De kleine gids (pleegzorg)

Deze samenvatting is geschreven in collegejaar 2012-2013.


 

Inleiding

 

Pleegkinderen zijn uit huis geplaatst voor korte of lange tijd, omdat de eigen ouders niet goed genoeg voor hen kunnen zorgen. Het is van belang dat pleegkinderen niet vaak van verblijfplaats wisselen, omdat dit het risico op gedragsproblemen vergroot.

 

Bij plaatsing in een pleeggezin is een ‘juridische legitimatie’ nodig. Dit betekent dat er instemming van de gezagouders met de pleeggezinplaatsing moet zijn (vrijwillig kader) of dat er een kinderbeschermingsmaatregel wordt genomen (gedwongen kader). In het gedwongen kader wordt het juridisch zeggenschap van de ouders beperkt of beëindigd.

 

Gehechtheid bestaat uit het vertrouwen van een kind in zichzelf en in anderen. De bestaanszekerheid van een kind helpt de gehechtheid tot stand te laten komen. Deze bestaanszekerheid wordt gevormd door zekerheid over de duur en de voortzetting van het verblijf in een pleeggezin. Vaak is er sprake van loyaliteit van het pleegkind naar de biologische ouder, maar dit blijkt goed te verenigen met de band die met de pleegouder ontstaat.

 

Vanuit juridisch perspectief zijn of worden nog veel veranderingen doorgevoerd met betrekking tot de pleegzorg. Hierbij wordt onder andere aandacht besteedt aan het belang van het kind als de eerste overweging, meer effectieve en efficiëntere jeugdbescherming, meer mogelijkheden voor Bureau Jeugdzorg op het gebied van gezagsbeperking en gegevensuitwisseling en de kinderrechter met een actievere rol.

 

Het pedagogische en juridisch kader moeten verbonden worden om duurzaamheid en stabiliteit te bewerkstelligen om tot een positieve ontwikkeling van het kind te komen. Het streven naar een zo natuurlijk mogelijke situatie met zo weinig bemoeienis van de overheid is het uitgangspunt.

 

 

 

Deel 1: Algemene uitgangspunten

 

1. Pedagogisch perspectief

 

1.1 Ontwikkeling van pleegzorg in Nederland

 

Pleegzorg vindt zijn oorsprong in de wezen- en vondelingenzorg. Deze zorg wordt vanuit een sociale verplichting door familie, buren en bekenden (gezinsverpleging) uitgevoerd. In de zestiende eeuw werden tehuizen opgericht waarin weeskinderen konden worden geplaatst. Later in deze eeuw en in de zeventiende eeuw raakten deze inrichtingen vol en begon men met pleeggezinplaatsingen. Het idealisme over het gezinsleven ontstaat in de achttiende en negentiende eeuw waarna het aantal pleeggezinplaatsingen stijgt.

 

Pleegzorg als hulpvorm is ontstaan vanuit de kinderbescherming en de gezinsvoogdij waardoor veel aandacht was voor verwaarloosde en mishandelde kinderen. In de eerste helft van de twintigste eeuw heeft de pleegzorg dan ook een justitieel en permanent karakter.

 

In 1950 wordt de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen opgericht met als doel ondersteuning, advisering en belangenbehartiging van pleeggezinnen.

 

In de pleegzorg zijn vooral mannelijke juristen werkzaam waardoor vooral de sociale wetgeving en het kinderrecht van groot belang wordt geacht. Pedagogische begrippen zoals voorbereiding en begeleiding spelen nog nauwelijks een rol.

 

Ook ontstaan er andere vormen van pleegzorg. De vrijwillige pleegzorg komt in de jaren 70 tot stand. De nadruk komt te liggen op het thuismilieu, waardoor de pleegzorg van ‘permanent vervangend perspectiefbiedend opvoedingsmilieu’ overgaat in een ‘tijdelijk aanvullend perspectiefzoekend opvoedingsmilieu’. Vanuit dit perspectief ontstaan nieuwe vormen van pleegzorg zoals crisisopvang, kortverblijfplaatsingen en weekend-vakantieopvang. Er worden steeds nieuwe vormen van pleegzorg ontwikkeld met als uitgangspunt: licht waar mogelijk, zwaar indien nodig.

 

In de jaren 80 ontstaat bij de overheid een steeds grotere voorkeur voor plaatsing in pleeggezinnen, omdat het in de basisbehoeften van het kind tegemoetkomt en het goedkoper is dan internaatplaatsing.

 

In de tweede helft van de twintigste eeuw komt de pleegzorg als hulpverleningsvorm tot stand door professionalisering en specialisatie in de jeugdhulpverlening.

 

Binnen de pleegzorg als vakgebied vinden verschillende ontwikkelingen plaats. Eind jaren 90 wordt de pleegzorg definitief erkend als afzonderlijke, zelfstandige en volwaardige vorm van jeugdhulpverlening. Decentralisatie vindt plaats doordat gemeentes verantwoordelijkheden van de centrale overheid overnemen.

 

Er ontstaat een functiescheiding tussen de plaatsende instantie ‘Bureau Jeugdzorg’ en de opnemende ‘Voorziening voor Pleegzorg’ (VvP). De VvP is verantwoordelijk voor pleeggezinplaatsingen en voor begeleiding van pleegkind, pleeggezinnen en ouders. Deze organisatie stelt een hulpverleningsplan op en volgt de ontwikkeling van het pleegkind.

 

 

1.2 Huidige situatie

 

Voor pleegzorg als hulpverleningsvorm binnen de jeugdzorg is een indicatie nodig. Bureau Jeugdzorg geeft een indicatiebesluit waarin staat waarom het kind baadt heeft bij pleegzorg.

 

Pleegzorg Nederland is onderdeel van Jeugdzorg Nederland. De organisatie richt zich op de profilering van pleegzorg. Pleegzorg Nederland is een samenwerkingsverband van de 28 regionale pleezorgaanbieders.

 

Iedere zorgaanbieder is verantwoordelijk voor pleegzorgplaatsingen, biedt verschillende vormen van opvang, geeft voorlichting, werft nieuwe pleegouders en bereidt hen voor en ondersteunt en begeleidt pleegouders en hun kinderen, pleegkinderen en ouders.

 

De pleegzorgaanbieder stelt een hulpverleningsplan op en zorgt er samen met de pleegouders, de ouders, de medewerker van Bureau Jeugdzorg en andere betrokkenen voor dat de gestelde hulpdoelen worden bereikt.

 

De pleegzorgbegeleider zorgt voor:

  • de organisatie van de pleegzorgplaatsing

  • de begeleiding van pleegouders, biologische ouders en pleegkinderen en het adviseren van Bureau Jeugdzorg

 

Het aantal pleeggezinplaatsingen stijgt en ook het aantal plaatsingen binnen de netwerkpleegzorg stijgt. In januari 2010 woonden 15.000 kinderen bij pleegouders. In 2010 zijn bijna 9000 nieuwe plaatsingen gerealiseerd. De grote groei van het aantal pleeggezinplaatsingen in de eerdere decennia lijkt te stabiliseren.

Pleegouders zijn volwassenen die jeugdigen, die niet hun kind zijn, als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden. Naast verzorger en opvoeder is de pleegouder steeds meer participant in de hulpverlening geworden, ook wel partner in de pleegzorg genoemd.

 

Wettelijke eisen waaraan pleegouders moeten voldoen:

  • ouder dan 21 jaar

  • beschikken over een verklaring van geen bezwaar, afgegeven door de Raad voor de Kinderbescherming

  • geschikt bevonden door de pleegzorgaanbieder

  • bereidt begeleiding door de pleegzorgaanbieder te aanvaarden

 

In 2011 hebben de pleegzorginstanties gezamenlijk een ‘Kwaliteitskader voorbereiding en screening aspirant-pleegouders’ opgesteld. Veel organisatie gebruiken het STAP-programma om het persoonlijk functioneren en de opvoedingsmogelijkheden van de pleegouders, de gezinssamenstelling, de wijze van communiceren en de mogelijkheden tot samenwerking vast te stellen. De uiteindelijke beslissingsbevoegdheid over aanstaande pleegouders ligt bij de pleegzorgaanbieder.

 

Om de vaak jarenlang voortdurende ‘tijdelijke’ plaatsingen van een kind in een pleeggezin te beëindigen is in het visiedocument vastgelegd dat onderscheid maakt tussen ‘pleegzorg als module in een zorgprogramma’ (kortdurende pleegzorg) en ‘pleegzorg als opvoedingsarrangement’ (langdurige pleegzorg).

 

 

Factoren die bepalen of een kind in een pleeggezin wordt geplaatst (matchfactoren) zijn:

  • perspectief en doel van de plaatsing

  • leeftijd, geslacht, gedrag, ontwikkeling en culturele achtergrond van het pleegkind

  • woonplaats en opvoedingsklimaat van het pleeggezin

  • houding van de ouders ten opzichte van het pleeggezin

 

1.3 Knelpunten

 

Het bevorderen van stabiliteit en duurzaamheid voor het kind vraagt om een streven naar gezamenlijkheid tussen pleegouders, ouders, pleegzorgaanbieders en Bureau Jeugdzorg.

 

Hardnekkige pedagogische knelpunten binnen de pleegzorg:

  • onduidelijkheid over het doel en de duur van de plaatsing

  • het grote aantal overplaatsingen van een kind

  • spanningen en een gebrek aan kader rondom de bezoekregeling

 

 

2. Juridisch perspectief

 

2.1 Ontwikkeling pleegzorg in Nederland

 

Binnen de ontwikkeling van de jeugdbescherming behoren enkele juridische aspecten.

 

In 1901 worden de ‘Kinderwetten’ aangenomen, waarin drie wetten staan vermeld:

  1. maatregelen om kinderen te beschermen, waarbij ouders niet meer zelf over hun kinderen kunnen beslissen (gezagbeperking)

  2. specifieke regels voor het jeugdstrafrecht

  3. voorschriften voor de uitvoering van maatregelen

 

Met de invoering van deze wetten kan de overheid een kind bij de ouders weghalen en een voogd over het kind benoemen.

In 1922 wordt de maatregel van de ondertoezichtstelling (OTS) ingevoerd en de functie van kinderrechter wordt benoemd. De kinderrechter kan een OTS uitspreken over het kind en heeft leiding over de uitvoering ervan. Bij een OTS blijft het kind bij de eigen ouders wonen en krijgt gedwongen begeleiding van een gezinsvoogd.

