Samenvatting 'New Media: Key Concepts'

Deze samenvatting is geschreven in collegejaar 2012-2013.


 

Hoofdstuk 1. Inleiding: ideeën over nieuwe media

 

Concepten zijn centra van beweging, elk op zichzelf en ieder met betrekking tot alle anderen (Gane & Beer, 2008, p.1).

 

Waarom gebruik maken van concepten?

Concepten zijn de basisinstrumenten van het denken dat ons in staat stelt om digitale technologieën te bestuderen samen met de complexe sociale en culturele veranderingen die digitale technologieën veroorzaken, gekoppeld zijn aan digitale technologieën of het gevolg zijn van digitale technologieën, afhankelijk van je standpunt. Concepten vallen onder de epistemologie. De epistemologie is een tak van de filosofie die zich bezighoudt met onderliggende fundamenten en structuren van kennis.

 

Deleuze en Guattari onderscheiden drie hoofdtypen van conceptueel werk:

  • Universele begrippen zijn encyclopedische definities die tot doel hebben het geven van een vaste universele betekenis aan concepten.
  • Verhandelbare concepten zijn concepten gericht op de productie van ideeën die enkel worden gewaardeerd om hun economische waarde.
  • Pedagogie van het concept is experimenteel van aard en maakt gebruik van concepten door in een flexibele, open manier van onderzoek problemen aan te pakken wanneer ze zich voordoen.

 

Wat wordt verstaan onder ‘nieuwe’ media?

Manovich stelt dat nieuwe media ‘nieuw’ zijn omdat zij werken via de productie en verwerking van numerieke (overwegend binaire) codes.

 

Feldman schetst een aantal belangrijke kenmerken van digitale media:

  • Digitale media maken de manipulatie van gegevens in ongekende mate mogelijk. Je kan jezelf afvragen of digitale technologieën van nature interactief zijn.
  • Digitale media kunnen gekoppeld worden aan elkaar en zo worden verbonden in netwerken die enorme geografische ruimtes met relatief gemak overspannen.
  • De hoeveelheid gegevens die digitale media verwerken worden steeds groter.
  • Digitale media is onpartijdig.

 

De concepten die besproken worden in deze samenvatting

In hoofdstuk twee bekijken we het concept ‘netwerk’. Een netwerk is een infrastructuur die computers en externe apparaten met elkaar verbindt en die, als gevolg, communicatie mogelijk maakt of toegang tot gegevens.

 

In het hoofdstuk zullen drie belangrijke sociologische benaderingen van netwerken worden beschouwd:

  • De netwerksamenleving en het kapitalisme van het netwerk door Manuel Castells.
  • De sociale netwerk benaderingen van denkers zoals Barry Wellman.
  • De actor-netwerk theorie van Latour en Law.

 

In hoofdstuk vijf bespreken we het concept ‘archief’. Archieven zijn opslagmedia die opslag en reproductie van het collectieve geheugen bewerkstelligen en ons dus iets vertellen over de veranderende basis van het hedendaagse sociale en culturele leven (Gane & Beer, 2008, p.11).

 

Een meer eigentijdse interpretatie van archiveringstechnologieën is nodig om twee redenen:

  • Een fundamentele verschuiving in de vorm van het archief. Het archief wordt steeds individueler.
  • Een verandering in het beheer van archieven en de gegevens die ze bewaren en verzenden.

 

In hoofdstuk zes bespreken we het concept ‘interactiviteit’. Een kernpunt van dit hoofdstuk is hoe interactief ‘nieuwe’ media zijn vergeleken met oudere, analoge media.

 

In hoofdstuk zeven kijken we naar simulatie. Dit hoofdstuk zal een overzicht geven van de basiselementen van Baudrillard’s theorie. Ook wordt meer recent werk besproken van Friedrich Kittler en Katherine Hayles.

 

Samenvatting

Concepten stellen ons in staat om de onderliggende dynamiek van het nieuwe media tijdperk te bekijken. Concepten hebben vaak een complex en omstreden verleden en meer dan één betekenis. Er zijn belangrijke historische en technische verbindingen tussen ‘oude’ (analoge) en ‘nieuwe’ (digitale) media technologieën en het is om deze reden dat het idee van ‘nieuwe’ media omstreden is.

 

Hoofdstuk 2. Een nieuwe vorm van organisatie

 

Een stijlfiguur is in de taal een afwijking die het gebruik van een woord onttrekt aan de letterlijke of originele vorm.  Het woord netwerk is een stijlfiguur. De betekenis van het woord netwerk is verschoven van de informatica, van engineering en analyse van de verbindingen tussen computers en diverse ondersteunende apparaten, naar de sociale wetenschappen.

In de sociale wetenschappen betekent het woord netwerk een nieuwe maatschappelijke vorm van organiseren, die wordt gekenmerkt door:

  • Een individualistische cultuur.
  • De versnelde mobiliteiten van mensen, goederen, kapitaal, tekenen en informatie over de hele wereld.

