Missende artikelen SEO

Deze samenvatting is gebaseerd op collegejaar 2012-2013.


Verklaringen voor de reacties van agressieve jongens op ambigue provocatie

(Verhulp)

Introductie
Wanneer iemand woedend is wordt zijn of haar gedrag hierdoor geheel in beslag genomen en verliest hij of zij vaak de controle. Hij of zij voorziet de vaak nadelige gevolgen van zijn of haar gedrag, die deze individu vaak wel zou zien wanneer hij of zij zich in een neutrale ‘mood’ begeeft.
Het is waarschijnlijk dat agressief gedrag bij kinderen vaak voornamelijk gedreven wordt door dergelijke sterke emotionele impulsen. Dit is voornamelijk het geval voor reactief agressief gedrag. Reactief agressief gedrag is agressief gedrag in de vorm van woede dat een reactie vormt op een veronderstelde bedreiging, terwijl proactief agressief gedrag meer gepland en instrumenteel van aard is. Onderzoek laat zien dat deze twee vormen van agressief gedrag verschillende prognoses heeft in alledaagse settings.
Echter, het subjectief ervaren van ongecontroleerde woede als een bron van reactief agressief gedrag lijkt niet overeen te komen met het invloedrijke Social Information Processing (SIP) model van agressieve responsen op sociale stimuli. Volgens het SIP model reageren kinderen agressief op sociale situaties, omdat zij (in vergelijking met niet-agressieve leeftijdsgenootjes) verschillende informatie encoderen, deze informatie vervolgens verschillend weergeven, minder sociale doelen nastreven, meer agressieve responsen genereren en hiervan een meer agressieve respons selecteren. Verschillende studies hebben inderdaad aangetoond dat kinderen met agressieve gedragsproblemen sociale informatie atypisch verwerken.
Het richten op doelen heeft een centrale rol bij het SIP model. Kinderen genereren een aantal mogelijke responsen op een sociale situatie en hieruit selecteren zij de respons waarvan zij verwachten dat deze hen helpt om hun doelen te bereiken. Kinderen met gedragsproblemen zouden daarom meer agressieve responsen genereren en selecteren, aangezien zij atypische doelen nastreven en omdat zij verwachten dat zij deze doelen kunnen behalen door agressief gedrag te vertonen.
Volgens het duale processing model van SIP streven kinderen niet altijd bewust een doel na wanneer zij agressief zijn. Echter, er zijn ook onderzoekers die denken dat kinderen niet altijd doelgericht gedrag laten zien wanneer zij impulsief agressief gedrag vertonen. Sommige kinderen kunnen agressief op sociale provocaties reageren, omdat zij voelen dat ze gedreven worden door intense emoties die zij niet kunnen reguleren. Niet omdat zij een agressieve respons genereren en selecteren die hen zou kunnen helpen bij het bereiken van hun doelen.
De onderzoekers van het artikel stellen voor dat agressief gedrag niet opzettelijk georiënteerd is op doelen. Ze sluiten echter de mogelijkheid niet uit dat zulk impulsief agressief gedrag onbewust gemotiveerd wordt door onderliggende doelen die tot sterke emotionele neigingen leiden om agressief gedrag te vertonen. De auteurs veronderstellen dat dit gedrag niet per se ervaren wordt als doelgericht.
 

Het doel van het onderzoek
De hypothese van het huidige onderzoek is: ‘Agressief gedrag is niet noodzakelijk opzettelijk doelgericht’. Tot nu toe is er namelijk nog geen onderzoek gedaan naar de mogelijkheid dat kinderen niet per se doelen nastreven met hun agressief gedrag, maar gedreven worden door sterke emoties. Het huidige onderzoek probeert deze mogelijkheid wel te onderzoeken, door kinderen te vragen om hun gedrag niet alleen in termen van doelen te beschrijven, maar ook in termen van emoties. Bovendien wordt er onderzocht of er een verschil hierin is tussen reactieve en proactieve functies van agressie.
Methode
Aan het onderzoek deden 82 jongens mee in de leeftijd van 7 tot13 jaar. Er waren twee groepen. De ene groep bestond uit jongens die volgens de DSM-IV gediagnosticeerd waren met oppositional defiant disorder. De andere groep bestond uit jongens zonder gedragsproblemen.
Resultaten
Zoals verwacht gebruikte de groep bestaande uit hoog agressieve jongens significant meer emotionele verklaringen voor hun agressieve responsen dan de groep bestaande uit niet-agressieve jongens. Dus, in overeenstemming met de hypothese, het bleek dat agressief gedrag voornamelijk verklaard wordt door emoties in plaats van het nastreven van bepaalde uitkomsten. Er blijkt hierbij een verschil te zijn tussen positieve en negatieve emoties. Agressieve jongens blijken vaker positieve emoties als reden te gebruiken voor hun agressieve gedrag dan negatieve emoties. Ook blijkt er bewijs te zijn voor de hypothese dat emoties, en niet bewust sociale doelen, samenhangen met reactieve agressie.

 

Smiling. Messenger (2008)

 

Inleiding
Glimlachen vroeg in het leven van een kind is een weerspiegeling van vreugde. Tevens heeft glimlachen te maken met het ontwikkelen van positieve emoties, wat ook nodig is bij de latere betrokkenheid bij de medemens. Gedurende de eerste 2 levensjaren groeit de intensiteit van het lachen op affectief en sociaal gebied. En tussen 2 en 4 jaar gaat het lachen vooral om de sociale interactie met leeftijdsgenoten. Het is belangrijk om te lachen in de vroege jaren want positieve interacties zijn goed voor de verdere ontwikkeling van het kind. De uiting kan een lach zijn er op verschillende manieren. Er kunnen verschillende uitingen in gedrag zijn voor de positieve innerlijke staat van het kind. Zo kan er bijvoorbeeld qua lach onderscheid worden gemaakt tussen een simpele lach en lachen met open mond. Maar de verschillende soorten lachen zullen verderop in het artikel nog uitgebreid besproken worden.

Gezien de geschiedenis keken theoretici verschillend naar lachen bij het kind op. Freud zag een lach als sensorisch plezier/tevredenheid en Piaget zag lachen bij het kind als een aangename prestatie. Darwin daarentegen keek wanneer de lach bij een kind vreugde weerspiegelde.

 

Theoretische achtergrond
De behavioristische benadering gaat ervan uit dat er bij het kind een toename van lachen kan ontstaan wanneer de verzorger responsief is naar het kind. Het gaat in feite om het belonen van lachen. Het gaat bijvoorbeeld om teruglachen, praten en kietelen.

De cognitieve differentiatie theorie gaat er vanuit dat vreugde temaken heeft het met cognitief begrip van de omgeving en de betekenis van de omgeving voor het kind. Ook stelt de theorie dat een vroege glimlach wel tevredenheid aangeeft maar niet vreugde. Vreugde komt volgens deze theorie pas vanaf 9 maanden en hier komt intens glim(lachen) bij kijken.

De discrete emotie theorie stelt daarentegen dat vreugde juist al komt kijken bij de allereerste lachjes van het kind. En de vreugde zou voor de kinderen motiverend werken om te interacteren met de verzorgers (wat deze theorie verschillend maakt van de andere theorieën). Er wordt bij deze theorie tevens van affectieve programma’s in het brein uitgegaan die emoties uitlokken die zich uiten in lachen en andere gezichtsexpressies bij het kind.

De functionalistische theorie gaat er niet vanuit dat de vreugde al in het kind is geprogrammeerd, maar dat het ontstaat door middel van interactie met de sociale omgeving. Door het lachen en het begrip van lachen bij anderen is het kind volgens deze theorie beter in staat om doelen te bereiken in de sociale wereld. Het gaat uiteindelijk om evolutionaire doelen van het (glim)lachen. De hechtingstheorie laat bijvoorbeeld zien dat door middel van hechtinggedrag van het kind positieve interactie en nabijheid van verzorgers in stand wordt gehouden.