 

In 1956 wordt in de wet geregeld dat een OTS kan samengaan met een uithuisplaatsing. Ook wordt de Raad voor de Kinderbescherming benoemd (voorheen voogdijraden). De uitvoering van de OTS voogdij gaat van de kinderrechter over naar gezinsvoogdinstellingen: Bureaus Jeugdzorg.

 

De ontwikkeling van pleegzorg omvat de periode na de Tweede Wereldoorlog die verschillende wetswijzigingen met zich meebracht.

 

Na de Tweede Wereldoorlog is het aantal pleeggezinplaatsingen enorm toegenomen. In 1953 treedt daarom de ‘Pleegkinderenwet’ in werking om controle uit te voeren over pleeggezinplaatsingen.

 

De rechtspositie van pleegouders wordt versterkt als in 1978 het blokkaderecht voor pleegouders in werking treedt.

In 2005 treedt de ‘Wet op de jeugdzorg’ in werking. Pleegzorg staat in deze wet als onderdeel van de verschillende vormen van jeugdzorg beschreven.

 

Op internationaal niveau komt steeds meer erkenning voor pleegzorg als alternatieve zorg. Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) heeft in artikel 8 het recht op family life opgenomen. Dit artikel is een belangrijke rol gaan spelen bij de afweging van de betrokken belangen van pleegouders, pleegkinderen en ouders.

 

Als reactie op het visiedocument is een onderzoek gedaan waaruit bleek dat de wet onvoldoende ruimte biedt om het gezag aan pleegouders over te dragen in geval van het opvoedingsarrangement (langdurige pleegzorg).

 

Momenteel (op het moment van schrijven van deze Kleine Gids) zijn er twee wetsvoorstellen in behandeling:

  1. het wetsvoorstel Herziening kinderbeschermingsmaatregelen

  2. het wetsvoorstel Verbetering positie pleegouders

 

2.2 Huidige situatie

 

Hieronder worden enkele belangrijke juridische knelpunten besproken.

 

  1. Rechtspositie van het pleegkind: huidige wetgeving levert problemen op het gebied van continuïteit in de opvoeding van het pleegkind op

 

Er ontstaan problemen doordat continuïteit en duidelijkheid in de opvoeding aan pleegkinderen tegenover de wettelijke bepalingen ten aanzien van de ontheffing en/of ontzetting van het ouderlijk gezag staan.

 

  1. Voortduren van het ouderlijk gezag: in de praktijk doen zich problemen voor in de uitvoering van uithuisplaatsing in het kader van de OTS vanwege het voortduren van het ouderlijk gezag

 

Voor inschrijving op school, medische behandeling en het aanvragen van een verblijfsvergunning is toestemming van de ouders met het gezag nodig.

 

  1. De rechtspositie van de pleegouders heeft verbetering nodig

 

Pleegouders hebben geen blokkaderecht in het kader van de OTS. Zij hebben weinig stem in het tot stand komen van het plan van aanpak (in het kader van OTS of voogdij) en te weinig stem in het tot stand brengen van het hulpverleningsplan (pleegzorg).

Pleegouders hebben in geval van volledige voogdij over het kind onderhoudsverplichting, waarna zij geen aanspraak meer kunnen maken op de pleegvergoeding. Hierom kiezen veel pleegouders voor eenhoofdige pleegoudervoogdij.

 

 

 

Deel 2: praktijkinformatie

 

3. Vormen van pleegzorg

 

3.1 Inleiding

 

Pleegzorg kan ingedeeld worden in het hulpverleningskader en het juridisch kader

 

Binnen de jeugdhulpverlening wordt onderscheid gemaakt tussen pleegzorg als hulpverleningsvariant en pleegzorg als opvoedingsvariant.

 

Binnen het juridisch kader wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van pleeggezinplaatsing:

  1. De vrijwillige plaatsing

  2. De plaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling (OTS)

  3. De voogdijplaatsing

 

3.2 Variant van de hulpverlening

 

Binnen de hulpverleningsvariant dient pleegzorg als een tijdelijke, vervangende en perspectiefzoekende opvoedingssituatie. Het uitgangspunt is dat het kind bij de ouders opgroeit.

 

De hulp is gericht op:

  • het onderzoeken van de mogelijkheden tot herstel van de oorspronkelijke gezinssituatie: hiervoor wordt een beoordelingsboog als taxatie-instrument gebruikt

  • ouderbegeleiding om de pedagogische en affectieve vaardigheden van ouders te versterken

 

3.3 Variant van de opvoeding

 

Binnen de opvoedingsvariant wordt er vanuit gegaan dat herstel van de oorspronkelijke gezinssituatie niet meer mogelijk is. Het kind woont dan permanent bij het pleeggezin zodat een langdurige en stabiele hechtingsrelatie met de pleegouders aangegaan kan worden. In dit geval dragen de pleegouders de opvoedingsverantwoordelijkheid.

 

Ouderbegeleiding is bij de opvoedingsvariant gericht op verliesverwerking en roldifferentiatie (nieuwe betekenis geven aan de rol van de ouders).

 

3.4 Vrijwillige plaatsing

 

Met instemming van de ouders met gezag kan een kind vrijwillig in een pleeggezin verblijven. De plaatsing kan in dit geval tot maximaal één jaar na de plaatsing op elk moment door de ouders worden beëindigd. Als het kind langer dan één jaar in het pleeggezin woont kunnen de pleegouders zich beroepen op het blokkaderecht.

 

3.5 Plaatsing in de OTS

 

Bij een OTS zijn de gezaghebbende ouders beperkt in het opvoeden en verzorgen van het kind. Ook kunnen zij worden beperkt in hun gezag als Bureau Jeugdzorg de kinderrechter om vervangende toestemming verzoekt voor bijvoorbeeld het verrichten van een medische behandeling. Bureau Jeugdzorg kan daarbij een schriftelijke aanwijzing aan de gezaghebbende ouders verstrekken.

 

Het verwachtte toekomstig recht met betrekking tot de OTS wordt hieronder besproken.

 

Als de uithuisplaatsing in het kader van de OTS na twee jaar (of langer) wordt verlengd, geeft de Raad voor de Kinderbescherming advies met betrekking tot verlenging. De vraag hierbij is of wellicht moet worden overgegaan tot een gezagsbeëindigende maatregel.

 

Als een kind langer dan een jaar in een pleeggezin verblijft moet Bureau Jeugdzorg toestemming vragen aan de kinderrechter voor een overplaatsing.

 

De kinderrechter kan op verzoek van Bureau Jeugdzorg of de Raad voor de Kinderbescherming een gedeeltelijke gezagsuitoefening uitspreken. Bureau Jeugdzorg wordt belast met de gedeeltelijke gezagsuitoefening en kan de pleegouders machtigen om de gezagsonderdelen uit te oefenen.

 

In een wetsvoorstel krijgt de gezinsvoogd het recht op informatie over een pleegkind. De betrokken professionals verstrekken de informatie aan de gezinsvoogd voor een zorgvuldige uitoefening van de maatregel.

 

De schriftelijke aanwijzing is een wettelijke dwingende opdracht door Bureau Jeugdzorg aan de gezagouders of de minderjarige vanaf twaalf jaar om iets te doen of na te laten met betrekking tot de verzorging en opvoeding van het pleegkind in het kader van de OTS. In het wetsvoorstel krijgt de gezinsvoogd de mogelijkheid om de kinderrechter te verzoeken de schriftelijke aanwijzing van Bureau Jeugdzorg te bekrachtigen. Hiermee kan nakoming van de aanwijzing worden afgedwongen bij de ouders met gezag.

 

Geschillen over de uitvoering van de OTS kunnen door de ouders, het kind ouder dan twaalf jaar, de pleegouders, de pleegzorgaanbieder en Bureau Jeugdzorg aan de kinderrechter worden voorgelegd. Dit wordt ook wel de geschillenregeling genoemd.

 

3.6 Plaatsing in de voogdij

 

Bij een voogdijmaatregel heeft de ouder geen gezag meer over het kind. Bij een voorlopige of tijdelijke voogdij wordt het gezag van de ouder voor maximaal twaalf weken geschorst. Er bestaat dan een spoedsituatie waarbij de ontwikkeling van het kind wordt bedreigd.

 

Na overlijden van één gezagouder voert de andere gezagouder het eenhoofdig gezag. Als de gezagouder met eenhoofdig gezag of beide gezagouders overlijden wordt de voogdij altijd door een ander dan de ouder uitgeoefend.

 

Het verwachte toekomstige recht met betrekking tot de ontheffing of ontzetting wordt geregeld in een wetsvoorstel. In het wetsvoorstel ‘Herziening kinderbeschermingsmaatregelen’ worden ontheffing en ontzetting samengevoegd tot één maatregel: de maatregel tot beëindiging van het gezag.

Een verzoek tot gezagsbeëindiging kan worden gedaan door pleegouders die het kind een jaar of langer verzorgen en opvoeden, Bureau Jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming en het Openbaar Ministerie.

 

De voogdij kan door Bureau Jeugdzorg of door een ‘natuurlijk persoon’ (zoals pleegouders) worden uitgeoefend. Wanneer beide pleegouders de pleegoudervoogdij uitvoeren hebben zij geen recht meer op pleegvergoeding, omdat zij dan onderhoudsplichtig zijn. Bij eenhoofdige pleegoudervoogdij is er geen sprake van onderhoudsverplichting en behoudt de pleegouder het recht op pleegvergoeding.

 

Het verwacht toekomstig recht met betrekking tot de uitoefening van de voogdij door Bureau Jeugdzorg bestaat uit jaarlijkse verslaglegging van Bureau Jeugdzorg aan de Raad voor de Kinderbescherming over het verloop van de voogdij. Er bestaat een voorstel om een geschillenregeling in te voeren waarbij geschillen tussen Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming over de uitvoering van de voogdij aan de kinderrechter kunnen worden voorgelegd.

 

Het verwachte toekomstige recht ten aanzien van de uitoefening van de voogdij door de pleegouders wordt in het wetsvoorstel ‘Verbetering positie pleegouders’ geregeld. In dit wetsvoorstel wordt opgenomen dat pleegouders niet onderhoudsplichtig worden bij gezamenlijke pleegoudervoogdij, zodat zij het recht op pleegvergoeding behouden.