 

Wat wordt verstaan onder een netwerk?

Een LAN is een lokaal netwerk. Een WAN is een netwerk dat een groter gebied beslaat. Een netwerk onderscheidt zich door een onderliggende architectuur of topologie. Netwerken kunnen worden ingedeeld in categorieën op basis van hun algemene vorm.

 

In een stertopologie ligt één enkele computer in het midden van een netwerk. Deze computer heeft hierover een hoge mate van controle.

 

Een ringtopologie verbindt computers en apparaten circulair. Een machine kan alleen communiceren door middel van zijn buurapparaten. Dit type topologie komt veel voor in de wereld van de digitale muziek.

 

Een volledig verbonden topologie waarin sprake is van een directe verbinding en communicatie tussen alle apparaten in het netwerk is een ‘extreem’ en kostbaar systeemontwerp.

 

Een volledig verbonden topologie waarin sprake is van een directe verbinding en communicatie tussen alle apparaten in het netwerk is een extreem en kostbaar ontwerp van een topologie.

 

Ten slotte zijn er gecombineerd topologieën die een aantal van deze regelingen combineren in complexe systeemarchitecturen. Deze topologie is gebruikelijk voor de meeste internetgebruikers.

Een basisset van metaregels of protocollen staat open communicatie tussen verschillende systemen toe. Het 'Open Systems Interconnection referentiemodel' (OSI-model) is een model dat werkt door het afbreken van de communicatienetwerken in verschillende lagen.

 

De Netwerkmaatschappij

Castells is van mening dat netwerken sociale structuren zijn. Een netwerk is een open structuur, in staat om zich uit te breiden zonder grenzen. Netwerken zijn een nieuwe vitaliteit in het informatietijdperk, vooral wanneer ze worden ‘aangedreven door nieuwe informatietechnologieën’. Deze technologieën transformeren netwerken doordat zij ‘een ongekende combinatie van flexibiliteit en taakuitvoering, gecoördineerde besluitvorming en gedecentraliseerde uitvoering’ mogelijk maken. Zo ontstaat een maatschappelijke vorm die wordt gekenmerkt door een transformatie van tijd en ruimte in ‘tijdloze tijd’ en een ‘ruimte van stromen’. Tijdloze tijd is een gecomputeriseerde tijd gecreëerd door machines die met elkaar werken en communiceren met snelheden ver boven de zintuiglijke waarnemingen van hun gebruikers. Dit gaat gepaard met de opkomst van een ruimte van stromen waarin ‘plaatsen loskomen van hun culturele, historische en geografische betekenis en herintegreren in functionele netwerken’. Castells gebruikt deze theorie van netwerken om het hedendaags kapitalisme te beschrijven en analyseren. Hij stelt dat de netwerkmaatschappij fundamenteel een kapitalistische maatschappij is. Netwerken delen namelijk dezelfde logica als die ligt in het hart van het kapitalistische systeem. Hij betoogt dat de netwerksamenleving gebaseerd is op een verschuiving van gemeenschappen naar ‘MEcentred’ netwerken. Dit is een individuele sociale vorm waarin individuen zich positioneren om persoonlijk gewin te maximaliseren. Castells noemt dit ‘een nieuw patroon van sociabiliteit gebaseerd op individualisme’ en nieuwe media biedt de technische infrastructuur voor de ontwikkeling hiervan.

 

Sociale netwerk analyse

De sociale netwerk analyse (SNA) neemt een meer empirische benadering om de manier waarop actoren werken en zich verbinden binnen netwerken te begrijpen. Deze benadering houdt zich minder bezig met de technologische structuren van netwerken op zich. Het basis idee is om de relaties tussen en onder mensen te bekijken als de basiseenheden van de sociale structuur. Deze benadering maakt gebruik van het idee om nieuwe vormen van menselijke connectiviteit te presenteren. De nadruk ligt op wiskunde, maar het belangrijkste punt is de kwaliteit van de relaties die bestaan tussen knooppunten. Dit geeft een gedetailleerd verslag van de sociale netwerk topologie van de samenleving.

 

Waarom is dit van belang?:

  • Een aantal denkers, vooral Barry Wellman, hebben geprobeerd om een dergelijke analyse toe te passen op de relaties die zijn ontstaan door het gebruik van nieuwe media technologieën, met name het internet.
  • De groei van het internet als communicatiemedium heeft de mogelijkheden voor het verzamelen van sociale netwerkgegevens vergroot.
  • Er is hernieuwde belangstelling voor de definitie en de meting van netwerkrelaties in het licht van de beïnvloeding van het sociale leven door informatie- en communicatietechnologieën.

 

Deze theorie impliceert dat de gemeenschap niet afneemt in de netwerksamenleving maar verandert van vorm.