Ten slotte houdt de dynamische systeem theorie zich bezig met ervaringen van vreugde en het proces van glimlachen als deel hiervan. De bottom-up relatie van glimlachen in sociale interacties wordt in deze theorie benadrukt.

 

Neurofysiologie
Door middel van samentrekking van de zygosomatische hoofdspier worden de mondhoeken zijwaards opgehaald en dit heet glimlachen. De zevende ruggenzenuw geeft informatie aan de zygosomatische hoofdspier. De gezichtsnucleus staat hier in verbinding mee. Deze nucleus ontvangt informatie uit een pad dat controle heeft over opzettelijk glimachen en uit een pad dat de controle heeft over expressieve spontane glimlachen. De basale ganglia en de amygdala zijn hier als subcorticale structuren bij betrokken.

 

Voor de discrete emotie theorie is het van belang dat er met neurofysiologisch onderzoek structuren in het brein gelokaliseerd worden die te maken hebben met positieve emoties. Er wordt een link gelegd tussen emoties die te maken hebben met motivatie en oriëntatie om iets te bereiken met een verhoogde activatie in de linker frontale cerebrale hemisfeer.

 

Meten van (glim)lachen
Onderzoekers maken bij het meten van lachen vooral gebruik van videotape recorders waarmee de duur en frequentie van lachen wordt gemeten. Er wordt gebruik gemaakt van specifieke coderingssystemen waarmee lachen en andere emotionele expressies gemeten kunnen worden. De onderzoekers kunnen hierbij ook de expressie van het hele lichaam van het kind erbij betrekken, evenals de mensen met wie het kind interacteert.

Neonatale glimlachen worden veelal gemeten in ziekenhuizen, laboratoria en thuis. Als een kind tussen 2 en 6 maanden is wordt voor het meten van sociaal lachen vaak gebruik gemaakt van face to face interacties met een van de ouders van het kind. Vaak wordt hier een video van gemaakt. Ook wordt gemeten wat er gebeurt met een kind als de ouder niet responsief is naar het kind. De FFSF (‘face to face and still face’) wordt vaak gebruikt als taak. Deze taak houdt in dat er eerst een face to face interactie is met het kind en later wordt de ouder gevraagd om niks met het eigen gezicht te doen dus eigenlijk niet responsief te zijn. Ten slotte wordt gevraagd weer responsief te zijn en met het kind te spelen. Het is gebleken dat het kind plotseling het lachen vermindert in de still face fase en dat het daarna weer vermeerdert in de fase waarin de ouder weer speelt met het kind. Wanneer het kind rond de 48 maanden is, worden kinderen vaak thuis, in dagverblijven of in peuterspeelzalen geobserveerd.

 

Positieve emotie en arousal
Lachen is een uiting van vreugde en wordt ook gezien als arousal modulatie. Vroege discrete emotie theorieën gaan ervan uit dat reductie in neurologische arousal de basis is van positieve emotie. Cognitieve theorieën gaan ervan uit dat een kind eerst een uitdagend aspect van de omgeving waarneemt wat het kind herkent en dat daar vanuit een lach ontstaat. De hartslag van een kind is sneller gedurende lachen dan gedurende neutrale expressies. Lachen kan voor kinderen een mechanisme zijn om contact aan te houden met de uitdagende kenmerken van de omgeving. Wanneer het kind een omgeving als veilig en interessant ervaart zullen positieve emoties ontstaan. Wanneer een kind een omgeving echter als onveilig en overwelmend ervaart kan negatief effect ontstaan.

 

Onderscheid in (glim)lachen
Als eerste zijn er simpele lachen. Deze zijn niet heel sterk, maar ze zijn meer emotioneel positief dan neutrale expressies. Ze kunnen positieve affiliatie met anderen betekenen. Momenten waarop deze soort lach gezien kan worden is bijvoorbeeld bij de voorbereiding op het spelen van een spel of bij benadering van een vreemdeling die een neutrale blik heeft. Bij chimpansees is de simpele lach ook aangetoond en bij deze dieren betekent het dat ze geen kwaad in hun zin hebben naar de ander maar ze laten bij deze lach wel al hun tanden zien.

De open mond lach zegt het al, kinderen lachen met een open mond. Dit komt vaak voor tijdens spelen. Als chimpansees spelen is de houding van de mond hetzelfde. Deze soort lach wordt positiever ervaren dan de simpele lach. Dat kinderen soms kleine geluidjes maken bij de open mond lach kan een functie zijn voor het trekken van aandacht van de omgeving of om de vreugde nog meer te laten blijken.

De duchenne lach is een lach waarbij intense positieve emotie wordt ervaren. De ogen worden bij deze lach namelijk dichtgeknepen. Een voorbeeld wanneer dit kan gebeuren is wanneer de moeder naar het kind glimlacht. Bij deze lach worden er ook nog meer geluidjes gemaakt. Onderzoek toont aan dat er in de hersenen in de linker frontale cerebrale hemisfeer meer activatie is dan in de rechter frontale cerebrale hemisfeer. Dit kan omschreven worden in een grotere ervaring van vreugde.

Dan is er de sterke lach. Hier kunnen de ogen ook samengeknepen zijn en de mond open. Door middel van samentrekking van de zygosomatische hoofdspier worden de mondhoeken hoog opgehaald. De samentrekkingen kunnen fluctueren, en hoe sterker de samentrekking hoe sterker het lachen en zo wordt een sterkere samentrekking geassocieerd met positiever (glim)lachen.

Ten slotte is er een gecombineerde lach van Duchenne en open mond glimlach, en wordt soms ook ‘duplay smile’ genoemd. Deze lach kan bijvoorbeeld voorkomen in interactie met hun moeder wanneer kinderen naar hun moeder staren en de moeder lacht. De sterkste lach wordt gezien wanneer kinderen met open mond lachen en de ogen samenknijpen.

 

De ontwikkeling van de (glim)lach
Ten eerste is er neonataal lachen (0 tot 1 maand oud). Deze bestaat uit inwendige en spontane lachen en worden veroorzaakt door inwendige stimuli. Deze lach komt frequent voor in de slaap en in de REM slaap. Verder komt de lach voor in alerte fasen en gesuggereerd wordt dat deze ook tijdens het ervaren van positieve emoties voorkomt. De lach ontwikkelt zich voordat er sprake is van patronen van cognitieve betrokkenheid en sociale interactie, welke pas zorgen voor het echte gevoel van vreugde bij het kind.

 

Dan is er early smiling (1 tot 2 maanden oud). Deze lach wordt meer gelinkt aan uitlokkingen van de omgeving. Hier vanuit ontstaat het sociale (glim)lachen. Dit komt omdat kinderen minder slapen en meer wakker zijn en actief hun omgeving bekijken. Baby’s zijn geneigd eerst op auditieve stimuli te reageren, later ook op visuele stimuli. Sociale lach ontstaat 4 tot 6 weken na de geboorte wanneer ze veel naar hun ouders staren.

 

De ‘face to face’ interactie is van 2 tot 6 maanden. In deze periode ontwikkelt de sociale lach. Kinderen worden in deze periode erg responsief op het lachen van anderen en proberen de lach van anderen ook na te doen. Tussen 2 en 6 maanden is er sprake van interactief lachen. Hoe interactief lachen gekarakteriseerd wordt is dat de baby veel naar de ouder kijkt en dat er vaak geluiden bij het lachen worden gemaakt voor het uitdrukken van de positieve emotie. Doordat baby’s soms wegkijken bij het lachen kan dit een positieve interactie sterker maken. Vaders richten zich meer op fysiek spelen met kinderen en moeders meer op visuele en vocale expressiviteit van het lachen, ze stimuleren het kind dus allebei maar dan op andere manieren. Het is gebleken dat de lach van een kind eerder een lach van de moeder uitlokt dan andersom. De ervaring van lachen bij een jong kind wordt vaak gekenmerkt door het lachen met de ouder(s). In het algemeen wordt de vreugde van een kind weerspiegeld door de ouder evenals sterker gemaakt door de ouder. Een goede omschrijving van lachen is dat het een non verbaal dialoog is en dat vreugde en regulatie van de emotie op deze manier worden gedeeld. In het pad van ontwikkeling van vreugde ontwikkelt het kind begrip dat vreugde gedeeld kan worden. Dus dat het kind ook de vreugde van een ander kan erkennen naast het erkennen van eigen plezier, dit heet primaire intersubjectiviteit. Het is gebleken dat baby’s steeds minder naar vreemden lachen in tegenstelling tot het moederfiguur van de baby. Gedurende de ontwikkeling van de lach is er een verandering op te merken in de aandacht die het kind besteed aan het gezicht van de verzorger. De verschillen in de soort lach laten verschillen in ontwikkeling zien. Eerst is er een simpele lach, later lachen met open mond en daarna de duchenne lach. De meest positieve lachen worden vaak in verband gebracht met meer positieve periodes van interactie. Baby’s controleren hun positieve emoties door controle uit te oefenen over hun eigen betrokkenheid in omgevingen waarin positieve emoties worden uitgelokt.

