan met een steekproef van 75 participanten en de studie naar programma B met een steekproef van 1.000 participanten. Het is mogelijk dat de effectgrootte van programma A groter is, maar dat de statistische significantie van dat effect kleiner is dan van programma B, omdat de studie minder power heeft. Kortom, zonder informatie over de steekproef- of effectgrootte kunnen geen conclusies worden getrokken over welk programma effectiever is.

 

  1. Wees bekend met de power van de tests die je uitvoert.

In statistische cursussen ligt de nadruk vaak op het gevaar van type 1 fouten, waarbij beweringen worden gemaakt die niet door de data worden ondersteunt. Echter, ook type 2 fouten zijn belangrijk, waarbij een bestaand fenomeen over het hoofd wordt gezien. Bij het ontwerpen van een onderzoek is het belangrijk ervoor te zorgen dat de groepsgrootte en totale steekproefgrootte geschikt zijn om een potentieel effect te detecteren. Dit wordt de power van de studie genoemd.

 

  1. Bekijk de schaaleigenschappen van je data voordat je ze analyseert.

Rangordes zijn ordinale data, wat betekent dat de afstanden tussen de verschillende rangordes niet betekenisvol zijn. Stel, iemand moet drie producten op basis van voorkeur ordenen van 1 tot 3. Dat de drie producten als 1, 2 en 3 worden geordend, betekent niet dat ze op een voorkeursschaal op gelijke afstand van elkaar liggen. Iemand kan bijvoorbeeld evenveel van product 1 en 2 houden, maar een hekel hebben aan product 3. Bij rangorde data lenen de schaaleigenschappen zich dus niet voor het berekenen van bijvoorbeeld een gemiddelde.

 

  1. Correlatie impliceert geen causaliteit.

Correlatie impliceert geen causaliteit. Echter, weinig mensen nemen deze les ter harte. Hiervoor zijn meerdere redenen. Soms wil men bijvoorbeeld in een bepaalde richting van causaliteit geloven.

 

  1. Experimentele studies zonder controle- of vergelijkingsgroepen geven vaak oninterpreteerbare resultaten.

Bij een experimentele studie zonder controle- of vergelijkingsgroep wordt bij één groep een voormeting gedaan, een interventie aangeboden en een nameting gedaan. Als de scores op de nameting hoger zijn dan op de voormeting, wordt aangenomen dat dit het gevolg is van de interventie. Echter, deze conclusie kan niet worden getrokken, omdat er vele mogelijke redenen zijn voor deze toename in de score, zoals leereffecten of rijping.

 

Om conclusies over de effectiviteit van een programma te kunnen trekken, moet er dus minimaal één controlegroep zijn, die de interventie niet krijgt. Vervolgens moeten de scores op de nameting van beide groepen met elkaar worden vergeleken om te kijken of het programma effect heeft. Echter, hierbij kan het Hawthorne effect optreden: alleen de deelname aan de interventie op zich heeft een positief effect, bijvoorbeeld als gevolg van extra aandacht. Daarom is een vergelijkingsgroep, die een andere interventie krijgt, een betere controlegroep. Hierbij wordt programma A met programma B vergeleken. Echter, het probleem hierbij is dat het mogelijk is dat het ene programma daadwerkelijk beter is dan niets, maar niet beter is dan het andere programma. Het is dus het best om zowel een controle- als vergelijkingsgroep te hebben.

 

  1. Kijk uit voor plafond- en vloereffecten.

Meetinstrumenten moeten geen plafond- en vloereffect teweeg brengen. Stel, een leerkracht geeft een hele gemakkelijke toets, waarbij de gemiddelde score 95 is. Omdat er een laag plafond is, worden goede studenten bestraft, omdat het voor hen moeilijk wordt zich te onderscheiden. Vloereffecten bestraffen juist de zwakkere studenten. Als de test redelijk moeilijk is en de gemiddelde score 10% juist is, zal er weinig variatie zijn tussen de zwakkere studenten. Hierdoor kunnen studenten die niet bij de betere studenten, maar ook niet bij de slechtste studenten horen, zich moeilijk onderscheiden.

 

  1. Partiële correlatie en analyse van covariantie elimineren niet altijd de effecten van irrelevante variabelen.

Partiële correlatie en covariantie-analyse zijn bedoeld om effecten van irrelevante variabelen te elimineren. Echter, soms worden ze gebruikt op manieren die de schijn geven dat ze iets doen, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval is. Als je bijvoorbeeld het verband tussen IQ en prestatie wilt onderzoeken, gebruik je de ‘Wechsler Intelligence Scale for Children’ (WISC) en de ‘Stanford Achievement Tests’ (SAT’s). De correlatie is hoog (.6). Echter, je ontdekt dat er een probleem is, omdat beide tests overeenkomstige woordkennisproblemen bevatten. Iemand met een kleine woordenschat zal op beide tests beperkt zijn. Daarom geef je een woordenschattest en houd je woordenschat constant. Vervolgens vind je een partiële correlatie van .3. Je concludeert dat intelligentie en prestatie nauwelijks met elkaar samenhangen.

 

Echter, het is vaak moeilijk te bepalen wat irrelevante variantie is. Verbale vaardigheden zijn niet irrelevant voor intelligentie, maar zijn er een onderdeel van. Tevens zijn verbale vaardigheden onderdeel van prestatie. Door ze constant te houden, elimineer je geen irrelevante, maar relevante variantie. Als de verbale componenten daarentegen niet constant worden gehouden, wordt de correlatie tussen IQ en prestatie wel hoger, omdat in beide tests overeenkomstige items worden gebruikt.

 

  1. Plan je statistische analyse vóór je het onderzoek uitvoert.

Veel studenten ontwerpen studies, ervan uitgaande dat ze de details van de data-analyse later nog uit zullen werken. Echter, later ontdekken ze dat hun onderzoeksontwerp een juiste statistische analyse moeilijk of zelfs onmogelijk maakt.

 

  1. Lees je analyse en je interpretaties van de resultaten met de mindset van je grootste vijand.

Iedereen is vatbaar voor een bevestigingsbias, waarbij je geneigd bent te kijken naar data die je ideeën bevestigen in plaats van ontkrachten. Als je klaar bent met het schrijven van je artikel, is het echter aan te raden om het te lezen alsof je je grootste vijand bent. Welke kritiek zouden mensen op het onderzoek kunnen hebben? Vervolgens moet je de antwoorden op deze kritiek in je artikel verwerken.

 

  1. Kijk uit voor uitschieters.

Uitschieters zijn punten met extreme waarden, die buiten de verdeling vallen. Deze uitschieters moeten niet in de analyse worden meegenomen, omdat het zorgt voor een vertekening van de resultaten. Uitschieters kunnen invloed hebben op correlaties of op statistische significantietests tussen gemiddelden.

 

  1. Houd rekening met betrouwbaarheidsintervallen.

Zonder rekening te houden met betrouwbaarheidsintervallen is het heel moeilijk om verschillen tussen bijvoorbeeld twee correlaties of gemiddelden te interpreteren. Correlaties hebben vaak een groot betrouwbaarheidsinterval (grote standaardfout), waardoor het verschil tussen correlaties vaak niet statistisch significant is.

 

  1. Houd rekening met de relatieve kosten van type 1 versus type 2 fouten, en bekijk effectgroottes in relatie tot kosten en baten.

De kosten van type 1 en type 2 fouten variëren, afhankelijk van de omstandigheden. Als je bijvoorbeeld een nieuw medicijn hebt dat mogelijk een bepaald type kanker kan genezen en het significantieniveau .10 is, zou het dom zijn om niet met het medicijn verder te gaan, omdat het effect slechts marginaal significant is. Het zou de moeite waard zijn om tests met een grotere power uit te voeren.

 

  1. Vraag jezelf af of de manier waarop je je onderzoek gekaderd hebt nog steeds de beste manier is en pas het, indien nodig, aan.

 

  1. Bekijk welk verhaal je resultaten vertellen en zet dit op papier.

Onderzoeksartikelen zijn niet simpelweg een presentatie van ‘feiten’, maar is een verhaal dat door de onderzoeksresultaten wordt verteld. 

 

  1. Schend nooit ethische standaarden en pleeg nooit fraude.

 

6: Het perspectief van de case studie op psychologisch onderzoek

Het klinische gevalsrapport

Gevalsrapporten in de klinische psychologie verschillen in een aantal opzichten van neuropsychologische case studies. Voor klinische gevallen wordt de term ‘rapport’ gebruikt en voor neuropsychologische gevallen de term ‘studie’. Hoewel de termen vaak allebei kunnen worden gebruikt, wordt dit onderscheid gemaakt vanwege het type data dat beide soorten onderzoek opleveren. Klinische gevalsrapporten zijn vaak observationeel en rapporteren gedetailleerd over de kenmerken van verschillende soorten abnormaal denken en gedrag. Ze richten zich op de behandeling van mentale stoornissen bij individuele patiënten en beschrijven de uitkomsten hiervan. De neuropsychologische case studie richt zich daarentegen op verschillen tussen experimentele manipulaties. Bij een klinisch gevalsrapport is experimentele manipulatie van behandelingen vaak niet mogelijk. Desondanks kunnen klinische gevalsrapporten nieuwe onderzoeksvelden aan het licht brengen, die vervolgens wetenschappelijk onderzocht kunnen worden.

 

De neuropsychologische case studie: Gevalsstudies versus groepsstudies

Bij studies naar neuraal intacte personen worden vragen over het verband tussen individuele kenmerken en cognitieve functies vaak beantwoord door groepslidmaatschap te identificeren en vervolgens een verband te zoeken tussen groepslidmaatschap en prestatie op een experimentele manipulatie. Afgeleid hiervan lijkt de beste manier om onderzoek te doen naar het verband tussen symptomen als gevolg van hersenletsel te zijn om patiënten met hersenletsel aan groepen toe te wijzen en vervolgens kijken naar groepsverschillen de juiste manier. Groepstoewijzing kan bijvoorbeeld worden gebaseerd op klinische classificatie, de plaats van het letsel of de prestatie op een assessment van een bepaalde functie. De groepsbenadering kan echter een belangrijke beperking opleggen. Zo is het mogelijk dat mensen met letsel aan het gebied van Broca als groep moeite hebben met het begrijpen van de syntactische informatie in zinnen, terwijl veel individuele mensen met letsel aan dit gebied hier geen moeite mee hebben.

 

Bij groepsstudies blijven er dus vaak hiaten in de kennis van de cognitieve beperkingen die het gevolg kunnen zijn van een bepaald type hersenletsel. Gevalsstudies met één enkel individu met hersenletsel kunnen daarentegen inzicht geven in de mechanismen die ten grondslag liggen aan intacte cognitieve verwerking door te identificeren hoe deze mechanismen verstoord kunnen worden. Om de neuropsychologische case studie te begrijpen, moet een aantal algemene aannames worden toegelicht:

  • Aanname van modulariteit: de aanname dat het cognitieve systeem in een bepaald domein bestaat uit een aantal aan elkaar gerelateerde componenten, die specifieke functies uitvoeren.
  • Aanname van universaliteit: de aanname dat, voorafgaand aan het hersenletsel, alle individuen met overeenkomstige ontwikkelingsachtergronden een overeenkomstige cognitieve architectuur hebben.
  • Aanname van subtractiviteit: de aanname dat, na hersenletsel, de overige componenten van het cognitieve systeem hetzelfde zullen functioneren als voorafgaand aan het hersenletsel.

 

Vanwege de complexiteit van de cognitieve architectuur in elk domein, en gezien de mogelijkheid dat hersenletsel invloed kan hebben op iedere combinatie van modules, is de variëteit aan mogelijke stoornissen immens. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat er een groep patiënten gevonden kan worden die identiek is in de cognitieve componenten die beschadigd of bespaard zijn. Het groeperen van patiënten zal dus vaak plaatsvinden op basis van de onderliggende tekorten. Vanwege de heterogeniteit van tekorten in iedere groep patiënten met hersenletsel kunnen groepsdata zeer misleidend zijn. De validiteit van groepsgemiddelden voor het trekken van conclusies hangt af van de aanname dat alle groepsleden hetzelfde zijn in termen van hun cognitieve vermogens, waardoor de verdeling van individuele scores rond het daadwerkelijke groepsgemiddelde een reflectie is van een steekproeffout. Echter, de verdeling van scores rond het gemiddelde is vaak het gevolg van daadwerkelijke verschillen tussen patiënten in plaats van een willekeurige fout. Kortom, een valide conclusie over de specifieke beperkingen van het cognitieve systeem als gevolg van hersenletsel kan alleen op het niveau van het individu worden getrokken.

 

De ontwikkeling van cognitieve theorieën

Bij een case studie wordt een individu bekeken in het licht van een theorie in een bepaald domein. Vervolgens worden een aantal assessments uitgevoerd om te bepalen welke aspecten van cognitieve functie in dit domein bespaard zijn gebleven en welke beschadigd zijn. De aanname die hieraan ten grondslag ligt, is dat het type beperkingen als gevolg van hersenletsel kan helpen bij het beschrijven van de manier waarop een intact systeem werkt. Conclusies over normaal cognitief functioneren die uit een case studie worden getrokken, kunnen samengevoegd worden met uitkomsten van mensen zonder hersenletsel om een meer gedetailleerd beeld te krijgen van de mechanismen die ten grondslag liggen aan cognitie.

 

Beperkingen van de neuropsychologie case studie

Ondanks de waarde van case studies voor het verkrijgen van inzicht in verschillende stoornissen, is de generaliseerbaarheid van dergelijke data naar neuraal gezonde individuen beperkt. Eén van de bezwaren tegen de generaliseerbaarheid betreft de aanname van modulariteit die de neuropsychologie vaak maakt. Er wordt beweerd dat sommige cognitieve processen ontstaan door een diffuus netwerk van systemen in plaats van een geïsoleerde module. Letsel aan één van deze systemen of aan de verbindingen tussen de systemen kan resulteren in beperkingen, die vervolgens onterecht worden toegeschreven aan letsel aan een enkele module.

 

In het licht van het integrale verband tussen beperkte cognitieve functies en hersenletsel is het belangrijk om erop te wijzen dat de cognitieve neuropsychologie niet beweert dat anatomische modulariteit noodzakelijk is voor functionele modulariteit. Echter, als er bij alle mentale processen grote neurale netwerken betrokken zijn, kan worden verwacht dat zelfs licht hersenletsel aan een gebied leidt tot de verstoring van verschillende cognitieve functies. Er is consistent bewijs voor verbanden tussen letsel aan bepaalde hersengebieden en daaropvolgende systematische cognitieve verstoringen, hoewel verschillen in de grootte en locatie van het letsel kan leiden tot verschillen in de mate en het type tekorten.

 

Een tweede beperking van case studies is dat ze moeilijk uitvoerbaar zijn. Allereerst kan een patiënt pas worden onderzocht als hij/zij in termen van cognitieve verwerking weer stabiel is. In de eerste paar maanden na het optreden van het letsel herstellen cognitieve beperkingen vaak spontaan. Als de patiënt geen stabiel plateau heeft bereikt, kan een slechte prestatie op meetmoment 1 en een betere prestatie op meetmoment 2 simpelweg een reflectie zijn van algemeen herstel.

 

Patiënten die de focus zijn van een case studie moeten binnen een universeel platform worden geplaatst, zodat vergelijkingen kunnen worden gemaakt tussen prestaties van dezelfde patiënt en tussen verschillende patiënten. Dit kan worden gedaan door vele gestandaardiseerde psychologische en neuropsychologische tests bij de patiënt af te nemen. Als een vergelijking wordt gemaakt tussen scores van een patiënt en controleparticipanten moeten de controleparticipanten zo goed mogelijk gematcht worden aan de patiënt, bijvoorbeeld in termen van leeftijd en opleidingsniveau.

 

Een ander kritiekpunt dat vaak wordt genoemd met betrekking tot case studies is dat patiënten bepaalde strategieën ontwikkeld kunnen hebben die leiden tot een bepaald prestatiepatroon. Dit patroon zou dan geen reflectie zijn van de werking van een normaal systeem zonder de beschadigde component. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een patiënt een strategie ontwikkelt voor het uitvoeren van een neuropsychologische taak, die hij/zij al vele malen heeft gedaan.

