Begrippenlijst bij Ontwikkelingspsychopathologie aan de Universiteit Leiden


Begrippenlijst

 

Hoofdstuk 1

Thema’s en context

Ontwikkelingspsychologie

 

Het onderzoeksveld dat veranderingen in de cognitieve, sociale en andere capaciteiten van het individu probeert te begrijpen en te verklaren; ten eerste door de veranderingen in het geobserveerde gedrag van een kind te beschrijven en ten tweede door de processen die daaraan bijdragen bloot te leggen.

Empirisme

Het idee dat ontwikkeling vooral bepaald wordt door invloeden uit de omgeving.

Nativisme

Het idee dat ontwikkeling vooral bepaald wordt door erfelijke factoren (genetica).

Continue ontwikkeling

Een patroon van ontwikkeling waarbij eigenschappen geleidelijk of soepel veranderen.

Discontinue ontwikkeling

Een patroon van ontwikkeling waarbij veranderingen plotseling plaatsvinden, resulterend in kwalitatief verschillende perioden van ontwikkeling.

Kritische periode

Een periode van ontwikkeling (bepaald leeftijdsgebied) waarin specifieke ervaringen essentieel zijn om de ontwikkeling normaal te laten plaatsvinden.

Sensitieve periode

Een periode in de ontwikkeling waarin bepaalde ervaringen belangrijk zijn voor normale ontwikkeling. Als deze ervaringen niet plaatsvinden, kan deze ontwikkeling nog steeds plaatsvinden.

Domein algemene ontwikkeling

Het idee dat ontwikkelingen van invloed kunnen zijn op een breed gebied van vaardigheden.

Domein specifieke ontwikkeling

Het idee dat de ontwikkeling van bepaalde vaardigheden onafhankelijk plaatsvindt en weinig invloed heeft op vaardigheden in een ander domein.

Niveau van verklaring

De manier die we kiezen om psychologische vaardigheiden te beschrijven. Voorbeelden: biologisch, gedrag, sociaal en emotioneel.

Ecologisch perspectief

Een perspectief dat het belang van niet alleen het begrijpen van relaties tussen organismen en omgeving benadrukt, maar ook relaties tussen zulke systemen.

Levensloop perspectief

Ontwikkeling wordt gezien als een proces dat gedurende het hele leven doorgaat, van zuigeling tot volwassenheid tot bejaardheid.

Leeftijd cohort

Mensen geboren binnen dezelfde generatie.

 

Hoofdstuk 2

Theorieën in de ontwikkelingspsychologie

Behaviorisme

Een bepaalde stroming in de psychologie die belangrijk was in de vroege 20e eeuw waarin de rol van leren in menselijk gedrag benadrukt werd en ook geprobeerd werd om gedrag in termen van leren te beschrijven.

Klassiek conditioneren

Een manier van leren waarbij twee stimuli herhaaldelijk tegelijkertijd gepresenteerd worden totdat een individu hetzelfde leert te reageren op de onbekende stimulus als op de bekende stimulus.

Operante conditionering

Een manier van leren die afhangt van de consequenties van gedrag. Beloning verhoogt de kans dat gedrag herhaald wordt, terwijl straf ervoor zorgt dat gedrag afneemt.

Maturatiebenadering

Een vroege aanpak die ontwikkeling uitlegt in termen van ontwikkelingsroosters, die vooraf bepaald zijn op basis van genetica.

Psychodynamische theorie

Afgeleid van de Freudiaanse theorie, ontwikkeling zou plaatsvinden in afzonderlijke fasen die grotendeels bepaald worden door biologische driften, in combinatie met de omgeving en de wisselwerking tussen het id, ego en superego.

Id

De instinctieve drijfveren in een mens die functioneren volgens het plezierprincipe, het is het eerste onderdeel van de persoonlijkheid dat zich ontwikkelt.

Ego

Het rationele, leidinggevende onderdeel van de persoonlijkheid dat probeert om de behoeften te bevredigen door gepast, sociaal acceptabel gedrag.

Superego

Het onderdeel van de persoonlijkheid waarin geïnternaliseerde ouderlijke en maatschappelijke waarden, moraliteiten en regels opgeslagen worden.

Psychosociale theorie (Erikson)

Kinderen ontwikkelen zich door verschillende stadia, die worden gekenmerkt door het volbrengen van taken die te maken hebben met sociale interactie met de omgeving.

Ethologische theorie

Volgens deze theorie zou gedrag gezien en begrepen moeten worden in een bepaalde context en heeft gedrag een adaptieve en overlevingswaarde.

Sociale leertheorie

Een leertheorie die het belang van observatie en imitatie benadrukt bij het verkrijgen van nieuw gedrag.

Piagetiaanse theorie

Een theorie over cognitieve ontwikkeling waarin wordt gesteld dat het kind zelf actief naar nieuwe informatie zoekt.

Sociaal-culturele theorie (Vygotsky)

De theorie die stelt dat ontwikkeling ontstaat door de interactie tussen kinderen en meer bedreven volwassenen en door onderdelen uit hun cultuur.

Evolutionaire psychologie

Stelt dat essentiële onderdelen van het psychologisch functioneren evolutionaire veranderingen weerspiegelen en essentieel zijn voor het voortbestaan van de soort.

Informatieverwerking benadering

Focust zich op de stroom van informatie die door het cognitieve systeem van een kind gaat en op de specifieke bewerkingen die een kind uitvoert tussen de input en de output fase.

Neo-Piagetiaanse theorieën

De ideeën van Piaget worden opnieuw geïnterpreteerd vanuit een informatieverwerkingsperspectief.

Executieve controle structuur (Case)

Een mentale blauwdruk of plattegrond voor het oplossen van bepaalde problemen.

 

Hoofdstuk 3

Onderzoeksmethoden

Wetenschappelijke methoden

Het gebruik van meetbare en repliceerbare technieken bij het stellen van hypothesen en het verzamelen en analyseren van data om een theorie te testen.

Zelfrapportage

De informatie die mensen over zichzelf geven, in een rechtstreeks interview of in een geschreven vorm, zoals een enquête.

Observatie

Een methode waarbij onderzoekers in de natuurlijke omgeving of in een laboratorium bepaald gedrag bestuderen.

Gestructureerde observatie

Een vorm van observatie waarbij onderzoekers een bepaalde situatie zo vorm geven dat de gedragingen die zij onderzoeken vaker voorkomen/plaatsvinden.

Steekproef

Een groep van individuen die representatief zijn voor een grotere populatie.

Representativiteit

De mate waarin een steekproef echt de typerende kenmerken van de grotere populatie bezit.

Correlationele methode

Een onderzoeksmethode die onderzoekers in staat stelt om relaties tussen variabelen vast te stellen en om de intensiteit van deze relaties te beoordelen.

Laboratorium experiment

Een onderzoeksopzet waarbij onderzoekers oorzaak en gevolg kunnen bepalen

Experimentele groep

De groep die blootgesteld wordt aan de behandeling, of de onafhankelijke variabele.

Controlegroep

De groep die geen behandeling krijgt, of de afhankelijke variabele.

Gerandomiseerde toewijzing

De techniek waarmee onderzoekers individuen willekeurig toewijzen aan de experimentele of controle groep.

Onafhankelijke variabele

De variabele, of factor, die door de onderzoekers expres gemanipuleerd wordt in een experiment.

Afhankelijke variabele

De variabele, of factor, waarvan onderzoekers verwachten dat die zal veranderen als gevolg van een verandering in een onafhankelijke variabele.

Ecologische validiteit

De mate waarin een onderzoek de gebeurtenissen en processen in de echte wereld representeert.

Veldexperiment

Een experiment waarbij onderzoekers met opzet een verandering in de echte wereld creëren en dan het resultaat van hun manipulatie meten.

Observator bias

De neiging van observatoren om bij hun oordelen beïnvloed te worden door hun kennis van de hypothese van het onderzoek.

Natuurlijk experiment

Een experiment waarbij onderzoekers de resultaten meten van gebeurtenissen die op natuurlijke wijze plaatsvinden in de echte wereld.

Casus

Een vorm van onderzoek waarbij onderzoekers een individu of een groep heel intensief bestuderen.

Cross-sectionele methode

Een onderzoeksmethode waarbij onderzoekers groepen met verschillende leeftijden op een bepaald punt in de tijd vergelijken.

Longitudinale methode

Een methode waarbij onderzoekers dezelfde mensen meerdere keren onderzoeken, op verschillende momenten in het leven.

Sequentiële methode

Een onderzoeksmethode die kenmerken van de cross-sectionele en longitudinale methode combineert.

Informed consent

Toestemming om deel te nemen in een onderzoek, gebaseerd op een duidelijk en compleet begrip van de doelen en procedures in een onderzoek.

Debriefing

Het mededelen van de resultaten of doelen van een onderzoek nadat het onderzoek voltooid is.