 

Met 6 maanden wordt de lach gebruikt als communicatiemiddel die ontstaat vanuit een intentie. Een kind wordt meer actief in sociale spellen en produceren zelfs hun eigen lach en maken situaties die een lach bij ze uitlokken.

Tussen 6 en 9 maanden richt het kind zich meer op gedeelde aandacht tijdens spel met een ouder. Het kind kijkt meer van ouder naar het speelgoed, het wordt zich er dus bewust van dat er tussen ouder en kind ook een relatie is. Het gaat zich richten op de intenties van de ouder naar het speelgoed. Het gaat in deze fase om secundaire intersubjectiviteit. Een anticiperende lach houdt in dat een kind van het speelgoed naar de ouder kijkt en dat het kind lacht, er lijkt gedeelde aandacht lijkt te zijn in het spel. Deze lach versterkt tussen 8 en 12 maanden.

 

Ook tussen 12 en 18 maanden is de secundaire intersubjectiviteit goed te zien. Wanneer kinderen bang zijn maar zien dat hun moeder glimlacht en dus zien dat er niks aan de hand is. Moeder en kind delen dan de innerlijke staat. Het gaat hier niet om vreugde. In deze fase worden kinderen erg bewust van de betekenis achter het (glim)lachen van de ouder, vooral door spel. Tussen 1 en 4 jaar is het lachen ook belangrijk in de ontwikkeling van spel met leeftijdsgenoten.

 

Risicofactoren en hechtingsstijl
Het is gebleken dat individuele verschillen in lachen in verband staan met risico factoren voor de ontwikkeling van het kind. Kinderen die te vroeg geboren zijn laten minder vaak een sterke lach met open mond zien gedurende face to face interactie. Het gaat om moeilijkheden met omgaan met hoge arousal, dit geldt ook voor positieve emoties. Blinde kinderen (gilm)lachen in reactie op een sociale gebeurtenis zoals het horen van de stem van een ouder. Bij 4-12 maanden is er een versterking in lachen maar het lachen met 2-3 maanden minder omdat ze gebrek hebben aan visuele feedback en minder visuele stimulatie ervaren (minder face to face interactie). Bij kinderen met het syndroom van down is er sprake van een vertraagde ontwikkeling van emotionele expressie. De ontwikkeling van de soorten (glim)lachen is afhankelijk van hun cognitieve ontwikkeling. Ze laten niet alleen een duchenne glimlach zien naar hun moeder, maar ook naar speelgoed. Ook laten ze niet een vermindering zien van (glim)lachen in de still-face conditie met hun moeder. Kinderen met ASD (autism spectrum disorder) hebben een achterstand in hoe gezichtsuitdrukkingen ontwikkelen. Ook is er sprake van minder (glim)lachen. Face to face interactie is voor deze kinderen minder belonend.

 

Het is gebleken dat kinderen problemen krijgen in de sociale ontwikkeling wanneer zij lachen in de still-face conditie met de ouder (ouder kijkt non responsief). Zij ontwikkelen later veelal fijne sociale relaties. Om een zekere hechtingstijl te ontwikkelen is het belangrijk dat een kind vaak betrokken is bij interacties met lachen waardoor een positieve arousal level wordt gestimuleerd. Kinderen nemen later vaker initiatief tot positieve communicatie wanneer zij ervaring hebben met belonende sociale stimuli. De positieve emotie expressie en lachen op latere leeftijd worden beïnvloedt door emotioneel positieve interacties met de ouder. Al met al is de vroege ervaring van positieve interactie en reactie van belang dat het kind zich sociaal competent ontwikkeld. Sociale competentie staat voor het internaliseren van sociale normen en zorgt voor het naleven van richtlijnen die ze van hun moeders hebben meegekregen.

 

 

 

The social brain in adolescence. Blakemore (2008)

 

Sociale cognitie
Het sociale brein wordt omschreven als alle brein regio’s die betrokken zijn bij sociale cognitie. Gedurende het leven veranderd het brein en met name in de adolescentie is er een sterke verandering te zien in bepaalde gebieden. Er is tussen kindertijd en adolescentie een significante verandering in het brein. Adolescentie is gekarakteriseerd bij sociale verandering, zelf bewust zijn en relaties met leeftijdsgenoten en het begrijpen van anderen. Hormonen en veranderingen in de leef omgeving dragen bij aan het ontwikkelen van het sociale brein. Het sociale brein draagt bij aan het herkennen van anderen en evalueren van de mentale staat van anderen, evenals de gevoelens. Gebieden die betrokken zijn in het sociale brein zijn: prefrontale cortex (PFC), anterior cingulate cortex (ACC), de inferior frontal gyrus, de superior temporal sulcus (STS), de amygdala en de anterior insula.

 

Een belangrijk onderdeel van sociale interactie is dat men anderen herkent. De gezichtsherkenning in vroege jaren hangt af van subcorticale structuren maar in de adolescentie gaat het om aanvullende corticale gebieden. Eén van de gebieden die zich specialiseert is bijvoorbeeld de posterior STS. Deze specialiseert zich in het observeren van gezichten en blikken van anderen. Een ander aspect waardoor men een ander kan herkennen is door observatie van de beweging van een persoon.

Daarnaast evalueren we ook automatisch de emotionele staat van de persoon. Het gaat hier om het evalueren van de intenties, verlangens en gedachtes van iemand (‘theory of mind’, TOM). De hersengebieden die belangrijk zijn bij de theory of mind zijn de pSTS, de mPFC en temporale gebieden. De amygdala is een hersengebied dat zich bezighoudt met het herkennen van bepaalde emoties. Maar ook de STS, PFC en de inferior frontal gyrus (IFG) zijn betrokken bij het herkennen van verschillende emoties. Laesie studies hebben ontdekt dat de superior temporal lobes en de mPFC betrokken zijn bij mentaliseren (herkennen van de mentale staat van iemand).

 

Adolescentie en de functionele verandering van het brein
Met onderzoek is aangetoond dat gedurende de eerste 5 levensjaren er stapsgewijze veranderingen optreden in sociaal cognitieve capaciteiten. Echter is er weinig onderzoek naar hoe dit verder in de kindertijd zit. Adolescentie is gekenmerkt door psychologische veranderingen gezien identiteitsgevoelens, zelf bewustzijn en relaties met anderen. Adolescenten worden als meer sociaal en complex gezien dan kinderen. Dit maakt hen ook meer gevoelig voor acceptatie en afwijzing door anderen, met name hun leeftijdsgenoten. Waarschijnlijk is de ontwikkeling van het sociale brein hiervan de belangrijkste oorzaak.

Onderzoek naar meisjes in de puberteit en hun gezichtsherkenning gaf verrassende resultaten. Het is gebleken dat het stapsgewijs toenam in de kindertijd, maar met 12 jaar nam dit af. Een latere studie toonde dit ook aan evenals dat gezichtsherkenning na de puberteit beter is dan tijdens de puberteit bij meisjes. Hoe dit is verklaard, is dat activiteit van de frontale gebieden toeneemt gedurende de fase van de puberteit en na de adolescentie afneemt.

