Strafrecht 2 werkcollege 1

Vragen

CASUSVRAGEN

CASUS 1 In de avond van 15 juli 2018 loopt C door een straat in Groningen. Hij ziet dat een man aan het slot van een swapfiets zit te morrelen en denkt dat de man de fiets wil stelen. “Blijf jij eens van die fiets af”, zegt C tegen de man. De man  A draait zich om. Als C diens agressieve blik ziet, heeft hij direct spijt van zijn bemoeienis. A begint, onder het slaken van een aantal vreemde kreten, meteen op C in te slaan. C valt op de grond, maar A gaat door en geeft met zijn met ijzer beslagen laarzen schoppen tegen C’ hoofd. A gaat er op de fiets vandoor. De artsen constateren een zeer zware hersenschudding. De toestand is kritiek. Een paar uur later overlijdt C aan zijn verwondingen.

Artorius wordt vervolgd wegens art. 287 Sr. althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dan art. 302 lid 1 jo. lid 2 Sr. 

Ter zitting verklaart A “Ik vind het zo erg. Het was absoluut niet mijn bedoeling om C te doden. Ik had misschien wel kunnen weten dat er een behoorlijke kans bestaat dat als je iemand zo tegen het hoofd schopt, die persoon daaraan overlijdt, maar dat is achteraf.”

Vraag 1a 

 Stel, de rechter hecht geloof aan A’ verklaring. Zal hij tot een bewezenverklaring kunnen komen?

Stel, de rechter hecht geen geloof aan de verklaring. Het voorval dateert van maanden geleden en hij denkt dat A geen idee (meer) heeft van wat er destijds door hem heen ging.

Vraag 1b

Zal de rechter tot een bewezenverklaring kunnen komen?

Stel: wanneer hij ziet dat C bewegingsloos op de grond ligt, beseft A dat hij ‘niet goed bezig is geweest’. Hij belt meteen een ambulance en probeert C in leven te houden. Nog voor de ambulance arriveert, overlijdt Corvinus.

Vraag 1c

Verandert deze gang van zaken uw antwoord op vraag 1b?

Stel: de raadsman van A merkt ter zitting het volgende op: “Mijn cliënt was ten tijde van het voorval in een vrij agressieve bui. Verder is hij bijzonder gevoelig voor opmerkingen van anderen en hij had die dag al een paar keer een aanvaring gehad. Bovendien was het gewoon zijn eigen fiets. De opmerking van het slachtoffer was de bekende druppel.”

De rechter komt tot een veroordeling.

Vraag 1D

Dient de rechter in zijn vonnis in te gaan op deze opmerkingen?

CASUS 2.

M is op vakantie op Aruba. Het is haar eerste vakantie buiten Nederland. Op het eiland heeft zij ene C ontmoet, een Nederlander die al enige tijd op Aruba verblijft. Ze hebben een paar keer samen wat gedronken. Op de dag van haar terugreis naar Nederland vraagt C haar om een koffer mee te nemen. Het is de bedoeling dat  een vriend van C, haar op Schiphol opwacht en de koffer van haar overneemt. M neemt de koffer mee, zonder te kijken wat er in zit. Op Schiphol wordt de koffer door de douane onderzocht. Er blijkt maar liefst drie kilo heroïne in te zitten. De officier van justitie besluit M te vervolgen ter zake van primair (art. 2, lid 1, onder A jo. 10, lid 5 Opiumwet) en subsidiair (art. 2, lid 1, onder A jo. 10, lid 1 Opiumwet).

Ter zitting verklaart M het volgende: “Ik wist niet dat er heroïne in de koffer zat. Dat kon ik ook niet weten, want ik heb de inhoud van de koffer niet onderzocht. Ik heb de koffer niet eens opengemaakt. Die C zei me dat het om een koffer met bijbels ging.”

Vraag 2a 

Zal de rechter tot een bewezenverklaring van het primaire feit komen?

Stel, de rechter neemt aan dat Minerva niet wist dat er heroïne in haar koffer zat.

Vraag 2b

Zal de rechter tot een veroordeling wegens het subsidiaire feit komen?              