 

Hoofdstuk 4

De biologie van de ontwikkeling

Chromosomen

Draadachtige structuren die zich bevinden in de celkern en die genetische informatie vervoeren.

Meiose

Het proces waarbij een cel zich deelt om nieuwe voortplantingscellen te produceren met de helft van het normale aantal chromosomen; de mannelijke en vrouwelijke reproductieve cellen bevatten beiden 23 chromosomen zodat bij het samensmelten het nieuwe organisme 46 chromosomen zal hebben, 23 van iedere ouder.

Crossing over

Het proces waarbij gelijkwaardige delen van homologe chromosomen willekeurig van plaats wisselen en daarmee de genetische informatie op elk chromosoom verandert.

Mitose

Het proces waarbij een lichaamscel zich in tweeën deelt en daarbij eerst al zijn chromosomen kopieert, zodat de nieuwe dochtercellen allemaal de gebruikelijke 46 chromosomen bevatten.

Deoxyribonucleic acid (DNA)

Een molecuul dat lijkt op een ladder, dat genetische informatie opslaat in cellen en het overbrengt tijdens reproductie.

Nucleotide

Een verbinding die een stikstofhoudende basis, een suiker en een fosfaatgroep bevat.

Gen

Een deel van DNA dat zich bevindt op een bepaalde plaats op een chromosoom en dat voor de productie van bepaalde eiwitsoorten codeert.

Messenger ribonucleic acid (mRNA)

Moleculen die de genetische code in DNA in de celkern ‘overschrijven en dan naar het cellichaam gaan waar ze gebruikt worden om eiwitten te synthetiseren.

Epigenetica

Het onderzoek naar hoe genetisch materiaal tot uitdrukking komt.

Regulerende factor

Een substantie die niet-eiwitcoderend DNA beïnvloedt om transcriptie van eiwitcoderend DNA naar mRNA later eiwit te reguleren.

Allel

Alternatieve vormen van een gen. Een individu heeft doorgaans twee allelen, een van de moeder en een van de vader.

Homozygoot

Als de allelen bij een individu voor een bepaalde persoonlijkheidstrek van iedere ouder hetzelfde zijn.

Heterozygoot

Als de allelen voor een bepaalde persoonlijkheidstrek van iedere ouder verschillen.

Codominantie

Een genetisch patroon waarbij heterozygote allelen de varianten van een karaktereigenschap tegelijkertijd en even sterk tot uitdrukking laten komen.

Dominant

De krachtigste van de twee allelen in een heterozygote combinatie.

Recessief

De zwakkere van de twee allelen in een heterozygote combinatie.

Autosomen

De 22 gepaarde niet-geslachtschromosomen.

Geslachtschromosomen

Het 23e paar chromosomen bij mannen en vrouwen, die het geslacht van een individu bepalen en verantwoordelijk zijn voor geslachtsgerelateerde kenmerken; bij vrouwen bestaat ze normaal gesproken uit 2 X-chromosomen en bij mannen uit een X en een Y chromosomen.

X-gebonden genen

Genen die getransporteerd worden op het X-chromosoom en die bij mannen geen analoge genen hebben op het Y-chromosoom.

Fragiele X syndroom

Een vorm van chromosomale afwijking, die vaker voorkomt bij mannen dan bij vrouwen, waarbij het eindgedeelte van het X-chromosoom vernauwd is en heel kwetsbaar is als gevolg van het falen van het kleiner maken tijdens celdeling. Symptomen: fysieke, cognitieve en sociale problemen.

Hemofilie

Een stoornis, veroorzaakt door een X-gerelateerd recessief gen, waarbij het bloed niet stolt, komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen.

Dopamine

Een neurohormoon dat betrokken is bij de motivatie van motorisch gedrag.

Pleiotropie

Een gen is pleiotropisch als het verschillend tot uitdrukking komt in verschillende delen van het brein.

Fenylketonurie (PKU)

Veroorzaakt door een recessief allel dat er niet in slaagt een enzym te produceren dat nodig is om het eiwit fenylalanine af te breken; als het niet net na de geboorte behandeld wordt, wordt het zenuwstelsel beschadigd en veroorzaakt het mentale retardatie.

Gedragsgenetica

Het onderzoeksveld dat de rol van genetica onderzoekt in menselijk (en dierlijk) gedrag.

Menselijke gedragsgenetica

Het onderzoek naar de relatieve invloeden van erfelijkheid en omgeving op de evolutie van individuele verschillen in karaktereigenschappen en vaardigheden.

Reactiebereik

Het idee dat de menselijke genetische opmaak voor een verscheidenheid aan mogelijke ontwikkelingsresultaten zorgt, waarin omgevingsinvloeden grotendeels bepalen hoe een persoon zich echt ontwikkelt.

Kanalisatie

De genetische beperking van een fenotype tot een klein aantal van ontwikkelingsresultaten, zodat omgevingsinvloeden maar een kleine rol kunnen spelen in deze resultaten.

Passieve genetische-omgevingsinteractie

De interactieve omgeving die gecreëerd wordt door ouders met bepaalde genetische aanleg die de uitingen van deze neigingen in hun kinderen aanmoedigt

Evocatieve genetische-omgevingsinteractie

De uiting van de invloed van de genen op de omgeving door iemands geërfde neigingen door het oproepen van bepaalde omgevingsreacties.

Actieve genetische-ontwikkelingsinteractie

Een soort interactie waarbij de genen van mensen hen aanmoedigen om ervaringen te zoeken die passen bij de geërfde neigingen.

Niche kiezen

Het opzoeken of creëren van omgevingen die aansluiten bij de genetische aanleg van iemand.

Erfelijkheidsfactor

Een statistische schatting van een bijdrage van erfelijkheid aan een bepaalde karaktereigenschap of vaardigheid.

Monozygotisch

Een identieke tweeling die zich ontwikkeld heeft uit één bevruchte eicel.

Dizygotisch

Een tweeling die zich ontwikkeld heeft uit twee verschillende bevruchte eicellen.

Gedeelde omgeving

Een stel condities of ervaringen die gedeeld worden door kinderen die opgegroeid zijn in dezelfde familie. Een parameter die vaak onderzocht wordt in onderzoek naar individuele verschillen.

Niet-gedeelde omgeving

Een stel condities of activiteiten die een kind een bepaalde familie heeft meegemaakt, maar die het niet gedeeld heeft met een ander kind uit dezelfde familie.

Neurale buis

Een structuur die gevormd wordt door het ectoderm (een laag cellen in het embryo) die zichzelf opgevouwen heeft, ontwikkelt zich in het zenuwstelsel door een proces van celdifferentiatie.

Neurale proliferatie

De snelle formatie van neuronen in het ontwikkelende brein van het organisme.

Neuron

Een cel in het zenuwstelsel van het lichaam, bestaand uit een cellichaam, een axon en dendrieten; neuronen zenden en ontvangen neurale impulsen/berichten door de hersenen en het zenuwstelsel.

Gliacel

Een zenuwcel die neuronen steunt en beschermt en dient om hen te omhullen met myeline.

Neurale migratie

De beweging van neuronen in de hersenen die ervoor zorgt dat alle hersengebieden voldoende neurale verbindingen hebben.

Synaps

Een gespecialiseerd gebied van intercellulaire communicatie waar informatie wordt uitgewisseld tussen zenuwcellen, vaak door middel van een chemische neurotransmitter.

Synaptogenese

Het vormen van synapsen.

Neuronale dood

De dood van sommige neuronen die nieuw gevormde synaptische connecties onder andere neuronen; ook wel geprogrammeerde celdood genoemd.

Synaptische pruning

De verwijdering van de axonen en de dendrieten van een neuron die niet vaak gestimuleerd wordt door de hersenen.

Myelinisatie

Het proces waarbij gliacellen neuronen omhullen met de vette substantie myeline.

Cerebrum (grote hersenen)

De twee verbonden hersenhelften van de hersenen.

Cerebrale cortex

De bedekkende laag van het cerebrum dat de cellen bevat die specifieke functies controleren zoals zien, horen, bewegen en denken.

Hersenhelften

De twee helften van het cerebrum van de hersenen, links en rechts.

Corpus callosum

De band van zenuwvezels die de twee hersenhelften met elkaar verbindt.

Fusiform face area

Een gebied in de temporaalkwab, dat sterk betrokken is bij gezichtsherkenning.

Parahippocampische plaats area

Een gebied in de temporaalkwab, dat sterk betrokken is bij het vormen van representaties van visuele scènes.

Specialisatie van hemisferen

Verschillend functioneren van de twee hersenhelften; de linkerhersenhelft controleert de rechterhelft van het lichaam en de rechterhersenhelft controleert de linkerhelft van het lichaam.

Lateralisatie

Het proces waarbij elke helft van het brein gespecialiseerd raakt in bepaalde functies. Bijv.: linkerhersenhelft -> taal.