 

3.7 Andere vormen van pleegzorg

 

Deeltijdpleegzorg houdt in dat het pleegkind gedeeltelijk wordt opgevangen in een pleeggezin en de overige tijd in het eigen gezin of een residentiële voorziening doorbrengt. Bij voltijdpleegzorg verblijft het pleegkind zeven etmalen per week in een pleeggezin.

 

Netwerkplaatsing houdt in dat een pleegkind bij een bekende van het kind wordt geplaatst. Bij bestandsplaatsing kent het kind de pleegouders niet. Deze pleegouders komen uit het pleeggezinnenbestand van de zorgaanbieder.

 

De meeste pleegzorgplaatsingen betreffen de reguliere of basispleegzorg. Bij sociaal-emotionele en/of gedragsproblematiek van het kind wordt vaak een intensievere begeleiding ingezet waarbij een behandelteam wordt ingezet. Een vorm van therapeutische pleegzorg is ‘Multidimensional Treatment Foster care (MTFC).

 

In een gezinshuis worden pleegkinderen kleinschalig opgevangen door gezinshuisouders. Deze ouders werken in dienstverband bij de zorgaanbieder. Bij reguliere pleegzorg wordt niet in een dienstverband gewerkt.

 

 

4. Pedagogische aandachtspunten

 

4.1 Inleiding

 

Een pleeggezinplaatsing is vrijwel altijd een ingrijpende gebeurtenis en volgt bijna altijd op een periode van problemen.

 

Na een uithuisplaatsing kan een fase van extreme stress en aanpassingsproblemen ontstaan. Ook kan de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling achteruitgaan en kunnen lichamelijke klachten optreden.

 

Pleegouders dienen het pleegkind de tijd te geven om te herstellen en extra alert te zijn op stresssymptomen. Op veel gebieden maken pleegkinderen een snel herstel en inhaalgroei door. Omdat gedragsproblemen kunnen blijven bestaan is het van belang pleegouders de juiste ondersteuning te bieden om de draagkracht en draaglast van pleegouders te stabiliseren.

 

4.2 Zekerheid van bestaan

 

Stabiliteit, continuïteit in de opvoeding en bestaanszekerheid zijn belangrijke factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij pleeggezinplaatsingen. Er wordt naar duidelijkheid over het opvoedperspectief gestreefd binnen zes (kinderen tot en met zes jaar) of twaalf (kinderen vanaf zes jaar) maanden na de uithuisplaatsing.

 

4.3 Betekenis van oudercontacten

 

Een pleegkind heeft recht op persoonlijk contact met zijn ouders. Een duidelijk opvoedperspectief draagt bij aan een ontspannen en verlopend contact tussen het kind, de ouders en de pleegouders.

 

De hulpverleningsvariant is de meest wenselijke vorm van pleegzorg. Hierbij kunnen verschillende problemen optreden:

  • kind: hecht zich aan de pleegouders, maar houdt ook afstand doordat er voorbereiding voor terugplaatsing bij de ouders worden getroffen

  • ouders: richten zich op terugplaatsing en het vasthouden van hun kind, maar er ontstaat ook verwijdering doordat de ouders geen dagelijks contact met hun kind hebben

  • pleegouders: houden afstand door de onzekerheid over het verblijf van het pleegkind, maar vormen ook een band door het dagelijks contact met het pleegkind

 

Langdurige plaatsing biedt een duidelijk opvoedperspectief:

  • kind: ervaart verblijfs- en bestaanszekerheid

  • ouders: kunnen het loslatings- en rouwproces en de acceptatie inzetten

  • pleegouders: gaan openstaan voor een positieve emotionele hechtingsrelatie met het pleegkind

 

4.4 Hechting

 

Gehechtheid is de aangeboren neiging van het kind om steun te zoeken bij een volwassene die het kind kan helpen en beschermen. Elk kind hecht zich in zijn eerste levensjaar en kan zich aan meerdere personen hechten. Bij een veilige hechting kan het kind rekenen op troost, steun en hulp van een volwassene. Het vertrouwen dat hierbij ontstaat in de ander gaat samen met het ontwikkelen van zelfvertrouwen.

 

Hechting ontstaat via interacties tussen opvoeder en kind. De sensitiviteit en responsiviteit van de opvoeder zijn hierbij van belang. Voorwaarden voor een veilige gehechtheidsrelatie zijn persoonsgebondenheid en duurzaamheid in beschikbaarheid.

 

Hechtingspatronen en –schema’s ontwikkelen zich in de vroege kindertijd. Ook hebben kinderen dan een hogere flexibiliteit en herstelvermogen waardoor het vormen van een basisvertrouwen gemakkelijker is. Deze fase van flexibiliteit en herstelvermogen wordt ook wel de gevoelige fase genoemd.

Oudere kinderen kunnen een emotionele inhaalgroei doormaken en daardoor alsnog een basisvertrouwen ontwikkelen. Een emotionele inhaalgroei kan het beste worden bewerkstelligt in een pleeggezin waarin een gehechtheids- en opvoedingsrelatie tussen kind en pleegouder kan ontstaan.

 

Ongeveer een derde van de pleegkinderen heeft een hechtingsproblematiek. Hechting kan worden verstoord als gevolg van:

  • de aard van de hechting: de volwassene als niet betrouwbaar, onvoorspelbaar, in de steek latend zien

  • een breuk met de hechtingsfiguur: overlijden, echtscheiding, uithuisplaatsing

 

De meeste pleeggezinplaatsingen van jonge kinderen in Nederland worden gedaan op grond van ouderfactoren: onmacht van de biologische ouders, emotionele en/of fysieke verwaarlozing en verslavingsproblematiek van de biologische ouders. Bij oudere kinderen worden pleeggezinplaatsingen vaker gedaan op grond van kindproblemen.

 

Signalen van een verstoorde hechting kunnen worden opgepikt met behulp van de praktijkrichtlijn ‘American Academy of Child and Adolescent Psychiatry’. Deze richtlijn beschrijft signalen van verstoorde hechting bij een kind. De richtlijn bestaat uit acht aandachtsgebieden waarop het kind kan scoren als zijnde adaptief of niet adaptief.

 

De aanpak van de verstoorde hechting van het pleegkind bestaat uit het inzetten van een relatie tussen het pleegkind en de pleegouder. Met deze relatie kan worden gewerkt aan verandering in het basisvertrouwen van het pleegkind. De pleegouders dienen zich als betrouwbare opvoeders op te stellen, krijgen interventies aangeboden om interacties, sensitiviteit en het aangaan van een veilige hechting te optimaliseren.

 

De sensitiviteit en responsiviteit van de pleegouders moeten versterkt worden. De opvoeder dient emotioneel beschikbaar te zijn naar het kind door zich zo sensitief en responsief mogelijk op te stellen. Programma’s die gebruik maken van psycho-educatie kunnen ingezet worden om de emotionele beschikbaarheid van de opvoeder te verbeteren. Video-Interactiebegeleiding (VIB) richt zich op het verhogen van de sensitiviteit en responsiviteit van de pleegouder.

 

Er bestaan ook interventies die zich richten op vergrote van het basisvertrouwen van pleegkinderen, zoals speltherapie, psychomotorische therapie, Sherbone-methode, differentiatie- en fasetherapie. Deze interventies zijn echter niet geregistreerd als effectief. Speltherapie,

 

4.5 Zekerheid van bestaan en hechting in een juridische context

 

De juridische basis moet afgestemd worden op het toekomstperspectief, want pleeggezinplaatsingen gaan vaak gepaard met veel onzekerheid over het toekomstperspectief. Ook vinden overplaatsingen en terugplaatsingen vaak plaats.

 

In de praktijk worden pleegkinderen vaak binnen de opvoedingsvariant langdurig in een pleeggezin geplaatst terwijl er nog sprake is van een ondertoezichtstelling die jaarlijks wordt verlengd.

 

 

5. Rechtspositie pleegouders

 

5.1 Inleiding

Naarmate de pleeggezinplaatsing langer duurt wordt de rechtspositie van pleegouders sterker. Pleegouders beschikken dan over een rechtsmiddel wanneer zij denken dat beëindiging van de plaatsing niet in het belang van het pleegkind is.

 

Een minderjarige vanaf twaalf jaar kan de kinderrechter verzoeken om van een voorgenomen overplaatsing af te zien. Ook kan een belangenbehartiger (bijzondere curator) voor het pleegkind worden benoemd

 

5.2 Rechtsmiddelen van pleegouders

 

Rechtspositie pleegouders in geval van een (voorgenomen) beëindiging van de pleeggezinplaatsing. Er wordt onderscheid gemaakt tussen:

 

  • Vrijwillig kader --> plaatsing korter dan 1 jaar --> verzoek tot OTS en eventueel verzoek tot UHP via de Raad voor de Kinderbescherming
     

  • Vrijwillige kader --> plaatsing langer dan 1 jaar --> blokkaderecht: mogelijkheid verzoek ontheffing ouderlijk gezag na succesvol beroep op blokkaderecht
     

  • OTS met machtiging uithuisplaatsing --> geen termijn --> verzoek aan Bureau Jeugdzorg af te zien wijziging verblijfplaats / beroep bij de kinderrechter
     

  • Voogdij (niet door de pleegouder uitgeoefend) --> plaatsing koter dan 1 jaar --> bezwaar tegen het indicatiebesluit/ beroep bij de kinderrechter
     

  • Voogdij (niet door de pleegouder uitgeoefend) --> plaatsing langer dan 1 jaar --> blokkaderecht

 

5.3 De bijzondere curator

 

De belangen van het (pleeg)kind kunnen botsen met de belangen van de ouder(s) met gezag of de voogd (Bureau Jeugdzorg of een natuurlijk persoon). De (kinder)rechter kan een curator benoemen als deze botsing van belangen de verzorging en opvoeding of het vermogen van het kind betreft. Alleen belanghebbenden kunnen zich tot de rechter wenden, waarna de rechter een bijzondere curator benomen.