 

Een andere kwestie met betrekking tot case studies naar de tekorten bij specifiek hersenletsel is nieuwe toewijzing van neuraal weefsel. Het is mogelijk dat de prestatie van een patiënt op een bepaalde taak over de tijd heen verbetert, omdat functies worden gereorganiseerd. Critici stellen dat data van case studies geen onderscheid maken tussen effecten als gevolg van het letsel en effecten als gevolg van nieuwe toewijzing van gezond corticaal weefsel aan bepaalde cognitieve functies. Als reorganisatie van functies simpelweg betekent dat nieuwe hersengebieden de verloren functie oppakken, blijft de prestatie van de patiënt op de taken een reflectie van het cognitieve proces dat wordt bestudeerd, ook al wordt het door een nieuwe neurale architectuur ondersteunt. Echter, als reorganisatie van functies betekent dat er een geheel nieuwe manier van de verwerking van een taak is ontstaan, is de prestatie die ‘normaal’ lijkt geen reflectie van het proces dat men beoogt te onderzoeken. De prestatie van de patiënt is dan niet vergelijkbaar met hetzelfde proces dat bij andere patiënten en gezonde controleparticipanten wordt onderzocht.

 

Een andere beperking van de case studie is het bepalen van ‘abnormale’ prestatie. De variabiliteit binnen neuraal gezonde personen op een bepaalde taak kan erg groot zijn. Daarom worden statistische procedures gebruikt om een afkappunt te identificeren, vanaf waar scores als abnormaal worden beschouwd. Er zijn statistische procedures voor het vergelijken van data van één individu met een steekproef van controleparticipanten. Echter, in sommige gevallen vertonen ook een aantal controleparticipanten een afwijkende prestatie. Wat maakt de scores van de patiënt dan anders? Dit wijst op het belang van meerdere consistente metingen. Terwijl een controleparticipant eenmalig een afwijkende score behaalt, bijvoorbeeld als gevolg van tijdelijk concentratieverlies, zal een patiënt met een cognitief tekort consistent abnormale scores behalen.

 

7: Informele logische drogredenen

Inleiding

Formeel gezien is een bewering valide, als de conclusie volgt uit de vooronderstellingen (ongeacht of deze waar zijn). Formele logica kijkt dus alleen naar de regels voor het trekken van conclusies uit een bepaalde set vooronderstellingen. Er zijn geen standaarden voor het evalueren van de vooronderstellingen zelf.

 

Dit hoofdstuk richt zich op informele logica. In tegenstelling tot formele logica, zoekt informele logica naar standaarden voor het genereren en evalueren van vooronderstellingen. Als er onvoldoende bewijs is voor vooronderstelling A, kan een conclusie die op deze vooronderstelling gebaseerd is nooit valide zijn. Een tweede verschil tussen formele en informele logica is dat formele logica omgaat met zekerheid. Formele logica biedt geen manier om de redelijkheid van meerdere valide of invalide conclusies te wegen. Het heeft de wenselijke eigenschappen van objectiviteit en precisie. Hoewel een deel van die objectiviteit en precisie wordt verloren bij informele logica, wordt er hierbij weer veel gewonnen in termen van toepasbaarheid en nut. Informele logica bieden standaarden voor het evalueren van de redelijkheid van conclusies. Een informele logische drogreden is een misvatting die het gevolg is van verkeerd redeneren op een moment in het proces. In dit hoofdstuk worden de meest voorkomende informele logische drogredenen besproken en manieren om deze te vermijden.

 

Veel informele logische drogredenen lijken op of zijn gebaseerd op nuttige heuristieken. Een heuristiek is een impliciete strategie, die een complex probleem in een simpeler probleem omzet. We profiteren van het gebruik van heuristieken, omdat ze ons in staat stellen om problemen efficiënt op te lossen en omdat ze vaak tot het correcte antwoord leiden. Echter, als een heuristiek te breed wordt toegepast, resulteert dit in voorspelbare fouten.

 

Drogredenen in de zoektocht naar en interpretatie van bewijs

Bevestigingsbias

De bevestigingsbias is de neiging om bewijs te verzamelen, dat consistent is met de hypothese, in plaats van inconsistent bewijs te verzamelen, dat de hypothese zou kunnen falsificeren. Deze neiging is gebaseerd op het valide idee dat als de hypothese waar is, er bewijs voor moet zijn. Echter, dit idee steunt op de vooronderstelling (dat de hypothese waar is) die getest moet worden. Het is dus noodzakelijk om de zoektocht naar bewijs ook te baseren op het even valide idee dat als de hypothese niet waar is, er tegenbewijs moet zijn. Met andere woorden: de bevestigingsbias bestaat uit de natuurlijke neiging om consistent bewijs te verzamelen, zonder dit aan te vullen met het minder natuurlijke, maar even noodzakelijke, proces van zoeken naar inconsistent bewijs. Hoewel de bevestigingsbias vaak wordt beschreven als cognitieve bias, is het vaak extra hardnekkig en problematisch als men gemotiveerd is om de hypothese te geloven. Je moet er dus vooral op letten dat je ook naar tegenbewijs zoekt wanneer je hoopt geen tegenbewijs te vinden.

 

Assimilatiebias

Het vermijden van de bevestigingsbias en het verzamelen van evenwichtig bewijs is de eerste stap richting een valide conclusie. De tweede stap is het onbevooroordeeld interpreteren van dat bewijs. Hiervoor moet de assimilatiebias worden voorkomen: de neiging om dubbelzinnig bewijs te interpreteren op een manier die de hypothese bevestigt. Daarnaast is men vaak geneigd om bewijs te negeren dat de hypothese ontkracht. Bij veel studies is er sprake van overtuigingsvolharding: hierbij blijven ideeën bestaan, ondanks bewijs waaruit achteraf blijkt dat deze ideeën niet kloppen.

 

Naïef realisme

Een laatste obstakel voor het onbevooroordeeld interpreteren van bewijs is het falen om te erkennen dát je het bewijs interpreteert. Naïef realisme verwijst naar de overtuiging dat je objecten en gebeurtenissen objectief in plaats van subjectief waarneemt. Dit verklaart onder andere waarom mensen denken dat anderen vaker informele logische drogredenen hebben dan zijzelf. Mensen hebben een blinde vlek voor biases: ze detecteren biases in andermans oordelen, maar niet in hun eigen oordeel.

 

Het probleem van naïef realisme kan vooral groot zijn, wanneer de informatie uit de tweede hand komt. Informatie uit de tweede hand is vaak meer gestroomlijnd en minder variabel dan eerstehands informatie. Er is dus extra voorzichtigheid geboden bij het trekken van conclusies op basis van tweedehands informatie.

 

Drogredenen bij het trekken van conclusies

Non sequiturs

Een non sequitur drogreden betekent letterlijk dat de conclusie niet volgt uit het gegeven bewijs. De term wordt gebruikt voor drogredenen, waarbij de vooronderstelling irrelevant is voor de conclusie, waardoor de conclusie vanuit een logisch standpunt willekeurig is. Er zijn een aantal veelvoorkomende non sequitur drogredenen:

  • Nulsomdrogreden (‘zero-sum’ of ‘fixed pie’ drogreden): de aanname dat winst aan de ene kant even zwaar weegt als verlies aan de andere kant.
  • Invalide disjunctie: de aanname dat iets het ene uiterste of het andere uiterste moet zijn, en niks in het midden kan zijn.
  • Argumentum ad verecundiam: de aanname dat een bewering van een sympathieke bron valide is.
  • Argumentum ad hominem: de aanname dat een bewering van een onsympathieke bron invalide is.
  • Naturalistische drogreden: de aanname dat iets goed is, omdat het natuurlijk is.
  • Argumentum ad novitatem: de aanname dat iets goed is, omdat het nieuw is.
  • Argumentum ad antiquitatem: de aanname dat iets goed is, omdat het altijd zo gedaan is.
  • Populistische drogreden (argumentum ad populum): de aanname dat de opinie van de meerderheid de valide opinie is.
  • Het argument van de onwetendheid (argumentum ad ignorantiam): de aanname dat (1) iets waar moet zijn, als niet is bewezen dat het niet waar is, dan wel (2) iets niet waar moet zijn, als niet bewezen is dat het waar is.
  • Compositiedrogreden: de aanname dat de eigenschappen van het geheel hetzelfde zijn als de eigenschappen van de delen ervan.

 

Fouten bij frequentieschattingen

Drogredenen ontstaan ook regelmatig wanneer mensen de kans op een gebeurtenis of de grootte van verschillende categorieën proberen te bepalen. Deze drogredenen illustreren de dunne lijn tussen nuttige heuristieken en informele logische fouten. De beschikbaarheids- en representativiteitsheuristieken geven veel inzicht in de fouten die mensen maken en in de manieren waarop zij denken.

 

Beschikbaarheidsheuristiek:

De beschikbaarheidsheuristiek is een inschatting van de kans op een gebeurtenis of de grootte van een categorie op basis van het gemak waarmee relevante gevallen uit het geheugen teruggehaald kunnen worden. Hierdoor is het gebaseerd op een logische drogreden. Omdat gevallen van grote categorieën of veelvoorkomende gebeurtenissen relatief gemakkelijk zijn om terug te halen, neemt men aan dat deze gevallen moeten horen bij grote categorieën of veelvoorkomende gebeurtenissen. Echter, ook andere factoren beïnvloeden het gemak waarmee iets uit het geheugen teruggehaald kan worden. Opvallende, onderscheidende kenmerken en emotioneel beladen gebeurtenissen worden gemakkelijk teruggehaald. De beschikbaarheidsheuristiek leidt vervolgens tot een overschatting van die kenmerken en gebeurtenissen. Mensen zijn bijvoorbeeld vaak geneigd om het aantal doden als gevolg van moord te overschatten en het aantal doden als gevolg van hartziekten te onderschatten.

 

Representativiteitsheuristiek:

Bij de representativiteitsheuristiek wordt een moeilijke assessment van kans, causaliteit of categorielidmaatschap vervangen door een simpele gelijkenisberekening. Het is een mentale aanname, waarbij mensen iets classificeren op basis van de mate waarin het lijkt op een karakteristiek geval. Als iemand bijvoorbeeld blond haar en blauwe ogen heeft, is de kans groter dat diegene Nederlands is dan Spaans. De representativiteitsheuristiek is vaak nuttig, maar kan ook tot verschillende fouten leiden:

  • Gokkersmisvatting: de aanname dat als een bepaalde uitkomst een tijdje niet is voorgekomen, het nu wel móet gebeuren. Als een munt bijvoorbeeld tien keer achter elkaar op kop is geland, neemt men aan dat de munt de volgende keer wel op munt moet landen. Mensen beschouwen kans onterecht als zelfcorrigerend in plaats van als daadwerkelijk willekeurig.
  • Regressiedrogreden: de neiging om blind te zijn voor gevallen van regressie naar het gemiddelde en om onnodige verklaringen voor simpele regressie-effecten te creëren.
  • Combinatiedrogreden: de aanname dat de kans op de combinatie van twee gebeurtenissen groter is dan de kans op één van beide gebeurtenissen op zichzelf staand.

 

Conclusies uit steekproeven

Als mensen op basis van steekproeven conclusies trekken, is de meest voorkomende fout overmatige gevolgtrekking uit kleine steekproeven. De meest opmerkelijke en meest voorkomende versie van deze fout is de neiging om harde conclusies te trekken uit één enkel geval of één gebeurtenis. Een voorbeeld hiervan is: ‘Mijn vader rookt al 40 jaar iedere dag een pakje sigaretten en hij is kerngezond, dus alle verhalen over de gevaren van roken zijn overdreven.’

 

Correlatie en causaliteit

Eén van de meest voorkomende informele logische drogredenen is de neiging om correlatie met causaliteit te verwarren (cum hoc ergo propter hoc). Deze logische fout is het gevolg van de neiging om een valide overtuiging te breed toe te passen. Causaliteit impliceert correlatie, maar dit betekent niet dat correlatie ook causaliteit impliceert. Mensen gaan er vaak onterecht van uit dat er bij een verband tussen twee variabelen altijd sprake is van oorzaak-gevolg. Echter, het verband kan ook het gevolg zijn van een derde variabele.

 

Veel invalide causale conclusies zijn gebaseerd op verschillende soorten magisch denken: de neiging om te denken dat twee gebeurtenissen ‘samengaan’ causaal gerelateerd zijn. Het verschil tussen magisch denken en de verwarring tussen correlatie en causaliteit is dat het bij magisch denken niet vereist is dat er daadwerkelijk een statistisch verband tussen de twee gebeurtenissen bestaat. Eén principe van magisch denken, de wet van gelijkenis, is gebaseerd op de representativiteitsheuristiek en omvat de neiging om te geloven dat oorzaken lijken op effecten. Zo denken veel mensen over het spel Craps dat het zacht rollen van de dobbelsteen leidt tot lage getallen (kleine oorzaak = klein effect), terwijl het hard rollen van de dobbelsteen hogere getallen zal produceren (grote oorzaak = groot effect).

 

Tunnelvisie

Als een conclusie eenmaal is getrokken, falen mensen er vaak in om de mogelijkheid of redelijkheid van andere conclusies te erkennen. Deze neiging tot het negeren van alternatieve conclusies kan tot meerdere drogredenen leiden:

  • Achteraf bias: de neiging om de kans te overdrijven dat men de uitkomst vooraf had kunnen voorspellen. Voorbeeld: 11 september veranderde niet alleen de kijk op de toekomst, maar ook de kijk op het verleden. Achteraf lijkt het logisch dat Amerika meer aandacht had moeten besteden aan Osama Bin Laden.
  • De ‘vloek van kennis’ bias: het onvermogen van een geïnformeerd persoon om het oordeel van een minder geïnformeerd persoon nauwkeurig te reproduceren. De achteraf bias is een voorbeeld van de ‘vloek van kennis’ bias: individuen zijn niet in staat om hun eigen ongeïnformeerde verwachtingen van vóór de gebeurtenis te reproduceren.
  • ‘Gezonken kosten’ drogreden: de neiging om geen oog te hebben voor alternatieve conclusies. Mensen blijven teveel tijd, geld of energie aan één ding, simpelweg omdat ze daar al tijd, geld of energie in hebben geïnvesteerd.

 

Het vermijden van informele logische drogredenen

Systeem 1 en Systeem 2

De duale procestheorie van cognitie stelt dat er twee soorten mentale processen zijn: (1) een systeem dat snel en moeiteloos werkt en (2) een systeem dat moeite kost. Sommige theorieën nemen aan dat mensen bij een onbelangrijk oordeel vaak kiezen voor het eerste systeem, terwijl ze bij belangrijke beslissingen voor het tweede systeem kiezen. Andere theorieën gaan er daarentegen van uit dat de twee systemen parallel aan elkaar werken. De focus ligt in dit hoofdstuk op het tweede type theorieën.

 

Systeem 1 produceert snelle oordelen, die vaak gebaseerd zijn op associatieve verbindingen. De producten zijn vaak evaluatief van aard en zijn verantwoordelijk voor snelle positieve-negatieve of benader-vermijd reacties op stimuli. De snelle output van Systeem 1 is vaak voldoende om effectief te handelen. Echter, soms moet de output van Systeem 1 worden aangevuld of gecorrigeerd. Systeem 2 gaat boven Systeem 2 als er een fout wordt ontdekt in de oorspronkelijke, automatische beoordeling, of als de output niet adequaat lijkt voor het handelen.

 

Systeem 1 is verantwoordelijk voor de meeste informele logische drogredenen van mensen. Veel van de informele drogredenen die in dit hoofdstuk beschreven zijn, volgen uit de drogreden van ‘het daaruit voortvloeiende bevestigen’: onterecht aannemen dat ‘als X, dan Y’ hetzelfde is als ‘als Y, dan X’. Systeem 1 vergroot de kans op deze fout, omdat het X en Y simpelweg met elkaar verbindt.

 

Het is onmogelijk om Systeem 1 uit te zetten. Om informele logische drogredenen te vermijden, is het dus belangrijk om Systeem 2 in werking te zetten. Het gebruik van dit systeem is de meest zekere route naar een drogredenvrije redenering.

 

Het gebruik van Systeem 2

Systeem 2 wordt ingezet als er een fout van Systeem 1 wordt gedetecteerd. Uit onderzoek blijkt dat mensen kunnen leren om beter te redeneren. Lezen over de meest voorkomende drogredenen kan worden beschouwd als één vorm van training.

 

Systeem 2 wordt tevens ingeschakeld wanneer het product van Systeem 1 je niet bevalt. Wanneer mensen gemotiveerd zijn om iets te geloven, hebben ze vaak minder strenge standaarden voor het evalueren van het bewijs en accepteren ze de hypothese te gemakkelijk. Wanneer mensen een hypothese evalueren, die ze niet willen geloven, stellen ze zich vaak de vraag ‘Moet ik dit geloven?’. Gemotiveerd scepticisme leidt ertoe dat mensen meer kritisch nadenken. De vraag is dus hoe dit scepticisme bevorderd kan worden bij het evalueren van hypothesen die je graag zou willen aannemen. De beste manier is om de advocaat van de duivel te spelen en de rol aan te nemen van een tegenstander van de hypothese.