Dyslexie

Een term voor de moeilijkheden die sommige mensen ondervinden bij het lezen of bij het leren lezen.

Plasticiteit

De capaciteit van de hersenen, vooral in de ontwikkelingsfases, om te kunnen reageren en aanpassen aan input van de omgeving.

 

Hoofdstuk 5

Prenatale ontwikkeling

Germinale fase

De fase van zwangerschap die begint als de eicel bevrucht wordt en afgelopen is als de bevruchte eicel zich in de wand van de baarmoeder nestelt (na ongeveer 7 dagen).

Bevruchte eicel

Het zich ontwikkelende organisme vanaf dat de eicel en zaadcel samensmelten tot de tweede week van de zwangerschap, waarin de bevruchte eicel zichzelf snel deelt.

Embryoniale fase

De periode van prenatale ontwikkeling die duurt van de tweede week van de zwangerschap tot ongeveer de achtste week.

Zwangerschap

Het dragen van een embryo/foetus voor meestal 9 maanden bij mensen.

Embryo

Het zich ontwikkelende organisme dat zich ingenesteld heeft in de baarmoeder en dat dan snelle celdeling ondergaat dat resulteert in de differentiatie van de belangrijkste fysiologische structuren en systemen.

Vruchtzak

Een membraan dat het ontwikkelende organisme en het vruchtwater bevat; de vruchtzak en het vruchtwater beschermen het organisme tegen fysische shocks en temperatuurveranderingen.

Placenta

Een vlezige, schijfachtige structuur die gevormd wordt door cellen en die samen met de navelstreng dient voor het beschermen en ondersteunen van het embryo.

Navelstreng

Een buis die bloedvaten bevat en die het groeiende organisme verbindt met de moeder; het vervoert zuurstof en voedingsstoffen naar het groeiende kind en verwijdert kooldioxide en afvalproducten.

Cephalocaudaal

Het patroon van menselijke lichamelijke groei waarbij ontwikkeling begint in het hersengebied en dan verder gaat in de romp en de benen.

Proximaal-distaal

Het patroon van menselijke lichamelijke groei waarbij ontwikkeling start in centrale gebieden, zoals de interne organen en verder gaat naar verder gelegen gebieden, zoals armen en benen.

Miskraam

Het natuurlijke of spontane einde van een zwangerschap voordat het embryo in staat is om buiten de baarmoeder te overleven. Dit is meestal voor de 20e week van de zwangerschap.

Foetus

Het zich ontwikkelende organisme vanaf de derde maand van de zwangerschap tot aan de geboorte; tijdens de foetale periode voltooien lichamelijke structuren en systemen zich.

Levensvatbaarheid

De leeftijd van 22 tot 26 weken vanaf de conceptie, wanneer de fysische systemen van de foetus zo ver ontwikkeld zijn dat er een kans is om te overleven buiten de baarmoeder.

Teratogeen

Een middel uit de omgeving, zoals een drug, medicijn, bepaalde voeding of vervuiling die voor ontwikkelingsafwijkingen kunnen zorgen in het groeiende organisme; is het meest bedreigend in embryonale fase, maar ook nog in de foetale fase.

Foetaal alcohol syndroom

Een stoornis van de ontwikkelende foetus die veroorzaakt wordt doordat de moeder tijdens de zwangerschap alcohol drinkt. Kenmerken zijn: vertraagde groei, lichamelijke en fysiologische abnormaliteiten en ook vaak mentale retardatie.

Diethylstilbestrol (DES)

Een synthetisch hormoon dat aan zwangere vrouwen werd voorgeschreven om een miskraam te voorkomen, maar hier werd mee gestopt nadat in hun kinderen (voorstadia van) kanker werd ontdekt.

Thalidomide

Een medicijn dat ooit werd voorgeschreven om ochtendmisselijkheid te verlichten, maar waar mee werd gestopt nadat ontdekt werd dat het ernstige foetale misvormingen veroorzaakt. Tegenwoordig wordt het soms gebruikt om de symptomen van kanker en AIDS te bestrijden.

Rh factor incompatibility

Een toestand waarbij het Rh-negatieve bloed van het kind tegenstrijdig is aan het Rh-positieve bloed van de moeder. Dit bedreigt foetussen in latere zwangerschappen, als het moederlichaam de tijd heeft gehad om antistoffen te produceren die de bloedcellen van het kind aan zullen vallen.

Genitale herpes

Een veelvoorkomende virale infectie die vooral verspreid wordt door sexueel contact; als de baby het tijdens de geboorte oploopt, kan het blindheid, motorische afwijkingen, mentale retardatie en een verscheidenheid aan neurologische stoornissen veroorzaken.

Acquired immune defiency syndrome (AIDS)

Een virale ziekte die het immuunsysteem van het lichaam aanvalt; als het wordt overgedragen aan een foetus in de vorm van HIV, kan deze stoornis het immuunsysteem van het kind verzwakken en uiteindelijk tot de dood leiden.

Keizersnee

Het kindje wordt operatief geboren; de baby wordt uit de baarmoeder gehaald door een insnijding die gemaakt wordt in de buik(wand) en baarmoeder.

Perinatale complicaties

Problemen die optreden omstreeks de geboorte van het kind en die kunnen leiden tot ontwikkelingsproblemen.

Perinatale risicofactoren

Factoren die kunnen bijdragen aan perinatale complicaties.

Prematuur

De term voor een baby die geboren wordt voor de uitgerekende datum en waarvan het gewicht passend kan zijn bij de leeftijd, hoewel het de helft kan zijn van een voldragen kind.

Laag geboortegewicht

De term voor een baby die kort voor de uitgerekende datum geboren wordt, maar die beduidend minder weegt dan normaal zou zijn voor die leeftijd.

IJzergebreksanemie

Een stoornis waarbij een ontoereikende hoeveelheid ijzer in het eten lusteloosheid kan veroorzaken en de lichamelijke en intellectuele ontwikkeling van een kind kan vertragen.

Inhaalgroei

De neiging voor mensen om na een verwonding of gebrek toch weer een normale manier van lichamelijke groei te bereiken.

Seculaire trend

Een verschuiving in het normatieve patroon van een kenmerk, zoals lengte die plaatsvindt over een historische tijdsperiode, zoals een decennium of eeuw.

Obesitas

Een toestand waarbij het gewicht van een persoon 30% of meer hoger is dan het gemiddelde gewicht voor zijn of haar lengte en bouw.

Puberteit

Het begin van sexuele volwassenheid.

Hypofyse

Een zogenaamde hoofdklier, die zich bevindt in het onderste van het brein, die de uitscheiding van hormonen door alle andere hormoonuitscheidende klieren veroorzaakt.

Hormoon

Krachtige en zeer gespecialiseerde chemische substanties die geproduceerd worden door de cellen van bepaalde organen en die een regulerend effect hebben op de activiteit van bepaalde andere organen.

Spermache

De eerste ejaculatie waarbij zaad vrijkomt bij mannen.

Menarche

Bij vrouwen, het begin van de menstruele cyclus.

Oestrogeen

Hormonen die in vrouwen verantwoordelijk zijn voor sexuele rijping.

Progesteron

Een hormoon dat bij vrouwen helpt bij het reguleren van de menstruele cyclus en de baarmoeder voorbereidt op het opvangen en verzorgen van de bevruchte eicel.

Testosteron

Een hormoon dat bij mannen verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van primaire en secundaire geslachtskenmerken en dat essentieel is voor de productie van sperma.

 

Hoofdstuk 6

Perceptuele en sensorische ontwikkeling

Neonaat

Een pasgeboren baby.

Visuele scherpte

De scherpte van het zicht; hoe duidelijk iemand de kleine details kan zien.

Visuele klif

Test de diepteperceptie van een kind door het gebruik van materialen met een patroon en een verhoogd, duidelijke glazen platform zodat het lijkt alsof de ene kant van het platform centimeters lager is dan de andere kant.

Bewegingsparallax

Als wijzelf bewegen, bewegen objecten die verder weg zijn op het visuele veld langzamer dan objecten die dichterbij ons zijn.

Binoculaire dispariteit

Het gevoel van een derde ruimtelijke dimensie, die van diepte, die geproduceerd wordt door het samenvoegen van de verschillende afbeeldingen van elk ook door het brein. Elk oog bekijkt de stimulus vanuit een iets andere hoek.

Interpositie

Het besef dat een object zich voor een ander object bevindt, omdat het object dat verder weg is gedeeltelijk afgedekt wordt door het object dat dichtbij is.

Lineair perspectief

De manier waarop lichtpatronen op het oog vallen vanaf objecten die terugwijken in diepte.

Grootte constantie

De neiging om een object als constant in grootte te beschouwen, ongeacht veranderingen in de afstand tot degene die het object ziet en in het beeld dat op de retina’s in de ogen valt.

Vorm constantie

Het vermogen om de vorm van een object als constant waar te nemen ondanks veranderingen in de oriëntatie en de hoek waaruit iemand het object ziet.