Er is aangetoond dat de activiteit in gebieden van de frontale cortex afneemt tussen de adolescentie en de volwassenheid. Uit een onderzoek is gebleken dat de mPFC meer actief is in jonge adolescente dan in volwassenen (mPFC was voor het denken over intenties en de mentale staat van een ander). Dit is te verklaren doordat tussen de adolescentie en de volwassenheid de neurale activiteit voor het denken over intenties van gebied veranderd, namelijk van de mPFC naar de STS gebieden. Deze bevinding zegt echter niks over dat adolescenten beter na zouden denken dan volwassenen. Een suggestie van dit verschil is dat adolescenten een synaptische reorganisatie in de PFC laten zien tijdens het doen van een taak naar de mentale staat bij anderen.

 

Adolescentie en de structurele verandering van het brein
De prefrontale cortex ondergaat een periode van synaptische ontwikkeling en gaat door tot in de adolescentie. Als een kind 1 jaar is in de primaire auditieve en visuele cortex de maximale dichtheid van synapsen bereikt. In de prefrontale cortex is dit pas na 3.5 jaar. Pruning is het afbreken van synapsen die niet meer nodig zijn. De synaptische eliminatie in de auditieve cortex is ongeveer afgrond op 12 jarige leeftijd. In de PFC gaat pruning door tot ongeveer in de mid-adolescentie. De grijze materie volume in de frontale cortex heeft voor jongens en meisjes een piek op 11/12 jarige leeftijd. In de temporale cortex is de piek van grijze materie rond 16 jaar.

 

MRI studies
MRI studies hebben zich vooral gericht op ontwikkeling van de grijze en witte stof in de hersenen. Gedurende de eerste twee decennia van het leven neemt witte stof toe, wat gemyeliniseerde axonen in sommige corticale regio’s reflecteert. Echter neemt de grijze stof juist af tussen kindertijd en volwassenheid. Het is gebleken dat bij mensen tussen 4 en 21 eerst vermindering van grijze stof is in primaire sensorische motor gebieden, daarna de PFC, de parietale en occipationale corticale gebieden en als laatste de temporale cortex. Het is gesteld dat de afname van de grijze materie volume in de PFC gedurende de adolescentie door synaptische eliminatie komt.

 

Andere studies suggereren echter een non lineaire U-vorm in de ontwikkeling en later afname van de grijze stof in de frontale, pariëtale en temporale gebieden van de hersenen (in de temporale cortex zou er een piek op 16 jarige leeftijd zijn). Het is een mogelijkheid dat de toename in grijze stof gedurende de kindertijd verlengde synaptogenese reflecteert.

 

Neuro -anatomicale, cognitieve en functionele brein ontwikkeling
Er wordt gesteld dat late eliminatie van synapsen in de PFC en andere gebieden ertoe kan leiden dat informatie processing in het brein minder efficiënt verloopt. Nadat er pruning is opgetreden is het mogelijk dat er minder synapsen nodig zijn om hetzelfde werk te doen. Het gaat dan om efficiëntere cognitieve processen, en dit verbeterd met ouder worden. Eerder was genoemd dat mensen in de puberteit minder goed zijn in gezichtsherkennings-taken. Dit kan komen door de toename in grijze stof in de frontale en temporale regio’s.

Maar er zijn andere factoren die een rol kunnen spelen, zoals verandering in hormonen. Studies geven aan dat er een vermindering in frontale activiteit is tussen adolescentie en volwassenheid. Activiteit in de laterale en superior PFC gebieden lijken groter te worden tussen kindertijd en adolescentie, waarna het tussen de adolescentie en de volwassenheid weer afneemt. Het eerste kan worden verklaar doordat kinderen nog veel synapsen hebben, en het tweede (de afname) kan komen doordat er reorganisatie van de synapsen plaatsvindt. Er wordt gesteld dat er een verband bestaat tussen de dichtheid van synapsen en het BOLD (blood-oxygen-level-dependent) signaal. Een groter aantal synapsen zou tot een hoger BOLD signaal leiden.

 

Kort samengevat
Dit artikel laat zien dat bepaalde delen van het sociale brein functionele en structurele veranderingen ondergaan gedurende de adolescentie, met name de mPFC en de pSTS.

Afname in activiteit van de prefrontale gebieden in kindertijd naar adolescentie kan te maken hebben met afbraak van ongebruikte synapsen. Een fundamentele vraag die wordt gesteld is hoe synaptische reorganisatie neurale activiteit beïnvloedt. Ten tweede waardoor het komt dat deze reorganisatie in de puberteit plaatsvindt, het gaat erom wat de triggers zijn. Een andere belangrijke vraag die gesteld kan worden is welke rol de omgeving bijdraagt aan de ontwikkeling van het brein gedurende de adolescentie. Tijdens de adolescentie is er sprake van verandering in sociaal gedrag. Maar dit wordt niet alleen verklaard door ontwikkeling van sociale cognitie. Men moet er ook bewust van zijn dat andere factoren, zoals hormonale en sociale veranderingen tot verandering van gedrag van adolescenten kan leiden. Dus dat dit niet alleen toegeschreven moet worden aan neuro- anatomische veranderingen.

 