 

Een andere manier om Systeem 2 te activeren, is het inbeelden van een publiek aan wie je je denkproces moet verantwoorden. Dit kan zorgen voor preventief zelfkritiek als manier om op potentiële kritiek van het publiek te anticiperen.

 

Tot slot kunnen vragen zorgen voor de activering van Systeem 2. Tijdens iedere stap van het redeneerproces zou je jezelf de volgende vragen moeten stellen:

  1. Heb ik bewijs verzameld dat de hypothese zowel kan bevestigen als verwerpen?
  2. Zou een tegenstander van de hypothese het bewijs op dezelfde manier interpreteren?
  3. Volgt mijn conclusies noodzakelijkerwijs uit de vooronderstellingen?
  4. Beantwoord ik de gestelde vraag, of beantwoord ik een vraag die makkelijker is?
  5. Is de steekproef groot genoeg om valide conclusies te trekken?
  6. Is er daadwerkelijk een verband tussen de variabelen? Ben ik er zeker van dat het verband causaal is?
  7. Zijn er andere conclusies die redelijkerwijs uit het bewijs getrokken zouden kunnen worden?

 

8: Het ontwerpen van studies ter vermijding van verstoringen

Inleiding

Het fundamentele doel van psychologisch onderzoek is het ontdekken van de oorzaken en gevolgen van gedrag. De enige manier om dit te ontdekken, is door middel van een onderzoek waarbij alle alternatieve verklaringen zijn uitgesloten. Alternatieve verklaringen ontstaan vaak als een experiment verstorende variabelen bevat. Verstorende variabelen verwijzen naar de gelijktijdige variatie van een tweede variabele met een onafhankelijke variabele, waardoor ieder effect op de afhankelijke variabele niet met zekerheid kan worden toegeschreven aan de onafhankelijke variabele.

 

Psychologisch onderzoek kan worden onderscheiden in twee categorieën:

  • Experimenteel onderzoek: de onafhankelijke variabele wordt gemanipuleerd en vervolgens wordt gekeken naar het effect hiervan op de afhankelijke variabele.
  • Correlationeel onderzoek: het bestuderen van natuurlijk plaatsvindende variatie.

 

Met een experimenteel ontwerp kunnen sterkere conclusies worden getrokken dan met een correlationeel ontwerp. Bij experimenteel onderzoek kan er sprake zijn van ‘between-subjects’ manipulatie, waarbij verschillende participanten verschillende behandelingen krijgen, of ‘within-subjects’ manipulatie, waarbij alle participanten alle behandelingen krijgen.

 

Experimentele studies

De specifieke verstoringen die mogelijk zijn, verschillen vaak voor ‘between-subjects’ en ‘within-subjects’ experimentele designs. Er is sprake van een lage interne validiteit wanneer niet alleen de onafhankelijke variabele varieert, maar ook andere potentieel belangrijke factoren. Manieren om een studie meer intern valide te maken, zijn:

  • Willekeurige toewijzing aan onderzoekscondities: dit verkleint de kans op systematische verschillen tussen groepen.
  • Dubbelblinde benadering: zowel de onderzoeker als de participanten weten niet in welke onderzoeksconditie ze zich bevinden. Dit helpt beschermen tegen subtiele cues, die de onderzoeker per ongeluk kan geven met betrekking tot verwachte resultaten (onderzoekersbias) en tegen pogingen van participanten om de onderzoeker te helpen door data te verschaffen die de hypothese bevestigen (‘demand characteristics’).

 

‘Within-subjects’ design

Een ‘within-subjects’ experimenteel design heeft niet te maken met variabelen op persoonlijk niveau, omdat iedere participant deelneemt aan iedere conditie, waardoor iedere participant als eigen controleparticipant dient. Bij dit design zijn er echter andere mogelijke verstoringen. Wanneer alle participanten de onderzoekscondities bijvoorbeeld in dezelfde volgorde krijgen, is het mogelijk dat zij tijdens de eerste conditie meer gemotiveerd zijn. Daarom is het belangrijk om de volgorde van de onderzoekscondities te variëren. Dit wordt ‘tegenbalancering’ genoemd.

 

Een tweede mogelijke verstorende variabele is de meting van de afhankelijke variabele. Wanneer de afhankelijke variabele iedere keer op dezelfde manier wordt gemeten, kan er sprake zijn van een leereffect. Wanneer er verschillende metingen zijn voor de afhankelijke variabele, moet er echter voor worden gezorgd dat de metingen zo gelijk mogelijk zijn, bijvoorbeeld in termen van moeilijkheidsgraad.

 

Tot slot is het overdrachtseffect een mogelijke verstorende variabele bij een ‘within-subjects’ experimenteel design. Tussen de onderzoekscondities moet voldoende tijd zitten, zodat het effect van de ene onderzoeksconditie uitgedoofd is wanneer de participant aan de andere onderzoeksconditie begint.

 

‘Between-subjects’ design

Willekeurige toewijzing aan onderzoekscondities beoogt relevante variabelen gelijkelijk over de onderzoeksgroepen te verdelen, zodat er geen systematische verschillen tussen de groepen bestaan waaraan een eventueel effect kan worden toegeschreven. Dit is theoretisch gezien een goed idee, maar hoe weet je of de willekeurige toewijzing daadwerkelijk heeft geresulteerd in een gelijke verdeling van relevante variabelen? Er kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van een voormeting om aan te tonen dat de groepen voorafgaand aan de interventie gelijkwaardig zijn.

 

Een andere manier om dit probleem op te lossen, is het gebruik van een ‘matched-group’ design. Hierbij worden participanten voorafgaand aan de manipulatie getest en wordt de groepstoewijzing gebaseerd op een bepaalde variabele.

 

Of de voorkeur uit gaat naar een ‘between-subjects’ of ‘within-subjects’ design hangt af van de specifieke omstandigheden. Aanbevolen wordt om te bedenken hoe je de studie op beide manieren zou kunnen ontwerpen en vervolgens te kiezen welke manier geschikter is om je vraag te beantwoorden. Aangezien de zekerheid van conclusies belangrijk is bij psychologisch onderzoek, is replicatie met andere participanten wenselijk. Er kan bijvoorbeeld voor gekozen worden om de bevindingen van een ‘between-subjects’ design te repliceren met een ‘within-subjects’ design, of andersom.

 

Correlationele studies

Als het onethisch of onmogelijk is om fenomenen te manipuleren, moet een ander onderzoeksdesign worden gebruikt, zoals een correlationeel design. Hierbij wordt gebruik gemaakt van natuurlijk plaatsvindende variaties in de populatie. Echter, op basis hiervan kunnen geen causale conclusies worden getrokken, omdat er twee belangrijke alternatieve verklaringen zijn voor correlaties tussen variabele. De eerste alternatieve verklaring heeft betrekking op de richting van causaliteit. In de meeste correlationele studies is het onduidelijk of de eerste variabele heeft geleid tot veranderingen in de tweede variabele, of de tweede variabele heeft geleid tot veranderingen in de eerste variabele of dat een derde variabele met zowel de eerste als tweede variabele samenhangt. Dit probleem is minder groot bij longitudinale designs, waarbij alle variabelen meermaals worden gemeten. Hierdoor wordt het mogelijk om het tijdsverloop vast te stellen door aan te tonen dat veranderingen in variabele A voorafgingen aan veranderingen in variabele B.

 

De andere bedreiging voor causale conclusies in correlationeel onderzoek wordt gevormd door verstoringen. Terwijl verstoringen bij experimenteel onderzoek kunnen worden geëlimineerd door middel van willekeurige toewijzing en tegenbalancering, is dit bij correlationeel onderzoek niet mogelijk. Ieder verband kan het gevolg zijn van een ander onderliggende proces. Dit wordt ook wel het ‘derde-variabele probleem’ genoemd. Onderzoekers proberen dit probleem op te lossen door voorafgaand aan het onderzoek variabelen te identificeren die mogelijk verstorende variabelen zouden kunnen zijn. Vervolgens kan de invloed van deze variabelen worden geëlimineerd door middel van een nauwkeurig design of statistische methoden. Een voorbeeld van een analyse is een gestratificeerde analyse, waarbij participanten worden verdeeld in degenen die de mogelijke verstorende variabele wel en niet hebben. Het verband tussen de onafhankelijke en afhankelijke variabele wordt vervolgens voor beide groepen apart onderzocht.

 

Echter, een gestratificeerde analyse is niet altijd mogelijk. Veel verstorende variabelen bevinden zich op een continuüm, waardoor participanten niet gemakkelijk verdeeld kunnen worden in degenen die de variabelen wel en niet hebben. Het kan ook zijn dat de steekproefgrootte te klein is, waardoor de analyse over subgroepen niet meer betekenisvol is. Tot slot is het mogelijk dat de mogelijke verstorende variabele zo is verdeeld, dat slechts enkele participanten de variabele wel of niet hebben.

 

In deze gevallen wordt gebruik gemaakt van een covariantie analyse. Hierbij wordt het verband tussen een onafhankelijke en afhankelijke variabele onderzocht, na het statistisch verwijderen van variatie die toegeschreven kan worden aan de mogelijke verstorende variabele. Een simpele manier om te visualiseren hoe dit werkt, is door middel van een Venn diagram (zie figuur 1). Iedere cirkel representeert een variabele die in de studie wordt gemeten. Gebieden waar de cirkels overlappen, representeren verbanden tussen variabelen. Een covariantie analyse schat de overlap tussen de onafhankelijke (A) en afhankelijke (B) variabele, apart van wat beide variabelen delen met de verstorende variabele (C). Als je kijkt naar het Venn diagram, schat de covariantie analyse dus het bovenste grijze overlappingsgebied tussen A en B. Als dit gebied significant groter is dan nul kan geconcludeerd worden dat een verband tussen A en B niet toegeschreven kan worden aan de verstorende variabele C.

 

 

 

 

 

 

Figuur 1. Venn diagram

 

In de meeste grootschalige studies moet er rekening worden gehouden met meerdere mogelijke verstorende variabelen. Een covariantie analyse kan zoveel verstorende variabelen opnemen als mogelijk. Echter, als voor een groot aantal verstorende variabelen tegelijkertijd wordt gecontroleerd, kan dit leiden tot een bias in de statistische procedures, waardoor onnauwkeurige conclusies worden getrokken. Een manier waarop dit gebeurt, is door middel van ‘overfitting’ van een model. Het aantal verbanden dat wordt geschat, moet in evenwicht worden gehouden met het aantal onderzoeksparticipanten, omdat er anders valse resultaten kunnen ontstaan. Door een groot aantal statistische parameters te schatten, relatief aan het aantal onderzoeksparticipanten, bestaat het risico dat er patronen van verbanden worden gevonden die uniek zijn voor de steekproef. Met andere woorden: deze bevindingen zullen niet worden gerepliceerd met een andere steekproef. Om dit probleem te voorkomen, moeten mogelijke verstorende variabelen nauwkeurig worden geselecteerd en moet ervoor worden gezorgd dat de steekproef groot genoeg is om nauwkeurige resultaten te krijgen. Hoewel de optimale participant-verstorende variabele balans per studie verschilt, is een minimale ratio van 10:1 meestal nodig om nauwkeurige parameterschattingen te krijgen. Dus tenzij de steekproef erg groot is, is het niet verstandig om alle mogelijke verstorende variabelen in de covariantie analyse op te nemen.

 

Een andere factor waar rekening mee gehouden moet worden bij het toepassen van covariantie analyses is of bepaalde variabelen verstoringen of mechanismen zijn. Het onderscheid tussen een verstoring en een mechanisme kan subtiel zijn en hangt in veel gevallen geheel af van de theoretische achtergrond van de persoon die het onderscheid maakt. Het oordeel heeft echter belangrijke implicaties voor de manier waarop de onderzoeksresultaten worden geïnterpreteerd. Voorafgaand aan het model moet dus worden besloten welke variabelen legitieme en theoretisch interessante mechanismen zijn en welke variabelen gecontroleerd moeten worden (en dus opgenomen moeten worden in de covariantie analyse).

 

9: Het evalueren van theorieën

Inleiding

Er bestaat een groot verschil tussen theorieën in de harde en zachte wetenschappen. Formele theorieën zijn heel succesvol in de fysica, maar spelen een veel minder grote rol in de psychologie. Sommigen beweren dat formele theorieën beperkt zijn tot de harde wetenschappen en dat formalisering niet haalbaar is in de zachte wetenschappen. Dit is echter niet waar. Als de natuur wordt beheerst door causale wetten, zou dit moeten gelden voor zowel de simpelste fysische fenomenen als de hogere-orde fenomenen in de psychologie.

 

Theorieën worden op basis van de volgende kenmerken geëvalueerd:

  1. Beschrijvende toereikendheid: Komt de theorie overeen met de beschikbare empirische data?
  2. Precisie en interpreteerbaarheid: Is de theorie precies genoeg beschreven, zodat anderen het gemakkelijk en eenduidig kunnen interpreteren?
  3. Coherentie en consistentie: Bestaat de theorie uit een coherent geheel van losse componenten? Is de theorie consistent met theorieën in andere domeinen?
  4. Voorspelling en falsificeerbaarheid: Is de theorie zo geformuleerd dat kritische tests uitgevoerd kunnen worden, die kunnen leiden tot verwerping van de theorie?
  5. Postdictie en verklaring: Biedt de theorie een authentieke verklaring van bestaande resultaten?
  6. Spaarzaamheid: Is de theorie zo simpel mogelijk?
  7. Originaliteit: Is de theorie nieuw of is het slechts een herformulering van een al bestaande theorie?
  8. Breedte: Is de theorie toepasbaar op een brede reeks aan fenomenen, of is het beperkt tot een bepaald domein?
  9. Bruikbaarheid: Heeft de theorie toegepaste implicaties?
  10. Rationaliteit: Maakt de theorie beweringen over de architectuur van de geest, die redelijk lijken in het licht van de omgevingscontingenties die onze evolutionaire verleden hebben gevormd?

 

Beschrijvende toereikendheid

Het belangrijkste criterium op basis waarvan een theorie geëvalueerd moet worden, is de mate waarin de theorie overeenstemt met de data. In de psychologie is het toetsen van de significantie van de nulhypothese de meest populaire manier om een theorie met de data te vergelijken. Bij hypothesetesten worden er twee tegenstrijdige hypothesen geformuleerd, waarvan er één waar en één onwaar is als de theorie juist is.

 

Precisie en interpreteerbaarheid

Een veelgehoord kritiekpunt op psychologische theorieën is dat ze vaak beschreven zijn in onduidelijke, onnauwkeurige taal. Hierdoor wordt het moeilijk om de theorieën toe te passen.

 

Coherentie en consistentie

Een ander kenmerk van een goede theorie is de coherentie en consistentie ervan. Een voorbeeld van een logische fout in een theorie is de cirkelredenering: een drogreden, waarbij iets als juist wordt aangenomen, terwijl dit nog moet worden bewezen. Naast het bestaan van logische fouten in theorieën, moet worden gekeken naar de mate van consistentie ervan, zowel met andere theorieën binnen de psychologie als met theorieën in andere domeinen.

 

Voorspelling en falsificeerbaarheid

Eén van de belangrijkste kenmerken van een goede theorie is falsificeerbaarheid. Idealiter kan men op basis van een theorie eenduidige voorspellingen doen, en empirische tests uitvoeren die de theorie in twijfel kunnen trekken. Hoewel falsificatie soms de meest nuttige informatie geeft, kan het vertrouwen in een theorie soms worden vergroot door voorspellingen te verifiëren. Voorspellingen die onze intuïtie schenden en toch waar blijken te zijn, bieden meer bewijs voor een theorie dan niet verrassende voorspellingen.

 

Postdictie en verklaring

Over het algemeen zijn duidelijke demonstraties van voorspelling en falsificatie zeldzaam in de psychologie. Voorspelling is mogelijk onder goed gecontroleerde laboratoriumomstandigheden, maar bijna nooit onder natuurlijke omstandigheden. Dit betekent niet dat psychologische theorieën niet goed zijn, maar alleen dat ze geen voorspellingen kunnen doen. Psychologische verklaringen van gedrag zijn vaak niet voorspellend (predictief), maar postdictief of retroductief. Postdictieve verklaringen zijn zwakker dan voorspellende verklaringen, maar het zijn alsnog verklaringen. Ook andere wetenschappen zijn grotendeels afhankelijk van postdictie. Een goed voorbeeld hiervan is meteorologie. Soms komen weersvoorspellingen niet geheel uit. Na het feit kan de meteoroloog echter goed verklaren wat er is gebeurd en waarom.