Crossmodale perceptie

De integratie van sensorische informatie vanuit meer dan een modaliteit.

Crossmodale vergelijkbare paradigma’s

Taken die onderzocht worden als participanten objecten kunnen rangschikken volgens de unimodale eigenschappen.

Infant state

Een steeds terugkerend patroon van opwinding in het pasgeboren kind, dat varieert van alerte, energieke, wakkere activiteit tot rustige, regelmatige slaap.

REM slaap

Wordt gekenmerkt door snelle, hortende bewegingen van de ogen, wordt bij volwassenen vaak geassocieerd met dromen.

Reflex

Een onvrijwillige respons op externe stimulatie.

Brazelton Neonatal Assesment Scale

Een reeks testen die bij kinderen gebruikt worden voor het meten van de sensorische en perceptuele capaciteiten, motorische ontwikkeling, de verscheidenheid aan gesteldheid en het vermogen om deze gesteldheid te reguleren en ook of de hersenen en het centraal zenuwstelsel op een goede manier de onbewuste responses uitvoeren.

Wiegendood

De plotselinge, onverklaarbare dood van een kind als het slaapt.

 

Hoofdstuk 7

Emotionele ontwikkeling en hechting

Emoties

Subjectieve reacties op de omgeving die meestal cognitief ervaren worden als plezierig of onplezierig en doorgaans vergezeld gaan van lichamelijke opwinding en vaak zichtbaar uitgedrukt worden in gedrag.

Reflexmatige glimlach

Een glimlach van een pasgeboren baby die meestal spontaan is en waarvan het lijkt dat die meer afhangt van een interne stimulus dan van iets externs, zoals het gedrag van een andere persoon.

Angst voor vreemden

Een angst voor vreemdelingen die kenmerkend is voor kinderen met een leeftijd van rond de negen maanden.

Sociaal refereren

Het proces van het ‘lezen’ van emotionele aanwijzingen in anderen die kunnen helpen bij het bepalen van hoe te handelen in een onzekere situatie.

Separatieprotest

De angstige reactie van een kind als het wordt gescheiden van zijn of haar moeder, vooral rond de leeftijd van 15 maanden.

Emotional display rules

Regels die aangeven welke emoties geschikt zijn om te uiten in bepaalde situaties.

Emotioneel script

Een complex schema dat een kind in staat stelt om de emotionele reactie te bepalen waarvan het aannemelijk is dat die samengaat met een bepaalde gebeurtenis.

Hechting

Een sterke emotionele band die gevormd wordt tussen een kind en de verzorger in de tweede helft van het eerste levensjaar.

Psychoanalytische theorie van hechting

De theorie van Freud dat baby’s eerst gehecht raken aan de borst van de moeder en dan aan de moeder zelf, omdat die de bron is van orale bevrediging.

Leertheorie van hechting

De theorie dat kinderen gehecht raken aan hun moeder omdat hun moeder voor voedsel zorgt, de primaire bekrachtiging, en daardoor de secundaire bekrachtiger wordt.

Secundaire bekrachtiger

Een persoon of andere stimulus die bekrachtigende eigenschappen krijgt door herhaalde associatie met de eerste bekrachtiger.

Cognitieve ontwikkelingsvisie op hechting

Het idee dat kinderen onderscheid moeten kunnen maken tussen moeder en een vreemde, en begrijpen dat mensen onafhankelijk bestaan van de interactie van het kind met hen – om zich te kunnen hechten.

Ethologische theorie van hechting (Bowlby)

Hechting is afgeleid van de biologische voorbereiding zodat kind en ouders reageren op elkaars gedrag zodat de ouders het kind zorg en bescherming geven.

Inprenting

Het proces waarbij niet-menselijke dieren een voorkeur ontwikkelen voor een persoon of object waaraan ze als eerste zijn blootgesteld tijdens een korte, kritische periode na de geboorte.

Veilige basis (Ainsworth)

De verzorger waar een kind zich aan gehecht heeft en die het kind gebruikt als basis waarvandaan het dingen kan ontdekken en als veilige haven in tijden van stress.

Vreemde situatie

Een testscenario waarin moeder en kind gescheiden worden en verschillende keren herenigd worden; onderzoekers kunnen zo de aard en kwaliteit van hechting tussen moeder en kind onderzoeken.

Veilige hechting

Baby’s die veilig genoeg zijn om nieuwe omgevingen te onderzoeken, die maar een klein beetje verontrust zijn bij een korte scheiding en die snel getroost kunnen worden door hun moeders bij terugkeer.

Onzeker-vermijdende hechting

Baby’s die nauwelijks verontrust raken als hun moeder de kamer verlaat, en die hen als ze terugkomen vermijden en dan soms zelfs zichtbaar van streek raken.

Onzeker -afwerende hechting

Baby’s die heel erg van streek raken als hun moeder de kamer verlaat, bij terugkomst tonen ze tegenstrijdig gedrag, ze zoeken contact, maar duwen hun moeder ook weg.

Onzeker-gedesorganiseerde hechting

Baby’s die gedesorganiseerd en gedesoriënteerd zijn als ze herenigd worden met hun moeder na een korte scheiding.

Attachment Q Sort (AQS)

Een methode waarbij de verzorger of observator de kwaliteit van de hechting van een kind beoordeelt, gebaseerd op het gedrag van een kind in natuurlijk situaties en tijdens korte scheidingen van de ouders.

Sensitieve zorg

Consequente en reagerende verzorging die begint door het kind mee te laten bepalen wanneer het mag eten en in welk tempo.

Toenaderings/vermijdingsgedrag

Een patroon van interactie waarbij het kind een inconsequent patroon van het naderen en terugtrekken van een persoon of object.

Intern werkmodel (Bowlby)

De mentale representatie die een persoon van zichzelf heeft als kind, van zijn ouders en de aard van de interactie met zijn ouders, als hij deze interactie interpreteert.

 

Hoofdstuk 8

Taal en communicatie

Taal

Een communicatiesysteem waarbij woorden en hun geschreven symbolen gecombineerd worden volgens regels en dat sprekers in staat stelt om een oneindige hoeveelheid boodschappen te produceren.

Productief taalgebruik

Het produceren van taal.

Receptief taalgebruik

Het begrijpen van de spraak van anderen.

Fonologie

Het systeem van klanken die in een taal gebruikt worden.

Semantiek

De studie van woordbetekenissen en woordcombinaties.

Grammatica

De structuur van een taal, bestaand uit de morfologie en de syntaxis.

Morfologie

De studie van morfemen, de kleinste onderdelen van taal die betekenis hebben.

Syntaxis

Het gedeelte van de grammatica dat beschrijft hoe woorden gecombineerd kunnen worden tot zinsdelen, zinnen en uitdrukkingen.

Pragmatiek

Een stel regels die aangeven welke taal geschikt is voor een bepaalde sociale context.

Taalverwervingmechanisme

Chomsky’s idee van een mentale structuur in het menselijke zenuwstelsel die een aangeboren concept van taal bezit.

Ondersteuningssysteem bij taalontwikkeling (LASS)

Een verzameling van strategieën en tactieken die omgevingsinvloeden (ouders/verzorgers) een kind geven dat een taal leert.

Kindgerichte spraak

Een vereenvoudigde manier van praten die ouders gebruiken als ze met jonge kinderen praten, waarin zinnen kort, simpel en herhalend zijn en waarbij de spreker duidelijk en langzaam spreekt, op een hoge toon, eindigend met een stijgende intonatie.

Expansie

Een techniek die ouders gebruiken als ze met jonge kinderen praten, waarbij ze de boodschap van het kind herhalen of uitbreiden.

Recasting

Een techniek die ouders gebruiken bij het praten met jonge kinderen waarbij ze de incomplete zin van het kind afmaken in een meer complexe grammaticale vorm.

Proto-declaratief

Een gebaar dat een kleuter gebruikt iets te zeggen over een object.

Proto-imperatief

Een gebaar dat een klein kind gebruikt om ervoor te zorgen dat iemand doet wat hij of zij wil.

Categorische spraakperceptie

De neiging om een verscheidenheid aan geluiden waar te nemen als behorend tot dezelfde fonetische groep.

Overextensie

Jonge kinderen gebruiken vaak één bepaald woord waar ze veel verschillende dingen mee bedoelen.

Onderextensie

Het gebruik door jonge kinderen van een bepaald woord op een beperkte en individuele manier.

Holofrase

Een enkel woord vertegenwoordigt een complete gedachtegang.

Telegrafische spraak

Uitingen die alleen bestaan uit de twee woorden die essentieel zijn om de intentie van de spreker over te brengen.

Overregularisatie

De toepassing van het principe van regelmatig vervoegen op een woord dat eigenlijk onregelmatig vervoegd moet worden.

Metalinguïstisch bewustzijn

Het inzicht dat taal een regelgebonden systeem van communiceren is.