De redenen hiervoor zijn:

  • Hoewel geïndividualiseerde relaties online kunnen floreren, doet het internet niet noodzakelijkerwijs af aan de handhaving van sociaal hechte en sterke banden.
  • Virtuele gemeenschappen dienen niet geïsoleerd te worden behandeld van de topologie van het netwerk in de samenleving in bredere zin. Dit omdat er veel contact online is tussen mensen die elkaar ook persoonlijke zien.

                   

Bij deze benadering ontbreekt de wijze waarop dergelijke netwerken deze verbindingen mogelijk maken en de manieren waarop sociale netwerken zijn opgebouwd door diverse technologieën.

 

De actor netwerk theorie

In het centrum van de Actor Netwerk Theorie (ANT) ligt de vraag over het verband tussen het technische en het sociale samen met menselijke en niet-menselijke connectiviteit.

John Law stelt dat er twee belangrijke aspecten zijn aan deze aanpak:

  • Een nadruk op de ‘semiotiek van de materialiteit’ of op de ‘relationele materialiteit’. Dit is het idee dat de relationaliteit van tekenen wordt opgeheven uit de semiotiek en uitgebreid tot de analyse van materiële vormen, zoals alledaagse voorwerpen (Gane & Beer, 2008, p.28).
  • Een belang in performativiteit. Dit betreft de manier waarop entiteiten worden wat ze zijn door hun verbindingen met andere entiteiten.

 

Law stelt dat er twee manieren zijn om te gaan met het concept ‘netwerk’:

  • Erop aandringen dat de term een beschrijving is die de analyse van verschillende patronen van connectie en verschillende topologische mogelijkheden mogelijk maakt. Dit is de manier van de sociale netwerk analyse.
  • Stellen dat de notie van het netwerk zelf een vorm van ruimtelijkheid is. Dit heeft de neiging te beperken.

 

Een rhizoom is Deleuze en Guattari's idee van een complex systeem van wortels die horizontaal met elkaar te verbinden zijn. Het is een systeem gekenmerkt door verbindingen. Netwerken zijn dynamische systemen die beschikken over eindeloze creatieve mogelijkheden. Latour is geïnteresseerd in hoe entiteiten worden gevormd en getransformeerd zodra ze met elkaar verbonden worden.

 

Latour stelt dat er aan de oorsprong van de sociologie twee tradities waren:

  • Een traditie zag het sociale als een speciaal deel van de werkelijkheid.
  • Een andere traditie zag dat wat telt in het sociale is het type van de verbindingen die worden gemaakt. In dit verband is het woord netwerk nog nuttig voor zover het de sociologie oriënteert in de richting van de analyse van verbindingen en associaties.

 

Voor Latour ligt de waarde van de actor- netwerk theorie in het opsporen van associaties zodat zij de beweging van het sociale zichtbaar maken. Een goede ANT is een verhaal, beschrijving of stelling waarin alle actoren actief zijn.

 

Conclusie

Dit hoofdstuk heeft vier verschillende benaderingen van het concept ‘network’ gegeven:

  1. Het woord kwam uit de informatica en werd gebruikt voor technische structuren. Netwerken hebben verschillende topologieën en zijn alleen in staat om te werken als protocollen zijn getroffen om een soepele crossplatform communicatie te waarborgen.
  2. Manuall Castells gebruikt het concept als een metafoor voor een nieuw type van de kapitalistische samenleving die meer flexibel, gedecentreerd en geïndividualiseerd is dan eerdere vormen.
  3. De sociale netwerk analyse gebruikt het idee van het netwerk als een representatieve vorm om opkomende vormen van connectiviteit tussen mensen op verschillende schalen in beeld te brengen. De nadruk ligt op de wijze waarop computernetwerken sociale vormen zijn geworden in plaats van technische vormen.
  4. Actornetwerk theorie kijkt naar de verbindingen tussen mensen en niet-menselijke entiteiten. Ze dringen erop aan dat het de rol is van de sociale wetenschappen om verbindingen te maken tussen de entiteiten en te analyseren wat deze mogelijk maakt, samen met de effecten die ze zouden kunnen brengen.

 

De vraag is nu of het concept moet worden gebruikt als een beschrijvend of methodologische woord of in plaats daarvan moet worden gebruikt om problemen aan te leveren en verbinding tussen entiteiten te maken als onderdeel van een actief programma voor onderzoek? In de praktijk is het moeilijk netwerk als een concept van netwerk als een beschrijving van materiële vorming te scheiden. Een reden hiervoor is dat analyses van maatschappelijke en culturele verschijnselen in termen van netwerken een metafoor van technische oorsprong oproepen. Om dit concept niet te overbelasten moet het behoren tot een breder netwerk van concepten die samen nuttig zijn in de analyse van de vele facetten van de hedendaagse samenleving en cultuur.