A. Risicogedrag bij adolescenten

De adolescentie is een periode waarin veranderingen plaatsvinden op fysische, cognitieve en sociaal-emotionele domeinen. Een van de prominente kenmerken van de adolescentie is een toename van het nemen van risico’s (zogenaamd ‘risicogedrag’). In dit artikel worden theorieën beschreven die dit risicogedrag proberen te verklaren door middel van neuro-imaging onderzoek.
Waarom nemen adolescenten risico’s?
De adolescentie is een tijd van veel ontdekkingen, het zoeken naar sensaties en het zetten van doelen op de lange termijn. Gedurende de start van de puberteit (die voor meisjes en jongens respectievelijk op een leeftijd van 10-11 jaar en 11,5 – 12,5 jaar begint) vindt een aanzienlijke toename plaats van de uitscheiding van hormonen, namelijk androgenen, gonadal steroids en groeihormonen. Deze hormonen zorgen voor een verandering van het uiterlijk. De tweede fase van de adolescentie (die vaak gedefinieerd wordt als de mid-to-late adolescence) vindt plaats in de leeftijdsfase van 15-16 jaar tot en met 21-22 jaar. In deze fase staan de onafhankelijkheid van ouders en het behalen van sociale doelen centraal.
Een van de belangrijkste bevindingen in observatiestudies is dat adolescenten meer risico’s nemen dan kinderen of volwassenen. Risico’s worden gedefinieerd als het deelnemen aan gedragingen die geassocieerd zijn met potentiële negatieve uitkomsten. De mortaliteit is bij adolescenten 200-300% in vergelijking met kinderen. Deze hoge graad is voornamelijk te verklaren door preventieve oorzaken als auto-ongelukken, het rijden onder invloed en het deelnemen aan hoog risico gedrag onder de druk van vrienden.
De auteurs van het artikel denken dat het risicogedrag van adolescenten niet alleen verklaard kan worden door het gegeven dat het cognitieve domein van adolescenten nog niet geheel volgroeid is. Zij denken dat het gedrag beter verklaard kan worden door een combinatie van cognitieve, emotionele en sociale factoren die leiden tot vergroot risicogedrag. Zij vinden daarom dat er grote noodzaak is voor een onderzoek dat focust op contextuele invloeden van het gedrag.
Bewijs voor toename van risicogedrag gedurende de adolescentie
Een kenmerk van volwassen besluitmaking is het vermogen om onmiddellijke en lange termijn onwenselijke consequenties of acties te identificeren en te vermijden en om excessieve risico’s te vermijden. Neuro-onderzoek is in de meeste studies beïnvloed door het cognitieve perspectief dat stelt dat risicogedrag gedefinieerd moet worden als ‘de consequenties van het onvolwassen onvermogen om besluiten te maken’.
In de meeste cognitieve theorieën van besluitmaking worden besluiten gezien als het resultaat van een geëvalueerd proces waarin zowel de waarde van de uitkomst als de kans waarop deze uitkomst zal plaatsvinden in acht worden genomen. Deze concepten worden beschreven in termen als de expected value (EV) – de verwachte waarde – van keuzealternatieven. De EV is gedefinieerd als de vermenigvuldiging van de waarde van een mogelijke uitkomst en de kans dat de uitkomst zal worden verkregen. Volwassen, rationele besluiten zullen keuzeopties met hogere EV’s bevoordelen en besluiten kunnen gedefinieerd worden als risicovol wanneer deze regels niet gevolgd worden.
Aangezien risicogedrag tijdens de adolescentie toeneemt en gedurende de ontwikkeling een piek bereikt en vervolgens in de volwassenheid weer afneemt kan er niet gesproken worden van een lineair verband. Echter, er zijn studies die wel lineaire patronen van verandering hebben geconstateerd tijdens de ontwikkeling. In deze studies was bijvoorbeeld het risicogedrag van een kind groter dan het risicogedrag van een adolescent. Sommige studies beweren daarom dat de belangrijkste componenten van besluitmaking al relatief volwassen zijn gedurende de adolescentie. Deze studies suggereren dat besluitmakingsvaardigheden toenemen met de leeftijd, maar dat de basis relatief vroeg in de kindertijd al gelegd wordt.
Deze bevindingen leiden tot de vraag waarom het ontwikkelingstraject van risicogedragingen geïdentificeerd wordt als curvilinear in epidemiologisch onderzoek, terwijl het ontwikkelingstraject van risicogedragingen van risicogedrag in laboratoriumonderzoeken geïdentificeerd wordt als volgroeid en vergelijkbaar met volwassenen.
Hoe kan adolescent-specifiek risicogedrag verklaard worden door gebruik te maken van laboratoriumonderzoek?
Een benadering die gebruikt kan worden is het verbinden van resultaten uit laboratoriumonderzoek met daadwerkelijk risicogedrag in het echte leven of door  persoonlijkheidsconstructen te verbinden met daadwerkelijk risicogedrag in het echte leven. In onderzoek van Van Leijenhorst, Westenberg en Crone (2008) kwam naar voren dat besluitmaking niet verschilde tussen leeftijdsgroepen, maar dat er wel verschillen op datzelfde gebied bestonden binnen de leeftijdsgroepen. Deelnemers die hoog scoorden op ‘sensatie zoeken’ (gemeten door middel van een vragenlijst) lieten meer risicogedrag zien in het experiment.
Een tweede benadering die gebruikt wordt is het onderzoeken van risicogedrag op een manier dat nauwer de werkelijke besluitmaking nabootst (het soort besluitmaking dat plaatsvindt buiten laboratoria om). Een voorbeeld van een dergelijk onderzoek is de hot vs. cold approach. In een dergelijk experiment is de context affectief (‘hot’) of neutraal (‘cool’). In een onderzoek van Figner et al. (2009) werden de effecten van de keuzecontext op verschillen in risicogedrag onderzocht tussen adolescenten in de leeftijd van 13-16 jaar oud en volwassenen. De studie maakte gebruik van een paradigma waarin een versie emotioneel opwindend was en de andere emotioneel neutraal. De eerste versie zou meer cognitieve middelen vragen van de proefpersonen en daardoor sneller resulteren in onvolwassen- en risico-nemende strategieën. Echter, de tweede versie zou leiden tot een verstandige strategie. Het resultaat was dat adolescenten inderdaad meer risico namen in het eerste paradigma (de versie die emotioneel opwindend was).
In een ander onderzoek (Van Duijvenvoorde et al., 2010) kwam naar voren dat adolescenten minder optimale besluiten maakten in termen van de EV in de affectieve taak in vergelijking met de neutrale taak. De auteurs verklaarden deze uitkomst doordat adolescenten minder complex zouden nadenken gedurende de affectieve taak. In onderzoek van Burnett, Bault, Coricelli en Blakemore (2010) kwam naar voren dat hoewel het vermogen om optimale besluiten te maken in termen van de EV een lineaire toename vertoonde met de leeftijd, het aantal risicovolle gokken piekte bij de leeftijd van 14 jaar. Deze onderzoeken suggereren dat adolescenten voornamelijk beïnvloed zijn door beloning en verlies van informatie.
Al met al laten deze onderzoeken zien dat het verschil tussen adolescenten en volwassenen op het gebied van besluiten maken relatief zwak is of zelfs afwezig wanneer er gebruik wordt gemaakt van neutrale taken. Echter, individuen verschillen daadwerkelijk in hun redeneringsvermogens en dat leeftijdsverschillen meer gezien worden in “hot” besluitsituaties (waarin er sprake is van veel emotionele opwinding).
Neurobiologische modellen van risicogedrag gedurende de adolescentie
Er zijn veel verschillende neurobiologische theorieën over hoe de ontwikkeling van bepaalde hersenbanen gedragsveranderingen in de adolescentie verklaren.
Een voorbeeld van een model met een dergelijke theorie is het dual processing model van Somerville, Jones en Casey (2010). Volgens dit model is er een onbalans tussen de ontwikkeling van bepaalde subcorticale hersengebieden zoals het ventrale striatum en de amygdala. Het ventrale striatum is betrokken bij beloningsprocessen en besluitmaking gebaseerd op prikkels, terwijl de amygdala betrokken is bij de verwerking van belangrijke en gemotiveerde emotionele stimuli (bijvoorbeeld potentiële bedreigingen en emotionele toestanden van anderen). De prefrontale cortex is betrokken bij taken als planning, inhibitie en cognitieve controle. De wisselwerking tussen een nog niet volgroeide prefrontale cortex en verder ontwikkelde emotionele gebieden als de amygdala en het ventrale striatum veroorzaakt een onbalans met als resultaat een voornamelijk emotioneel gedreven benadering naar beloningen en risico’s toe gedurende het midden van de adolescentie.
Een ander model is het triadic model van Ernst et al. (2006). Dit model is gebaseerd op de wisselwerking tussen de volgende drie systemen:
            1. approach system: beloningen;
            2. avoidance system: het voorkomen van schade;
            3. regulatory system.
De neurale gebieden die bij deze systemen betrokken zijn, zijn repspectievelijk het ventrale striatum, de amygdala en de prefrontale cortex. Gedurende de adolescentie is er weinig balans tussen deze drie hersengebieden wat resulteert in beloning-gestuurd gedrag.
Dit model lijkt heel erg op het dual processing model van Somerville et al. (2010), maar verschilt in de assumpties die gemaakt worden over de snelheid van de ontwikkeling. Terwijl het dual processing model suggereert dat de subcorticale gebieden zich eerder ontwikkelen dan de prefrontale gebieden, maakt het triadic model hier geen assumpties over. Het model stelt dat er sprake is van een fragiele onbalans die ervoor zorgt dat adolescenten sneller benaderings- of vermijdingsgedrag laten zien.