Fonologisch bewustzijn

Het begrijpen van de klanken van taal en van de eigenschappen, zoals het aantal klanken in een woord.

Dyslexie

Een leerstoornis die het vermogen beperkt om vloeiend te lezen en te spellen.

 

Hoofdstuk 9

De oorsprong van kennis

Cognitie

De mentale activiteit waardoor mensen kennis verkrijgen en verwerken.

Constructivisme

Het idee dat kinderen zelf actief bijdragen aan hun begrip van de wereld als ze in aanraking komen met nieuwe informatie en deze informatie proberen te begrijpen.

Schema

Een georganiseerde eenheid van kennis die het kind gebruikt om een situatie te begrijpen; het is de basis voor het organiseren van acties en gedachten als reactie op de omgeving.

Organisatie

Het combineren van eenvoudige mentale structuren tot meer complexe systemen.

Operaties

Schema’s die gebaseerd zijn op interne mentale activiteit.

Adaptatie

Het aanpassen van iemands denken zodat het past bij de eisen van de omgeving.

Assimilatie

Een bestaand schema toepassen op een nieuwe ervaring.

Accommodatie

Een bestaand schema aanpassen zodat het gebruikt kan worden bij een nieuwe ervaring.

Fases van ontwikkeling

Grootschalige, kwalitatieve veranderingen in de manier waarop een kind denkt of handelt.

Sensorimotorische periode

De eerste fase van cognitieve ontwikkeling die Piaget beschrijft, waarin de vaardigheden van de kinderen geworteld zijn in hun fysische interacties met objecten.

Objectpermanentie

Het idee dat objecten of mensen blijven bestaand, onafhankelijk van onze interactie met hen, of het zien van die dingen.

Basis reflex activiteit

De baby oefent met het gebruik van zijn aangeboren reflexen en wordt daar steeds beter in.

Primaire circulaire reacties

Gedragingen die gefocust zijn op het eigen lichaam van de baby en die herhaald en veranderd worden, omdat ze fijn en bevredigend zijn.

Secundaire circulaire reacties

Gedragingen die gefocust is op objecten buiten het eigen lichaam, die herhaaldelijk gedaan worden omdat ze fijn en bevredigend zijn.

Coördinatie van secundaire circulaire reacties

Het kind combineert verschillende schema’s om een specifiek doel te bereiken.

Tertiaire circulaire reacties

Gedragingen waarbij kinderen experimenteren met de eigenschappen van externe objecten en proberen te leren hoe objecten reageren op verschillende acties.

Nieuwe middelen ontdekken door mentale combinatie

Kinderen beginnen met het mentaal combineren van schema’s en vertrouwen minder op fysische ontdekking.

Symbolisch denken

Het gebruiken van mentale afbeeldingen en concepten om mensen, objecten en gebeurtenissen te representeren.

Uitgestelde nabootsing

Het nadoen van een actie een tijdje nadat het kind het geobserveerd heeft, dit vereist dat het kind een soort mentale representatie heeft van de actie.

Fundamentele kennis

Manieren van redeneren over ecologisch belangrijke objecten en gebeurtenissen, zoals de stevigheid en continuïteit van objecten.

Preoperationele representaties

Het vermogen om symbolen te gebruiken vergemakkelijkt het leren van taal, deze fase wordt ook gekenmerkt door prelogisch redeneren, egocentrisme en intuïtief gedrag, waarbij het kind problemen kan oplossen door mentale operaties, zonder dat het weet hoe het dat gedaan heeft.

Symbolische representatie

Het vermogen om symbolen, zoals afbeeldingen, woorden en gebaren, te gebruiken om objecten en gebeurtenissen in de wereld te representeren.

Egocentrisme

De neiging om de wereld vanuit het eigen perspectief te zien en moeite te hebben met het zien van dingen vanuit het oogpunt van een ander.

Animistisch denken

Het toewijzen van leven aan levenloze dingen.

Conservatie

Het begrip van dat het veranderen van het uiterlijk van een object niet leidt tot verandering van de basiseigenschappen.

Omkeerbaarheid

Het begrip dat de stappen van een procedure of operatie ongedaan gemaakt kunnen worden en de originele staat van het object of gebeurtenis weer verkregen kan worden.

Centratie

Het focussen van iemands aandacht op maar één dimensie of kenmerk van een object of situatie.

Concrete operaties

Subperiode waarin het kind in staat is tot logisch redeneren over dingen die fysisch aanwezig zijn.

Formele operaties fase

Fase waarin het kind leert om abstract te denken, complex te redeneren en hypotheses te testen.

Horizontale décalage

Piaget gebruikte deze term om ongelijkmatigheden te beschrijven in het denken van kinderen in een bepaalde fase; bij het ontwikkelen van conservatie, conserveren kinderen verschillende objecten op verschillende leeftijden.

Mediators

Psychologische handvatten en tekenen, zoals taal, tellen mnemonische trucs, algebraïsche symbolen, kunst en schrijven, die denkprocessen vergemakkelijken.

Elementaire mentale functies

Psychologische functies waar het kind al van nature mee bedeeld is, zoals aandacht, perceptie en onvrijwillig geheugen, die spontaan naar voren komen tijdens interactie van het kind met de wereld.

Hogere mentale functies

Psychologische functies, zoals vrijwillige aandacht, complex geheugenprocessen en probleem oplossen, die zorgen voor de coördinatie van verschillende cognitieve processen en het gebruik van mediators.

Zone van proximale ontwikkeling

Het gebied van sensitiviteit voor leren dat gekarakteriseerd wordt door het verschil tussen het ontwikkelingsniveau dat een kind heeft als het alleen werkt en het niveau dat een kind kan bereiken met hulp van een meer bedreven persoon.

Scaffolding

Instructieproces waarbij de partner met de meeste kennis de hoeveelheid en het type van de steun aanpast aan het kind, om aan de leerbehoeften van het kind te voldoen.

Wederkerige instructie

Een leeraanpak die gebaseerd is op de ideeën van deze zone van proximale ontwikkeling en scaffolding.

Gemeenschap van leerlingen

Een aanpak voor klassikaal leren waarbij kinderen en volwassenen samen werken in gedeelde activiteiten, de kinderen leren van elkaar en de volwassene is de leider.

Geleide participatie

Leren dat plaatsvindt als kinderen deelnemen aan activiteiten van hun gemeenschap en bij die deelname begeleid worden door de acties van meer ervaren partners.

Bewuste gemeenschapsdeelname

De participatie van kinderen in authentieke situaties van hun gemeenschap met als doel leren over de activiteit.

Egocentrische spraak (Vygotsky)

Een vorm van zelfgerichte dialoog waarmee het kind zichzelf instrueert bij het oplossen van problemen en het formuleren van plannen, later wordt dit inner speech.

Inner speech

Innerlijke egocentrische spraak die intellectueel functioneren leidt.

Microgenetische verandering

Veranderingen die geassocieerd worden met leren en die plaatsvinden in de tijd van een specifieke leerervaring of episode.

Theory of mind

De overtuigingen van iemand over de ‘geest’ en het vermogen om mentale condities te begrijpen.

 

Hoofdstuk 10

De ontwikkeling van cognitieve functies

Gewenning

Een vorm van leren; de intensiteit van een respons op een herhaalde stimulus neemt af.

Sensitisatie

Een toename in de intensiteit van een respons op herhaalde stimulus. Het wordt ook geclassificeerd als een eenvoudig leermechanisme omdat het plaatsvindt in reactie op een enkele stimulus.

Informatieverwerkingsaanpak

Theorieën over ontwikkeling die zich richten op de stroom van informatie door het cognitieve systeem.

Modaal model (Atkinson & Shiffrin)

Een informatieverwerkingsmodel waarin informatie zich verplaatst door een serie van verwerkingsunits, het sensorisch register, het kortetermijngeheugen en het langetermijngeheugen. Het benadrukt het belang van capaciteit en opslagduur.

Sensorisch register

De verwerkingsunit die informatie opneemt uit de omgeving en deze informatie in originele vorm opslaat voor een korte periode.

Kortetermijngeheugen

De verwerkingsunit waar informatie tijdelijk wordt opgeslagen, het is de ‘werkruimte’ van de geest, hier wordt besloten of de informatie wordt weggegooid, verwerkt of overgebracht naar het langetermijngeheugen.

Langetermijngeheugen

De verwerkingsunit waarin informatie permanent wordt opgeslagen en waaruit deze informatie opgehaald kan worden.

Werkgeheugenmodel (Hitch & Baddeley)

Een model over informatieverwerking waarin dynamische denkprocessen worden benadrukt, in plaats van opslagduur en capaciteit.

Visuospatieel kladblok

Een ‘slaafsysteem’ in het werkgeheugenmodel dat gaat over visueel ruimtelijke representaties.

Fonologische lus

Het ‘slaafsysteem’ dat gaat over informatie die te maken heeft met spraak/geluid.