 

Hoofdstuk 5. Het bewaren van digitale data

 

Dit hoofdstuk zal zich richten op de opslag van informatie. Meer specifiek zullen we ingaan op de vraag: hoe kunnen archieven worden geconceptualiseerd in het tijdperk van digitale media? Het hoofdstuk zal traditionele opvattingen van het archief als een orgaan van ‘officieel’ geclassificeerde teksten uitdagen door te stellen dat archieven steeds meer gedecentraliseerd zijn in vorm en meer open dan ooit in toegang en productie. Deze verandering is voor een groot deel te wijten aan de ruime verspreiding van op internet gebaseerde media en een transformatie van het internet zelf: van een statische informatiebron naar een dynamische ruimte.

 

Archive Fever van Derrida

Het werk van Jacques Derrida is een belangrijk referentiepunt voor recente analyses van archiveringstechnologieën. Zijn Archive Fever opent met een etymologische studie van het archief. Het belangrijkste punt in deze beschrijving is dat het archief oorspronkelijk gelegen was in een bevoorrechte ruimte die van oudsher door magistraten werd beheerd. Het gevolg hiervan is dat het archief plaatsvond (als een gebeurtenis) omdat het zowel fysiek als politiek kon worden gehandhaafd. De opkomst van internet technologieën suggereren dat zowel de basis van het archief als de relatie tussen publieke en private ruimte aan het veranderen is. De onderliggende sociale of culturele structuur van het archief wordt steeds individueler.

Derrida stelt dat media technologieën geen passieve transporteurs van inhoud of representaties zijn. Zij structureren actief het archief en misschien zelfs de gebruikers. Hier is hij het eens met McLuhan. McLuhan verkondigde dat het medium de boodschap is. Hiermee bedoelde hij dat het medium de inhoud van de boodschappen die het communiceert, samen met de menselijke cultuur in het algemeen, structureert. Helaas maakt Derrida een fout in zijn eigen betoog. Hij richt zich enkel op één technologie, namelijk op e-mail. Dit betekent dat hij een zeer beperkt beeld heeft van wat archieven zijn, de gegevens die ze opslaan en de technologieën waarmee zij opereren. Een beschouwing van de multimediale mogelijkheden van nieuwe media technologieën, samen met de officieuze archiefvormen die ontstaan door het gebruik ervan, is nodig.

 

Alledaagse archieven

In door gebruikers geproduceerde archieven krijgt het alledaagse een nieuwe betekenis. Gebruikers zetten hun eigen content online en zijn verbonden met anderen door middel van een hyperlinksysteem van trefwoorden of metatags, waardoor het zoeken en ophalen van informatie mogelijk wordt gemaakt. Dit duidt op een fundamentele verschuiving in de vorm van het archief, dat nu bronnen bevat zoals video’s  van mobiels, webcam blogs, geluidsopnamen, digitale foto’s en home video’s opnames. Hierdoor worden de muren van het archief uitgebreid naar het alledaagse. De verschuiving in de richting van massa-archivering van het alledaagse is onderdeel van een breder sociaal en cultureel proces dat Zygmunt Bauman individualisering noemt. Dit houdt de stroom van de particuliere belangen in de openbare ruimte in. Dit brengt met zich mee de trivialisering van de openbare ruimte en de politiek, samen met een vermindering van het aantal burgers (georiënteerd op het collectief) en een toename van het aantal consumenten (nastreven van individuele wensen en behoeften). Deze positie is vergelijkbaar met die van Castells, die een verschuiving zag naar ME-centered netwerken. Hoewel de archieven steeds individueler worden betekent dit niet dat deze publieke ruimten standaard Me-centered zijn. De architectuur van het web kan een collectief doel dienen. Voorbeelden zijn Wikipedia en steungroepen. Een van de meest interessante eigenschappen van het internet vandaag de dag is dat het een ruimte is die wrijft tegen de openbare of staat bevoegden voor controle over informatie. Technologieën die het bestanden uitwisselen mogelijk maken onttrekken zich aan de traditionele controle van de overheid. Ze stellen gebruikers in staat zich met elkaar te verbinden zonder dat gebruikt wordt gemaakt van gecentraliseerde controlepunten. Dit resulteert in een archieftechnologie die de vorm aanneemt van een open systeem. Het archief wordt een gezamenlijk project. Dit, op zijn beurt, geeft aanleiding tot conflicten over de eigendom van informatie.

 

Het geheugen en archieven

Een ander aspect van de archieven die de neiging hebben om te werken via de gezamenlijke daden van individuen is dat zij een nieuwe verbinding tussen het archief en het geheugen bewerkstelligen.

 

Voor Appadurai zijn er twee belangrijke ontwikkelingen:

  • Het archief is tot op zekere hoogte gedemocratiseerd.
  • De verbinding tussen het archief en het menselijk geheugen wordt ‘gedenaturaliseerd’.  Dit betekent dat de structuur van het menselijke geheugen verandert in vorm als gevolg van de ongekende kracht van de nieuwe media voor gegevensopslag en vanwege de alomtegenwoordigheid van deze technologieën in het dagelijks leven.