 

Ditzelfde geldt voor psychologie. We zullen nooit alle informatie over iemands verleden en huidige toestand hebben om een precieze voorspelling over de toekomstig gedrag te kunnen doen. Voorspelling kan niet het doel zijn, behalve in beperkte omstandigheden. Wel is postdictie mogelijk en waardevol. Om te kunnen voorspellen, moeten we begrijpen wat er gebeurt en moeten we controle hebben over de relevante variabelen. Postdictie impliceert eveneens begrip, maar geen controle. Het werkelijke doel van de wetenschap is begrijpen, niet voorspellen.

 

Spaarzaamheid

Het principe van spaarzaamheid stelt dat theorieën zo simpel mogelijk moeten zijn. De theorie moet enkel die constructen bevatten, die nodig zijn om een fenomeen te verklaren. Bij het kiezen tussen modellen van een bepaald fenomeen moet de voorkeur worden gegeven aan het model dat goed bij de data past én zo simpel mogelijk is. Op die manier wordt tegelijkertijd voldaan aan de criteria van beschrijvende toereikendheid en spaarzaamheid. Er zijn een aantal technieken ontwikkeld om deze doelen te bereiken, waaronder cross-validering, Bayesiaanse modelselectie en het geometrische complexiteitscriterium.

 

Originaliteit

Een ander belangrijk kenmerk van een goede theorie is originaliteit. Theorieën kunnen er vanaf de buitenkant verschillend uit zien, maar moeilijk te onderscheiden zijn met betrekking tot een bepaalde dataset. De wiskundige formulering van twee theorieën kunnen bijvoorbeeld aanzienlijk verschillen, maar simpelweg andere manieren zijn om dezelfde structuur uit te drukken.

 

Breedte

In harde wetenschappen, zoals fysica, wordt een verenigde theorie van fenomenen beschouwd als het ultieme doel. Echter, de werkwijze in de psychologie is het verdelen van fenomenen in steeds kleine categorieën. In de psychologie zijn er geen algemene theorieën, maar worden er miniatuur modellen gehanteerd die alleen onder zeer specifieke omstandigheden gelden. Veel psychologen geloven dat dit het gevolg is van een gebrek aan volwassenheid van de psychologische wetenschappen. Zij geloven dat psychologen nog niet klaar zijn voor algemene theorieën, die verschillende fenomenen op verschillende gebieden met elkaar integreren. Theorieën zouden in ieder geval zo breed mogelijk moeten zijn, terwijl ook aan andere criteria wordt voldaan, zoals beschrijvende toereikendheid en het vermogen om authentieke verklaringen van fenomenen te bieden.

 

Bruikbaarheid

Goede wetenschappelijke theorieën moeten bruikbaar zijn bij het oplossen van maatschappelijke problemen. De tabel hieronder geeft schematisch weer dat overwegingen van gebruik en begrip in de wetenschappelijke wereld verschillende dimensies zijn.

 

 

 

Gebruiken?

 

 

Begrijpen?

 

Nee

Ja

Ja

Puur basaal onderzoek

Gebruiksgeïnspireerd basaal onderzoek

Nee

-

Puur toegepast onderzoek

 

Vanuit dit perspectief draagt het beste onderzoek (en de beste theorie) bij aan wetenschappelijk inzicht, terwijl tegelijkertijd een maatschappelijke behoefte wordt bevredigd.

 

Rationaliteit

Het criterium van rationaliteit verwijst naar de volgende vraag: ‘Maakt de theorie beweringen over de architectuur van de geest, die redelijk lijken in het licht van de omgevingscontingenties die onze evolutionaire verleden hebben gevormd?’. Dit criterium lijkt vrij onduidelijk. Volgens Anderson is het de structuur van de omgeving die psychologische processen over de tijd heen heeft gevormd, zodat deze processen maximaal in staat zijn om met die structuur om te gaan. Het is niet altijd gemakkelijk om de relevante omgevingsstatistieken in een theorie te omvatten. Echter, als het mogelijk is, biedt het overtuigend bewijs voor een theorie.

 

10: Overtuigende experimenten

Vaak worden in psychologieboeken dezelfde experimenten beschreven. Dit is opmerkelijk, omdat er voor veel psychologische fenomenen talloze studies bestaan, die hetzelfde effect aantonen. Echter, sommige experimenten zijn overtuigender dan andere. In dit hoofdstuk worden richtlijnen gegeven voor het design, de analyse en de rapportage van experimenten, zodat ze overtuigender worden.

 

Drie beperkingen

Voordat de richtlijnen worden besproken, worden er drie beperkingen genoemd:

  • Beide auteurs zijn sociale psychologen, waardoor de richtlijnen met name relevant zijn voor de sociale psychologie. Er wordt echter gestreefd naar breed toepasbaar advies.
  • Niet alle experimenten van de auteurs zijn overtuigend en voldoen aan de criteria die hieronder zullen worden besproken. Desondanks hebben zij vele experimenten geanalyseerd, die regelmatig geciteerd worden.
  • Dit hoofdstuk geeft geen uitgebreide instructie over goede schrijfvaardigheden. De focus ligt op de ontwikkeling, het design en de analyse van overtuigende experimenten.

 

Goed beargumenteren

We beginnen bij het einde. Als je eenmaal een experiment hebt uitgevoerd en hier interessante conclusies uit hebt getrokken, moet je anderen ervan overtuigen dat je conclusies kloppen door ze in een onderzoeksrapport te presenteren. Om overtuigend te zijn, moet je goed kunnen beargumenteren. Bij het structureren van argumenten kan de volgende basisstructuur worden gebruikt:

  1. Formuleer je conclusies duidelijk en licht toe hoe deze logisch uit de resultaten worden afgeleid.
  2. Neem waarschijnlijke tegenargumenten in overweging, die critici tegen je conclusies in zouden kunnen brengen. Wees critici voor door alternatieve verklaringen te noemen en leg uit waarom deze alternatieven niet plausibel zijn. 
  3. Trek je uiteindelijke conclusie en geef een duidelijke ‘take-home message’.

 

Overtuigend zijn, vereist echter niet alleen een overtuigende argumentenstructuur. Ook de inhoud van de argumenten moet overtuigend zijn.

 

Titel

De titel van het artikel moet nauwkeurig beschrijven welke theoretische kwesties of variabelen zijn bestudeerd. Een pakkende titel kan echt verschil maken.

 

Introductie

De belangrijkste doelen van de introductie zijn het introduceren van de onderzoeksvraag, het plaatsen van de studie in de wetenschappelijke literatuur en het benoemen van de hypothesen die zijn onderzocht. Begin het artikel met een toepasselijk feit of een anekdote, die het belang van het artikel illustreert. Dit helpt bij het trekken van de aandacht van lezers. Een goede eerste zin kan potentiële lezers overtuigen om het artikel te gaan lezen. Begin dus met het grotere plaatje. Plaats je onderzoek in de wereld buiten psychologielaboratoria. Introduceer het onderwerp kort met een interessante anekdote, toepasselijke feiten of een hypothetische situatie.

 

Een groot deel van de introductie bestaat uit de literatuurreview, die theorieën en eerdere onderzoeksbevindingen bespreekt die relevant zijn voor de onderzoeksdoelen en hypothesen. Werk richting het introduceren van je onderzoekshypothesen. Beschrijf eerder onderzoek alleen in zoverre dat het helpt verklaren wat je hebt onderzocht en waarom. Laat zien hoe je werk origineel is en eerder onderzoek uitbreidt.

 

Bij het schrijven van de introductie moet je bedenken welke concepten je moet introduceren om je hypothesen duidelijk te maken. Definieer belangrijke variabelen. Beschrijf eerder onderzoek dat je voorspellingen ondersteunt.

 

Methode

Het doel van de methodesectie is het beschrijven van de manier waarop de studie is uitgevoerd. Het methodedeel omvat beschrijvingen van de participanten, meetinstrumenten en procedures. Het moet gedetailleerd genoeg zijn om de validiteit van het design en de significantie van de bevindingen te beoordelen en om replicatie van de studie mogelijk te maken.

 

Om een overtuigend methodedeel te schrijven, moet je een overtuigend experiment uitvoeren. Hieronder worden twee overkoepelende doelen besproken, die een technisch goed experiment nóg overtuigender maken.

 

Simpliciteit

Het eerste doel is simpliciteit. Psychologische fenomenen zijn gecompliceerd en resulteren uit vele oorzaken. Terwijl je over je onderzoeksonderwerp leert, ontwikkel je vele ideeën en identificeer je veel factoren die bij zouden kunnen dragen aan het te bestuderen gedrag. Het kan verleidelijk zijn om al deze inzichten in één experimenteel design te verwerken, maar het is belangrijk om het design simpel te houden. Een handige strategie voor het bepalen van het design van een experiment is het bedenken van een studie, die in principe al je complexe ideeën zou kunnen testen. Vervolgens moet je bepalen welke factoren het belangrijkst zijn. Streef naar een simpel 2x2 factorieel design (of nog simpeler). Hierdoor wordt je design gemakkelijker uitvoerbaar én overtuigender. Een te ingewikkeld design kan leiden tot verwarring en kan afleiden van de belangrijkste ideeën.

 

‘Bottling experience’

Het tweede doel is het creëren van een situatie, die betrekking heeft op het te bestuderen psychologische proces (‘bottling experience’). Een psychologisch experiment zou een microkosmos moeten zijn: een werkmodel zijn van de contexten waarin fenomenen normaal plaatsvinden. Idealiter zouden de procedures een achtergrond moeten creëren, waartegen experimentele effecten natuurlijk kunnen plaatsvinden. Een experiment is dan meer ecologisch valide (de onderzoeksetting sluit dan beter aan bij de normale omgeving van het probleem).

 

De keuze tussen relatief passieve stimuli en meer uitgebreide situaties moet worden gebaseerd op overwegingen van de specifieke processen, die worden bestudeerd. Voor sommige processen, zoals sensatie, perceptie en sommige vormen van oordelen, kunnen nauwkeurig ontworpen, passieve stimuli direct betrekking hebben op de te bestuderen processen. In andere gevallen kunnen deze stimuli minder effectief zijn.

 

Dezelfde overwegingen zouden leidend moeten zijn bij het kiezen van de manier waarop de afhankelijke variabelen worden gemeten. In de psychologie wordt vaak gebruik gemaakt van zelfrapportage. In sommige gevallen heeft zelfrapportage echter niet volledig betrekking op de te bestuderen reacties. Ze kunnen verstoord worden door sociale wenselijkheid. Gedragsmetingen en andere metingen die minder opvallend zijn, zijn vaak meer naturalistisch en ecologisch valide dan zelfrapportage en daardoor overtuigender.

 

Ook zijn sommige manipulaties van onafhankelijke variabelen overtuigender dan andere. Sommige manipulaties corresponderen meer met bekende ervaringen, waardoor ze overtuigender zijn. Ze zijn ook vaak subtieler, waardoor ze minder kunstmatige reacties opwekken. Als subtiele manipulaties grote effecten teweeg brengen, kan dit overtuigender zijn. Dit is gerelateerd aan het idee dat contra-intuïtieve voorspellingen overtuigend zijn.

 

Resultaten

Het belangrijkste doel van de resultatensectie is het beschrijven van de verzamelde data en de gebruikte statistieken om deze te analyseren. De resultaten moeten voldoende gedetailleerd worden beschreven om conclusies te kunnen rechtvaardigen. Begin de resultatensectie met duidelijke, transparante inferentiële statistieken. Voer analyses uit, die de onderzoekshypothesen duidelijk testen. Als je minder gebruikelijke analyses uitvoert, is het belangrijk om dit te verantwoorden. Beschrijf de tests in duidelijk Engels. Leg voor iedere gerapporteerde statistiek uit wat het test, hoe het gerelateerd is aan de voorspellingen of wat het laat zien over het bestudeerde gedrag.

 

Naast het rapporteren van de inferentiële statistieken, moet je je resultaten beschrijven. Presenteer de data in beschrijvende, zo mogelijk non-parametrische termen. Het resultatendeel kan tevens een goede plek zijn om alternatieve verklaringen uit te sluiten. Sommige alternatieven kunnen uitgesloten worden door middel van aanvullende analyses. Zo kunnen goede metingen van plausibele verstorende variabelen nuttig zijn.

 

Discussie

De belangrijkste doelen van de discussie zijn het interpreteren van de theoretische en praktische implicaties van de resultaten en het trekken van definitieve conclusies. In dit deel beschrijf je de betekenis van de resultaten die in het resultatendeel zijn besproken. Het is gebruikelijk om te beginnen met een samenvatting van de belangrijkste onderzoeksbevindingen en hoe deze gerelateerd zijn aan de oorspronkelijke hypothesen. Vervolgens plaats je je bevindingen in de context van eerder onderzoek en leg je uit hoe ze gerelateerd zijn aan eerdere onderzoeksresultaten. Probeer eventuele inconsistenties tussen je eigen bevindingen en eerdere bevindingen te verklaren. Daarnaast is het belangrijk om uit te leggen hoe de bevindingen een uitbreiding vormen van eerder onderzoek. Benoem duidelijk welke theoretische bijdrage het onderzoek levert.

 

In de discussie is het ook belangrijk om de beperkingen van het onderzoek te erkennen en om aanbevelingen te doen voor vervolgonderzoek. Suggereer bijvoorbeeld nieuwe contexten, waarin de bevindingen nader onderzocht kunnen worden.

 

Probeer te zorgen voor verklarende coherentie van je theorie of bevindingen. Een theorie is over het algemeen geloofwaardiger wanneer het een brede verklarende coherentie heeft, waardoor het verschillende fenomenen kan verklaren. Bedenk hoe je theorie of bevindingen kan helpen bij het verklaren van andere fenomenen. Wellicht kunnen de bevindingen eerdere onderzoeksresultaten aan elkaar verbinden, die niet eerder als aan elkaar gerelateerd werden beschouwd. Dit kan bevindingen en theorie overtuigender maken.

 

Eindig je discussie met een duidelijke ‘take-home message’. Benadruk een belangrijke theoretische dan wel praktische bijdrage of implicatie van het onderzoek.

 

11: Beweringen in artikelen en presentaties

Inleiding

Dit hoofdstuk richt zich op het ontwikkelen en communiceren van beweringen, die zorgen voor informatieve, interessante en overtuigende artikelen en presentaties. Beweringen zijn uitspraken over de inhoud en bijdrage van je onderzoek. Je wil niet alleen de uitkomsten ervan communiceren, maar ook de waarde ervan.

 

Soorten beweringen

Er zijn verschillende soorten beweringen, waaronder:

  • Beweringen van nieuwheid of innovatie: je beweert dat je een nieuwe methode hebt ontwikkeld, een nieuw fenomeen hebt ontdekt of een nieuwe theorie hebt gegenereerd. Je bewering zou niet moeten zijn dat je nieuwe data hebt verzameld, omdat altijd aangenomen wordt dat je over nieuwe data beschikt.
  • Beweringen van theoretische vooruitgang of verfijning: je beweert dat je een eerdere theorie hebt uitgebreid, dat je voorspellingen van een oude theorie hebt getest en bevestigd, of dat je resultaten bestaande theorieën in twijfel trekken.
  • Beweringen die heersende interpretaties of theorieën verwerpen: je beweert dat je een bestaande theorie of interpretatie kunt verwerpen.
  • Beweringen die conventionele kennis verwerpen: je beweert dat je ‘conventionele kennis’ over de gedachten of het gedrag van mensen omver kunt werpen.
  • Beweringen die het toegepaste belang van je bevindingen benadrukken: je beweert dat je resultaten implicaties hebben voor een belangrijk probleem, of dat je nieuwe theorie of een bestaande theorie relevantie heeft voor een toegepaste setting.

 

Kritisch denken over je eigen beweringen

Een goede bewering vereist veel van de kritische denkvaardigheden, die eerder in het boek aan bod zijn gekomen, waaronder:

  • Een coherent verhaal creëren. Je moet je eigen bevindingen integreren met de bestaande literatuur. Als je een bewering wilt doen, die het toegepaste belang van je bevindingen benadrukt, moet je aandacht besteden aan de verschillen tussen je experimentele condities en de condities waarnaar je de bevindingen wilt generaliseren.
  • Je bewering kritisch analyseren.
  • Je bewering naar anderen communiceren. Je moet de relevante achtergrond beschrijven, je onderzoek voldoende gedetailleerd beschrijven en onderbouwen, je data goed weergeven, je bevindingen interpreteren en je conclusies trekken op een duidelijke manier en anticiperen op voor de hand liggende kritiekpunten.

 

Om er zeker van te zijn dat je een goede bewering doet, kun je twee stappen nemen:

  • Laat je eerste conceptversie een paar dagen liggen. Lees het vervolgens kritisch door, alsof je het voor de eerste keer leest en het door iemand anders is geschreven.
  • Vraag collega’s, die niet bij het onderzoek betrokken zijn geweest, om  je artikel kritisch door te lezen.