Central executive

Controleert en reguleert de acties van verschillende slaafsystemen.

Cognitieve strategieën

Cognitieve activiteit die gebruikt wordt om mentale prestaties te verbeteren.

Script

Een mentale representatie van een gebeurtenis of situatie in het dagelijks leven, inclusief de volgorde waarin deze dingen gebeuren en hoe men zich moet gedragen in zo’n gebeurtenis of situatie.

Mediërend tekort

Het onvermogen om strategieën te gebruiken om zo informatie in het langetermijngeheugen op te slaan.

Productie tekort

Het onvermogen om bekende geheugenstrategieën uit zichzelf te produceren en te gebruiken.

Gebruikstekort

Het onvermogen om een bekende geheugenstrategie te gebruiken of om je voordeel te doen met het gebruik van zo’n strategie.

Automatisering

Het proces van het transformeren van bewust en gecontroleerd gedrag naar onbewust en automatisch gedrag.

Generalisatie

Het toepassen van een strategie die men geleerd heeft tijdens het oplossen van een probleem op een gelijkend probleem in een nieuwe situatie.

Aandacht

De identificatie en selectie van bepaalde sensorische input voor meer gedetailleerde verwerking.

Selectieve aandacht

Een strategie waarbij iemand zich focust op bepaalde kenmerken van de omgeving en andere kenmerken negeert.

Plannen

Het weloverwogen organiseren van een reeks acties, zodat een bepaald doel bereikt kan worden.

Geheugenspanne

De hoeveelheid informatie die iemand kan bewaren in het kortetermijngeheugen.

Wereldkennis

Wat een kind geleerd heeft door ervaring en wat het weet over de wereld in het algemeen.

Iconisch geheugen

Sensorisch geheugen voor visuele informatie. Is van heel korte duur.

Semantisch geheugen

Al de kennis van de wereld en feiten die een persoon bezit.

Episodisch geheugen

Geheugen voor specifieke gebeurtenissen, vaak autobiografisch van aard.

Repetitie

Een geheugenstrategie waarbij iemand de informatie die hij wil onthouden een aantal keer herhaalt, mentaal of mondeling.

Organisatie

Een geheugenstrategie die de informatie die herinnerd moet worden in een bepaalde georganiseerde vorm plaatst. Het gaat meestal om categorisatie en hiërarchische relaties.

Uitwerking

Een geheugenstrategie waarbij informatie uitgebreid wordt zodat het meer betekenis krijgt en het makkelijker wordt om deze informatie te herinneren.

Verhalende vorm

Een tijdsgeordend verslag dat betekenis overdraagt over een gebeurtenis.

Autobiografisch geheugen

Een verzameling van herinneringen van dingen die een persoon overkomen zijn op gegeven plaatsen of tijden.

Executieve functie

Een cognitief systeem waarvan wordt aangenomen dat het andere cognitieve processen controleert en beheert.

Executief controle proces

Een cognitief proces dat ervoor dient om de oplossingsgerichte aanpak die een kind gebruikt te controleren, te leiden en het succes waar te nemen.

Probleem oplossen

De identificatie van een doel en van de stappen die genomen moeten worden om dat doel te bereiken.

Deductief redeneren

Logisch denken dat neerkomt op het bereiken van een noodzakelijke en valide conclusie gebaseerd op een stel aannames.

Propositioneel redeneren

Logisch denken waarbij het evalueren van een statement of serie van statements gebaseerd wordt op de informatie in alleen dat statement.

Transitieve inferentie

Het mentaal indelen van dingen volgens kwantitatieve dimensies.

Hiërarchische categorisatie

Het organiseren van concepten in niveaus van abstractie die variëren van specifiek tot algemeen.

Coderen

Het transformeren van informatie vanuit de omgeving naar een mentale representatie.

Mentale representatie

Informatie die mentaal opgeslagen wordt in een bepaalde vorm, verbaal, door beelden of procedures.

Infantiele amnesie

Het onvermogen om gebeurtenissen of andere informatie te herinneren die voor het derde levensjaar gecodeerd zijn.

Metacognitie

De kennis van individu over ‘het weten’ en zijn controle over cognitieve activiteiten.

 

Hoofdstuk 11

Intelligentie, prestatie en leren

Factoranalyse

Een statistische procedure die gebruikt wordt om van een aantal factoren te bepalen welke nauw met elkaar verbonden zijn, maar relatief onafhankelijk van andere groepen factoren of scores.

Triarchische theorie van intelligentie

Een theorie die drie belangrijke onderdelen van intelligentie voorstelt: informatieverwerkingsvaardigheden, ervaring met een taak en het vermogen om zich aan te passen aan de eisen van de context.

Theorie van meervoudige intelligentie

De multifactoriële theorie van Gardner die acht verschillende types van intelligentie voorstelt.

Intelligentie quotiënt (IQ)

Een index van de manier waarop een persoon presteert op een gestandaardiseerde intelligentietest in verhouding tot de prestaties van leeftijdsgenoten.

Wechsler Intelligentie schaal

Drie intelligentietesten voor voorschoolse en schoolgaande kinderen die drie verschillende scores geven voor verbale IQ, prestatie IQ en een gecombineerd IQ.

Afwijkend IQ

Een IQ score die de mate aangeeft waarin de prestatie van een persoon op een test afwijkt van de gemiddelde prestatie voor die leeftijd.

Associatief leren (Jensen)

Een lager niveau van leren dat gemeten wordt door het testen van opslaan in en herinneren vanuit het kortetermijngeheugen, aandacht, uit het hoofd leren en simpele associatieve vaardigheden. Ook wel niveau 1 leren genoemd.

Cognitief leren (Jensen)

Een hoger niveau van leren dat gemeten wordt door het testen van abstract denken, symbolische verwerking en het gebruik van taal bij het oplossen van problemen. Ook wel niveau 2 leren genoemd.

Stereotype dreiging

Het gevaar lopen om het negatieve stereotype over een groep waartoe men behoort te bevestigen.

Cumulatief risico

Het idee dat risicofactoren in de levensomstandigheden van kinderen cumulatieve negatieve effecten hebben op hun intellectuele prestaties.

Prestatie motivatie

De neiging van een persoon om te streven naar succesvolle prestaties, om prestaties te beoordelen naar excellerende standaarden en om plezier te hebben in succesvolle prestaties.

Hoogbegaafdheid

Een kenmerk dat gedefinieerd wordt door een IQ van 130 of hoger; begaafde kinderen leren sneller dan anderen en kunnen al vroeg uitzonderlijke talenten op een bepaald gebied laten zien.

Verstandelijke beperking

Een kenmerk dat gedefinieerd wordt door een IQ van 70 of lager en door moeite met het omgaan met alledaagse activiteiten die bij de leeftijd passen.

Leerafwijkingen

Gebreken in één of meer cognitieve processen die belangrijk zijn voor leren.

 

Hoofdstuk 12

Ouders en sociale relaties

Autoritatieve opvoedingsstijl

Een opvoedingsstijl die warm, reagerend, betrokken en niet indringend is en waarbij ouders redelijke grenzen stellen en passend volwassen gedrag van hun kinderen verwachten.

Autoritaire opvoedingsstijl

Een opvoedingsstijl die hard, niet-reagerend en rigide is en waarbij ouders neigen naar het gebruik van machtsassociatieve methoden van controle.

Permissieve opvoedingsstijl

Een opvoedingsstijl die laks is en waarbij ouders inconsequent zijn in hun discipline en hun kinderen aanmoedigen om hun impulsen vrij te volgen.

Verwaarlozende opvoedingsstijl

Een opvoedingsstijl die onverschillig en nalatig is en waarbij ouders zich meer focussen op hun eigen behoeften in plaats van op die van hun kinderen.

Grootfamilie

Een familie die bestaat uit grootouders, ooms en tantes, nichtjes en neefjes binnen de basis familiestructuur van ouders en kinderen.

Kerngezin

Een familie die bestaat uit twee ouders en één of meer kinderen waarin de vader kostwinner is en de moeder voor het huishouden zorgt.

Relatie

Een continuerende voorzetting van interacties tussen twee mensen die beïnvloed wordt door hun gedeelde interacties uit het verleden en die ook hun toekomstige interacties beïnvloedt.

Sociometrische techniek

Een procedure voor het bepalen van de status van kinderen in hun peergroep; ieder kind nomineert welk kind hij het aardigst en het minst aardig vindt, of geeft elk kind een beoordeling over hoe graag hij vrienden zou willen zijn met die persoon.

Populaire kinderen

Kinderen die geliefd zijn bij veel van hun leeftijdsgenoten en die door weinig kinderen onaardig gevonden worden.

Gemiddelde kinderen

Kinderen die een aantal vrienden hebben, maar die niet zo geliefd zijn als populaire kinderen.

Genegeerde kinderen

Kinderen die vaak sociaal geïsoleerd zijn en die weinig vrienden hebben ook al zijn ze niet per se ongeliefd.