 

De functie van bijzondere curator kan onder andere door een advocaat of pedagoog worden uitgevoerd. De aard van de problematiek bepaalt wie de functie op zich neemt. Vaak wordt een bijzondere curator aangesteld als een conflict betrekking heeft op de vraag waar het kind het beste kan opgroeien dan wel wat de beste plek is voor het kind. De maatregel van de OTS gaat steeds vaker gepaard met benoeming van een pedagoog of psycholoog als bijzondere curator.

Een pleegkind en pleegouders kunnen zich als belanghebbenden tot de rechter wenden voor benoeming van een bijzondere curator. De curator behartigt de belangen van het pleegkind als zijn wettelijke vertegenwoordigers (ouders, Bureau Jeugdzorg, voogd, natuurlijk persoon) dit onvoldoende doen of als de belangen botsen.

 

5.4 Wijzigingen in de rechtspositie

 

Pleegouders en pleegkinderen krijgen met de invoering van het wetsvoorstel ‘Herziening kinderbeschermingsmaatregelen’ een andere rechtspositie:

  1. Na uithuisplaatsing is gedeeltelijke gezagsoverheveling aan Bureau Jeugdzorg mogelijk

  2. Het belang van de minderjarige staat bij gezagsbeëindigende maatregelen meer centraal

  3. Pleegouders kunnen een jaar na de plaatsing beëindiging van het ouderlijk gezag verzoeken

  4. Bureau Jeugdzorg moet voor overplaatsing of beëindiging na een jaar pleegzorgplaatsing toestemming van de kinderrechter krijgen

  5. Bureau Jeugdzorg kan een uithuisplaatsing die valt onder het blokkaderecht, maar gevaar oplevert voor de minderjarige, direct beëindigen

 

Een gedeeltelijke overdracht van het gezag aan Bureau Jeugdzorg is mogelijk bij het begin of tijdens de uithuisplaatsing. De kinderrechter beslist dat Bureau Jeugdzorg met het gezag een schoolinschrijving kan doen, een medische behandeling kan laten plaatsvinden en een verblijfsvergunning voor het kind kan aanvragen. Pleegouders kunnen door Bureau Jeugdzorg worden gemachtigd om het gezag uit te voeren met betrekking tot schoolinschrijvingen en medische behandelingen.

 

De kinderrechter kan het gezag van de ouder beëindigen indien dit noodzakelijk is voor een onbedreigd opgroeien van het kind. De pleegouder kan bij plaatsing langer dan een jaar beëindiging van het gezag verzoeken. Voor overplaatsing of thuisplaatsing van een pleegkind moet toestemming worden gegeven door de kinderrechter aan Bureau Jeugdzorg.

 

In gevallen waarin het pleegkind ernstig benadeeld wordt als het niet wordt overgeplaatst, kan Bureau Jeugdzorg de overplaatsing doen zonder een officiële zitting. De kinderrechter verleent in dit geval een voorlopige voorziening, waarna alsnog een zitting plaatsvindt.

 

5.5 Rechtspositie van pleegouders na invoering van wetsvoorstel

 

Rechtspositie pleegouders in het geval van een (voorgenomen) beëindiging van de pleeggezinplaatsing na invoering van het wetsvoorstel:

 

  • Vrijwillig kader --> plaatsing korter dan 1 jaar --> verzoek OTS
     

  • Vrijwillig kader --> plaatsing langer dan 1 jaar --> blokkaderecht
     

  • OTS, uithuisplaatsing --> geen termijn --> verzoek aan BJZ af te zien wijziging verblijfplaats, beroep bij kinderrechter
    OTS met machtiging uithuisplaatsing --> plaatsing langer dan 1 jaar --> verzoek aan BJZ af te zien wijziging verblijfplaats, beroep bij kinderrechter
     

  • Voogdij (niet door de pleegouder uitgeoefend) --> plaatsing korter dan 1 jaar --> bezwaar tegen het indicatiebesluit, beroep bij de kinderrechter
     

  • Voogdij (niet door de pleegouder uitgeoefend) --> plaatsing langer dan 1 jaar --> blokkaderecht

 

Bureau Jeugdzorg kan gedeeltelijke gezagsoverheveling aan de kinderrechter verzoeken als het gaat om schoolinschrijvingen, medische behandelingen en verblijfsvergunningen.

De pleegouders kunnen de kinderrechter ook verzoeken om Bureau Jeugdzorg gedeeltelijk het gezag uit te laten oefenen. Vervolgens kunnen de pleegouders gemachtigd worden om het gezag uit te voeren.

 

6. Voogdij van de pleegouder

 

6.1 Inleiding

 

Bij pleegoudervoogdij is er sprake van een wettelijke verantwoordelijkheid van de pleegouder naar het pleegkind tot het achttiende levensjaar.

 

Binnen het pedagogisch kader verloopt de ontwikkeling van het kind het beste als het kind in een duurzame, stabiele, duidelijke, betrouwbare en voorspelbare opvoedingsomgeving opgroeit. De relatie met de pleegouders is van belang voor het welbevinden en de ontwikkeling van het pleegkind.

 

In het kader van verspreide verantwoordelijkheid bestaan verschillende verantwoordelijkheden over een kind:

  • Zijnsverantwoordelijkheid: bepaald door bloedverwantschap, het feit dat ouders het kind een leven hebben gegeven

    • voorbehouden aan de biologische ouders

  • Pedagogische/ opvoedkundige verantwoordelijkheid: het scheppen van voorwaarden voor opvoeding

  • idealitair gedeelde verantwoordelijkheid tussen pleegouders en ouders (tenzij ouders beperkt zijn in gezag)

  • primaire verantwoordelijkheid bij de pleegouders (aangestuurd en begeleid door pleegzorginstantie)

  • Dagelijkse opvoedingsverantwoordelijkheid: dagelijkse opvoeding en verzorging van het kind door een volwassene waarmee het kind in een hechtings- en opvoedingsrelatie staat

 

Duidelijkheid over verantwoordelijkheden werkt een harmonieuze samenwerking in de hand en werkt richtinggevend en ondersteunend voor het kind. Echter kan verspreiding van verantwoordelijkheden het opvoedproces bemoeilijken, omdat pleegouders alleen verantwoordelijkheid dragen voor de zorg- en opvoedingstaak. Er is voor pleegouders geen toekenning en erkenning van fundamentele verantwoordelijkheden zoals de biologische ouders hebben en geen juridisch zeggenschap.

 

Risico´s in de puberteit:

  • Complexiteit van het systeem zorgt voor extra stress bij de pleegpuber in de zoektocht naar een eigen identiteit

  • Door verspreide gezags- en opvoedingsfiguren krijgt een pleegpuber meer te maken met diverse meningen en is er een grotere kans op conflicten

  • Een open opvoedingsarrangement als een pleegzorgplaatsing wordt niet als een natuurlijke situatie beschouwd, omdat het pleegouderschap stopgezet kan worden. Omzichtigheid en afstandelijkheid in de relatie tussen pleegpuber en pleegouders is hier een gevolg van.

 

Er wordt gestreefd naar een duurzame en stabiele thuisomgeving voor het pleegkind. Na uiterlijk twee jaar worden hierom de verantwoordelijkheden bij een natuurlijk persoon ondergebracht. Indien dit de pleegouders zijn is er sprake van een overdracht van de voogdij aan de pleegouders.

 

6.2 De voogdijregeling van de pleegouder

 

Pleegoudervoogdij houdt in dat er sprake is van:

  • een wettelijke verantwoordelijkheid tot het achttiende jaar

  • aansprakelijkheid

  • een onderhoudsplicht in geval van gezamenlijke voogdij

  • financiële gevolgen

 

De connectie die Bureau Jeugdzorg tussen de ouders en pleegouders van het kind behield valt weg en pleegouders moeten zelf indicaties voor hulp aanvragen. Wel behoudt de pleegzorgaanbieder het recht om toezicht te houden op het pedagogisch klimaat in het pleeggezin. Echter kunnen pleegouders met pleegoudervoogdij ervoor kiezen om de voogdij zonder begeleiding van de pleegzorgaanbieder uit te voeren waardoor pleegzorgaanbieders niet gemakkelijk toezicht kunnen houden op het pleeggezin. In dit geval verstrekt de pleegzorgaanbieder geen pleegvergoeding meer aan de pleegouders zodat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van zorg volledig bij de pleegouders komt te liggen.

 

6.3 Inhoudelijke afweging

 

Voorwaarden voor de voogdijoverdracht aan pleegouders zijn:

  • Ouders met gezag zijn ontheven of ontzet van het ouderlijk gezag en hebben bij voorkeur toestemming gegeven om de voogdij aan de pleegouders over te dragen

  • Er is een opvoedings- en gehechtheidsrelatie tussen kind en pleegouders ontstaan

  • Pleegouders zijn geschikt om in specifieke ontwikkelingsbehoeften van het kind te voorzien

  • De aard van het contact tussen pleeggezin en kind en ouders en kind verloopt naar tevredenheid voor alle partijen en afspraken worden rechtstreeks gemaakt zonder bemiddeling van de voogdijwerker of pleegzorgwerker

  • Bij voorkeur is toestemming van de ouders, het pleegkind en Bureau Jeugdzorg nodig voor de voogdijoverdracht

 

6.4 Juridische procedure

 

De voogdij over een kind kan pas overgedragen worden aan pleegouders als het desbetreffende kind al onder voogdij staat. Dit kan op drie manieren:

  1. Bureau Jeugdzorg/ natuurlijke persoon laat zich ontslaan van de voogdij ten gunste van de pleegouders

  2. Pleegouders verzoeken de rechter om zich als voogden te benoemen

  3. Pleegouders verzoeken de rechter om Bureau Jeugdzorg/ natuurlijke persoon van de voogdij te ontzetten en zich als voogden te benoemen. Dit gebeurt in het kader van het blokkaderecht als Bureau Jeugdzorg de gezinsplaatsing wil beëindigen

 

6.5 Voor- en nadelen

 

De voordelen van de voogdijregeling voor pleegouders zijn zekerheid en zelfstandigheid voor pleegouders:

  • Investeren in een duurzame en emotionele relatie met het pleegkind wordt mogelijk

  • Onafhankelijk van Bureau Jeugdzorg bij het nemen van beslissingen over het kind waarbij het hebben van gezag een vereiste is

  • Hulp vragen als er zich problemen voordoen zonder dat Bureau Jeugdzorg en de pleegzorgaanbieder de situatie te zwaar acht voor de pleegouders

  • Zelf beslissen over een uithuisplaatsing of de Raad voor de Kinderbescherming om een OTS vragen

 

De nadelen van de voogdijregeling voor pleegouders komen vooral voor in situaties waarin de zorgaanbieder de plaatsing niet meer begeleidt:

  • Het contact met en de positie van ouders wordt bemoeilijkt na overdracht van de pleegoudervoogdij doordat er geen begeleiding meer is en doordat de pleegouders zich voelen aangetast in hun ouderschap

  • De ontwikkelingsprognose van pleegkinderen in combinatie met de juridische verantwoordelijkheid voor pleegouders kan problemen opleveren doordat pleegoudervoogdij maar tot het achttiende levensjaar loopt

 

Pleegouders met de voogdij kunnen een verzoek indienen bij de kinderrechter tot ontslag van de voogdij als er zich problemen voordoen. Echter moet er een bevoegd natuurlijk persoon of instelling (Bureau Jeugdzorg) bereid zijn de voogdij op zich te nemen. Indien dit niet het geval is kan een pleegouder te maken krijgen met een OTS of uithuisplaatsing van het pleegkind.