Het derde model dat in het artikel besproken wordt is het social information processing model van Nelson et al. (2005). Gedurende de adolescentie vindt sociale re-oriëntatie plaats. Het model maakt een onderscheid tussen drie knooppunten:
            1. Detection node: betrokken bij het verwerken van sociale situmuli. De
            hersengebieden die hierbij betrokken zijn, zijn de fusiform face area, de
            superiore temporale sulcus en de anterior temporale cortex.
            2. Affective node: de hersengebieden die hierbij betrokken zijn, zijn de
            amygdala en het ventrale striatum.
            3. Cognitive-regulation node: het hersengebieden dat hierbij betrokken is,
            is de prefrontale cortex.
Volgens dit model kan het risicogedrag van adolescenten verklaard worden door de onvoltooide ontwikkeling van de affective node. Het model stelt daarom niet dat het ventrale striatum eerder ontwikkelt dan de prefrontale cortex (zoals beweerd wordt door het dual processing model), maar dat het ventrale striatum meer gevoelig is voor specifieke puberale veranderingen en daardoor meer actief wordt tijdens de adolescentie.
Het gebruik van neuro-imgaing bij onderzoek naar risicogedrag bij adolescenten
De empirische studies die reeds gedaan zijn naar risicogedrag bij adolescenten maakten gebruik van functional Magnetic resonance Imaging (FMRI), een techniek die de neurale activiteit meet gedurende een specifieke taak. De twee onderzoeken focusten zich op twee taak-gerelateerde processen, namelijk anticipatie op beloningen en reacties bij het ontvangen van een beloning.
Onderzoek heeft aangetoond dat de volgende hersendelen betrokken zijn bij het reageren op een beloning: het ventrale striatum/nucleus accumbens, de amygdala, de anterior cingulate cortex (ACC), de dorsolateral prefrontal cortex (DLPFC), de ventromedial prefrontal cortex (VMPFC) en de orbitofrontal cortex (OFC). In het artikel wordt de focus gelegd op het ventrale striatum, omdat dit hersengebied het meest geactiveerd wordt bij het anticiperen op een beloning en beloningsprocessen in het algemeen.
Ventrale striatum
Uit veel onderzoek is gebleken dat er bij de reactie op het ontvangen van een beloning sprake is van een overactief ventraal striatum. Uit onderzoek van Van Leijenhorst et al. (2010) kwam tevens naar voren dat dit vooral het geval is bij adolescenten. In dit onderzoek werd gevonden dat wanneer de adolescenten iets wonnen, er een toenemende activatie van het ventrale striatum te zien was. Deze uitkomst is in meerdere paradigma’s te zien, in verschillende onderzoeken.
Echter, in onderzoek naar de anticipatie op beloningen werden tegengestelde resultaten gevonden. Twee studies vonden namelijk een under recruitment van de striatum bij adolescenten. Beide studies maakten gebruik van de Monetary Incentive Delay (MID) taak. In deze taak kunnen deelnemers verschillende hoeveelheden geld winnen (of vermijden te verliezen) door te drukken op een knop binnen een klein interval nadat de target is gepresenteerd. Deelnemers hebben bij deze taak een winkans van 66%. Er werd bij beide onderzoeken een mindere activatie van het rechterdeel van het ventrale striatum gevonden bij adolescenten in vergelijking met volwassenen. Dit verschil kan ook verklaard worden door het toepassen van verschillende strategieën.
Er blijkt dus een verschil in resultaat te zijn tussen het anticiperen op een beloning en het ontvangen van een beloning (feedback). In overeenkomst met het dual processing model en het triadic model laten de onderzoeken zien dat het ventrale striatum vooral betrokken is gedurende de adolescentie en dat dit hersendeel vergrote activiteit vertoont bij het ontvangen van een beloning. Er zijn geen studies die een verminderde activiteit laten zien van het ventrale striatum gedurende het ontvangen van beloningen.
 Echter, bij het anticiperen van beloningen werden gemixte resultaten gevonden, namelijk zowel een vergrote activatie- als een verkleinde activatie van het ventrale striatum. Dit gegeven kan verklaard worden door de suggestie dat er andere factoren aanwezig zijn die de effecten mediëren. Dit leidt tot de hypothese dat emotionele en sociaal contextuele factoren deze ontwikkelingsgevoeligheden kunnen beïnvloeden, zoals voorgesteld door het social information processing model.
Leeftijdsgenoten en puberteitshormonen
Zoals eerder beschreven door de social information processing model is de adolescentie een periode waarbij leeftijdsgenoten zeer cruciaal worden. Ook vindt veel risicogedrag plaats in dergelijke groepen. Wanneer adolescenten in een onderzoek gevraagd worden om bepaalde risicovolle taken te doen zijn zij vaak alleen. Daardoor kan dit gedrag niet direct gegeneraliseerd worden naar de directe omgeving.
Een mediërende factor die een verklaring kan geven voor gevoeligheid voor leeftijdsgenoten is de rol van specifieke puberale hormonen. Zo blijkt het hormoon testosteron een invloed te hebben op het nemen van risico’s. In een onderzoek leidde het toedienen van testosteron tot een toename van risico’s nemen. Ook zorgde toediening van dit hormoon bij vrouwen voor een verhoogde activatie van de nucleus accumbens gedurende een beloningsanticipatietaak.
Uit onderzoek blijkt dat jongens en meisjes met een hoger natuurlijk testosterongehalte dan gemiddeld inderdaad een hogere ventraal striatum respons lieten zien bij het ontvangen van beloningen.

 

 

 

B. Toenemend risicogedrag bij adolescenten door leeftijdsgenoten als gevolg van vergrote activiteit in het beloningscentrum in de hersenen

 

In dit artikel wordt het onderzoek besproken over risicogedrag bij adolescenten. De auteurs hadden de hypothese dat de aanwezigheid van leeftijdsgenoten risicogedrag bij adolescenten kan promoten doordat bepaalde hersengebieden geassocieerd met de anticipatie van potentiële beloningen geactiveerd worden. Er werd gebruik gemaakt van fMRI.
Inleiding
Het is bekend dat tieners vaker risicovol gedrag uitvoeren dan kinderen of volwassenen. Veel experten zijn het met elkaar over eens dat risicogedrag dat te voorkomen is de grootste bedreiging vormt voor het welzijn van jongeren in geïndustrialiseerde maatschappijen. Risicogedrag van adolescenten blijkt significant te verschillen van dat van volwassenen in zijn sociale context en in de mate waarin het voorkomt. Eén van de kenmerken van risicogedrag van adolescenten is namelijk dat dit gedrag vaker voorkomt in de aanwezigheid van leeftijdsgenoten. Dit zou verklaard kunnen worden door het feit dat adolescenten meer tijd doorbrengen met vrienden dan dat volwassenen doen. Echter, het blijkt zo te zijn dat de besluiten van adolescenten direct beïnvloed worden door slechts de aanwezigheid van leeftijdsgenoten.
Veel onderzoekgroepen hebben voorgesteld dat het risicogedrag van adolescenten verklaard kan worden door de samenwerking van twee hersensystemen die betrokken zijn bij besluitmaking. Deze twee hersensystemen zijn een aansporend systeem (bestaande uit het ventrale striatum (VS) en de orbitofrontale cortex (OFC) en een cognitief controle systeem (bestaande uit de laterale prefrontale cortex (LPFC) dat doelgericht besluit makend gedrag ondersteunt). Neuroimaging onderzoeken stellen dat risicogedrag verklaard kan worden door een vergrote activiteit van het aansporende systeem en een verminderde activiteit van het cognitieve controle systeem.
De twee systemen blijken zich verschillend te ontwikkelen gedurende de adolescentie. Het aansporende systeem ontwikkelt zich snel gedurende de vroege adolescentie (waarschijnlijk doordat de dichtheid van dopaminereceptoren toeneemt). Hersengebieden betrokken bij cognitieve controle ontwikkelen zich echter gradueel, doordat de dichtheid grijze stof langzamerhand afneemt en de dichtheid witte stof toeneemt.
Hypothese
De auteurs van dit artikel hebben de volgende hypothese: het toenemende risicogedrag bij adolescenten kan verklaard worden door een onbalans tussen het aansporende systeem en het cognitieve controle systeem. Bovendien denken zij dat de aanwezigheid van leeftijdsgenoten (peers) het aansporende systeem gevoelig maakt wat als gevolg heeft dat het aansporende systeem cues signaleert van potentiele beloningen geassocieerd met het risicogedrag. Bovendien denken de auteurs dat de aanwezigheid van leeftijdsgenoten een direct effect heeft op cognitieve controle processen.
Methode
Participanten
Het onderzoek werd gedaan met 40 participanten van verschillende leeftijden (veertien adolescenten, veertien jong volwassenen en twaalf volwassenen).
Taak design
Er werd gebruik gemaakt van de Stoplicht taak. Dit is een taak waarin participanten een voertuig moeten besturen op een rechte weg vanuit het zicht van de bestuurder van de auto. Op bepaalde momenten moesten de participanten van dit onderzoek een besluit maken (door het drukken van een knop) over of zij wel of niet moesten remmen wanneer hun voertuig een verkeerslicht naderde. Wanneer het voertuig het verkeerslicht naderde sprong het verkeerslicht op oranje en op dat moment moest de participant de kans inschatten op een mogelijke crash (het go besluit) of remmen en wachten totdat het licht op groen zou komen (het stop besluit). Het risicogedrag werd gemotiveerd door het aanbieden van een geldelijke beloning wanneer de participanten de taak binnen een bepaalde tijd zouden afronden. Wanneer de participant zou remmen zou dit tijd kosten, maar wanneer hij zou doorrijden en te maken zou krijgen met een crash dan zou dit nog meer tijd kosten. De betrokkenheid van verschillende hersendelen bij deze taak werd gemeten door een fMRI.
Manipulatie van de sociale context
Alle participanten werd gevraagd om twee vrienden mee te nemen van ongeveer dezelfde leeftijd (maximaal twee jaar leeftijdsverschil) en hetzelfde geslacht. In de ALONE conditie maakten de participanten de taak zonder observatoren en in de PEER conditie werd de participanten verteld dat hun vrienden hun acties zouden gaan observeren op een monitor in een andere kamer.
Vragenlijsten
De participanten werden ook gevraagd om  een serie (self-report) vragenlijsten in te vullen om  individuele verschillen in impulsiviteit te meten. Hierbij werd gebruik gemaakt van een verkorte vorm van de Baratt Impulsiveness Scale. Daarnaast werden sensation seeking en weerstand tegen de invloed van leeftijdsgenoten gemeten (respectievelijk door middel van de Zuckerman Sensation Seeking Scale en de Resistance to Peer Influence Scale).
Bovendien werd er gebruik gemaakt van fMRI.
Resultaten
Uit het onderzoek bleek dat alleen adolescenten (en niet volwassenen) significant meer risico’s namen wanneer zij geobserveerd werden door leeftijdsgenoten dan wanneer zij alleen waren. De mate van sensation seeking bleek te correleren met het verschil tussen het go en stop besluit. Dit gedrag werd niet significant voorspeld door de mate van impulsiviteit.
Uit de fMRI studie bleek dat in de PEER conditie een grotere activiteit werd gevonden in het ventrale striatum en de orbitofrontale cortex bij adolescenten, maar niet bij de (jong-)volwassenen. Bovendien bleek dat er een grotere activatie was in het aansporende systeem bij adolescenten in vergelijking met (jong-)volwassenen in de PEER conditie, maar niet in de ALONE conditie.
Conclusie
In overeenstemming met de hypothese kan op basis van dit onderzoek geconcludeerd worden dat volwassenen, en niet (jong-)volwassenen, meer risicogedrag vertonen wanneer zij geobserveerd worden door leeftijdsgenoten.
 