Casus 3 

V. rijdt met een tractor met daarachter een met mest gevulde giertank over de weg. Hij is op weg naar het land van G. Het land ligt links van de weg. Ter hoogte van het land van G stelt hij het linker knipperlicht in werking, kijkt naast zich over zijn linker schouder en slaat linksaf om het land van G op te rijden. Zover komt het niet. Toen V. linksaf sloeg werd hij ingehaald door een personenauto, bestuurd door ene V.D. Er volgt een aanrijding tussen de tractor en de personenauto. Daarbij raakt V.D. ernstig gewond; hij loopt onder meer een gecompliceerde beenbreuk op.
Tijdens het onderzoek naar deze aanrijding verklaart V. over zijn linker schouder te hebben gekeken. Op de vraag van de politie, waarom hij niet in de linker buitenspiegel heeft gekeken, verklaart V. dat deze stuk was.  Hij zou beter zicht hebben gehad met behulp van een deugdelijke linker buitenspiegel.
De Officier van Justitie legt Vaatstra ten laste – kort gezegd –
primair: (art. 6 WVW 1994); en subsidiair (art. 5 WVW 1994).
De rechtbank komt tot een veroordeling ter zake het primaire feit.

V., die niet is bijgestaan door een raadsman, laat het vonnis aan een bevriende advocaat lezen. “Ik denk niet dat dit vonnis in hoger beroep stand houdt. Het is wat betreft de schuld, in de zin van art. 6 WVW 1994, te mager gemotiveerd. Er wordt wel gewezen op het ontbreken van de linkerbuitenspiegel, maar hoe het kan dat die spiegel ontbreekt en of jij daar wel iets aan kon doen".

Vraag 3a 

Op welk aspect van de schuld, in de zin van art. 6 WVW 1994, heeft hetgeen de advocaat opmerkt betrekking, dus welk aspect zou onvoldoende gemotiveerd zijn?

Vraag 3b

Is het vonnis inderdaad, zoals de advocaat stelt, te mager gemotiveerd?

Antwoordindicatie

Vraag 1a  

Primair: doodslag:Wil er sprake zijn van opzet dient er minimaal sprake te zijn van voorwaardelijk opzet. De dader moet zich niet alleen de mogelijkheid bewust zijn geweest, hij moet die mogelijkheid hebben aanvaard (op de koop toe hebben genomen).  Voor voorwaardelijk opzet moet er sprake zijn van:

  1. een aanmerkelijke kans:

Slaan met pistool-arrest: of er sprake is van een aanmerkelijke kans hangt af van omstandigheden van het geval, het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die in algemene ervaringsregels als aanmerkelijk valt te achten.

Indien je iemand tegen het hoofd schopt met ijzeren laarzen is er een aanmerkelijke kans dat de dood als gevolg kan intreden.

  1. De verdachte moet zich bewust zijn van deze kans:

Nee zie verklaring A. “Had kunnen weten” is relevant, hij wist niet van de kans dat A zou kunnen komen te overlijden, dus geen opzet op de dood.

3. De verdachte moet deze kans aanvaarden:

Hij heeft nooit de bedoeling gehad Corvinus te doden. Hij accepteert de risico’s, maar hiermee nog niet de gevolgen (Porsche-arrest). Betreft eerder bewuste schuld hij voorzag de volgen van zijn gedrag wel, maar meende lichtzinnig dat dit wel mee zou vallen.

 Rechter komt hier niet tot een bewezen verklaring omdat niet er geen sprake is van bewuste aanvaarding de dood van Corvinus . 

Subsidiair: zware mishandeling, verklaring van A ziet slechts op de dood!! Niet op het lichamelijk letsel. Wil er sprake zijn van opzet dient er minimaal sprake te zijn van voorwaardelijk opzet. Voor voorwaardelijk opzet moet er sprake zijn van:

  1. een aanmerkelijke kans:

Slaan met pistool-arrest: Er bestaat naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans dat iemand zwaar lichamelijk letsel oploopt wanneer je hem met ijzer beslagen laarzen een aantal keer tegen de zijkant van het hoofd schopt.

  1. De verdachte moet zich bewust zijn van deze kans:

Gebruik normaliteitssyllogisme: “ieder normaal persoon weet” dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat iemand zwaar lichamelijk letsel oploopt wanneer je hem met ijzer beslagen laarzen een aantal keer tegen de zijkant van het hoofd schopt. A is min of meer een normaal mens, A wist dit ook. 