 

Je bewering moet niet te groot, maar ook niet te klein zijn. Als je bewering te klein is, doen lezers deze af als onbelangrijk. Anderzijds zullen anderen je bewering in twijfel trekken, als je deze te groot maakt. De meeste studenten en onervaren onderzoekers doen beweringen, die te voorzichtig zijn. Hiervoor zijn minstens drie redenen:

  • Ze voelen zich vaak overweldigd en geïntimideerd door de hoeveelheid onderzoek die al naar het onderwerp is gedaan. Hoe kun je beweren dat je iets nieuws gevonden hebt, terwijl het onmogelijk is om álle eerder geschreven literatuur te lezen? Als uiteindelijk toch blijkt dat de bewering niet nieuw is, zullen anderen je hierop wijzen. In dat geval is het belangrijk om zelf te controleren of dit waar is. Zo zijn er toch vaak aanzienlijke verschillen tussen je eigen onderzoek en eerder uitgevoerde studies.
  • Ze denken (terecht) dat de data en de interpretatie daarvan nooit alle aanvallen kunnen weerstaan. Hoe kun je een goede bewering doen, terwijl het onderzoek zoveel beperkingen kent? Je moet erkennen dat data zelden ‘perfect’ zijn dat niet alle vragen in één artikel beantwoord kunnen worden en dat er altijd meer onderzoek nodig is.
  • Ze hebben vaak geleerd dat ze voorzichtige beweringen moeten doen.

 

Het communiceren van je bewering in een artikel

Je gehele artikel moet je bewering ondersteunen. Je bewering zou in meerdere delen van je artikel terug moeten komen. Deze delen worden hieronder besproken.

 

Abstract

Een abstract is je eerste kans om duidelijk te maken wat je hebt onderzocht en waarom dit belangrijk is. Je abstract kan op twee manieren succesvol zijn. Allereerst kan het de lezer motiveren om het gehele artikel te lezen. Daarnaast kan het de waarde van het onderzoek overbrengen, dat een toevallige lezer (bijvoorbeeld iemand uit een ander onderzoeksveld) begrijpt wat je hebt onderzocht, wat de resultaten zijn en waarom dit belangrijk is. Een dergelijke abstract is gedenkwaardig en zorgt voor een goede indruk van het onderzoek de auteur ervan. Een slechte abstract is bijvoorbeeld te vaag, te langdradig, te voorzichtig of te abstract.

 

Zorg ervoor dat je abstract informatief is door je bewering erin op te nemen. Het is belangrijker dat je abstract duidelijk maakt wat jij denkt dat het onderzoek aantoont, dan dat de abstract de specifieke details van de uitvoering van het onderzoek communiceert. Een goede, sterke abstract wordt gekenmerkt door duidelijke, sterke taal. Maak gebruik van actieve taal, zoals ‘We tonen aan dat…’ of ‘We beweren dat …’. Naast een zin met ‘wij’ zijn er twee andere goede manieren om een abstract te starten:

  • Een vraag.
  • Een bewering van bestaande theorie of conventionele kennis, wat de achtergrond van je bewering duidelijk maakt. Vermijd hierbij de passieve vorm.

 

Titel

De meeste richtlijnen voor abstracts gelden eveneens voor titels. Titels moeten het belangrijkste idee van het artikel simpel samenvatten. Veel studenten leren dat je in titels de onafhankelijke en afhankelijke variabelen in het onderzoek moet noemen. Echter, dan doet de titel niet wat het zou kunnen doen, zoals de resultaten en je bewering overbrengen. Dit betekent niet dat alle titels de volledige bewering moeten omvatten. Veel beweringen zijn te complex om in zo weinig woorden duidelijk te maken.

 

Introductie

Veel abstracts bevatten beweringen. Het is echter moeilijker om beweringen te vinden in de introductie van een artikel. Vaak denken auteurs dat het ten koste gaat van de spanning als de introductie beweringen bevat. Belangrijk is echter om te onthouden dat je geen mysterieroman schrijft, maar een wetenschappelijk artikel. Door vanaf het begin duidelijk te zijn over wat je gaat onderzoeken en wat je bevindingen zijn, help je de lezers bij het volgen en beoordelen van je onderzoek.

 

In sommige gevallen kan de bewering in de eerste zin van de introductie worden gedaan. In andere gevallen moet je eerst de achtergrond beschrijven, waartegen je je bewering kunt contrasteren.

 

Resultaten

Hoewel niet iedereen het hierover eens is, stellen de auteurs dat er ook in het resultatendeel bescheiden beweringen gedaan kunnen worden. Het is niet de plek om grote beweringen te doen, maar om op te merken wat de resultaten direct aantonen.

 

Discussie

Tot slot zou je bewering in de discussie terug moeten komen. Veel mensen slagen er niet in om hun bewering effectief in hun discussie te zetten en herhalen slechts hun resultaten. In de discussie moeten alle onderdelen worden samengebracht en moet je aantonend at je bewijs hebt om je bewering te ondersteunen. Daarnaast kun je beweringen doen over de toepassing van je bevindingen op de echte wereld.

 

Het communiceren van je bewering in een presentatie

Bij presentaties is het belangrijk om je ervan bewust te zijn dat het moeilijk is om in een korte tijd effectief te communiceren. Je moet selectief zijn, maar er ook voor zorgen dat het grote beeld duidelijk wordt. Technieken voor het doen van beweringen in presentaties zijn ongeveer hetzelfde als voor artikelen, maar iets minder beperkt. Met name de regels voor het moment waarop je je bewering in je presentatie moet doen, zijn minder rigide. Als je met je bewering begint, helpt dit de luisteraar om de presentatie te volgen. Anderzijds vinden de auteurs dat de ‘mysterietechniek’, die afgekeurd wordt bij het schrijven van een artikel, soms effectief kan zijn bij presentaties. In ieder geval moet je aan het eind van de presentatie altijd een sterke, duidelijke bewering doen en toelichten hoe deze bewering wordt ondersteund door de resultaten.

 

Om het publiek te overtuigen van je beweringen en het belang van je werk, is het belangrijk dat je het onderzoek niet alleen vanuit je eigen perspectief presenteert. Abstracte opmerkingen over bijvoorbeeld het onderzoeksdesign zijn te ingewikkeld. Het publiek heeft behoefte aan een beschrijving van de procedure vanuit het oogpunt van de participanten. Een andere effectieve manier om het belang van je onderzoek te illustreren, is het geven van een voorbeeld uit de echte wereld die het probleem illustreert waar het onderzoek zich op richt. Tot slot bieden presentaties een goede mogelijkheid om te speculeren over mogelijke implicaties of toepassingen van het onderzoek.

 

12: Kritisch denken bij klinische conclusies

Inleiding

Gezondheidszorgprofessionals maken iedere dag beslissingen over kwesties die invloed hebben op het welzijn van hun patiënten. Deze beslissingen kunnen klinische conclusies worden genoemd. Voorbeelden hiervan zijn diagnose, behandelselectie, recidive voorspelling bij criminelen en prognose bij bijvoorbeeld een alcoholverslaving.

 

Kritisch denken verwijst naar het gebruik van vaardigheden en strategieën, die de kans op wenselijke uitkomsten vergroten. In de context van de klinische praktijk zijn wenselijke uitkomsten bijvoorbeeld de formulering van een kloppende diagnose, effectieve behandelingen en nauwkeurige voorspellingen over toekomstig gedrag.

 

Psychologen moeten kritisch over hun beslissingen nadenken, als ze informatie over hun cliënten verzamelen, als ze deze informatie interpreteren en als ze behandelbenaderingen evalueren en kiezen.

 

Wat is een mentale stoornis?

Schadelijk disfunctioneren

Volgens Wakefield is een conditie een mentale stoornis als het aan twee criteria voldoet:

  1. De conditie is het gevolg van het onvermogen van interne mechanismen (fysiek of mentaal) om de natuurlijke functie uit te voeren. Met andere woorden: het werkt niet, zoals het zou moeten werken.
  2. De conditie veroorzaakt schade aan het persoon, zoals beoordeeld op basis van de standaarden van de cultuur van die persoon. De negatieve gevolgen worden gemeten in termen van het subjectieve leed van de persoon of moeite met het uitvoeren van verwachte sociale of beroepsmatige rollen.

 

Wakefield definieert een mentale stoornis dus in termen van schadelijk disfunctioneren. De disfuncties bij mentale stoornissen zijn het product van verstoringen van gedachten, gevoelens, communicatie, perceptie en motivatie. Er bestaat wel discussie over de manieren waarop de mentale mechanismen normaal gesproken zouden moeten functioneren. Tot op heden wordt disfunctie meestal afgeleid van probleemgedrag in plaats van specifieke tests, die kunnen bepalen of een intern mechanisme verstoord is.

 

Open wetenschappelijke constructen

Mentale stoornissen kunnen ook worden beschreven als open wetenschappelijke constructen. Een hypothetisch construct is een abstract, verklarend construct. In het geval van gedragsstoornissen is een hypothetisch construct een interne gebeurtenis, waarvan het bestaan wordt afgeleid van zichtbaar gedrag. Je kunt bijvoorbeeld zeggen dat trillende handen van een presentator worden verklaard door het hypothetische construct angst. Het construct zelf kan niet direct geobserveerd worden, maar hangt samen met zichtbare gedragingen. Hypothetische constructen bestaan niet. De validiteit ervan is een reflectie van de mate waarin ze samenhangen met andere constructen en zichtbare gebeurtenissen.

 

Culturele overwegingen

Om kritisch over de aard van mentale stoornissen na te denken, moet erkend worden dat de definitie ervan deels wordt beïnvloed door culturele overwegingen. De invloed van bepaalde gedragingen en ervaringen op iemands aanpassing, hangt af van de cultuur waarin hij/zij leeft.

 

De validiteit van diagnostische categorieën

Diagnostiek verwijst naar de identificatie van een stoornis op basis van de karakteristieke symptomen ervan. Diagnoses helpen psychologen om de symptomen van een patiënt in een coherent raamwerk te begrijpen en om een juiste interventie te kiezen.

 

Beperkingen van diagnoses

Er moeten een aantal beperkingen worden benoemd. Allereerst worden er soms mensen behandeld, die geen formele diagnose hebben. Huwelijkstherapie is een voorbeeld van een behandeling, die zich niet alleen op de problemen van individuele cliënten richt. Daarnaast wordt er bij diagnostiek geen causale analyse uitgevoerd. Diagnostiek impliceert niet dat de psycholoog inzicht heeft in de oorsprong van het probleem.

 

Validiteit van psychiatrische diagnoses

Voor het stellen van diagnoses maken psychologen gebruik van diagnostische handleidingen, die beschrijven welke diagnostische criteria gebruikt moeten worden bij het identificeren van stoornissen. In de Verenigde Staten wordt de ‘Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders’ (DSM) het meest gebruikt. De DSM bevat lijsten van talloze stoornissen en de symptomen die iedere stoornis kenmerken. Gerelateerde stoornissen zijn gegroepeerd onder overkoepelende categorieën, zoals stemmings- en persoonlijkheidsstoornissen. De DSM biedt tevens richtlijnen voor het diagnosticeren van iedere stoornis.

 

Diagnostiek lijkt rechttoe rechtaan, maar kritisch denken betekent dat de DSM in twijfel moet worden getrokken. Is de DSM een valide systeem voor het classificeren en diagnosticeren van mentale stoornissen? De aannames van de DSM moeten kritisch worden geëvalueerd op basis van empirisch onderzoek.

 

Zijn diagnostische beslissingen gebaseerd op valide informatie?

Om een diagnose te kunnen stellen, moeten psychologen voldoende en kwalitatief goede informatie verzamelen. Hiervoor worden verschillende methoden gebruikt. Kritisch denken betekent dat je kennis hebt van de sterke en zwakke punten van de verschillende technieken.

 

Psychologische assessmentmethoden

De meest gebruikte techniek is het ongestructureerde interview, waarbij de psycholoog de cliënt vele vragen stelt. De voordelen hiervan zijn dat de vragen aangepast kunnen worden aan de individuele situatie van de patiënt en dat het mogelijk is om te improviseren wanneer er nieuwe informatie is. Daarnaast zijn ongestructureerde interviews vaak goedlopende gesprekken, die de band tussen de patiënt en therapeut bevordert. Een belangrijk nadeel is echter de lage interbeoordelaarsbetrouwbaarheid: verschillende psychologen verschillende vragen zullen stellen en mogelijk zeer verschillende informatie krijgen van dezelfde patiënt, waardoor ze verschillende diagnoses kunnen stellen.

 

Een alternatief voor het ongestructureerde interview is een (semi)gestructureerd interview. Gestructureerde interviews zijn gestandaardiseerd, waarbij dezelfde vragen in dezelfde volgorde aan alle patiënten worden gesteld. Semigestructureerde interviews maken het mogelijk om follow-up vragen te stellen om de antwoorden van de patiënt te verduidelijken. De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van (semi)gestructureerde interviews is beter dan van ongestructureerde interviews.

 

Een derde methode is zelfrapportage. Ook hierbij krijgt iedere patiënt dezelfde vragen in dezelfde volgorde. Het voordeel van zelfrapportage is dat het tijd- en kostenbesparend is. In tegenstelling tot de antwoorden op gestructureerde interviews, die worden geïnterpreteerd en gescoord door de psycholoog, zijn antwoorden op zelfrapportage vragenlijsten enkel gebaseerd op de mening van de patiënt. Echter, de validiteit van zelfrapportage kan worden beperkt door bijvoorbeeld een slecht zelfinzicht.

 

Tot slot kan gebruik worden gemaakt van projectieve methoden. De bekendste projectieve test is de Rorschach Inkblot Test, waarbij patiënten vage inktpatronen moeten interpreteren. Gesteld wordt dat deze interpretaties belangrijke informatie geven over persoonlijkheids- en psychologische problemen. De betrouwbaarheid en validiteit van veel Rorschach indices die de antwoorden van patiënten relateren aan verschillende soorten psychologie wordt echter niet door onderzoek ondersteund.

 

Validiteit van psychologische assessmentmethoden

Gestandaardiseerde assessmentinstrumenten, zoals interviews, vragenlijsten en projectieve instrumenten, geven numerieke scores, die de aanwezigheid van psychologische problemen kunnen reflecteren. Om de validiteit van een psychologische test aan te tonen en te bewijzen dat het de beoogde problemen identificeert, is onderzoek nodig. Als een instrument voor het meten van depressie bijvoorbeeld wordt afgenomen bij twee groepen patiënten (een groep met een klinische depressie en een groep met een spinnenfobie), zouden de scores van de groep met een depressie hoger moeten zijn dan de scores van de groep met de spinnenfobie. Als dit niet het geval is en de scores van beide groepen vergelijkbaar zijn, is het onwaarschijnlijk dat het instrument een depressie valide kan meten.

 

De effectiviteit van behandelingen

Naast diagnostiek is de selectie van een therapievorm een belangrijke conclusie die klinische psychologen trekken. Deze beslissingen moeten worden gebaseerd op empirisch bewijs.

 

Klinische ervaring versus onderzoek

In het verleden baseerden veel psychologen hun keuze voor een bepaalde behandeling enkel op hun eigen klinische ervaring. Ervaring met specifieke technieken leidt tot enig succes met bepaalde cliënten, en deze klinische ervaringen bekrachtigen de overtuiging van de clinicus dat deze benadering effectief is. Echter, de belangrijkste beperking van case studies is dat ze vanuit vele perspectieven beschouwd kunnen worden. Ieder geval kan op meerdere manieren worden geïnterpreteerd. Daarnaast is het risicovol om op basis van één voorbeeld algemene conclusies over een stoornis te trekken. Hypothesen die zijn gevormd op basis van case studies of persoonlijke klinische ervaring moeten worden getest in onderzoeken met grotere, meer representatieve steekproeven.

 

Randomized Controlled Trials (RCT’s)

De gouden standaard voor het evalueren van behandelingen is een Randomized Controlled Trial (RCT). Hierbij worden patiënten willekeurig toegewezen aan de verschillende onderzoekscondities. De ene conditie is de te evalueren behandeling en de andere conditie een controlegroep. De controlegroep kan een groep zijn, die geen behandeling krijgt (een wachtlijst controlegroep). Een alternatief hiervoor is dat de controlegroep een andere behandeling krijgt, zodat kan worden onderzocht welke behandeling het meest effectief is. Het gebruik van een vergelijkingsgroep is van groot belang, omdat mentale stoornissen episodische condities zijn. Sommige patiënten zouden tijdens het onderzoek verbetering kunnen vertonen, zelfs als ze geen behandeling zouden hebben gekregen.