 

7. Overplaatsing

 

7.1 Inleiding

 

Bij een overplaatsing wordt het kind uit zijn vertrouwde opvoedingsomgeving weggehaald. De emotionele ontwikkeling van het kind kan hierdoor negatief beïnvloed worden. Hierdoor moeten overplaatsingen van kinderen zoveel mogelijk worden voorkomen.

 

Overplaatsingen kunnen op verschillende manieren plaatsvinden:

  • terugplaatsing naar ouders na inzet van de hulpverleningsvariant

  • overplaatsing van de hulpverleningsvariant naar de opvoedingsvariant

  • voortijdig afgebroken plaatsing binnen de hulpverlenings- of opvoedingsvariant

 

Elke verbreking van een hechtingsrelatie tussen kind en (pleeg)ouders is een traumatische ervaring. Er kan zelfs sprake zijn van hertraumatisering als een kind wordt overgeplaatst vanuit een pleeggezin.

 

Overplaatsingen kunnen negatieve effecten op psychologisch en lichamelijk welzijn hebben. Ook kan er sprake zijn van een terugval in de schoolse ontwikkeling, posttraumatische stressstoornissen en hardnekkige negatieve gevoelens bij het kind. Op de lange termijn is het aantal overplaatsingen een voorspeller van latere psychische en gedragsproblemen.

 

7.2 Terugplaatsing naar de ouders

 

Voor terugplaatsing van het pleegkind bij de ouders is een regelmatige omgang van het kind met een sensitieve en responsieve ouder nodig om (weer) een optimale gehechtheidrelatie te bewerkstelligen. Het opbouwen van deze relatie wordt vaak bemoeilijkt doordat het basisvertrouwen is beschadigd bij de breuk tussen ouder en kind.

 

7.3 Van de variant van hulpverlening naar de variant van opvoeding

 

Bij langdurige pleegzorg kan een kind soms in hetzelfde pleeggezin blijven. Dit is niet altijd mogelijk, omdat er weinige pleeggezinnen zijn die een langdurige opvang kunnen bieden.

 

7.4 Voortijdige afgebroken plaatsing

 

Ongeveer een derde van de langdurige plaatsingen wordt in Nederland voortijdig afgebroken. Vaak heeft deze vorm van overplaatsing een nog grotere emotionele impact op het kind dan een andere vorm van overplaatsing. Dit uit zich in een verminderde agressiebeheersing, negatief zelfbeeld en toenemend wantrouwen in (nieuwe) opvoeders.

 

Er bestaan ook negatieve gevolgen voor de pleegouders. Spanningen in de gezinsrelaties en gevoelens van falen bij pleegouders kunnen leiden tot een burn-out en het verlies van het pleeggezin voor de zorgaanbieder.

 

Hieronder worden kind-, pleeggezin- en matchingfactoren besproken die een rol spelen bij het afbreken van een plaatsing.

 

Negatieve kindfactoren:

  1. Hogere leeftijd van het kind

  2. Grote hoeveelheid naar buiten gericht probleemgedrag

  3. Hulpverleningsgeschiedenis: veel overplaatsingen voorafgaande aan de plaatsing geven een grotere kans op een afgebroken plaatsing

 

Beschermende pleeggezinfactoren:

  1. Hogere leeftijd van de pleegouders

  2. Geen eigen kinderen

  3. Leeftijdsverschil van ten minste drie jaar met de eigen kinderen

  4. Goede voorbereiding op een plaatsing

  5. Training van pleegouders

  6. Het aantal contacten tussen pleegouders en pleegzorgbegeleider

 

Negatieve matchingsfactoren:

  1. Plaatsingen met haast

  2. Plaatsingen in noodgevallen

  3. Plaatsingen zonder voldoende informatie over de pleegouders of het pleegkind

 

7.5 Voorkomen van afbreking van een plaatsing

 

De plaatsingsverloop van een pleegkind begint met een inhaalslag van het pleegkind na plaatsing in het pleeggezin. De inhaalslag vindt plaats op het gebied van gehechtheid, lichamelijke groei, verstandelijke ontwikkeling en schoolprestaties.

 

Emotionele, sociale, concentratie- en gedragsproblemen worden vaak waargenomen bij pleegkinderen. Het probleemgedrag van pleegkinderen neemt af in het eerste jaar, neemt toe tussen het tweede en vierde jaar en neemt tussen het derde en vijfde jaar weer af. De duur van het probleemgedrag verschilt per kind en hangt af van de voorgeschiedenis, de aard van de hechting, de leeftijd van het kind en de mate van responsiviteit en sensitiviteit van de pleegouders.

 

Verschillende fasen binnen de opvoedingsvariant die leiden tot stabilisatie bij het kind zijn:

  1. Fase van kennismaking, gewenning, oriëntatie en schijnaanpassing

  2. Overgangsfase, fase van cognitieve of morele ingroei

  3. Fase van intensivering van relaties, fase van emotionele groei

    1. onderscheid in gevoel tussen vertrouwde en vreemde volwassenen

    2. ontwikkeling van het basisvertrouwen

 

Het is van belang dat pleegouders worden versterkt, want pleegkinderen hebben in eerste instantie een opvoeder nodig en geen behandelaar. Er is geen sprake van een individuele stoornis waarvoor individuele therapie noodzakelijk is. Wel hebben zij regelmaat, ritme en structuur nodig zodat de opvoedingsomgeving voorspelbaar en overzichtelijk wordt. Hierdoor ontstaat emotionele en pedagogische veiligheid bij het kind.

Het opvoedingsgedrag van pleegouders is van groot belang. Pleegkinderen ontwikkelen zich het beste indien het opvoedingsgedrag van de pleegouders een combinatie biedt van warmte, empathie en ondersteuning enerzijds en democratische controle, stimulering en het stellen van regels en eisen die bij het ontwikkelingsniveau van het kind passen anderzijds.

 

Het versterken van de pleegouders in hun opvoedingsgedrag is van groot belang om positieve interacties met het pleegkind te verkrijgen. Verschillende interventieprogramma’s kunnen hierbij ingezet worden:

  • Positief Pedagogisch Programma (Triple P): opvoedingsondersteuning voor opvoeders van kinderen van nul tot en met zestien jaar

  • Parent-Child Interaction Therapy (PCIT): behandeling voor kinderen van twee tot en met zeven jaar met gedragsproblemen en hun opvoeders

  • Incredible Years: groepstraining voor opvoeders van kinderen van twee tot en met acht jaar met een (risico op) oppositioneel opstandige of antisociale gedragsstoornis

  • Parent Management Training Oregon (PMTO): behandeling voor opvoeders van kinderen van vier tot en met twaalf jaar met naar buiten gericht probleemgedrag

  • Multisysteem Therapie (MST): intensieve behandeling voor opvoeders van jongeren met ernstig antisociaal en delinquent gedrag en sleutelfiguren uit de omgeving van de jongere

 

Naast versterking van de pleegouders is er ook versterking van het pleegkind nodig. Kinderen met hechtingsproblematiek en posttraumatische stressklachten hebben een stabilisatiefase nodig voordat ze aan de verlies- en traumaverwerking kunnen beginnen. In de stabiliteitsfase moet de pleegouder het kind voldoende emotionele en pedagogische ondersteuning bieden.

 

Na de stabilisatiefase kan het kind beginnen met het verwerken van heftige, nare ervaringen met behulp van cognitieve gedragstherapeutische interventies. Hierbij leren kinderen hoe ze beter kunnen omgaan met hun negatieve gedachten en gevoelens over zichzelf en hun omgeving.

 

7.6 Juridische mogelijkheden en onmogelijkheden

 

Er bestaan juridische mogelijkheden voor pleegouders en pleegzorgaanbieders. Door de hechting van het pleegkind aan de pleegouders en beperkte mogelijkheden van de gezagsouders kunnen pleegouders bezwaar maken tegen een thuisplaatsing van het kind. In bijna alle gevallen zijn er rechtsmogelijkheden voor de pleegouders om voor het kind op te komen als er sprake is van een thuisplaatsing.

 

Vaak is er in de praktijk sprake van een zware en lange procedure voor pleegouders om via juridische weg bezwaar te maken tegen een terugplaatsing van het kind. Soms worden procederende pleegouders als lastig en bezitterig bestempeld, omdat ze tegen de thuisplaatsing zijn die is voorgesteld door Bureau Jeugdzorg en/ of de pleegzorgaanbieder. Vaak worden de standpunten tegen thuisplaatsing van de pleegouders als ‘gekleurd’ gezien. Hierom is het belangrijk dat de pleegzorgaanbieder een actieve opstelling heeft.

 

In de praktijk blijkt vaak dat de pleegzorgaanbieder zich onvoldoende bewust is van zijn positie en mogelijkheden. Als pleegouders is het van belang de zorgaanbieder te benaderen en deze te verzoeken om een onderzoek naar de situatie door een gedragsdeskundige te doen. Hierdoor kan meer informatie worden verschaft over welke beslissingen in het belang van het kind zijn.