 

C. Adolescenten en sociale besluiten

Inleiding
Adolescenten maken een opmerkelijke verandering mee in hun evaluaties van eerlijkheid, betrouwbaarheid en wederkerigheid. Deze verandering leidt tot meer altruïstisch gedrag en een focus op anderen naarmate de adolescentie vordert. In dit artikel probeert auteur Eveline Crone te onderzoeken hoe het komt dat adolescenten zich ontwikkelen van een zelf-focus naar meer een focus op anderen door te kijken naar de ontwikkeling van het brein.
Er zijn verschillende spellen ontworpen om te onderzoeken of mensen in een conflictsituatie louter kiezen voor hun eigen winst of zich ook bekommeren om de uitkomst van de ander. Het blijkt zo te zijn dat de vaardigheden om een ander perspectief te nemen zich nog gedurende de kindertijd en adolescentie moeten ontwikkelen.
De auteur probeert in dit artikel te verklaren hoe de ontwikkeling van het beschouwen van eerlijkheid en wederkerigheid geassocieerd is met veranderingen in perspectief nemen in sociale interactietaken gedurende de adolescentie.
 

Ultimatum Game
In de Ultimatum Game moeten twee spelers een geldbedrag verdelen. De eerste speler besluit hoe het geld over hen verdeeld wordt en de tweede speler besluit of hij deze verdeling wil accepteren. Wanneer de tweede speler de verdeling accepteert, ontvangen beide speler het geld zoals voorgesteld door eerste speler. Echter, wanneer de tweede speler de verdeling weigert, ontvangen de beide spelers niets.
Bij volwassenen worden oneerlijke offers vaak geweigerd, wat indiceert dat individuen liever niets willen ontvangen dan dat zij een oneerlijke verdeling accepteren. Een gelijke verdeling van het bedrag (waarbij dus elke speler 50% van het bedrag ontvangt) kan daarom gezien worden als een belang voor eerlijkheid, maar ook als een mogelijke strategie van de eerste speler omdat hij of zij moet nadenken bij het aanbieden van een offer wat het gedrag van de tweede speler zou zijn.
Eerlijk gedrag in de Ultimatum Game blijkt toe te nemen gedurende de kindertijd en adolescentie. Dit leidt tot de hypothese dat ontwikkelingsveranderingen in perspectief nemen beschouwingen over eerlijkheid motiveren.
Hersendelen als de anterior cingulate cortex (ACC), de dorsolateral prefrontale cortex (DLPFC) en de temporal-parietal junction (TPJ) zijn geassocieerd met conflict en controle. Uit een neuroimaging onderzoek waarbij gebruik werd gemaakt van een Ultimatum Game design kwam naar voren dat de activatie in de DLPFC en de TPJ toeneemt naarmate de leeftijd vordert. Dit resultaat kan indiceren dat het perspectief nemen zich blijft ontwikkelen gedurende de adolescentie. Ook blijkt dat de DLPFC en de TPJ meer actief zijn gedurende het proces van oneerlijke offers gedurende de kindertijd en de adolescentie.
Trust Game
De Trust Game is een andere manier om perspectief nemen en wederkerigheid te meten. Ook in dit spel moeten twee spelers een geldbedrag verdelen. De eerste speler heeft twee opties: 1) hij splitst het geldbedrag tussen hemzelf/haarzelf en de tweede speler, 2) hij vertrouwt de tweede speler toe om het bedrag te verdelen. Wanneer gekozen wordt voor optie (2) wordt het geldbedrag dat op het spel staat verdrievoudigd.
Uit onderzoek waarbij gebruik werd gemaakt van dit paradigma bleek dat algemene wederkerigheid toe lijkt te nemen in de leeftijd van 9 tot 16 jaar. Ook bleek dat wanneer de speler het gevoel had de ander te kunnen vertrouwen de activiteit in de DLPFC en de TPJ toenam.
Het belang van eerdere interacties voor eerlijkheid
De auteur stelde dat eerdere interacties met leeftijdsgenoten beschouwingen van eerlijkheid zouden beïnvloeden. Afgewezen worden is stressvol voor individuen van elke leeftijdsgroep. Het ervaren van een sociale afwijzing is geassocieerd met vergrote activatie in de ACC en de insula. Adolescenten vertonen deze activatie in een mate dat gelijk is aan volwassenen, maar vertonen ook activatie in de subgenual cingulate cortex, een regio geassocieerd met negatief affect.
Wanneer adolescenten in de Dictator Game tegen een speler spelen die hen in een eerder spel heeft buitengesloten, zullen zij minder geld toedelen. Dit “straf gedrag” is vooral kenmerkend voor kinderen in de leeftijd van 10 tot 12 jaar.
Conclusie
De conclusie van het artikel is dat activatie in de DLPFC en de TPJ (wanneer gedacht wordt aan iemand anders intenties) toeneemt met de leeftijd. Ook blijkt het zo te zijn dat de DMPFC overactief is in de vroege adolescentie. Deze regio is betrokken bij het zelf-concept.
 