 

Een actief ingrediënt in iedere behandeling is het overtuigingssysteem van de patiënt. Verbetert zijn/haar conditie grotendeels, omdat hij/zij verwacht om beter te worden? Het gebruik van placebocontrolegroepen in onderzoek naar psychotherapie is controversieel. Hierbij wordt onderzocht of de behandeling betere resultaten produceert dan een placeboconditie. Bij farmacologisch onderzoek is een placebo een substantie zonder werkzame stoffen (bijvoorbeeld een suikerpil). Onderzoek heeft aangetoond dat bij een aantal medische condities patiënten soms beter worden als gevolg van een placebo-effect: de overtuiging dat de behandeling effectief is. Bij psychotherapie is het moeilijk om precies te achterhalen wat voor type proces een adequate placeboconditie zou zijn. Patiënten moeten interacteren met een therapeut en ze moeten geloven dat deze interacties helpen. Soms wordt algemene ondersteunende therapie gebruikt als vergelijkingsconditie bij het evalueren van bijvoorbeeld cognitieve of gedragstherapie. Als mensen die de specifieke behandelvorm krijgen meer verbeteren dan de mensen die de placebobehandeling krijgen, is het mogelijk om te concluderen dat de positieve effecten van de behandeling niet toegeschreven kunnen worden aan een algemene verwachting dat therapie effectief is.

 

RCT’s maken het mogelijk om sterke causale conclusies te trekken, omdat patiënten willekeurig aan de onderzoekscondities worden toegewezen. RCT’s hebben echter ook beperkingen. Zo zijn de omstandigheden waaronder RCT’s worden uitgevoerd in vele opzichten kunstmatig. Ze zijn nauwkeurig gecontroleerd en zijn geen goede reflectie van de omstandigheden waaronder psychologische behandelingen ‘in de echte wereld’ worden gegeven. De behandelingen die met RCT’s worden onderzocht, zijn bovendien erg gestructureerd en beperkt in termen van tijd (vaak 8 tot 14 sessies). Vanwege deze grote verschillen tussen de laboratoriumomstandigheden en de omstandigheden in de klinische praktijk betwijfelen velen de externe validiteit van de resultaten van RCT’s. Een belangrijke kritische vraag is dus of psychologische behandelingen die geëvalueerd zijn in een RCT ook effectief zullen zijn, als ze worden toegepast in de klinische praktijk.

 

Efficacy versus effectiviteit

Er kan onderscheid worden gemaakt tussen efficacystudies (RCT’s) en effectiviteitsstudies. Een effectiviteitsstudie onderzoekt de uitkomst van een psychologische behandeling in een klinische setting. Hierbij worden de onderzoeksparticipanten echter niet willekeurig toegewezen aan de behandelgroep of de placebo controlegroep. In sommige gevallen is er überhaupt geen controlegroep.

 

Evidence-based practice

Er is in toenemende interesse voor de waarde van evidence-based practice. Er is steeds meer bewijs voor het idee dat therapeuten therapieën zouden moeten gebruiken, die bewezen effectief zijn. Dit worden ook wel empirisch ondersteunde behandelingen genoemd. Deze behandelingen moeten aan één van de volgende voorwaarden voldoen:

  1. Er moeten minstens twee goede groepsdesign studies zijn, die uitgevoerd zijn door verschillende onderzoekers, die de efficacy aantoont op één of meer van de volgende manieren: (a) de behandeling is beter dan een placebo of een andere behandeling, of (b) de behandeling is gelijkwaardig aan een al bewezen effectieve behandeling.
  2. Er moet een groot aantal case studies gedaan zijn, die de efficacy ervan aantoont. Deze studies moeten: (a) een goed experimenteel design hebben gebruikt, of (b) de interventie hebben vergeleken met een andere effectieve behandelvorm.

 

Er zijn discussies over het type bewijs dat nodig is om vast te stellen dat een behandeling effectief is. Hoewel experimentele efficacystudies de belangrijkste bijdrage leveren aan het bewijs, hebben vele onderzoekers belangrijke bedenkingen bij de aannames die ten grondslag liggen aan deze designs. RCT’s nemen bijvoorbeeld aan dat de behandeling gericht is op een specifiek probleem. In de klinische praktijk hebben patiënten echter vaak meerdere problemen. Behandelingen volgen bij RCT’s een bepaalde handleiding en worden beëindigd na een beperkt aantal sessies. In de klinische praktijk zijn behandelsessies daarentegen vaak flexibeler in termen van inhoud en duur. Daarom zouden we sceptisch moeten blijven met betrekking tot de implicaties van RCT’s, efficacystudies en case studies.

 

De nauwkeurigheid van klinische beoordelingen

Onderzoek heeft aangetoond dat biases en heuristieken interfereren met het maken van klinische beoordelingen. Voorbeelden van biases die de validiteit van klinische beoordelingen beïnvloeden, zijn de rasbias, de seksebias en de sociale klassebias. Uit meerdere studies blijkt dat de nauwkeurigheid van het oordeel van een clinicus over bijvoorbeeld de diagnose of behandeling varieert als functie van het ras, de sekse of de sociale klassen van de patiënten.

 

Cognitieve heuristieken zijn simpele, tijdbesparende regels, die mensen gebruiken om beslissingen te maken, problemen op te lossen en ideeën te vormen. Een voorbeeld is de representativiteitsheuristiek: de neiging om iets te classificeren op basis van de mate waarin het lijkt op een karakteristiek geval van een categorie. Hoewel cognitieve heuristieken in het dagelijks leven vaak resulteren in efficiënte, nauwkeurige beoordelingen, kunnen ze problemen veroorzaken als ze onjuist worden toegepast. De representativiteitsheuristiek kan bijvoorbeeld verantwoordelijk zijn voor veel van de gevallen van ras- en seksebias.

 

Een andere veelvoorkomende heuristiek is de beschikbaarheidsheuristiek: de inschatting van de kans of frequentie van een gebeurtenis op basis van het gemak waarmee men een voorbeeld van die gebeurtenis kan bedenken.

 

Een derde heuristiek die klinische beoordelingen kan beïnvloeden, is de anker en aanpassing heuristiek: de neiging om een eerste indruk te vormen en deze eerste indruk in het licht van nieuwe informatie onvoldoende aan te passen. Hierdoor kunnen therapeuten teveel waarde hechten aan informatie, die vroeg in een diagnostisch interview wordt verkregen en wordt informatie die later aan het licht komt genegeerd.

 

13: Het evalueren van parapsychologische beweringen

Inleiding

Parapsychologie wordt gedefinieerd als de tak van de wetenschap, die zich richt op psi (paranormale) communicatie: gedragsmatige of persoonlijke interacties met de omgeving, die extrasensorimotorisch (niet afhankelijk van de zintuigen of spieren) zijn. Om een parapsychologische bewering te evalueren, moeten twee aspecten van de definitie in aanmerking worden genomen. Allereerst definiëren parapsychologen hun werkveld als een ‘tak van de wetenschap’. Dit impliceert dat zij hun beweringen op wetenschappelijk bewijs baseren. Bij het evalueren van een parapsychologische bewering moet je dezelfde criteria toepassen die je zou gebruiken bij het evalueren van iedere andere wetenschappelijke bewering.

 

Het tweede belangrijke deel van de definitie van parapsychologie stelt dat parapsychologie zich richt op psi communicatie. Als wetenschap is parapsychologie uniek in de zin dat het doel is om bewijs te zoeken voor de beperkingen van het huidige wetenschappelijke wereldbeeld. Als psi bestaat, schendt dit de basale beperkende principes van het wetenschappelijke wereldbeeld. Deze principes omvatten het volgende: oorzaken kunnen niet na een effect plaatsvinden, informatie en krachten verminderen met afstand en de geest kan geen handelingen verrichten zonder fysiek contact.

 

Conclusies

In het hoofdstuk wordt een aantal voorbeelden genoemd van evaluaties van parapsychologische beweringen. De auteur was in bijna ieder geval aanvankelijk onder de indruk van de schijnbare geavanceerdheid van het onderliggende onderzoek en de statistische uitkomsten. Echter, kritischer onderzoek wees meestal op eerder onopgemerkte, maar ernstige tekorten in de data. Soms kon de auteur op basis van het artikel geen problemen ontdekken, maar kwam er later (vaak toevalligerwijs) informatie beschikbaar, die de basis voor de bewering verdacht maakte. De auteur heeft nog geen parapsychologische bewering gezien, die een nauwkeurige en sceptische evaluatie heeft doorstaan.

 

Het is zeer moeilijk om aan te tonen dat psi bestaat, omdat het hiervoor noodzakelijk is om de mogelijkheid uit te sluiten dat de effecten het gevolg zijn van aardse bronnen. De experimenten kunnen op meerdere manieren beperkt worden door statistische artefacten.

 

De parapsychologen erkennen dat ze tot op heden geen positieve theorie van psi hebben. In plaats daarvan wordt psi negatief gedefinieerd als een effect dat op dit moment niet verklaard kan worden door kans of normale oorzaken. Het gebrek aan een positieve theorie van psi leidt tot de patchwork quilt drogreden: de neiging om iedere eigenaardigheid in de data te beschouwen als kenmerk van psi.

 

Tot op heden heeft de zoektocht naar psi geresulteerd in twee betrouwbare bevindingen:

  • Effectgroottes van eerder succesvolle programma’s in de zoektocht naar psi nemen over de tijd heen af tot nul. Cynici interpreteren dit als bewijs dat de kwaliteit van experimenten verbeterd wordt en dat eerdere positieve resultaten als gevolg daarvan verdwijnen. Parapsychologen beschouwen dit echter als een eigenaardige eigenschap van psi.
  • Het ‘experimentator effect’ verwijst naar het feit dat sommige onderzoekers grote effectgroottes krijgen, terwijl andere onderzoekers negatieve effectgroottes vinden. Parapsychologen zien dit als een kenmerk van psi. Echter, dit effect leidt tot vragen over de wetenschappelijke status van parapsychologie. Als psi alleen geobserveerd kan worden door bepaalde bevoorrechte personen, wordt het moeilijk om te beschouwen als deel van de wetenschap.

14: Een sociale beïnvloedingsanalyse

Inleiding

Mensen zijn in staat om vreemde dingen te doen en geloven. Hieronder zullen twee verklaringen worden besproken voor het feit dat mensen vreemde dingen geloven en doen.

 

Mythe 1: Je moet gek zijn om gekke dingen te doen

De simpelste verklaring voor waarom mensen gekke dingen doen, is dat ze gek, onredelijk, naïef of iets dergelijks zijn. Velen geloven dat bepaalde mensen meer beïnvloedbaar zijn dan anderen, maar er is geen bewijs voor deze bewering. Uit onderzoek blijkt dat persoonlijkheid en overtuigbaarheid nauwelijks met elkaar samenhangen.

 

Mythe 2: Mensen die gekke dingen doen, moeten onder een gekke invloed staan

Een andere verklaring is dat vreemd, exotisch gedrag veroorzaakt moet worden door een vreemde en exotische invloed. Denk bijvoorbeeld aan hypnotisme. Echter, ook voor deze theorie is geen bewijs. Allereerst zijn termen als ‘gehypnotiseerd’, ‘subliminale verleiding’ en ‘hersenspoelen’ beschrijvende in plaats van verklarende termen. Daarnaast is de grootte van de effecten die door deze processen worden veroorzaakt niet zo groot als wordt beweerd. Een hypnose kan bijvoorbeeld geen extreme gedragsveranderingen veroorzaken. Ten derde zijn deze processen normale beïnvloedingsprocessen. Een hypnose kan bijvoorbeeld worden verklaard door verwachtingen en sociale rollen.

 

Een gevaarlijk gevolg van geloven in gekheidstheorieën

Het is geruststellend om te denken dat alleen gekke mensen of mensen die beïnvloed zijn door een gekke invloed gekke dingen doen of geloven. Echter, deze geruststelling en gevoelens van onkwetsbaarheid maken mensen juist meer vatbaar voor invloeden. Je moet dus leren op welke manieren je overtuigd kan worden en je moet je ervan bewust zijn dat iedereen kwetsbaar kan zijn voor deze invloeden.

 

Sociale beïnvloedingsanalyse

Een sociale beïnvloedingsanalyse van gekke ideeën en gek gedrag begint met een vooronderstelling: niemand geeft hun geld aan een crimineel of gaat bij een gevaarlijke sekte. Ze denken dat ze een goede investering doen of lid worden van een groep met positieve doelstellingen. De vraag is: Hoe komt het dat ze op die manier gaan denken?

 

Een sociale beïnvloedingsanalyse start met het beschrijven van de sociale invloedtactieken, die in een bepaalde situatie worden gebruikt. Een sociale invloedtactiek is een non-coërcieve techniek, die ideeën of gedrag creëert of verandert door een beroep te doen op de sociaal-psychologische aard van een beïnvloedingsdoel. Hieronder zullen een aantal veelvoorkomende sociale invloedtactieken worden besproken. Het identificeren van deze tactieken en hun effecten is essentieel voor het begrijpen van de invloed van de situatie en voor het ontwikkelen van kritische vaardigheden voor het beoordelen van dergelijke situaties.

 

Spookdromen

De meeste situaties die vreemde ideeën induceren, beginnen met het lokaas. Dit wordt ook wel een ‘spook’ genoemd: een doel dat in werkelijkheid onbereikbaar is, maar dat echt en mogelijk lijkt met de juiste inspanning, ideeën of geld. Spoken doen meestal een beroep op één of meer van de basiswensen: rijkdom, gezondheid, populariteit en onsterfelijkheid. Onderzoek naar spoken heeft aangetoond dat het toevoegen van een spook aan een set keuzemogelijkheden de kans verkleint dat andere opties positief worden beoordeeld. Een spook zorgt ervoor dat je minder tevreden bent met wat er in het alledaagse leven mogelijk is en dat je gefixeerd raakt op het spook. Een spook kan ook leiden tot sterke zelfemoties. De ontkenning van een spook suggereert dat het zelf tekortkomt, wat leidt tot gevoelens van frustratie, deprivatie en zelfbedreiging. Deze emoties motiveren personen om zich in te spannen om het spook te verkrijgen.

 

De altercast

Altercasting is een invloedtactiek en beschrijft een sociale interactie, waarbij een ego (de bron van invloed) bepaalde handelingen verricht om het alter (beïnvloedingsdoel) in een sociale rol te plaatsen. Hierdoor is het alter geneigd zich volgens die rol te gedragen. Er is dan sprake van sociale druk om ervoor te zorgen dat de rol wordt uitgevoerd, zoals verwachtingen en sancties voor schending van de rol. Dit vergroot de effectiviteit van de poging tot beïnvloeding.

 

Granfallooning

Een granfalloon is een groep mensen met een gedeeld doel of een gedeelde identiteit, maar wiens wederkerige associatie betekenisloos is. Een voorbeeld hiervan zijn nazi’s. Als een individu eenmaal in een sociale identiteit is gealtercast, resulteert dit op minstens twee manieren in sociale beïnvloeding:

  • Beïnvloeding wordt gebaseerd op de eenheidsrelatie tussen het beïnvloedingsdoel en de identiteit. De sociale identiteit bepaalt wat het individu moet geloven. Bijvoorbeeld: Ik ben een … en wij doen en geloven …
  • Sommige identiteiten worden belangrijk als een bron van eigenwaarde en plaatsen een persoon in een systeem van bepaalde sociale status. Beïnvloeding is dat gebaseerd op de wens om in een goed blaadje te blijven staan.

 

Granfalloons zijn gemakkelijk om op te richten. Een bijkomend voordeel is dat ze ‘outgroups’ en vijanden creëren, die kunnen dienen als zondebok voor fouten van de groep.

 

Zelfgecreëerde overtuiging

Eén van de meest effectieve beïnvloedingsmiddelen is het subtiel ontwerpen van de situatie, zodat het beïnvloedingsdoel zelf argumenten bedenkt en zichzelf van iets overtuigt. Deze invloedtactiek is effectief, omdat het ervoor zorgt dat het beïnvloedingsdoel zelf zoveel mogelijk goede argumenten bedenkt en probeert tegenargumenten te verwerpen. Daarnaast zijn zelfbedachte argumenten afkomstig van een zeer geloofwaardige bron.

 

Sociale consensus

Sociale consensus vindt plaats als het erop lijkt dat iedereen ‘het’ doet of een bepaald idee heeft, waardoor anderen ook meedoen of het ermee eens worden. Sociale consensus doet een beroep op twee psychologische processen:

  • Consensus biedt informatie of sociaal bewijs over wat te denken en doen via een simpele regel: Als andere mensen het doen, moet het juist zijn.
  • Consensus zorgt voor normatieve invloeden of voor sociale druk om het ergens mee eens te zijn.

 

Met andere woorden: mensen willen zich niet buitengesloten voelen of het idee hebben dat ze het verkeerde doen. De sociale consensustactiek is een populaire tactiek voor het bevorderen van sterke overtuigingen.