 

In juridische procedures kan de pleegzorgaanbieder als informant optreden. De beschikkingen van de kinderrechter mogen aan de pleegzorg worden verstrekt. Er is dus sprake van uitwisseling tussen beroepskrachten in het gedwongen kader en hiervoor is geen toestemming van betrokkenen vereist. De pleegzorgaanbieder kan met deze informatie een eigen visie vormen en deze kenbaar maken aan de kinderrechter.

 

In het wetsvoorstel ‘Herziening kinderbeschermingsmaatregelen’ wordt gesteld dat elke overplaatsing die langer dan een jaar heeft geduurd door de kinderrechter getoetst moet worden. Pas na goedkeuring van de kinderrechter kan Bureau Jeugdzorg het kind overplaatsen. Indien de pleegouders en de zorgaanbieder het niet eens zijn met de overplaatsing is het van belang dat zij hun stem laten horen aan de kinderrechter.

 

7.7 Pedagogische aandachtspunten bij overplaatsing

 

Stress verminderen van het pleegkind tijdens en na de overplaatsing is van groot belang. Het bevorderen van continuïteit, overzichtelijkheid en afstemming zijn de algemene uitgangspunten om deze stress tijdens de overplaatsing te verminderen.

 

Het is van belang dat na een overplaatsing eerdere gehechtheidsrelaties gerespecteerd en bewaakt worden zodat het zelfbeeld en de zelfwaardering van het kind in stand blijven. Daarnaast moet de sensitiviteit en responsiviteit van de nieuwe opvoeders vergroot worden. De nieuwe opvoeders dienen rekening te houden met het emotioneel en cognitief functioneringsniveau van het kind en hierop aan te sluiten. Inhaalgroei kan op deze manier sneller plaatsvinden.

 

De aanpak voor het verminderen van stress bij kinderen is voor elke leeftijdsfase verschillend. Hieronder worden deze leeftijdsfasen kort besproken.

 

Bij de baby zijn de centrale uitgangspunten de lichamelijke regulering, het hanteren van spanning en het effectief aangaan van hechtingsrelaties

 

De dreumes exploreert en ontwikkelt vaardigheden. Er is nog geen sprake van objectpermanentie, dus is veelvuldig fysiek contact en verzorging van belang om een gehechtheidsrelatie op gang te brengen.

 

Bij de peuter staat de eigen wil en het hanteren van impulsen centraal. In deze fase is een veilige basis van de opvoeder continu nodig zodat de peuter de omgeving durft te verkennen. Indien de opvoeder dit niet kan bieden bestaat er een hoog risico op terugval in passief gedrag. Ook is er sprake van moreel besef en magisch denken (denken vanuit zichzelf en vanuit het hier en nu) bij een peuter. Bij overplaatsing is lichamelijk contact voor een peuter geruststellend.

 

Sociale deelname staat centraal in de kleuterfase. Een kleuter kan zich enigszins verplaatsen in een ander en kan zijn eigen aandeel in gebeurtenissen overzien. Opvoeders dienen mogelijke schuldgevoelens door de overplaatsing bij het kind weg te nemen.

 

Door systematisch en logisch leren denken, heeft een kind van basisschoolleeftijd meer begrip van oorzaak-gevolgrelaties. Hierdoor kan een kind goed voorbereid worden op een overplaatsing. Met een verbale uitleg door een volwassene over het te volgen overplaatsingstraject wordt het kind gerustgesteld.

 

In de puberteit staan de versnelde lichamelijke veranderingen, de losmaking van opvoeders en toename van de betekenis van leeftijdgenoten centraal. Door het heftige en afwijzende gedrag van pubers ontstaat het risico dat opvoeders te veel afstand nemen van het kind. Echter hebben pubers emotionele steun nodig en is het van belang dat opvoeders niet teveel afstand nemen.

 

Het ontwikkelen van een eigen identiteit en het verwerven van autonomie staan centraal in de adolescentie. Hierdoor worden de wensen van het kind steeds belangrijker in het overplaatsingstraject. In de puberteit en adolescentiefase werkt het meewegen van hun mening bij besluiten over de overplaatsing en uitleg door de opvoeders over het te volgen traject geruststellend.

 

 

8. Regeling van het bezoek

 

8.1 Inleiding

 

Elk kind heeft recht op persoonlijk contact met de biologische ouders en/of andere biologische familie. Dit is van belang, omdat een gehechtheidsrelatie tussen kind en ouder niet zomaar verbroken kan worden zonder schadelijke gevolgen voor het kind.

 

Het doel van het oudercontact verschilt per vorm van pleegzorg:

  • hulpverleningsvariant: er wordt gewerkt aan het in kaart brengen, opbouwen of in stand houden van de (hechtings)relaties tussen ouder en kind

  • opvoedingsvariant: een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de identiteit, het zelfbeeld en het gevoel van eigenwaarde van een kind

 

Bij een bezoekregeling wordt het ontwikkelingsbelang van het kind anders gedefinieerd dan bij een opvoedingssituatie. Tijdens een bezoekregeling moet lichamelijke veiligheid gegarandeerd zijn en wordt gestreefd emotionele en pedagogische veiligheid aan het kind te bieden. Emotionele reacties van het kind op het bezoek moeten namelijk verwerkt en gehanteerd kunnen worden. Het uitgangspunt bij een bezoekregeling is dan ook gebaseerd op de verwerkingsmogelijkheden van een kind.

 

Als niet tegemoetgekomen kan worden aan bovengenoemde omstandigheden heeft het kind recht op begeleiding van de bezoeken.

 

8.2 Loyaliteit

 

Loyaliteit bestaat uit trouw, morele verbondenheid en het zich houden aan een verbintenis of verplichting. Er bestaan twee vormen van loyaliteit. De zijnsloyaliteit is gebaseerd op bloedband en een gezamenlijke familiegeschiedenis. Verworven loyaliteit houdt in dat loyaliteit van het kind naar de opvoeder zich heeft ontwikkeld naar een andere opvoeder dan de biologische ouder.

 

Het loyaliteitsconflict doet zich voor wanneer een kind geen invulling kan geven aan de zijnsloyaliteit en de verworven loyaliteit. Het kind ontwikkelt hierdoor schuldgevoelens naar de ouders of de pleegouders toe.

 

Er bestaan verschillende vormen van loyaliteitsconflicten:

  1. Gespleten loyaliteit: het kind kan niet tegelijk loyaal zijn naar de ouder en naar de pleegouder waardoor het kind het gevoel heeft te moeten kiezen.

  2. Onzichtbare loyaliteit: een kind kan niet openlijk loyaal zijn aan zijn ouders of pleegouders of de loyaliteit wordt ontkend.

  3. Overloyaliteit: het kind voelt de verplichting de ouders of pleegouders te beschermen en is geneigd één van hen te idealiseren. Kinderen die mishandeld of emotioneel verwaarloosd zijn hebben een hoger risico op het ontwikkelen van overloyaliteit.

 

Uit onderzoek blijkt dat bij pleegkinderen niet vaak sprake is van een loyaliteitsconflict. Dit komt doordat zijnsloyaliteit erg verschilt van verworven loyaliteit, waardoor kinderen beide loyaliteitsvormen kunnen uiten zonder dat er een intern conflict optreedt.

 

Pleegouders en ouders kunnen bijdragen aan het voorkomen van loyaliteitsconflicten

  • Ouders: het toestemming geven aan het kind om in het pleeggezin te wonen geeft het kind minder schuldgevoelens en verminderd het gevoel in twee werelden te leven

  • Pleegouders: geven het kind de ruimte om de ouders een plaats te geven in hun leven

 

8.3 Juridische mogelijkheden en beperkingen

 

Omgang van het pleegkind met de ouders is afhankelijk van het ‘family-life’. Het kind heeft recht op omgang met de ouders en met degene die tot het kind in een nauwe persoonlijke betrekking staat. Met een nauwe persoonlijke betrekking wordt bedoeld dat er sprake moet zijn (geweest) van feitelijke gezinsleven, het ‘family-life’ (art. 8 EVRM). In een pleeggezinsituatie is sprake van family life indien het kind een jaar in het pleeggezin woont. Voor de biologische moeder daarentegen is er automatisch na de geboorte van het kind sprake van family life. Er is geen gezag nodig voor het verkrijgen van family life. Voor vaders is juridisch ouderschap nodig voor family life met het kind.

 

Het omgangsrecht is geen onbeperkt, absoluut recht. Omgang kan ontzegt worden door de kinderrechter indien:

  • dit ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind

  • de ouder of de ander in nauwe persoonlijke betrekking ongeschikt is of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang

  • het kind twaalf jaar of ouders is en ernstige bezwaren heeft tegen omgang bij zijn verhoor

  • omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind

 

In de praktijk kan het family life van de pleegouder soms botsen met het family life van de biologische ouders van het kind. Dit kan het geval zijn als de pleegouders het pleegkind willen adopteren en de biologische ouders een verzoek indienen het gezag zelf uit te voeren. In dit geval moet de rechter het family life van de pleegouders afwegen tegen het family life van de biologische ouders van het kind

 

Indien pleegouders het niet eens zijn met de omgangsregeling die opgesteld is door de voogdijinstelling kunnen zij bij de kinderrechter een verzoek indienen om wijziging van de omgangsregeling. Er moet dan sprake zijn van een nauwe persoonlijke betrokkenheid met het pleegkind en er moet sprake zijn van gewijzigde omstandigheden sinds het vaststellen van de omgang door de voogdijinstelling.

 

Ook kunnen pleegouders de rechter verzoeken om een bijzondere curator te benoemen als zij het niet eens zijn met de omgangsregeling die opgesteld is door de voogdijinstelling. Dit kan in het kader van botsende belangen van het kind en de voogdijinstelling. Er kan dan een deskundige worden benoemd die advies geeft met betrekking tot de omgang.

 

Pleegouders hebben bepaalde rechten en plichten in het kader van de omgang tussen ouders en het pleegkind. In het pleegcontract is opgenomen dat pleegouders medewerking verlenen aan de omgangsregeling tussen de ouder(s) en het pleegkind.

 

Bureau Jeugdzorg stelt een omgangsregeling op in het kader van de OTS en voogdij. Ook kan de kinderrechter een omgangsregeling opstellen die de instelling dient op te volgen.