Controversiële kinderen

Kinderen die door leeftijdsgenoten aardig gevonden worden, maar ook door veel leeftijdsgenoten onaardig gevonden worden.

Afgewezen kinderen

Kinderen die door veel leeftijdsgenoten onaardig gevonden worden en door weinig kinderen aardig.

Agressief verworpen kinderen

Afgewezen kinderen die weinig zelfbeheersing hebben, heel agressief zijn en vaak gedragsproblemen vertonen.

Niet-agressief verworpen kinderen

Afgewezen kinderen die vaak angstig, teruggetrokken en sociaal niet vaardig zijn.

Peer victimisatie

Nare behandeling door een kind (of meerdere kinderen) van een ander kind dat kan variëren van plagen tot pesten dat leidt tot ernstige lichamelijke schade; dit gedrag houdt vaak aan over een tijdsperiode.

Relationele victimisatie

De poging van een leeftijdsgenoot om de relaties van een ander kind te beschadigen of te beheersen.

Reputatie bias

De neiging van kinderen om het gedrag van hun leeftijdsgenoten te interpreteren op basis van eerdere ontmoetingen met en hun gevoelens over hen.

Vriendschap

Een wederkerige verbinding tussen twee mensen die zichzelf min of meer als gelijken zien.

Zichzelf blootgeven

Het eerlijk delen van zeer persoonlijke informatie, vaak met de nadruk op probleem oplossen; een belangrijk middel waarmee adolescenten vriendschap sluiten.

Peergroep netwerk

De groep van leeftijdsgenoten die bekend zijn met elkaar en waartussen een wisselwerking is op verschillende tijden om samen te spelen of taken uit te voeren.

Kliek

Een vrijwillige groep die gevormd wordt op basis van vriendschap.

Groep (crowd)

Een verzameling van mensen die ontstaan is door de stereotypen van anderen, gebaseerd op gedeelde meningen of activiteiten. Bijv.: kakkers en nerds.

 

Hoofdstuk 13

Sociale identiteit

Geslachtstypering

Het proces waarbij kinderen die (cultuurgebonden) waarden, motieven en gedragingen verkrijgen die als geschikt worden beschouwd voor hun geslacht.

Geslachtstereotypes

Overtuigingen die leden van cultuur hebben over hoe mannen en vrouwen zich horen te gedragen; dus welk gedrag acceptabel en geschikt is voor elk geslacht.

Geslachtsrollen

Samenstellingen van gedrag die vertoond worden door een typische man of vrouw in een bepaalde cultuur; een reflectie van geslachtsstereotypen in het alledaagse leven.

Geslachtsidentiteit

Het zich mannelijk of vrouwelijk voelen.

Sexuele oriëntatie

De voorkeur voor seksuele partners van hetzelfde of het tegenoverstelde geslacht.

Expressieve karakteristieken

Karakteristieken zoals verzorging en bezorgdheid om gevoelens, worden gezien als vermoedelijk typisch vrouwelijk.

Instrumentele karakteristieken

Karakteristieken zoals gerichtheid op taken en beroepen, die worden gezien als vermoedelijk typisch mannelijk.

Cognitieve ontwikkelingstheorie (Kohlberg)

De theorie dat kinderen lichamelijke en gedragsaanwijzingen gebruiken om geslachtsrollen te onderscheiden en om zichzelf als een bepaald geslacht te typeren op al zeer jonge leeftijd en dat geslachtsontwikkelingen gefundeerd zijn op de ontwikkeling van cognitieve vaardigheden.

Geslachtstabiliteit

Het idee dat geslacht niet verandert, mannen blijven mannen en vrouwen blijven vrouwen.

Geslachtsconstantheid

Het besef dat oppervlakkige veranderingen in uiterlijk of activiteiten het geslacht niet veranderen.

Geslachtsschema theorie

Een informatieverwerkingsvisie op geslachtsontwikkeling die suggereert dat schema’s kinderen helpen om hun ervaringen met betrekking tot geslachtsverschillen en rollen te organiseren en te structureren.

Androgyn

Het hebben van zowel mannelijke als vrouwelijke lichamelijke kenmerken.

Etnische bewustheid

Het zien van etniciteit als een sociale categorie.

Vooroordeel

Een houding (of set van houdingen) die meestal negatief is en vaak gebaseerd is op stereotypen over een bepaalde groep.

 

Hoofdstuk 14

Moraliteit, altruïsme en agressie

Empathie

Het vermogen om dezelfde emotie te ervaren als iemand anders.

Vignet

Een kort verhaal dat een scenario of situatie beschrijft die het kind moet becommentariëren, bespreken of beoordelen.

Premoraal stadium (Piaget)

De eerste fase van morele ontwikkeling waarin het kind nauwelijks om regels geeft (ook wel amorele fase genoemd).

Moraal realisme (Piaget)

De tweede fase van morele ontwikkeling waarin het kind respect heeft voor regels, maar ze niet flexibel toepast.

Moraliteit van wederkerigheid

Moraliteit waarbij morele beslissingen gemaakt zouden moeten worden op basis van gelijkheid en eerlijkheid tussen mensen, en gelijke rechten voor iedereen.

Twee morele werelden theorie

De visie dat er een fundamentele verschuiving plaatsvindt van heteronome moraliteit (bepaald door volwassene autoriteiten) naar autonome moraliteit (waar iedereen meedoet en het eens is met morele regels als leden van een maatschappij).

Preconventioneel niveau (Kohlberg)

Het eerste niveau van morele ontwikkeling, waarbij het gedrag van het kind gebaseerd is op het vermijden van straf en het krijgen van beloningen.

Conventioneel niveau (Kohlberg)

Het tweede niveau van morele ontwikkeling waarbij het gedrag van het kind gericht is op het krijgen van goedkeuring van anderen en het handhaven van de goede relaties met anderen. Het kind accepteert sociale voorschriften zonder vragen en beoordeelt gedrag conform deze regels als goed.

Postconventioneel niveau (Kohlberg)

Het derde niveau van morele ontwikkeling, waarbij de oordelen van een kind rationeel zijn en zijn gedrag beheerst wordt door een geïnternaliseerde ethische code die relatief onafhankelijk is van de goedkeuring of afkeuring door anderen.

Sociale conventie regels

Sociaalgebaseerde regels over alledaags gedrag.

Zelfregulatie

Het vermogen van het kind om zijn eigen gedrag te beheersen zonder herinneringen van anderen.

Controlefase (Kopp)

De eerste fase in het leren van zelfregulatie waarin kinderen sterk afhankelijk zijn van hun ouders om hen eraan te herinneren dat ze acceptabel gedrag moeten vertonen.

Zelfcontrole fase (Kopp)

De tweede fase, waarin het kind leert om de verwachtingen van de ouder na te volgen, ook als de ouder er niet bij is.

Zelfregulerende fase (Kopp)

De derde fase, waarin kinderen leren om strategieën en plannen te gebruiken om hun eigen gedrag te beheersen en om voldoening uit te stellen.

Zelfafhoudende voldoening

Het tot een ander moment uitstellen van het bezitten of doen van iets plezierigs.

Geweten

De geïnternaliseerde waarden en normen van gedrag van een kind.

Prosociaal gedrag

Gedrag dat er toe dient om anderen te helpen of te bevoordelen.

Altruïsme

Een onzelfzuchtige bezorgdheid voor het welzijn van anderen.

Empathie

Het vermogen om dezelfde emotie te ervaren als iemand anders.

Prosociaal redeneren

Denken over en het beoordelen van prosociale zaken.

Hedonistisch redeneren

Een beslissing nemen om prosociaal te handelen op basis van een verwachte materiële beloning.

Behoeften-georieënteerd redeneren

Redeneren waarbij kinderen hun bezorgdheid voor de behoeften van anderen uiten, ook al kunnen deze behoeften in strijd zijn met hun eigen behoeften.

Agressie

Gedrag dat bedoeld is om andere mensen te beschadigen door het veroorzaken van pijn of verwondingen bij hen.

Instrumentele agressie

Ruziemaken en vechten met anderen om speelgoed en bezittingen.

Vijandige agressie

Agressief gedrag dat direct gericht is op een bepaalde persoon of groep: bekritiseren, belachelijk maken, verraden of uitschelden.

Reactieve agressie

Agressief gedrag als een reactie op een aanval, bedreiging of frustratie.

Proactieve agressie

Het gebruik van kracht om een ander persoon te domineren of anderen te tiranniseren of te bedreigen.

Relationele agressie

Het beschadigen of verwoesten van inter-persoonlijke relaties door uitsluiting, roddelen of iemands reputatie te bezoedelen.

Catharsis

Het ontladen van agressieve impulsen door feitelijke of symbolische agressieve handelingen uit te voeren die anderen geen schade toe brengen.

Niet sociaal vaardig

Niet in staat zijn om inter-persoonlijke problemen op te lossen.