 

Commitment en de rationaliseringsval

Zorgen voor een commitment voor een bepaalde handeling vergroot de kans dat iemand zal gehoorzamen en die handeling uit zal voeren. Bij de creatie van sterke overtuigingen wordt eerst gezorgd voor een kleine commitment, wat leidt tot meer commitment (en gekker gedrag) om eerdere handelingen te rechtvaardigen. Een aanvankelijke commitment kan verkregen worden door de voet-tussen-de-deur techniek te gebruiken, waarbij het beïnvloedingsdoel instemt met een klein en schijnbaar onschuldig eerste verzoek. Dit eerste verzoek dient om de kans te vergroten dat het beïnvloedingsdoel ook zal instemmen met een groter verzoek.

 

Criminelen gebruiken een andere manier om voor een aanvankelijke commitment te zorgen. Zij doen alsof ze eerder met het beïnvloedingsdoel hebben gesproken en alsof hij/zij al heeft ingestemd met de deal. Een derde truc staat bekend als ‘lokaas en switch’. Hierbij stemt het beïnvloedingsdoel in met een deal, die later in zijn/haar nadeel wordt veranderd.

 

Aan het gebruik van commitment voor het verzekeren van vreemde overtuigingen en vreemd gedrag, ligt de rationaliseringsval ten grondslag. Als iemand bijvoorbeeld geld heeft gegeven aan iemand die in alle opzichten op een oplichter lijkt, krijgt hij/zij te maken met twee tegenstrijdige gedachten: ‘Ik ben een goed en capabel persoon’, maar ‘Ik heb net geld gegeven aan een oplichter’. Deze tegenstrijdige gedachten kunnen op twee manieren worden opgelost. Allereerst kan het beïnvloedingsdoel ontkennen dat de oplichter een oplichter is. Een tweede manier is het veranderen van het idee over zichzelf (‘Ik ben toch geen goed en capabel persoon’). Slachtoffers van oplichting hebben vaak een verminderd gevoel van competentie en eigenwaarde, wat kan leiden tot een depressie.

 

De projectietactiek

Bij de projectietactiek beschuldigt de dader het slachtoffer van de negatieve trekken en gedragingen die hij- of zijzelf bezit en vertoont. Het doel hiervan is de aandacht afleiden van eigen misdaden en te richten op het slachtoffer. Uit onderzoek blijkt dat projectie effectief is in het vergroten van de schuld van het slachtoffer en het verminderen van de schuld van de dader. Deze effecten zijn hardnekkig ondanks pogingen tot verdenking van de motieven van de dader en ondanks bewijs dat de dader schuldig is.

 

Overige invloedtactieken

De lijst hieronder beschrijft enkele andere veelvoorkomende invloedtactieken:

  • Vergelijkingspunt: Opties worden beoordeeld door ze met iets te vergelijken.

Voorbeeld: Een crimineel die nepmunten verkoopt, zal andere munten benoemen die minder aantrekkelijk zijn.

  • Controle van informatie: Selectieve presentatie van feiten door middel van censuur of zelfcensuur.

Voorbeeld: Sektes komen op een besloten plek bijeen.

  • Een kwestie definiëren en labellen: De manier waarop een kwestie wordt gelabeld, beïnvloedt gedachten.

Voorbeeld: Een rechtszaak tegen een niet-werkend medicijn wordt gedefinieerd als ‘anti-keuzevrijheid’ in plaats van als ‘pro-consumentenbescherming’.

  • Deur in het gezicht: Een groot verzoek doen (wat wordt geweigerd) en vervolgens om iets kleiners vragen.
  • Emotionele wip: Een verandering in emoties opwekken om gehoorzaamheid te vergroten.
  • Verwachtingen: Verwachtingen beïnvloeden interpretaties, waardoor een beeld van de werkelijkheid ontstaat, dat congruent is met de verwachtingen.
  • Angst oproepen: Angst wordt opgewekt en vervolgens wordt een simpele aanbeveling gedaan om die angst weg te nemen.

Voorbeeld: Een patiënt wordt gediagnosticeerd met een verzonnen ziekte om een medicijn te verkopen.

  • Misleidende vragen: Vragen structureren informatie en impliceren bepaalde antwoorden.

Voorbeeld: Symptoomvragenlijsten kunnen valse herinneringen van seksueel misbruik in de kindertijd oproepen.

  • Norm van wederkerigheid: Het aanbieden van een cadeau of dienst leidt ertoe dat mensen zich verplicht voelen om iets terug te doen.
  • Herhaling: Het herhalen van dezelfde informatie vergroot de neiging om die informatie te geloven.
  • Schaarste: Er wordt een hoge waarde toegekend aan schaarse middelen en informatie.
  • Verhalen vertellen: Een aannemelijk verhaal beïnvloedt gedachten en bepaalt de geloofwaardigheid van informatie.
  • Levendigheid: Levendige (concrete en grafische) beelden kunnen overtuigend zijn.

 

Falen om manipulatie te doorzien

Achteraf gezien lijken de sociale invloedtactieken achter bijvoorbeeld oplichting er zo dik bovenop te liggen. Waarom kan men dit niet doorzien? Volgens Friestad en Wright leren consumenten dat reclame bedoeld is om te verkopen en overtuigen en gebruiken ze deze kennis (‘schemer schema’) om te voorkomen dat ze erin trappen. Er zijn echter meerdere redenen waarom mensen zelfs met deze kennis beïnvloed kunnen worden:

  • Er is bewijs voor een derde-persoon effect: de neiging om te geloven dat de massamedia een groter effect heeft op anderen dan op jezelf. Zonder te erkennen dat ook jijzelf kwetsbaar bent voor beïnvloeding, is de kans klein dat je je kennis over beïnvloeding gebruikt om jezelf tegen beïnvloeding te beschermen.
  • Je merkt propaganda vaak niet op, als het overeenstemt met je eigen overtuigingen en attitudes. Mensen gebruiken eigen attitudes als heuristiek om te oordelen over de waarheid of validiteit van een bewering.
  • Het is veel moeilijker om verborgen motieven en manipulatie te herkennen, als je zelf het beïnvloedingsdoel bent dan als je observator bent.
  • Zelfs als je een invloedtactiek herkent, onderneem je niet altijd voldoende actie om die invloed uit te schakelen.
  • Het vooraf waarschuwen voor overtuigende inhoud is alleen effectief in het vergroten van weerstand tegen beïnvloeding als het ertoe leidt dat het beïnvloedingsdoel zich erop voorbereidt om de poging tot beïnvloeding te weerstaan.
  • Het wantrouwen dat er sprake kan zijn van oplichting leidt vaak tot cynisme (het idee dat iedereen liegt), maar niet tot scepticisme (het vermogen om onderscheid te maken tussen een leugen en de waarheid).

 

Het verminderen van gevoeligheid voor ongewilde beïnvloeding

Je kunt je gevoeligheid voor ongewilde beïnvloeding als volgt verminderen:

  • Wees bekend met de manieren van overtuiging. Kennis van invloedtactieken is de eerste stap richting het ontwikkelen van een kritische beoordeling van de situatie. Onthoud wel dat kennis pas helpt als je erkent dat ook jij gevoelig bent voor deze tactieken.
  • Monitor veranderingen in je emoties. Gebruik plotselinge veranderingen in je emoties als teken om vragen te gaan stellen over de situatie.
  • Neem controle over je gedachten.
  • Stel kritische vragen.
  • Beschik over een plan om met ongewilde beïnvloeding om te gaan.
  • Bevorder eerlijke en ethische invloed.

 

15: De overtuigingsmachine

Inleiding

De menselijke geest is een overtuigingsmachine. Wat we geloven, is echter niet altijd juist. Een opleiding die kritisch denken aanmoedigt, is een belangrijk hulpmiddel bij het maken van onderscheid tussen waar en niet waar.

 

Overtuigingen

Overtuigingen zijn ideeën of mentale inhoud, die we aannemen als juist of nauwkeurig. Van tijd tot tijd maakt men onderscheid tussen overtuigingen, die waar zijn in de zin dat ze gevalideerd kunnen worden door formele of informele empirische tests, en overtuigingen, die gebaseerd zijn op geloof of culturele validering. Iedereen heeft miljoenen overtuigingen, waarvan de meeste nooit in twijfel worden getrokken.

 

De validering van overtuigingen

Overtuigingen zijn afgeleid van en worden gevalideerd op één van de volgende manieren:

  • Persoonlijke ervaring: de waargenomen validiteit van veel van onze overtuigingen is grotendeels gebaseerd op eigen ervaringen.
  • Culturele effecten: sommige overtuigingen zijn cultureel overgedragen. Zo zijn religieuze overtuigingen grotendeels aangeleerd. Echter, ook andersoortige overtuigingen zijn gebaseerd op expliciet onderwijs in plaats van persoonlijke ervaringen.
  • Andere overtuigingen: iedereen heeft een overtuigingssysteem, gebaseerd op basale religieuze, politieke en ideologische overtuigingen. Veel van onze overtuigingen zijn aan deze kernovertuigingen gerelateerd.
  • Emoties en motieven: sommige overtuigingen zijn grotendeels afgeleid van motieven en behoeften. Gemotiveerde overtuigingen worden echter wel ondersteund door het overtuigingssysteem. Terwijl wensen kunnen beïnvloeden wat we geloven, hebben de meeste overtuigingen vaak een emotionele lading. Deze emoties zorgen er vaak voor dat overtuigingen worden omgezet in gedrag.

 

Het is vaak onmogelijk om te bepalen om welke redenen we iets geloven.

 

Valse overtuigingen

Soms hebben we misvattingen of valse overtuigingen. Overtuigingen die ver van de realiteit af staan, worden afwijkende of gekke overtuigingen genoemd. Deze overtuigingen worden op dezelfde manier gevormd als alledaagse, kloppende overtuigingen. Ze worden gebaseerd op ervaringen, cultuur, logica en emoties. Iedere bron is waardevol. Echter, als er teveel waarde wordt gehecht aan één bron en er geen controle plaatsvindt vanuit de andere bronnen, kan dit leiden tot onjuiste overtuigingen. Er zijn vier veelvoorkomende problemen:

  • Valse overtuigingen zijn vaak gebaseerd op individuele ervaringen, die op een bepaalde manier onecht zijn.
  • Valse overtuigingen zijn vaak te veel gebaseerd op culturele aannames en waarden en waargenomen sociale steun.
  • Valse overtuigingen kunnen het gevolg zijn van ideologische overtuigingen, die vaak door een grotere cultuur worden ondersteund.
  • In de mate dat valse overtuigingen een empirische basis hebben (theoretisch getest kunnen worden), staan ze vaak op gespannen voet met wetenschappelijke data en verklaringen.

 

Ervaringsfactoren

Veel mensen denken dat de eigen ervaringen betrouwbare reflecties van de realiteit zijn. Vaak falen zij erin te erkennen dat eigen ervaringen nooit volledig overeenstemmen met de externe realiteit vanwege bijvoorbeeld cognitieve biases. Daarnaast hebben onze emoties, wensen en behoeften invloed op onze informatieverwerking.

 

Beperkte ervaringen

Onze ervaringen zijn beperkt. We ervaren slechts delen van de realiteit en het is lastig om deze ervaringen goed met elkaar te integreren. Daarnaast hechten we vaak te veel waarde aan enkelvoudige ervaringen.

 

Overmatige betekenisgeving aan willekeurige gebeurtenissen

Vaak geven mensen te veel betekenis aan willekeurige of toevallige gebeurtenissen. Deze focus leidt ertoe dat de voorkeur wordt gegeven aan één bepaalde verklaring, terwijl er vaak meerdere mogelijke verklaringen voor één gebeurtenis zijn.

 

Gefilterde ervaringen

Ervaringen worden in grote mate beïnvloed door eerdere overtuigingen, verwachtingen, herinneringen en taal. Deze invloed wordt uitgeoefend op manieren, die onze behoeften bevredigen en overeenstemmen met overtuigingen. De overtuigingsmachine houdt van consistentie en we proberen onze overtuigingen op verschillende manieren te beschermen:

  • Zoeken naar informatie, die consistent is met onze overtuigingen.
  • Het herinneren van informatie, die overeenkomt met onze overtuigingen. Mensen hebben minder toegang tot ontkrachtende informatie.
  • Bewijs dat consistent is met onze overtuigingen als meer valide beoordelen dan inconsistente informatie.
  • Het ontkrachten van inconsistente informatie door het als biased te beschouwen. Dit wordt de theorie van naïef realisme genoemd.

 

Interpretatie van ervaringen

De overtuigingsmachine heeft invloed op de manier waarop we ervaringen interpreteren, zodat de ervaringen consistent zijn met onze overtuigingen. Een belangrijke reden waarom horoscoopvoorspellingen zo vaak uitkomen, is dat we ervaringen op zo’n manier interpreteren, dat ze passen bij de voorspelling. Mensen met verschillende overtuigingssystemen interpreteren dezelfde gebeurtenissen vaak op een andere manier.

 

Culturele en sociale factoren

Ook overtuigingen die gebaseerd zijn op culturele factoren kunnen onecht zijn. De auteur denkt wel dat culturen over het algemeen leiden tot overtuigingen, die (in ieder geval voor die specifieke tijdsperiode en plaats) juist zijn. Gekke overtuigingen zijn soms het gevolg van culturele indoctrinatie. Echter, culturen zijn niet bedoeld als duivelse samenzwering om ons op het verkeerde pad te brengen. Culturen staan voor iets. Het nadeel is echter dat de meesten niet worden blootgesteld aan alle mogelijkheden binnen een cultuur. Ouders, scholen en andere socialisatiepersonen bieden een beperkt menu aan intellectuele mogelijkheden aan.

 

Als de overtuigingsmachine teveel gewicht hangt aan sociale en culturele ondersteuning, kan dit leiden tot valse overtuigingen. De sociale aard van afwijkende overtuigingen wordt bijvoorbeeld geïllustreerd aan de hand van angst voor hekserij.

 

Ideologische factoren

De meeste valse overtuigingen zouden snel afzwakken als ze niet worden ondersteund door grotere ideologieën. De overtuigingsmachine voedt overtuigingen, die consistent zijn met onze ideologieën. Echter, als een te grote nadruk wordt gelegd op ideologieën, bevordert dit valse overtuigingen. Zo zijn de overtuigingen van religieuze extremisten in veel grotere mate gedicteerd door hun ideologieën.

 

Wetenschappelijke en gestandaardiseerde valideringsstandaarden

Het is teveel gevraagd dat al onze overtuigingen consistent zijn met wetenschappelijke kennis. Echter, als onze overtuigingen heel erg inconsistent zijn met wetenschappelijke kennis, zouden er alarmbellen moeten gaan rinkelen. De wetenschap zorgt ervoor dat we overtuigingen als ‘de wereld is plat’ afwijzen. We geloven deze dingen niet, omdat zelfs mensen met een beperkte wetenschappelijke achtergrond begrijpen dat deze overtuigingen belangrijke fysieke en biologische wetten schenden.

 

Omdat de wetenschap het soms bij het verkeerde eind heeft, is het moeilijk om hier volledig op te vertrouwen. Desondanks helpt de wetenschap op drie niveaus:

  • De wetenschap biedt modellen voor het duidelijk en systematisch denken over zaken.
  • De wetenschap biedt modellen voor het testen van beweringen, die empirisch getest kunnen worden.
  • De wetenschap biedt systematische kennis, die min of meer definieert wat normaal is.

 

Duidelijk en systematisch denken

Het wetenschappelijk benaderen van een probleem leidt vaak tot productieve vragen, die beantwoord kunnen worden. Het helpt bij het beoordelen van de geschiktheid van theorieën. Vanuit een wetenschappelijk perspectief dient een goede theorie duidelijk en consistent te zijn. Zo is één van de problemen van astrologie, dat er sprake is van veel logische inconsistenties.

 

De fit met bestaande wetenschap

Een belangrijke regel in de wetenschap is verbondenheid of convergentie: nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen moeten consistent zijn met eerdere wetenschappelijke theorieën. Mensen met weinig kennis over de wetenschap denken vaak dat wetenschappelijke vooruitgang wordt gekenmerkt door enorme sprongen. Echter, dit is niet het geval. Nieuwe theorieën en ontdekkingen bouwen voort op eerdere wetenschap en vullen dit aan.

 

De wetenschap heeft niet alle antwoorden

Een belangrijk kritiekpunt met betrekking tot astrologie is dat er geen verklaring voor is. Een veelgehoorde reactie hierop is dat de wetenschap niet alle antwoorden heeft en dat deze verklaring in de toekomst wellicht achterhaald zal worden. Hoewel dit niet tegengesproken kan worden, is het nietszeggend, omdat deze bewering over iedere kwestie gedaan kan worden.