 

Er zou zelfs kunnen worden betoogd dat het leven vandaag de dag zich steeds vaker afspeelt via het archief in plaats van dat het leven er simpel opgeslagen wordt (Gane & Beer, 2008, p. 82). De opslagcapaciteit van de nieuwe media-archieven verandert inderdaad de structuur van het hedendaagse sociale en culturele leven. De nieuwe archieven zijn polyfone. Dit betekent dat ze bestaan uit ‘een veelheid van bronnen, stemmen’. Ze vergemakkelijken meervoudige ingangen en niet-lineaire sprongen door het materiaal. Zo ontstaat een nieuw model van het geheugen dat werkt door middel van koppelingen in plaats van hiërarchische beperkingen. Op deze manier wijzigen veranderingen in de vorm van het internet op hun beurt de basisstructuur van het archief en met dit de basis en inhoud van het collectieve geheugen.

 

De toegangskwestie verschuift de aandacht naar onderliggende machtsstructuren en ongelijkheid in het nieuwe media tijdperk. Nieuwe media-archieven zijn geenszins immuun voor de dynamiek van de kapitalistische markt. De meest fundamentele ongelijkheid is de digitale kloof tussen degenen die toegang hebben tot de fysieke technologieën die nodig zijn om deel te nemen in de online wereld van degenen die dat niet hebben. Deze kloof is minder acuut geworden en de aandacht is verschoven naar het type en de snelheid van toegang die gebruikers hebben, samen met de kennis die gebruikers nodig hebben.

 

Conclusie

Het is noodzakelijk om het archief te heroverwegen uit haar institutionele context en van de traditionele tekstuele gegevens. Het digitale archief is een virtuele site die onmiddellijke overdracht verzorgt.

 

Deze digitale archieven hebben een onderliggend conceptueel ontwerp dat in veel opzichten bredere veranderingen in de hedendaagse samenleving en cultuur weerspiegelt. Dit komt ten dele, doordat archieven sporen bevatten van de praktijken en smaken van hun gebruikers, terwijl ze op hetzelfde moment iets zeggen over de diepere structuren en de dynamiek van het alledaagse leven. Nieuwe media-archieven zijn plaatsen waar nieuwe vormen van het geheugen, nieuwe vormen van macht en nieuwe configuraties van macht versus informatie opkomen. Daarom moeten nieuwe media-archieven worden geanalyseerd in het licht van de dynamiek van het hedendaagse kapitalisme en in relatie tot hiërarchieën van toegang.

 

Hoofdstuk 6. Een nieuwe manier van interactief organiseren?

 

Interactiviteit is een concept dat vaak wordt gebruikt om de beschrijving van de werking van nieuwe mediatechnologieën te omzeilen. Dit hoofdstuk betoogt dat er meer aan het concept van interactiviteit kleeft dan men zou denken. Het voornaamste argument is dat het een nuttig concept is voor de analyse van de politieke aspecten van door de gebruiker geproduceerde inhoud. Het doel is om het concept van interactiviteit te onderwerpen aan een kritische onderzoek. Lev Manovich biedt een complexe typologie van interactiviteit gebaseerd op een theorie van de historische verstrengeling van verschillende media technologieën.

 

In het licht van deze theorie zullen we:

  • Proberen verder te gaan dan utopische visies van technologie die interactieve media zien als de bevrijders van de beperkingen van geografische en lichamelijke ruimtes. Dit wordt door Graham de ‘droom van transcendentie’ genoemd.
  • Kijken naar recente sociale theorieën van media interactiviteit.
  • Opkomende vormen van interactiviteit verkennen.

 

Is interactiviteit een mythe?

De belofte van interactiviteit is dat het soepel en onbeperkte interacties tussen gebruikers en machines levert in vrijwel elke omgeving. Graham noemt dit de ‘alles-altijd en overal droom’. Hij stelt dat er geen duidelijke toename is in interactiviteit in het nieuwe media tijdperk. In plaats daarvan kampen we met een complexe en oneindig gevarieerde reeks van transformaties waar nieuwe en oude media technologieën met elkaar versmelten. Manovich stelt een genealogische methode van media-analyse voor. Hij analyseert de taal van de nieuwe media door het te plaatsen in de geschiedenis van de moderne visuele en media culturen.

 

Veel van de ‘vermeende unieke’ principes van nieuwe media kunnen worden gevonden in vroege vormen van de film. Hij zegt dat de vermeende interactiviteit van het digitale tijdperk een mythe is omdat nieuwe mediatechnologieën niet meer interactief zijn dan hun analoge tegenhangers. Dit is een geheel andere positie dan die van McLuhan.

 

Het principiële standpunt van McLuhan is dat ‘traditionele’ media zoals boeken en films interactief zijn voor zover zij van de lezer of toeschouwer een mentale voorstelling vragen. Deze media zijn ‘heet’ omdat ze één van onze zintuigen verlengen. Televisie, net als alle andere ‘koele’ media, vragen om een hoger niveau van interactie met het publiek. Dus, hete media (boeken en films) zijn laag in participatie en koele media (televisie en telefoon) zijn hoog in participatie.