In de wet is niet vastgelegd wie een omgangsregeling begeleidt. In de praktijk wordt de omgangsregeling meestal begeleid door de (gezins)voogd en/ of de pleegzorgbegeleider.

 

Pleegouders hebben geen verplichting om het kind van en naar de plaats van het bezoek te brengen. Ook hoeven zij geen toestemming te verlenen om de omgangsregeling bij het pleeggezin thuis te laten plaatsvinden. Wel moeten zij zorgen dat het pleegkind beschikbaar is voor de omgang. Pleegouders met family life kunnen na beëindiging van de pleeggezinplaatsing de kinderrechter verzoeken om vaststelling van een omgangsregeling. Ook kunnen zij de kinderrechter verzoeken om wijziging van een omgangsregeling tijdens de pleeggezinplaatsing.

 

Het verwachte toekomstige recht met betrekking tot de omgangsregeling voor pleegouders wordt geregeld in het wetsvoorstel ‘Herziening kinderbeschermingsmaatregelen’. In dit wetsvoorstel wordt een geschillenregeling ingevoerd.

Pleegouders en de pleegzorgaanbieder kunnen geschillen over uitvoering of vaststelling van de omgangsregeling voorleggen aan de kinderrechter.

 

Ook heeft het pleegkind bepaalde rechtsmiddelen om zijn mening te geven over een omgangsregeling. Dit kan via een formele en via een informele rechtsingang.

 

Een pleegkind van twaalf jaar of ouder kan door de kinderrechter worden opgeroepen om te worden gehoord. De kinderrechter weegt de mening van het pleegkind over de omgangsregeling mee in de uiteindelijke beslissing.

 

Een pleegkind kan een gesprek met de kinderrechter aanvragen over de omgangsregeling. Op basis hiervan kan de kinderrechter de regeling wijzigen of vaststellen.

 

8.4 Pedagogische aandachtspunten bij bezoeken

 

Beschermende factoren

  • continuïteit en regelmaat in de bezoeken

  • kwaliteitsverbetering van het contact door inzet van begeleiding

  • hulp bij het verwerken en hanteren van de bezoeken: voor kind, ouders, pleegouders

  • wederzijdse acceptatie tussen ouders en pleegouders

  • overeenstemming tussen alle betrokkenen over het bezoek

  • een bezoek moet een zo natuurlijk mogelijke integratie in het dagelijks leven van het kind zijn met soepele overgangsmomenten

 

Bij een omgangsregeling kan een pleegkind vooral voor en na het bezoek een heftige reactie geven. De reactie van het kind bestaat voornamelijk uit problematisch gedrag en een terugval in functioneren. Dit gedrag komt voort uit de verwerking van het zijn van een pleegkind.

 

In veel gevallen worden reacties van het pleegkind bepaald door angst:

  • (tijdelijke) afscheid van de pleegouders

  • onderbreken van het ritme en de routine in de vertrouwde leefsituatie

  • relatief onbekende mensen

  • moment van omschakeling

  • (mogelijke) conflicten tussen de ouders en de pleegouders

  • mensen of situaties die het kind associeert met pijn, verdriet of verlaten zijn

  • (dreigende) verlies van de pleegouders

  • Herhaling van het patroon van uithuisplaatsing

 

Het is van belang om de angst en spanning van het pleegkind te verminderen. Ouders dienen hierom vanuit hun zijnsverantwoordelijkheid het kind te laten ervaren dat het de moeite waard is om tijdens een bezoek te ontmoeten en samen iets te ondernemen. Ouders en pleegouders dragen de pedagogische verantwoordelijkheid van het opvolgen van de omgangsregeling. Pleegouders dienen vanuit de opvoedingsverantwoordelijkheid het kind gerust te stellen en het bezoek zo soepel mogelijk te laten verlopen.

 

Bij het verminderen van spanning tijdens een bezoek ligt de focus op:

  • duidelijkheid en overeenstemming over het doel van de plaatsing

  • open communicatie tussen ouders en pleegouders

  • natuurlijk inpassen van het bezoek in dagelijkse routine van het kind

  • emotionele band tussen ouder en kind behouden: ouders aanspreken op blijvende verantwoordelijkheid als ouder

  • gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders en pleegouders bij bezoekregelingen

  • continuïteit en regelmaat in bezoeken

  • kwaliteit verbeteren van het contact tussen ouders en kind tijdens de bezoeken

  • hulp inzetten voor hanteren en verwerken van de gevoelens die de bezoeken bij het kind, de ouders en de pleegouders oproepen

  • investeren in de relatie tussen kind en pleegouder, omdat het kind vanuit deze veilige relatie het contact met hun ouders beter aankunnen

  • taak van pleegouders om bezoeken met het kind voor te bereiden, te ondersteunen en na te bespreken

  • leeftijd van het kind expliciet meewegen bij het vaststellen van een bezoekregeling

 

 

9. Begeleiding

 

9.1 Inleiding

De pleegzorgwerker denkt mee, ondersteunt en coacht de pleegouders. Ook kan er sprake zijn van een sturende en controlerende rol voor de pleegzorgwerker om de veiligheid van het kind te waarborgen. Een pleegzorgwerker heeft met alle betrokkenen gesprekken om tot een goede overeenstemming van het pleegzorgplan te komen. Een goede klik tussen pleegouders en ouders is hierbij essentieel.

 

Om een goede afstemming en overeenstemming te krijgen kan een zorgteam worden ingezet. Pleegzorginstanties die niet met een zorgteam werken zorgen er zelf alsnog voor dat er evaluatiemomenten plaatsvinden.

 

9.2 Zorgteam

 

Samenstelling:

  • ouders

  • pleegouders

  • pleegkind: indien twaalf jaar of ouder

  • vertegenwoordigers uit het netwerk

  • betrokken professionals die en rol spelen bij de hulpvraag

 

Het uitgangspunt van het zorgteam bestaat uit verschillende aspecten. Een zorgteam geeft ouders en jeugdigen zeggenschap over beslissingen die hun eigen leven aangaan. Hierbij staat de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van ouders, kind, pleegouders, familie en het sociale netwerk centraal.

 

Bij een vrijwillige plaatsing zorgt de pleegzorgwerker voor een goed verloop binnen het zorgteam. Bij een OTS- of voogdijplaatsing is de pleegzorgwerker samen met een voogd verantwoordelijk voor de inhoud van de samenwerking.

 

De werkwijze van het zorgteam bestaat uit minimaal één keer per jaar een bijeenkomst. In deze bijeenkomst wordt de ontwikkeling van het kind besproken waar vanuit gezamenlijk een pleegzorgplan wordt opgesteld. Ook wordt de samenwerking binnen het zorgteam geëvalueerd.

De rol van de pleegzorgwerker is ervoor zorgen dat de bijeenkomsten van het zorgteam soepel verlopen en dat alle betrokkenen het vertrouwen krijgen dat er gezamenlijk besluiten genomen kunnen worden.

 

Een bijeenkomst van het zorgteam bestaat uit drie fasen:

  1. Voorbereiding: doel van de bijeenkomst vaststellen en taakverdeling bespreken

  2. Uitvoering: randvoorwaarden vaststellen, doel bespreken, gespreksonderwerpen aanhalen (algemene ontwikkeling en functioneren van het kind, oudercontacten, school of werk, vrijetijdsbesteding en specifieke zorgen)

  3. Afsluiting: pleegzorgwerker geeft een samenvatting van de besproken onderwerpen en de gemaakte afspraken

 

Vaak wordt binnen een zorgteam extra aandacht besteed aan de ouders, omdat zij in een kwetsbare positie verkeren. Hierbij moet rekening worden gehouden met het rouwproces en het proces van rolwisseling dat ouders doormaken. Erkenning van het verlies is een voorwaarde voor het kunnen aanspreken van ouders op hun ‘nieuwe’ ouderrol.

 

9.3 Gemeenschappelijkheid

 

Om te bekijken wat de betrokken partijen gemeenschappelijk hebben is het van belang dat men een meerzijdige partijdige houding aanneemt en gebruik maakt van het dialoogmodel en een oplossingsgerichte aanpak.

 

Meerzijdige partijdigheid houdt in dat men verschillende visies accepteert en hierop kritiek durft te geven. Het opnemen van gemeenschappelijke visies kan verbindend werken en ruimte creëren om verschillen bespreekbaar te maken. Schuldgevoelens kunnen hierbij weggenomen worden.

 

Het oplossingsgerichte bejegening binnen het dialoogmodel is een model dat ondersteuning biedt bij het analyseren en bespreken van problemen en bij het gezamenlijks zoeken naar oplossingen. Hulpverleners brengen op deze manier ideeën, behoeften en verwachtingen van alle betrokkenen in kaart zodat een gezamenlijke visie en plan van aanpak ontstaat.

 

9.4 Veiligheid van het pleegkind

 

Onder veiligheid verstaat men het beschermen van kinderen tegen alle vormen van mishandeling. Hieronder worden riscio- en beschermende factoren met betrekking tot veiligheid in de pleegzorg besproken.

 

Beschermende kindfactoren:

  • Zelfvertrouwen

  • bovengemiddelde intelligentie

  • goede sociale vaardigheden

  • ego-veerkracht

  • makkelijk temperament

  • besef van zelf kunnen bijdragen aan voorkomen en oplossen van problemen

 

Risicofactoren van het kind:

  • kwetsbare leeftijd: jongere kinderen zijn afhankelijker en dus kwetsbaarder

  • probleemgedrag

Beschermende factoren van opvoeders:

  • harmonieuze relatie met partner

  • bewust zijn van eigen jeugdervaringen en invloed hiervan op eigen handelen

  • praktische en emotionele steun vanuit sociale netwerk

  • warmte en affectie van eigen ouders

 

Risicofactoren van opvoeders:

  • psychische of psychiatrische problemen

  • negatieve jeugdervaringen

  • gebrek aan pedagogisch besef

 

Risicofactoren van het kind en de pleegouders komen naar voren indien sprake is van probleemgedrag van het kind en negatieve jeugdervaringen van de pleegouders. Als dit het geval is, is er sprake van een verhoogde kans voor het kind om mishandeld te worden.