 

Pseudowetenschap

Veel valse overtuigingen beweren wetenschappelijk respectabel te zijn. Echter, deze beweringen schieten vaak tekort vanwege onbetrouwbare data of nietszeggende theorieën. Een kenmerk van de wetenschap is dat de methoden waarmee resultaten behaald zijn openbaar worden gemaakt, zodat het onderzoek gerepliceerd kan worden. Vaak kunnen de data, die valse overtuigingen ondersteunen, niet onafhankelijk gerepliceerd worden met behulp van betrouwbare methoden.

 

Een tweede kenmerk van de wetenschap is dat er sprake is van hypothesen, die leiden tot concrete voorspellingen, die getest kunnen worden door middel van een experiment of systematische observatie. Dat iemand beweert dat een theorie wetenschappelijk is, betekent niet dat dit waar is.

 

Misleidende wetenschap

Een veelvoorkomend probleem is dat resultaten of wetenschappelijke ideeën op een misleidende manier gepresenteerd worden. In reclames wordt op verschillende manieren geprofiteerd van de niet-kritische benadering van de wetenschap.

 

Overtuigingen als weddenschap

De overtuigingsmachine is te mechanisch en dom om hints te geven over of een overtuiging waar of niet waar is. Er zijn echter wat standaard tests om dit te bepalen. De veiligste en snelste test is dat als een overtuiging te mooi of te vreemd klinkt om waar te zijn, het waarschijnlijk een valse overtuiging is. Als een overtuiging aanzienlijk verschilt van wat de meerderheid gelooft, is het belangrijk om kritisch naar de overtuiging te kijken.

 

Zie overtuigingen als weddenschappen. Het leven is een grote weddenschap, die wordt gestuurd door overtuigingen. Als je liever naar je familie in het buitenland rijdt dan vliegt, wed je bijvoorbeeld dat je in een auto veiliger bent dan in het vliegtuig. Dit is echter een valse overtuiging, aangezien het aantal auto-ongelukken veel groter is dan het aantal vliegtuigongelukken.

 

16: Kritisch denken en ethiek in de psychologie

Inleiding

Ethiek heeft betrekking op het juiste doen. Om te bevorderen dat psychologen zich verantwoordelijk gedragen, vereist de American Psychological Association (APA) dat APA leden bekend zijn met de APA ethische principes en gedragscode en dat ze zich hieraan houden. Deze ethische code biedt algemene principes en specifieke gedragsstandaarden, die psychologen helpen bij het voorkomen van ethische problemen en bij het oplossen van ethische dilemma’s. Echter, bij complexe ethische problemen bieden deze richtlijnen vaak geen duidelijke handelswijze. Bij een ethisch dilemma zijn er vaak meerdere keuzes, die ethisch kunnen zijn. Het identificeren van mogelijke oplossingen en het selecteren van de meest geschikte handelswijze vereist kritisch denken.

 

Kritisch denken over ethiek vereist een flexibele denkstijl, een nauwkeurige analyse, creativiteit en praktische denkvaardigheden. Voor kritisch denken bij ethische probleemoplossing zijn de volgende vaardigheden nodig:

  • Het vermogen om nieuwe informatie te verwerven en dit te integreren met eerder geleerde concepten.
  • Het vermogen om alternatieve oplossingen te bedenken.
  • Het vermogen om de voor- en nadelen van verschillende oplossingen tegen elkaar af te weten.
  • Het vermogen om de uitvoerbaarheid van oplossingen te beoordelen.
  • Het vermogen om de gevolgen van de geselecteerde oplossing te monitoren en evalueren, om er zeker van te zijn dat er aan de betrokken individuen geen schade wordt berokkend.

 

De APA ethische principes en gedragscode

De ethische code van de APA biedt een aantal algemene ethische principes en specifieke standaarden, die specifieke gedragingen vereisen of verbieden. Het is geen set van regels, maar een handleiding die psychologen helpt bij het maken van beslissingen die het welzijn van hun cliënten bevordert.

 

De ethische code omvat twee delen: vijf aspirationele principes en meer dan honderd specifieke standaarden met betrekking tot werkgerelateerd gedrag. De vijf principes representeren de waarden waar psychologen in hun werk naar streven en de standaarden zijn van deze principes afgeleid. De standaarden beschrijven specifieke regels voor werkgerelateerd gedrag, die psychologen moeten volgen. Hieronder zullen de vijf principes worden besproken en zullen voorbeelden van bijbehorende gedragsstandaarden worden gegeven.

 

  1. Weldoen en niet schaden

Psychologen moeten in hun werk streven naar maximalisering van goede resultaten en minimalisering van schade. De psychologie streeft ernaar om mensen te helpen om zichzelf en anderen te begrijpen door middel van onderzoek, therapie of onderwijs. Een gedragsstandaard die bij dit principe hoort, is dat psychologen in de meeste situaties geen psychotherapie mogen geven aan studenten over wie ze directe onderwijsautoriteit hebben. Een dergelijke duale relatie heeft waarschijnlijk invloed op de objectiviteit en effectiviteit van de psycholoog en kan leiden tot exploitatie.

 

  1. Loyaliteit en verantwoordelijkheid

Psychologen moeten relaties opbouwen, die gebaseerd zijn op vertrouwen. Ze moeten zich bewust zijn van hun rol in en verplichting aan de samenleving en moeten verantwoordelijkheid voor hun gedrag nemen. Een gedragsstandaard die bij dit principe hoort, is dat docerende psychologen studenten cursushandleidingen moeten geven, die de cursusinhoud en vereisten nauwkeurig beschrijven. Als het curriculum gedurende het semester gewijzigd moet worden, moeten de studenten op deze veranderingen worden gewezen.

 

  1. Integriteit

Psychologen dienen eerlijk en betrouwbaar te zijn. Ze moeten ernaar streven hun beloften na te komen en slechts afspraken te maken, waar ze zich aan kunnen houden. Een gedragsprincipe die bij dit principe hoort, is dat psychologen bij het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek geen plagiaat mogen plegen.

 

  1. Rechtvaardigheid

Psychologen moeten iedereen eerlijke, gelijkwaardige toegang bieden tot de voordelen van wetenschap, onderwijs en behandeling. Om dit te kunnen doen, moeten psychologen hun eigen vooroordelen erkennen en ervoor zorgen dat deze niet interfereren met hun werkgerelateerde plichten. Een gedragsstandaard die bij dit principe hoort, is dat psychologen bij bijvoorbeeld een sollicitatie iemand niet mogen afwijzen, puur omdat hij/zij beschuldigd is van seksuele intimidatie.

 

  1. Respect voor andermans rechten en waardigheid

Psychologen moeten in aanmerking nemen hoe culturele, individuele en rolverschillen invloed kunnen hebben op hun werk met anderen. Ze dienen de rechten van alle individuen op privacy en zelfbeschikking te respecteren. Een gedragsstandaard die bij dit principe hoort, is dat psychologen bij diagnostiek bijvoorbeeld rekening moeten houden met de culturele en taalachtergrond van de cliënt. Ze moeten ervoor zorgen dat de assessmentmethoden aansluiten bij de moedertaal en culturele achtergrond van de cliënt.

 

Ethisch dilemma

Soms hebben psychologen te maken met een situatie, waarin een handeling die voldoet aan de doelen van het ene principe conflicteren met de doelen van een ander principe. Dit wordt een ethisch dilemma genoemd. In deze situatie zijn kritische denkvaardigheden nodig om te bepalen welk principe het belangrijkst is gezien de specifieke context.

 

Stappen bij het maken van ethische beslissingen

Fisher heeft een model ontwikkeld voor het maken van ethische beslissingen. Dit model omvat acht stappen en benadrukt kritisch denken op basis van een ‘goodness of fit’ tussen de mogelijke ethische alternatieven, de rol van de psycholoog en de behoeften van de belanghebbenden.

 

Stap 1: Ontwikkel en behoud een professionele betrokkenheid om het juiste te doen

Psychologen moeten betrokken zijn om het juiste te doen en om de beste keuzes te maken.

 

Stap 2: Verwerf voldoende bekendheid met de APA ethische code om op situaties te kunnen anticiperen, die ethische planning vereisen, en om onvoorziene situaties te kunnen identificeren, die een ethische beslissing vereisen

Om competent en verantwoordelijk te kunnen werken, moeten psychologen bekend zijn met de ethische waarden en standaarden. Ze moeten zich bewust zijn van veelvoorkomende ethische vragen en moeten situaties kunnen identificeren, waarin sprake is van ethische dilemma’s, zodat schade voorkomen kan worden.

 

Stap 3: Verzamel aanvullende feiten, die relevant zijn voor de specifieke ethische situatie

Het is onvoldoende om enkel kennis te hebben van de ethische code van de APA, omdat ook wetten en professionele of organisatorische richtlijnen invloed kunnen hebben op de manier waarop een psycholoog dient te handelen. Daarom moeten psychologen aanvullende informatie verzamelen over relevante wetten en regels om ethische alternatieven kritisch te kunnen beoordelen.

 

Stap 4: Probeer het perspectief van de verschillende belanghebbenden te begrijpen en overleg met collega’s

Ethische beslissingen van psychologen kunnen verschillende belanghebbenden op een verschillende manier beïnvloeden. Daarnaast kan de reactie van belanghebbenden op de handelswijze van de psycholoog afhangen van bijvoorbeeld culturele en economische achtergrondkenmerken. Psychologen moeten inzicht krijgen in de verwachtingen van belanghebbenden en mogelijke gevolgen van verschillende oplossingen. Hiervoor is het belangrijk om met collega’s te overleggen.

 

Stap 5: Pas stap 1 tot en met 4 toe om ethische alternatieven te bedenken en evalueer ieder alternatief in termen van morele theorieën, algemene principes en ethische standaarden

Een belangrijke component van kritisch denken is het vermogen om alternatieve oplossingen voor een probleem te bedenken en evalueren. Als de eerste vier stappen zijn doorlopen, heeft de psycholoog een stevige ondergrond waarop mogelijke handelswijzen gebaseerd kunnen worden. De psycholoog moet zoveel mogelijk oplossingen bedenken en deze evalueren aan de hand van de ethische code van de APA, wetten, de verschillende behoeften en verwachtingen van de belanghebbenden en de praktische aspecten van de situatie.

 

Stap 6: Selecteer en implementeer een ethische handelswijze

Na het kritisch evalueren van iedere mogelijke handelswijze, moet de psycholoog de meest geschikte handelswijze kiezen en deze toepassen. Deze keuze moet worden gebaseerd op een vergelijkingsproces, waarbij de voor- en nadelen van ieder alternatief met elkaar worden vergeleken. Tijdens dit proces ontstaan er mogelijk nieuwe oplossingen, die elementen van de verschillende alternatieven met elkaar combineren.

 

Stap 7: Monitor en evalueer de effectiviteit van de handelswijze

Tijdens de implementatie van de handelswijze is het van groot belang om dit te blijven monitoren en te evalueren.

 

Stap 8: Pas het ethische plan indien nodig aan en blijf het plan evalueren

Soms hebben veelbelovende oplossingen onbedoelde negatieve effecten. Als een handelswijze niet tot de gewenste resultaten leidt, moet de psycholoog het plan aanpassen. Vervolgens moet de nieuwe handelswijze worden gemonitord en geëvalueerd. Aanpassingen aan het plan moeten worden gemaakt totdat de best passende oplossing voor het probleem is gevonden.

 

17: Het belang van kritisch denken in de psychologie

Inleiding

Kritisch denken is kritisch in en voor de psychologie. De belangrijkste lessen die in dit boek aan bod zijn gekomen, zijn:

  • De manier waarop je iets zegt, is vaak minstens zo belangrijk als wat je zegt. Deze les is bijvoorbeeld van toepassing op het formuleren van vragen voor een vragenlijst, het formuleren van wetenschappelijke beweringen en het formuleren van meningen over andermans wetenschappelijke werk.
  • De moeilijkste kritische evaluatie in de psychologie is vaak van jezelf. Als je je niet bewust bent van je zwakke punten of er niet in slaagt om hier kritisch over na te denken, kun je ze niet corrigeren of ervoor compenseren.
  • Onze causale verklaringen zijn vaak onvolledig en soms verwarrend. Deze kwestie is vooral belangrijk als een onderzoeker beweert dé oorzaak van een psychologisch fenomeen te hebben gevonden. In de psychologie is het effect van een oorzaak vaak afhankelijk van andere variabelen. Het trekken van causale conclusies wordt verder bemoeilijkt doordat steekproeven vaak beperkt zijn. Onderzoeksbevindingen zeggen vaak weinig over de populatie waarnaar we ze willen generaliseren.
  • Zelfs wetenschappers zijn vatbaar voor informele logische drogredenen. De meest voorkomende informele drogreden is de bevestigingsbias: wetenschappers willen graag aantonen dat hun overtuiging klopt. Deze bias kan op meerdere manieren een rol spelen. Zo kan het ertoe leiden dat wetenschappers dubbelzinnige data interpreteren als bewijs voor hun bewering. Daarnaast kan de bevestigingsbias ervoor zorgen dat wetenschappers data die hun bewering ontkrachten als meer dubbelzinnig interpreteren dan dat ze daadwerkelijk zijn. Een manier om deze bias te vermijden, is door te erkennen dat je er zelf ook vatbaar voor bent.
  • Onderzoek in de psychologie is vatbaar voor verstoringen. Er is geen enkele methode in de psychologie die zorgt voor resultaten, waarbij valide conclusies gegarandeerd zijn. Het is het best om psychologische fenomenen met verschillende methoden te onderzoeken, in de hoop dat de resultaten consistent zijn. Verschillende methoden hebben verschillende sterke en zwakke punten, en als ze gecombineerd worden, worden de sterke en zwakke punten uitgemiddeld.
  • Er bestaat geen consensus over wat een theorie goed maakt. Psychologen zijn het niet eens over de criteria van een goede theorie.
  • We onderschatten de rol van overtuigende communicatie in de psychologie. We moeten ideeën en experimenten verkopen. Het is onder andere van groot belang om duidelijk te maken welke nieuwe bijdrage je onderzoek levert.
  • De fouten in theoretisch en experimenteel werk zijn ook van toepassing op klinisch werk. Hoofdstuk L ging over de klinische praktijk, maar had evengoed over wetenschappelijk onderzoek kunnen gaan. Clinici zijn case studie onderzoekers, die wetenschappelijke vaardigheden gebruiken om diagnoses te stellen en behandeladviezen te formuleren. Wetenschappers hebben vaak klinische vaardigheden nodig om case studies uit te voeren.

 

Men is geneigd om kritisch denken enkel in termen van vaardigheden te definiëren. Echter, attituden of neigingen zijn minstens even belangrijk als vaardigheden. Iemand kan bijvoorbeeld beschikken over kritische denkvaardigheden, maar er niet in slagen om deze vaardigheden toe te passen op problemen. Het is dus belangrijk om de neiging te hebben om kritisch na te denken. Dit betekent dat je jezelf in een probleemsituatie afvraagt of je er kritisch over na aan het denken bent.

 

Er kan onderscheid worden gemaakt tussen Cartesiaanse en Spinozaanse perspectieven van de manier waarop mensen nieuwe informatie verwerken. Het Cartesiaanse perspectief stelt dat als mensen nieuwe informatie ontvangen, ze deze meteen kritisch verwerken. Het Spinozaanse perspectief stelt dat als mensen nieuwe informatie ontvangen, ze geneigd zijn dit te geloven. Om kritisch over de validiteit ervan na te denken, is een extra stap nodig. Men is vaak niet bereid deze stap te nemen. De auteur is het meer eens met het Spinozaanse perspectief. Kritisch denken vereist niet één, maar meerdere extra stappen. Tenzij je deze stappen zelfbewust toepast, denk je waarschijnlijk niet kritisch na over nieuwe informatie. Een aantal vragen, die jezelf kunt stellen als je nieuwe informatie ontvangt, zijn:

  • Is de informatie intuïtief aannemelijk?
  • Welk bewijs is er voor de informatie?
  • Hoeveel verschillende soorten bewijs zijn er?
  • Hoe sterk is het bewijs?
  • Welke soorten bewijs zouden aan kunnen tonen dat de informatie onjuist is?
  • Is geprobeerd de informatie te ontkrachten?
  • Past de informatie bij andere theorieën of feiten?
  • Wat zijn de gevolgen als je de informatie gelooft, terwijl deze uiteindelijk niet blijkt te kloppen?
Check page access:
Public
This content is related to:
Samenvatting Critical Thinking For Psychology: A Student Guide (Forshaw)
Samenvatting Wetenschapsfilosofie in veelvoud
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  3. Search tool: quick & dirty - not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is available at the bottom of most pages or on the Search & Find page
  4. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Quick links to WorldSupporter content for universities in the Netherlands

Follow the author: Vintage Supporter
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.