  1. De verdachte moet deze kans aanvaarden:

Verder geen verklaringen gegeven dus kijken naar feitelijke omstandigheden van het geval; aard van de gedragingen en omstandigheden waaronder verricht – uiterlijke verschijningsvorm.

Deze gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat A de aanmerkelijke kans op het zwaar lichamelijk letsel van C heeft aanvaard. Verder dient er sprake te zijn van een causaal verband tussen toebrengen zwaar lichamelijk letsel en de dood.

Rechter kan hier tot een bewezenverklaring komen van het subsidiaire feit omdat er in ieder geval sprake is van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel.

Vraag 1b

Primair: rechter geloofd A niet; dus geloofd niet dat A niet de bedoeling had om C te doden.

  1. een aanmerkelijke kans:

Slaan met pistool-arrest: of er sprake is van een aanmerkelijke kans hangt af van omstandigheden van het geval, het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die in algemene ervaringsregels als aanmerkelijk valt te achten.

Er bestaat naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans dat iemand zwaar lichamelijk letsel oploopt wanneer je hem met ijzer beslagen laarzen een aantal keer tegen de zijkant van het hoofd schopt.

  1. De verdachte moet zich bewust zijn van deze kans:

Rechter hecht geen geloof aan de verklaring van A.

Gebruik normaliteitssyllogisme: “ieder normaal persoon weet” dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat iemand zwaar lichamelijk letsel oploopt waaraan men kan overlijden wanneer je hem met ijzer beslagen laarzen een aantal keer tegen de zijkant van het hoofd schopt. A is min of meer een normaal mens.

  1. De verdachte moet deze kans aanvaarden:

Verder geen verklaringen gegeven dus kijken naar feitelijke omstandigheden van het geval; aard van de gedragingen en omstandigheden waaronder verricht – uiterlijke verschijningsvorm.

Artorius begint, onder het slaken van een aantal vreemde kreten, meteen op Corvinus in te slaan. Corvinus valt op de grond, maar Artorius gaat door en geeft met zijn met ijzer beslagen laarzen nog een aantal flinke schoppen tegen de zijkant van Corvinus’ hoofd. Terwijl Corvinus bewegingsloos op de grond ligt, gaat Artorius er op de fiets vandoor. 

Deze gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel/dood, dat het niet anders kan zijn dan dat A de aanmerkelijke kans op de dood van C heeft aanvaard.  (slaan met pistool arrest , R.O. 4.6)

De rechter kan tot een bewezenverklaring komen.

Vraag 1c 

Nee,  het gaat om de geestesgesteldheid op het moment van het schoppen. 

Vraag 1d 

De rechter mag uitgaan van afwezigheid van een strafuitsluitingsgrond, tenzij omstandigheden anders doen vermoeden of verdachte verweer voert (onvoldoende rechts houden te Winssen).  Verdachte lijkt aan te voeren dat het niet zijn schuld (culpa) is dat hij zo heeft gehandeld wegens

psychische overmacht (art. 39 Sr).  Komt aan de orde bij de derde materiële vraag: gaat om strafbaarheid dader.

Geen sprake van een uitdrukkelijk voorgedragen verweer: 358 lid 3 Sv

  1. door/namens verdachte; ja het geval namelijk door de raadsman.

  2. uitdrukkelijk voorgedragen; 

  3. verworpen door rechter.

Ook geen sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunten (359 lid 2, 2e zin), 3 vereisten

  1. Duidelijk door argumenten geschraagd en voorzien van ondubbelzinnige conclusie; zeker niet het geval, onduidelijk over welke strafuitsluitingsgrond het gaat, geen ondubbelzinnige conclusie gegeven.