 

Voor Manovich is juist het omgekeerde waar: boeken en films zijn meer interactief dan digitale media juist omdat ze van het publiek vragen een mentale voorstelling te creëren. Hij ziet media zoals schilderijen, boeken, beelden, architectuur en bioscopen als geslaagd omdat ze onze zintuigen onthouden van volledige informatie of van informatie op een hoger level. Ze werken omdat ze vragen de gaten op te vullen in visuele- of audioverhalen. Ze verlangen van het publiek dat het eigen lezingen, afbeelding en zelfs dialogen construeert door interactie met het medium in kwestie (Gane & Beer, 2008, p. 92.). Voor hem zijn media zoals de bioscoop interactiever dan de zogenaamde ‘interactieve’ digitale media. De nieuwe media geven wel de schijn van zeer interactief maar bieden vaak een meer beperkt aanbod, namelijk een beperkt aantal voorgeprogrammeerde opties die op hun beurt ons gebruik structureren. Hij betoogt dat moderne computers realtime manipulatie van gegevens mogelijk maken en daarom op een andere manier ‘interactief’ zijn dan andere media. Hij stelt dat er een reeks van interactiviteit types zijn die gesloten of open in vorm kunnen zijn. Menugebaseerde interactiviteit (branching-tree interactivity) is een voorbeeld van gesloten interactiviteit. Het belangrijkste kenmerk is dat gebruikers keuzes maken uit een set van vooraf bepaalde opties. Aan de andere kant zijn er responsieve, complexe en flexibele systemen die gebruikers een breed scale aan open mogelijkheden bieden.

 

Je kunt het beste denken aan interactiviteit op verschillende schalen, met systemen gelegen langs open of gesloten assen, afhankelijk van hoe open hun fundamentele structuren zijn in gebruikersdesign en verandering.

 

Sociale theorieën van media interactiviteit

Manovich biedt een technisch gefundeerde analyse van de verschillende soorten media interactiviteit. Kiousis bekijkt het concept interactiviteit in sociologische termen. Hij suggereert, dat de ervaring van interactiviteit niet alleen het product is van technische systemen, maar ook betrekking kan hebben op het gevoel dat de gebruiker heeft en de effecten die hij/zij wenst te produceren. Het wordt ingewikkelder om onderscheid te maken tussen de verschillende soorten interactiviteit als menselijk handelen wordt geïntroduceerd als een variabele, dat wil zeggen als systemen worden gezien te variëren in termen van interactiviteit, afhankelijk van wie het systeem gebruikt en in welke context.

 

Dit betekent dat er twee kanten zijn aan de studie van interactiviteit:

  • Een schaal van interactiviteit gebaseerd op hoe een bepaald technisch systeem functioneert, waar interactiviteit uitsluitend fluctueert door het veranderen van technologische eigenschappen.
  • Een schaal van interactiviteit gebaseerd op het feit dat niveaus van interactiviteit stijgen en dalen afhankelijk van menselijke percepties.

Schultz betoogt dat de interactiviteit van nieuwe media anders is dan de twee-weg of reactieve communicatie waar de massamedia traditioneel gebruik van maakte om betrokkenheid van het publiek te stimuleren. De interactiviteit van nieuwe media is direct en neigt te werken in realtime. Het biedt ook de belofte van meer democratie. Maar in veel gevallen is het gebruik van nieuwe technologieën ver van interactief, want het is mogelijk om de zogenaamde interactieve nieuwe media in te zetten op een manier die de gebruiker in zijn of haar interactiviteit remt. Dit standpunt is gebaseerd op een communicatief model van interactiviteit waarbij de vormen van interactie die ze faciliteren of hinderen tussen gebruikers tellen. Andrew Barry onderzoekt deze verbinding van macht en nieuwe media technologie vanuit een andere hoek.

 

Hij analyseert interactiviteit als een concept dat is gekoppeld aan het hedendaagse politieke ideaal van actief burgerschap:

  • De individuele burger verwacht in toenemende mate zijn of haar eigen beslissingen te nemen over wetenschappelijke en technologische aangelegenheden.
  • Deze verschuiving in de richting van de individualisering van de politieke en misschien ethische verantwoordelijkheid gaat niet noodzakelijkerwijs gepaard met een beweging naar verhoogde vrijheid of zeggenschap van individuen. In plaats daarvan wordt deze verschuiving vergezeld door de verhoogde bevoegdheden van voorwerpen en technologieën en nieuwe vormen van regulering die politieke rechten en verantwoordelijkheden neerleggen bij het individu.

 

Dit nieuwe ‘interactieve’ universum wordt gekenmerkt door een verschuiving van ‘leer!’ en ‘je moet!’ naar ‘ontdekt!’ en ‘je mag!’. Dit suggereert dat interactiviteit een proces is waarin publieke herinneringen, kennis en cultuur gemedieerd worden.