 

Het is van belang voor het pleegkind dat er veiligheid wordt geboden die via begeleiding mogelijk wordt gemaakt. De pleegzorginstanties zijn eindverantwoordelijk voor de veiligheid van het pleegkind. De instanties beoordelen pleegouders op basis van kwaliteitscriteria voordat ze overgaan tot een pleegzorgplaatsing. Na de plaatsing zijn de pleegouders verantwoordelijk voor de dagelijkse zorg en veiligheid van het kind. Ondanks controles door de pleegzorgaanbieder bestaat de kans dat een kind mishandeld wordt door pleegouders. De taak van de pleegzorginstanties is dan ook om risico’s tot een minimum te beperken.

 

De laatste jaren is steeds meer onderzoek gedaan naar de veiligheid van kinderen in pleeggezinnen. Door middel van risicotaxatie-instrumenten, gesprekken met pleegkinderen en observaties binnen- en buiten huis probeert men de toezicht op de veiligheid van pleegkinderen in pleeggezinnen te vergroten.

 

Om de veiligheid van een pleegkind te waarborgen dient de focus op het verbeteren van de communicatie te liggen. Het zorgteam richt zich hierom op de emotionele veiligheid en pedagogische veiligheid.

 

Vooral de emotionele veiligheid van het pleegkind wordt besproken in het zorgteam en individuele gesprekken. Deze vorm van veiligheid houdt in dat het pleegkind minstens één veilige hechtingsrelatie heeft. Zowel de pleegouders en de ouders spelen hierbij een belangrijke rol.

 

De pedagogische veiligheid van het pleegkind dient door de pleegouders geboden te worden. De pleegouder voorziet in de zorg en verantwoordelijkheid over het kind, maakt keuzes in het belang van het kind en heeft voldoende gedragscontrole over het kind.

 

Indien signalen van onveiligheid zich voordoen moet het pleegkind de mogelijkheid krijgen om hier met een vertrouwenspersoon over te praten. Deze persoon is bij voorkeur niet de pleegzorgwerker, omdat deze nauwe samenwerking heeft met de pleegouders. Signalen van kindermishandeling worden in vier categorieën gedeeld:

  • lichamelijk welzijn van het kind

  • gedrag van het kind

  • gedrag van de opvoeder

  • gezinssituatie

 

Een methode om met het pleeggezin de veiligheid te vergroten is ‘Signs of Safety’. De methode gaat uit van de eigen kracht van het pleeggezin en laat het gezin actief nadenken over hoe de veiligheid het beste vergroot kan worden. Dit wordt vervolgen sin een gezinsveiligheidsplan vastgelegd.

 

In het wetsvoorstel ‘Verbetering positie pleegouders’ wordt voorgesteld dat bij vermoedens van kindermishandeling de pleegzorgwerker direct een melding doet bij de eigen instelling, waarna de pleegzorgzorgaanbieder een melding maakt bij Bureau Jeugdzorg.

 

Verbeterpunten in de jeugdzorg om het risico op seksueel misbruik te verkleinen zullen eind 2012 worden gedaan aan de hand van het onderzoek dat is ingesteld door de commissie-Samson.

 

 

10. Juridische termen en middelen

 

10.1 Inleiding

 

Het is belangrijk dat de betrokkenen bij een pleegzorgplaatsing bewust zijn van hun rechtspositie. Echter is het in het belang van het kind om buiten de rechter om tot een oplossing te komen in plaats van procedures te starten. Indien het niet mogelijk is om binnen een gesprek tot een oplossing te komen, bestaat de voorkeur voor mediation.

 

10.2 Mediation

 

Bij mediation lossen de betrokken partijen vrijwillig hun conflict op met de hulp van een onafhankelijke mediator. De mediator begeleidt het proces, maar neemt zelf geen standpunt in, maakt geen beslissingen en bedenkt geen oplossingen.

Met mediation worden communicatiestoornissen weggenomen en ontstaan er geen beschadigingen in onderlinge relaties. Door middel van de uitgangspunten: vertrouwelijkheid en geheimhouding wordt het vertrouwen tussen de partijen herstelt. Hierdoor geldt een geheimhoudingsplicht van alle betrokken partijen bij de mediation.

 

10.3 Verzoekschrift

 

Met een verzoekschrift wordt een (kinder)rechter door Bureau Jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming of de (pleeg)ouders gevraagd een beslissing te nemen over een minderjarige. Een verzoekschrift kan ingediend worden zonder advocaat.

 

Tegen de beslissing van de (kinder)rechter kan in hoger beroep worden gegaan met een verzoekschrift in hoger beroep (ook wel beroepschrift). Alleen Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming kunnen een verzoekschrift in hoger beroep stellen zonder een advocaat.

 

10.4 Bestuursrecht

 

In sommige gevallen kunnen pleegouders of het pleegkind zich tot de bestuursrechter richten.

 

In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat vastgesteld aan welke voorwaarden het handelen van de zorgaanbieder pleegzorg en Bureau Jeugdzorg moeten voldoen.

Pleegouders of het pleegkind kunnen bezwaar maken bij de bestuursrechter tegen:

  • het weigeren van de pleegzorgaanbieder om een (netwerk)onderzoek te doen

  • het weigeren van de pleegzorgaanbieder om betrokkenen als pleegouders te erkennen, de erkenning in te trekken of de erkenning te schorsen

  • de pleegzorgaanbieder of Bureau Jeugdzorg indien zij geen vergoeding verlenen, de vergoeding wijzigen of deze terugvorderen

  • het koppelen van de zorgaanbieder aan pleegouders

 

Volgens het principe van de ‘tweetrapsraket’ dient eerst bezwaar ingediend te worden waarna een beroep kan worden gedaan bij de bestuursrechter. De klagers dienen eerst een bezwaarschrift in bij de zorgaanbieder pleegzorg of Bureau Jeugdzorg, zodat de instanties hun beslissing opnieuw kunnen afwegen en tot een nieuw besluit kunnen komen. Indien de instanties niet aan het bezwaar tegemoetkomen, kan vervolgens een beroepschrift worden ingediend bij de bestuursrechter.

 

Een besluit dat door Bureau Jeugdzorg of de zorgaanbieder pleegzorg wordt gemaakt moet aan verschillende eisen voldoen. In de Algemene wet bestuursrecht zijn eisen opgenomen waaraan de voorbereiding, afweging, motivering en formulering van een besluit moet voldoen. Ook staat hierin beschreven wat de mogelijkheden voor belanghebbenden zijn om bezwaar te maken.

 

Een bezwaarschrift moet binnen zes weken na het besluit worden ingediend. In het bezwaarschrift neemt de indiener zijn motivatie op tegen het besluit.

 

Voor het indienen van een beroepschrift is geen advocaat nodig. Het beroepschrift moet binnen zes weken na het nemen van het besluit op het bezwaarschrift worden ingediend. Ook in het beroepschrift vermeld de indiener zijn motivatie over de reden van beroep tegen het besluit op bezwaar.

 

10.5 Beroep bij de OTS

 

Indien een bezwaar tegen een beslissing van Bureau Jeugdzorg in het kader van de OTS wordt afgewezen door de instelling, kan beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter.

 

Specifiek kan in het kader van de OTS beroep worden ingesteld tegen:

  • de beslissing houdende de schriftelijke aanwijzing: kan alleen door gezagouder en de minderjarige vanaf twaalf jaar

  • de beslissing (voorgenomen) overplaatsing: kan door pleegouders, gezagouder en de minderjarige vanaf twaalf jaar

 

10.6 Schriftelijke aanwijzing

 

Een schriftelijke aanwijzing is een dwingende, schriftelijke opdracht van Bureau Jeugdzorg aan de ouder met gezag of de minderjarige vanaf twaalf jaar in het kader van de OTS. De aanwijzing betreft het doen of nalaten op het gebied van verzorging en opvoeding. De gezagouder of de minderjarige kan Bureau Jeugdzorg binnen twee weken verzoeken de aanwijzing in te trekken. Indien dit verzoek niet wordt ingewilligd kan de gezagouder of de minderjarige zich binnen twee weken tot de kinderrechter wenden.

 

10.7 Blokkaderecht

 

Bij blokkaderecht hebben gezagouders of de voogd toestemming van de pleegouders nodig voor overplaatsing van het pleegkind. Het blokkaderecht is van kracht in het vrijwillig kader en in het kader van voogdij die een jaar of langer hebben geduurd. Het recht geldt echter niet in het kader van de OTS.

Indien pleegouders zich beroepen op het blokkaderecht kunnen de gezagouders of de voogd vervangende toestemming voor overplaatsing vragen aan de kinderrechter. De kinderrechter neemt vervolgens een besluit met betrekking tot de overplaatsing van het pleegkind.

 

10.8 Hoger Beroep

 

Tegen elke uitspraak van een kinderrechter kan in hoger beroep worden gegaan. De hoger beroepstermijn van de beslissingen van de kinderrechter bedraagt drie maanden. Indien anderen dan Bureau Jeugdzorg of de Raad voor de Kinderbescherming een hoger beroep willen instellen, hebben zij bijstand door een advocaat nodig. Voor verweer voeren is echter geen advocaat nodig.

 

10.9 Belanghebbenden

 

Iemand is belanghebbend indien een zaak rechtstreekse betrekking heeft op diens rechten en plichten. Wie belanghebbend is wordt bepaald door de rechter.

 

Als de pleegouders belanghebbend zijn betekent dit dat zij bij alle belangrijke beslissingen in het leven van het pleegkind betrokken worden. Ouders zijn in principe altijd belanghebbend. De pleegzorgaanbieder daarentegen is niet belanghebbend, maar kan wel als informant optreden bij een zaak.

 

10.10 Aanwezigen bij de zitting

 

Bij de kinderrechter kunnen de Raad voor de Kinderbescherming, Bureau Jeugdzorg, de ouders, de minderjarige vanaf twaalf jaar, de pleegouders en de zorgaanbieder pleegzorg aanwezig zijn. Indien er sprake is van een verzoek tot een OTS en het instellen van hoger beroep zijn de pleegouders verplicht om zich door een advocaat te laten bijstaan. Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming kunnen zich echter altijd zonder advocaat tot de kinderrechter wenden. De pleegzorgaanbieder kan bij een zitting aanwezig zijn als informant, maar is in principe geen belanghebbende.

Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 7 WorldSupporter tools
Follow the author: Vintage Supporter
Promotions
oneworld magazine
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
[totalcount]
Content categories
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.