  2. Ten overstaan van de feitenrechter; het geval

  3. Moet zijn verworpen; het geval.

Vraag 2a 

Primair:  opzettelijk. Wil er sprake zijn van opzet dient er minimaal sprake te zijn van voorwaardelijk opzet. De dader moet zich niet alleen de mogelijkheid bewust zijn geweest, hij moet die mogelijkheid hebben aanvaard. Voor voorwaardelijk opzet moet er sprake zijn van:

  1. een aanmerkelijke kans: (globaal of er een algemene ervaringsregel)

Indien je van iemand een koffer aanneemt waarbij wordt aangegeven door iemand die je net kent en waarbij wordt vermeld dat de koffer vanaf Aruba op Schiphol weer wordt overgenomen is naar algemene ervaringsregels bekend dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat deze koffer eventueel gevuld is met verboden middelen.  

  1. De verdachte moet zich bewust zijn van deze kans: (eerst weer benoemend dat er een algemene ervaringsregel is en vervolgens toepassen op specifiek persoon)

Gebruik normaliteitssyllogisme: “ieder normaal persoon weet”  dat indien je van iemand een koffer aanneemt waarbij wordt aangegeven door iemand die je net kent en waarbij wordt vermeld dat de koffer op Schiphol weer wordt overgenomen is naar algemene ervaringsregels bekend dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat deze koffer eventueel gevuld is met verboden middelen.  

M is min of meer een normaal Mens, M is zich dus ook bewust van die aanmerkelijke kans.

  1. De verdachte moet deze kans aanvaarden:

Het meenemen van de koffer – ondanks de wetenschap (zie onder 2) dat de koffer drugs kan bevatten en zonder erin te kijken terwijl dat eenvoudig had gekund duidt op aanvaarding.

Rechter komt hier tot een bewezenverklaring.

Vraag 2b

Bij het subsidiair t.l.l. feit hoeft er geen sprake te zijn van opzet.

Uit de casus volgt niet dat hoeft te worden getwijfeld aan de formele vragen, ik neem dan ook aan

dat hieraan is voldaan (geldigheid dagvaarding/hare bevoegdheid/ontvankelijkheid OvJ/schorsing).  

Art. 348 leidt niet tot toepassing van art. 349 lid 1 Sv.

Materiële vragen

  1. Kan het feit worden bewezen?

Ja Minerva heeft heroïne op NL grondgebied gebracht.

  1. Is het feit strafbaar?

Ja, art. 2 lid 1 onder A jo. 10 lid 1 Opiumwet.

  1. Is de verdachte strafbaar?  

Ja geen sprake van een strafuitsluitingsgrond. Beroep op AVAS. (Melk- en water arrest) ook al eist  de delictsomschrijving geen schuld kan desalniettemin bij gebleken afwezigheid van alle schuld geen strafbaarheid worden aangenomen. Verdachte moet zich in voldoende mate hebben ingespannen om het plegen van een delict te vermijden en dat hem zodanig geen verwijt valt te maken dat straf moet volgen. Gaat hier om een verontschuldigbare dwaling met betrekking tot de feiten, Minerva stelt dat ze het niet wist en dacht dat er bijbels in de koffer zaten. Dit betekent echter niet dat zij het ook niet BEHOEFDE  te weten. Minerva heeft niet voldaan aan de zorgvuldigheid die van haar mag worden verwacht (onderzoeksplicht)

  1. Oplegging straf/maatregel (veroordeling)

Art. 351  Sv

De rechter kan tot een veroordeling komen.

Vraag 3a 

Op het aspect of de onvoorzichtige gedraging verwijtbaar is.

Vraag 3b

Uitgangspunt is dat de aanmerkelijke onvoorzichtigheid ook verwijtbaar is; de rechter hoeft die dus niet te motiveren. Behalve in geval van bijzondere omstandigheden of een daarop gevoerd verweer, zie bijv. R.O. 3.6 in arrest onvoldoende rechtshouden in Winssen .

In casu is er een aanmerkelijke onvoorzichtige gedraging en zijn er geen aanwijzingen dat verwijtbaarheid ontbreekt. 

Content categories
Check all content related to:
More contributions of WorldSupporter author: lisacelineh
Comments, Compliments & Kudos

duidelijke samenvatting!

Ik zie dat je alle belangrijke vragen van dit onderwerp hebt behandeld, heel chill!! Ook fijn dat je in detail de vragen beantwoord - alles is nu heel duidelijk! Ik denk dat dit wel alle relevante casus vragen zijn van werkcollege 1, heb ik dat goed? 

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
1876 1