 

Interactiviteit en gebruiker geproduceerde inhoud

Het is mogelijk om vier soorten van aanpak van het concept van interactiviteit te schetsen:

  1. Een technische geïnformeerd of structurele visie van interactiviteit waarbij interactieve mogelijkheden zijn ingebouwd in de hardware en software van verschillende media systemen.
  2. Interactiviteit in termen van menselijk handelen.
  3. Interactiviteit als een concept om de communicatie tussen gebruikers te beschrijven gemedieerd door nieuwe media, en dat aanleiding geeft tot nieuwe mogelijkheden voor interpersoonlijke communicatie.
  4. Interactiviteit als een politiek concept dat is gekoppeld aan bredere veranderingen in bestuurlijkheid en burgerschap.

 

De opkomst van ‘Web 2.0’ technologieën die de productie en het massaverkeer van door gebruikers geproduceerde content mogelijk maken zijn van bijzonder belang voor de laatste benadering. Het concept interactiviteit zou nuttig kunnen zijn voor de analyse van de dominante retoriek. Ook zou het inzichten kunnen geven in de nieuwe online culturen die ons vertellen over de kracht van nieuwe media in het democratiseren van de online ruimte. Interactiviteit is op meerdere manieren gebonden aan de werking van de kapitalistische markt, waarin informatie de primaire grondstof is. Een belangrijk aspect van het proces van mediatisering is dat als we consumeren via nieuwe media we informatie produceren over onszelf dat van waarde is voor de kapitalistische markt. Interactieve media produceren vaak informatie over hun gebruikers dat van economische waarde is.

 

Conclusie

Het is noodzakelijk om te denken over variabele schalen en soorten van interactiviteit en om dit concept te verkennen door middel van een historisch begrip van digitale media.

 

 

Hoofdstuk 7. Nagespeelde realiteit

 

Baudrillard stelde een theorie van Westerse cultuur voor die gekenmerkt wordt door simulatie en hyperrealiteit. Vandaag de dag is zijn werk minder prominent aanwezig omdat gesimuleerde media omgevingen nu overal zijn en als vanzelfsprekend worden beschouwd in plaats van dat ze kritische worden bekeken. Ook is er sprake van een subtiele verschuiving in de focus van hedendaagse mediatheorie naar diepere verbindingen tussen simulatie en de materiële onderbouwing.

 

Orders of Simulacra

Baudrillard begint in zijn theorie met de Renaissance, die wordt gekenmerkt door culturele productie van ‘valse’ natuur. Deze wereld is gebonden aan een economie van tekenen die ontstaan met de daling van de feodale orde. Dit zijn tekenen die nieuwe hiërarchieën van sociale status en sociale verhoudingen in de vroegmoderne tijd aangeven. Deze economie van tekens verandert met de verschuiving naar de industriële samenleving. De nadruk ligt nu op de massaproductie van identieke dingen die niet langer hun wortels in de natuur hebben. Dit noemt Baudrillard de tweede orde van simulacra. In deze wereld zijn series van n identieke objecten van primaire betekenis. Het belangrijkste punt is dat technologie altijd een vorm van media is. De kracht ligt in haar vermogen om tekens en objecten te reproduceren. De verschuiving van de focus op productie naar voortplanting en consumptie voert een derde orde van simulacra in. Er zijn alleen modellen van waaruit alle vormen verlopen volgens gemoduleerde verschillen.

 

Volgens Baudrillard heeft deze cultuur van simulatie drie belangrijke functies:

  • Computermodellen kunnen worden gebruikt om voorwerpen of ideeën te ontwerpen of ‘crashtesten’ door ze door denkbeeldige scenario’s te testen.
  • Werkelijkheid wordt verplaatst door hyperrealiteit. Digitale media heeft een steeds grotere invloed op ons vermogen om de wereld te leren kennen, en als gevolg daarvan vervagen de grenzen tussen wat ‘echt’ is en wat ‘virtueel’ is. Dit maakt van de werkelijkheid een historisch specifieke constructie.
  • De wereld van de simulatie is gebaseerd op een wereld van codes die ons meenemen voorbij de fysieke werkelijkheid zoals deze bekend was.

 

Cultuur wordt dus een informatieve vorm.

 

Software/Hardware

Kittler en Hayes roepen op het idee van simulatie te herzien door na te denken over complexe verbanden tussen hardware en software en virtualiteit en lichaam. Kittler graaft onder de oppervlakte van de zogenaamde virtuele cultuur en stelt vragen over de diepere structuren van macht en controle. Een scheiding tussen communicatie en macht is niet mogelijk. ‘Er is geen software’ stelt dat het medium / hardware structuren de inhoud van IT-processen produceert. De opdrachten van de toepassingen die we gebruiken zouden ons commanderen. De belangrijkste vraag is: wat betekent het om mens te zijn of sociaal in een tijdperk van ‘intelligente’ machines? Deze benadering behandelt nieuwe media technologie als een actief middel van culturele verandering. Hij stelt zelfs dat het idee van het ‘menselijke’  moet worden uitgelegd in plaats van verondersteld. Vandaag de dag zouden dergelijke vragen moeten voortkomen uit de analyse van nieuwe media technologieën, met name besturingssystemen en circuits. Media technologieën zijn actieve producenten en verwerkers van informatie. Hij promoot een nieuwe methode voor het bestuderen van (intelligente) machines en de gesimuleerde omgevingen die zij produceren. Dit noemt hij informatie materialisme.