 

Hoofdstuk 15

Ontwikkelingspsychopathologie

Ontwikkelingspsychopathologie

Het onderzoeken van oorsprong, verloop, veranderingen en continuïteiten in verstoord of onaangepast gedrag tijdens het leven van een individu.

Diagnose

De identificatie van een lichamelijke of mentale stoornis gebaseerd op symptomen en kennis van de oorza(a)k(en) van de stoornis en het gebruikelijke verloop. Kan ook informatie ook effectieve vormen van behandeling bevatten.

Etologie

De oorzaak of oorzaken van een bepaalde stoornis.

Diagnostische betrouwbaarheid

Een maat voor hoe vaak twee of meer clinici onafhankelijk tot dezelfde diagnose van een bepaalde stoornis komen.

Ondergecontroleerde stoornissen

Een groep van psychologische verstoringen waarbij een kind zelfbeheersing lijkt te missen en zich misdraagt door zich niet aan regels te houden, ongehoorzaam te zijn en door agressief gedrag te vertonen.

Overgecontroleerde stoornissen

Een groep van psychologische stoornissen waarbij een kind te gecontroleerd lijkt, zich terugtrekt van anderen, niet spontaan is en over het algemeen niet gelukkig lijkt.

Comorbiditeit

Het samengaan van twee of meer soorten probleemgedrag.

Pervasieve ontwikkelingsstoornissen (PDD)

Stoornissen in de kindertijd die gekenmerkt worden door grote gebreken in veel gebieden van cognitieve, emotionele en sociale ontwikkeling die gerelateerd worden aan ernstige en indringende verslechtering van sociale interactie en communicatievaardigheden.

Autistische stoornis

Een levenslange stoornis waarbij het vermogen van kinderen tot communicatie en sociale interactie ernstig beschadigd is; autistische kinderen hebben vaak specifieke taalgebreken, hebben behoefte aan een stabiele omgeving en laten vaak repetitief en stereotype gedrag zien.

Gedragsstoornis

Een stoornis die gekenmerkt wordt door een repetitief en aanhoudend gedragspatroon waarbij een jong persoon de basisrechten van anderen of belangrijke leeftijdspassende sociale normen en regels schendt.

Time out

Kinderen weghalen uit een situatie of context waarin ze zich ongepast gedragen totdat ze in staat en gereed zijn om zich gepast te kunnen gedragen.

Substantiemisbruik

Het bovenmatige gebruik van legale of illegale drug op zo’n manier dat het één of meer belangrijke aspecten van het functioneren in het leven ernstig belemmerd: werk, intimiteit met anderen, of algemene inter-persoonlijke en sociale relaties.

Attention deficit/hyperactivity disorder (ADHD)

Een stoornis in de kindertijd die gekenmerkt wordt door een aanhoudend patroon van aandachtsproblemen en hyperactiviteit of impulsiviteit die heviger is dan bij kinderen met een vergelijkbaar ontwikkelingsniveau.

Psychostimulantia

Drugs, zoals amfetamine en cafeïne, die alertheid, aandacht en psychomotorische activiteit vergroten.

Gedragstherapie

Een psychologische vorm van behandeling, die vaak gebruikt wordt bij het behandelen van gedragsstoornissen en die gebaseerd is op leerprincipes zoals bekrachtiging en sociaal leren.

Depressie in kindertijd

Een stemmingsstoornis die wordt gekenmerkt door een depressieve gemoedstoestand en een verlies van interesse in bekende activiteiten, maar die zich ook vaak uit in prikkelbaarheid en humeurigheid. Wat ook voorkomt is: concentratieproblemen, moeite met focussen op taken en lagere schoolcijfers. Kinderen hebben soms ook lichamelijke klachten zoals hoofdpijn.

Geleerde hulpeloosheid

Een soort gedrag dat voortkomt uit de overtuiging dat men hulpeloos is en geen invloed heeft op de gebeurtenissen in zijn wereld.

Cognitieve gedragstherapie

Een groepstherapietechniek die heel effectief is bij het behandelen van depressie bij adolescenten. Doelen zijn: het verlagen van het zelfbewustzijn en de gevoelens van anders-zijn, manieren leren om om te gaan met depressieve buien, een positievere kijk op de wereld krijgen en sociale interacties verbeteren.

Obsessief zelfstimulerende stoornis

Gedrag dat vaak voorkomt bij kinderen met autisme waarbij ze repetitieve handelingen vertonen die geen doel lijken te hebben.

Operante gedragstherapie

Een vorm van gedragstherapie waarbij gedrag nauwkeurig wordt geobserveerd en consequent wordt beloond met bijv. voedsel.

 

Hoofdstuk 16

Ontwikkeling in volwassenheid

Psychodynamische aanpak

Een set van theorieën die gebaseerd is op het stadiamodel voor ontwikkeling van Freud, het doorlopen van de stadia wordt vaak aangeduid door het oplossen van een vorm van conflict.

Gerontologie

Het bestuderen van de sociale, biologische en psychologische aspecten van het verouderen.

Reservecapaciteit

Het vermogen om het lichaam nog net iets meer in te spannen tijdens zware lichamelijke activiteiten.

Menopauze

Een biologische verandering in vrouwen gedurende het midden van de volwassenheid waarbij de eierstokken stoppen met functioneren en vrouwen niet langer zwanger kunnen worden.

Andropauze

De ‘mannelijke menopauze’, gerelateerd aan een afname van de productie van testosteron, maar met verschillende symptomen en die niet universeel erkend is.

Voorgeprogrammeerde theorie

De theorie dat de snelheid van het lichamelijk verouderen bepaald wordt door onze genen en daardoor in zekere zin onvermijdelijk is.

Wear-and-tear theorie

De theorie dat het ouder worden het gevolg is van externe (verwondingen en ziekte) en omgevingsfactoren

Primaire veroudering

De geleidelijke achteruitgang van het lichamelijke vermogen als gevolg van genetische of ‘voorgeprogrammeerde’ factoren.

Secundaire veroudering

De achteruitgang van het lichaam door verwondingen en ziekte over tijd.

Vloeiende intelligentie

Het vermogen om abstract te kunnen redeneren, zoals het opmerken van patronen van getallen of reeksen.

Gekristalliseerde intelligentie

Aspecten van intelligentie die gerelateerd zijn aan kennis, onderwijs en ervaring zoals het weten wat een bepaald woord betekent.

Postformeel denken

Denken dat gebaseerd is op logische oplossingen maar dat ook de rol van relatieve perspectieven en context erkent.

Hersenreserve hypothesis

Het idee dat sociale en cognitieve stimulatie kan helpen bij het opbouwen van reserves van vaardigheden en ervoor kan zorgen dat hersenfuncties en hersenprestaties in oudere mensen verbeteren.

Selective optimization with compensation (SOC)

De theorie dat, als mensen ouder worden en hun cognitieve capaciteiten afnemen, zij proberen dit te compenseren door alternatieve manieren te vinden om taken te voltooien.

Triangulaire theorie van liefde (Sternberg)

Het model van liefdesrelaties dat drie componenten bevat: intimiteit, betrokkenheid en passie; die variëren in verschillende relaties.

Totale liefde

De ideale liefde, die zowel intimiteit, betrokkenheid als passie bevat.

Smoorverliefd

Een relatie die alleen gebaseerd is op passie (dus zonder intimiteit en betrokkenheid).

Romantische liefde

Intimiteit en passie zonder betrokkenheid.

Dwaze liefde

Passie en betrokkenheid zonder intimiteit.

Beeldvormingniveau theorie van psychologische afstand

De theorie dat de manieren waarop we denken over mensen, gebeurtenissen of objecten min of meer abstract zijn, afhankelijk van de psychologische afstand.

Soorten grootouderrelaties

Verschillende soorten relaties tussen grootouder en kleinkind, geïdentificeerd als met compassie, betrokken en afstandelijk, afhankelijk van de graad van betrokkenheid bij het kleinkind en de kwaliteit van de relatie.

Disengagement theorie

De theorie dat succesvol ouder worden geleidelijke terugtrekking van en onttrekking aan vele activiteiten inhoudt.

Activiteit theorie

De theorie dat succesvol ouder worden inhoudt dat men de interesse in activiteiten vasthoudt tot in de late volwassenheid.

Continuïteit theorie

De theorie dat het voor het succesvol ouder worden belangrijk is dat mensen actief blijven op een niveau dat zorgt voor tevredenheid in het leven.

Use it or lose it

Het idee dat mensen moeten proberen om cognitieve en lichamelijke activiteiten zo veel mogelijk te gebruiken, zodat cognitief en lichamelijk verval tegengegaan wordt.

Levensstructuur

Het onderliggende patroon van het leven van een volwassene op een bepaald punt in het leven.

Bron

  • Deze samenvatting is geschreven in collegejaar 2012-2013.
Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Follow the author: Vintage Supporter
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.