 

 

D. Cultuur

 

Cultuur is een menselijke, universele oplossing voor universele behoeften. Het is ook een specifiek framework, een mindset dat beïnvloedt wat goed voelt en welke doelen belangrijk zijn. In dit artikel worden de mindsets van verschillende culturen met elkaar vergeleken.

Inleiding
Mensen over de hele wereld kunnen zowel individualistische- als collectieve culturele mindsets hebben. Welke mindset op een bepaald belangrijk is hangt af van verschillende kenmerken van de context. Hoewel een mindset onbewust en automatisch geactiveerd blijken te worden, zelfs wanneer het gebracht is tot het bewustzijn (de mentale inhoud), cognitieve procedures en doelen die culturele mindsets belangrijk maken worden op dat moment toegepast tenzij er een reden naar boven komt waarom je die doelen niet zou moeten nastreven. Daarom brengt de auteur van dit artikel de term culture as situated cognition naar voren.
Cultuur operationaliseren
Cultuur wordt vaak geoperationaliseerd als: ‘een set oplossingen voor basale problemen van overleving’. De drie basale problemen die vaak aangehaald worden zijn:
            1. mensen werken samen in een in-group;
            2. zij reguleren zichzelf om in de groep te passen;
            3. zij zijn gemotiveerd om te investeren in probleem oplossen.
In de ene cultuur wordt meer aandacht geschonken aan probleem (1) en in de andere cultuur meer aan probleem (2). Op deze manier wordt cultuur een karakteristieke manier waarop mensen hun omgeving waarnemen.
Culturele oplossingen zijn ‘goed genoeg’, ze hoeven niet per se de beste of meest efficiënte oplossing geven. Dit betekent dat er altijd meerdere oplossingen kunnen zijn voor hetzelfde probleem en dat er niet per se één oplossing voor een probleem is.
Cultuur kan ook geoperationaliseerd worden als: ‘een set structuren en waarden, tradities en manieren om zich te verbinden met de sociale en niet-sociale wereld’. Ook wordt cultuur volgens deze operationalisatie overgebracht op verschillende generaties en kan het geplaatst worden in een specifieke geografische en sociale plaats. Aangezien cultuur gesitueerd is in tijd en plaats, wordt het niet perfect overgebracht aan alle aspecten van een cultuur.
Het doel van culturele psychologen is om te zorgen voor een voorspellend, eenvoudig model dat de verschillen en gelijkheden tussen groepen kan verklaren. Het model dat in dit artikel besproken wordt is het ‘individualisme vs. collectivisime’-model.
Individualisme vs. collectivisme
Het individualisme kan beschouwd worden als een culturele oplossing voor basale overlevingsproblemen, waarbij het individu gecentraliseerd wordt. Dit resulteert in social practices die het individu zien als het basale deel van analyses, en in sociale structuren die individuele doelen voorop stellen. Bijbehorende cognitieve procedures zijn decontextualisering en het vinden van verschillen.
Het collectivisme kan ook beschouwd worden als een culturele oplossing voor basale overlevingsproblemen, maar deze oplossing centraliseert groepsrelaties en verbonden. Dit resulteert in social practices die de groep zien als het basale deel van analyses, en in sociale structuren die groepsbronnen voorop stellen. Cognitieve procedures die bij het collectivisme passen, zijn contextualisering, gelijkheden zoeken, beschouwen en beraadslagen.
Uit een meta-analyse van Oyserman, Coon, et al. (2002) bleek dat er significante verschillen bestaan tussen individualisme-gerelateerde waarden (bijvoorbeeld persoonlijke onafhankelijkheid en uniekheid) en collectivisme-gerelateerde waarden (bijvoorbeeld groepslidmaatschap en groepsprocessen).
Het blijkt echter niet zo te zijn dat individualisme en collectivisme altijd gelinkt kunnen worden aan bepaalde regio’s (zoals vaak gespeculeerd wordt in termen als het ‘Westerse’ individualisme en het ‘Oosterse’ collectivisme). Het blijkt bijvoorbeeld zo te zijn dat Amerikanen verschillen van Westerse Europeanen in hun mate van individualisme (Amerikanen zijn significant meer individualistisch, waarbij Westerse Europeanen meer collectivistisch zijn). Dit zorgt voor kritiek op het idee dat er een enkele Westerse cultuur zou zijn.
Zelf-concept
Er wordt vaak gesuggereerd dat het zelf-concept verbonden zou zijn met de mate van individualisme. Echter, er is tot nu toe nog geen causaal verband gevonden. Dit betekent dat er nog geen bewijs is dat cultuur het zelf-concept beïnvloedt.
Relaties
Er blijkt wel een verschil te zijn in het vormen en onderhouden van relaties tussen individualistische- en collectivistische culturen. Zo is er bewijs dat individualisme is geassocieerd met het gemak om te communiceren met vreemde en een preferentie voor directe- in plaats van indirecte communicatie.
Cognitie
Ook blijkt er een verschil te zijn in de manier waarop mensen informatie verwerken. Amerikanen blijken sneller en meer accuraat te zijn in het onthouden van abstracte en centrale informatie, terwijl Chinezen beter zouden zijn in het onthouden van details en elementen van het geheel (bijvoorbeeld de achtergrond).
Cultuur als een gesitueerde cognitie
Gesitueerde cognitie verwijst naar een vaak niet-bewuste impact van sociale contexten op denken en acties. Er wordt dus een focus gelegd op de contexten waarin denken gebeurt. Volgens deze benadering zijn mensen gevoelig voor hun onmiddellijke omgeving, gebruiken mensen het deel van hun kennis dat op dat moment beschikbaar is en interpreteren zij datgene wat in hen opkomt in het licht van de contextuele vraag.
Het ‘cultuur als gesitueerde cognitie-model’ verwijst dus naar de vaak onbewuste impact van sociale contexten, menselijke artefacts, fysische ruimtes, taken en talen. Vanuit dit model bekeken betekent het individualisme dat de leden van een maatschappij gemiddeld meer geneigd zijn om situaties te verklaren in de term van dingen gecentraliseerd en gewaardeerd in het individualisme, terwijl het collectivisme in dit opzicht betekent dat de leden van een maatschappij gemiddeld meer geneigd zijn om situaties te verklaren in de term van dingen gecentraliseerd en gewaardeerd in het collectivisme.
Toegankelijke kennis
De onmiddellijke context beïnvloedt zowel welke kennis toegankelijk is en wat die kennis dat moment zal betekenen. Oordelen, gedrag en affectieve reacties zijn allemaal gebaseerd op hoe toegankelijk de kennis geïnterpreteerd is op dat moment. Vaak wordt er gebruik gemaakt van priming methoden om het effect van toegankelijke kennis op het maken van een oordeel te onderzoeken.
Hoe deze toegankelijke kennis vervolgens gebruikt wordt hangt af van hoe de kennis geïnterpreteerd wordt in de context. Een belangrijk deel van dit interpretatieproces bestaat uit meta-cognitieve ervaringen: iemands interpretatie van zijn/haar gevoelens van de fluency (gemak) of disfluency (moeilijkheid) die ontstaan tijdens het denken. Mensen nemen aan dat hun meta-cognitieve ervaringen relevant zijn voor de taak en besteden daarom aandacht voor deze ervaringen, maar zij zijn niet gevoelig voor de specifieke bron van hun meta-cognitieve ervaringen en kunnen daardoor zelfs irrelevante meta-cognitieve ervaringen gebruiken om oordelen te maken.
Culturele mindsets
Het ‘cultuur als een gesitueerde cognitie-model’ maakt drie voorspellingen over culturele mindsets:
            1. de effecten van toegankelijke culturele mindsets zijn parallel met de effecten van
                chronische mindsets;
            2. zowel individualistische als collectivistische mindsets zijn beschikbaar onder
                groepen, religies en maatschappijen;
            3. het proces waarbij toegankelijke culturele mindsets de inhoud, procedures en
                doelen beïnvloeden is bepaald door automatische en door bewuste processen.

 

 

Access: 
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

Check how to use summaries on WorldSupporter.org


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Check all content related to:
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.