 

De begrenzingen van virtualiteit

Hayles verkent het landschap van het posthumanisme. Hayles uitgangspunt is dat het verkeerd is de geest van het lichaam te splitsen of software van hardware. Zowel bewustzijn als informatie zijn altijd belichaamd in een fysiek medium. Zij ziet in Baudrillard een neiging om abstracte gesimuleerde omgevingen los te koppelen van de technologieën die dat mogelijk maken.

 

Hayles stelt dat er vier belangrijke kenmerken van het informationele posthumanisme zijn:

  • Het privileges het informatieve patroon over de materiele instantie.
  • Het bagatelliseert de rol van het bewustzijn in de vorming van de menselijke identiteit.
  • Het behandelt het lichaam als ‘de oorspronkelijke prothese die we allemaal leren om te manipuleren, zodat de uitbreiding of vervanging van het lichaam met andere prothesen een voortzetting wordt van een proces dat begon voordat we geboren werden’.
  • De mens is zo ingesteld dat hij/zij naadloos kan worden verweven met intelligente machines.

Dit leidt samen tot de volgende klacht: ‘In het posthumanistische zijn er geen wezenlijke verschillen of absolute grenzen tussen het lichamelijke bestaan en computersimulatie, cyberethiek, mechanismen en biologische organismen en robot teleologie en menselijke doelen. Om deze reden praat Hayles over belichaamde virtualiteit. Voor haar kan er niet aan het posthumanistische worden gedacht buiten de lichamelijke praktijken waarmee informatie wordt gemedieerd.

 

In de benadering van Kittler is er geen poging om de belichaming als prioriteit te stellen, omdat:

  • De grenzen tussen organisaties en machines niet langer duidelijk zijn.
  • Zelfs als het menselijk lichaam blijft bestaan dan is het eerder een constructie of een effect van de technologie dan een kracht in zijn eigen recht.

Haar primaire belang ligt bij de technologie en het vermogen om veranderingen in de (post) menselijke leven en de cultuur te introduceren.

 

Het Posthumanisme

Cyborgs zijn zowel organisme als machine. Dit tijdperk van hoogwaardige technologie, waarbij het menselijke lichaam niet langer is gebonden aan de ‘natuur’ en in toenemende mate ontwerp is voor technologische wijzigingen en waarin de notie van het menselijke in twijfel wordt getrokken kan het posthumanisme worden genoemd. Naar onze mening is het posthumanisme de opkomst van een nieuwe cultuur van transformaties waarin de ‘zuiverheid’ van de menselijke natuur mogelijkheden geeft aan nieuwe vormen van creatieve evolutie die de grenzen tussen soorten, systemen en machines doen vervagen. Het is een toestand van onzekerheid. Een belangrijk punt van oriëntatie voor de analyse van de posthumane cultuur en maatschappij is het lichaam. De waarde van het posthumane ligt in de mogelijkheid om te heroverwegen wat menselijke waarden, mensenrechten en menselijke waardigheid zijn tegen de achtergrond van een snel ontwikkelende biotechnologie die het lichaam van de mens wil heruitvinden en herontwerpen.

 

Fukuyama stelt dat als de hedendaagse biotechnologie de basis kan vormen van de menselijke natuur dat dan de stabiele continuïteit van onze ervaring als soort, en waarop alle politieke rechten worden gebouwd, gevaar loopt.

 

Conclusie

De culturele logica van de simulatie zoals beschreven door Baudrillard is niet verdwenen maar simulatie moet worden verklaard door verwijzing naar de materialiteiten, die het mogelijk maken en, op hun beurt, het helpt vorm te geven. Deze spanning tussen hardware / software, realiteit / virtualiteit en lichaam / bewustzijn ligt in het hart van de recente debatten over het posthumanisme. Het is mogelijk dat simulatie een krachtige dimensie van een wereldwijde cultuur is die veel concurrerende logica en principes zal hebben.

 

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  3. Search tool: quick & dirty - not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is available at the bottom of most pages or on the Search & Find page
  4. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Quick links to WorldSupporter content for universities in the Netherlands

Follow the author: Vintage Supporter
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
Image

Op zoek naar een uitdagende job die past bij je studie? Word studentmanager bij JoHo !

Werkzaamheden: o.a.

  • Het werven, aansturen en contact onderhouden met auteurs, studie-assistenten en het lokale studentennetwerk.
  • Het helpen bij samenstellen van de studiematerialen
  • PR & communicatie werkzaamheden

Interesse? Reageer of informeer