Nike en maatschappelijk verantwoord ondernemen

Voor het vak 'Reis om de wereld met zeven multinationals' moest ik een paper schrijven. Nu had ik het vak enigzins verkeerd gekozen en interesseerde de meeste onderwerpen me niet, dus toen het college over maatschappelijk verantwoord ondernemen voorbij kwam was het voor mij duidelijk dat dit het thema van mijn paper zou worden. Als het in mijn omgeving over 'foute' kleding, of maatschappelijk verantwoord ondernemen ging dan kwam op een of andere manier Nike altijd in dit gesprek naar voren als een enorme boosdoener. Nu draag ik zelf vaak schoenen van Nike dus om te zeggen dat ik me na zulke gesprekken bezwaard voelde is nog zacht uitgedrukt. Dit paper leek me de ideale gelegenheid om eens uit te zoeken of Nike nu echt slechter was dan de gemiddelde schoenen fabrikant. Om het paper een wat positievere twist te geven heb ik vervolgens ook gekeken wat de invloed van de consument is op een grote multinational zoals Nike. Kunnen wij met z'n alle de wereld verbeteren? 

Een mogelijk antwoord hierop kun je in het paper hieronder vinden. Wel kan ik zeggen dat ik tot de conclusie ben gekomen dat tweedehands kleding eigenlijk altijd de meest verantwoorde optie is :) 

Nike en maatschappelijk verantwoord ondernemen: De Tae Kwang Vina Factory, Vietnam 1997.

Abstract

Nike is een grote multinational en is in de loop van de jaren vaak negatief in de media verschenen. Het bedrijf wordt beschuldigd van sweatshop-praktijken, juist op het moment dat

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) zo belangrijk wordt geacht door diverse stakeholders. Dit paper poogt te onderzoeken hoe Nike op deze negatieve publiciteit gereageerd heeft. Dit is onderzocht aan de hand van de casestudy: de Tae Kwang Vina fabriek in Vietnam. Over deze fabriek ontstond in 1997 grote ophef, en uit de analyse blijkt dat Nike zich vanaf dit moment meer is gaan focussen op MVO. Hieruit blijkt dat de media wel degelijk invloed hebben gehad op Nike en hun beleid ten aanzien van MVO.

 

Inleiding

In 1997 krijgt de media een rapport van Ernst & Young in handen. Hierin staan de werkomstandigheden van arbeiders in de, door Nike gecontracteerde fabriek: ‘Tae Kwang Vina’ beschreven. In het rapport komen onder andere zaken omtrent kinderarbeid, giftige stoffen en lage lonen aan de orde.[1] Dit was echter niet de eerste beschuldiging aan het adres van Nike omtrent slechte werkomstandigheden. Al sinds de jaren tachtig wordt het bedrijf beschuldigd van sweatshop-praktijken, met in 1997 een wereldwijde piek aan negatieve publiciteit[2]. 

Deze hoeveelheid media-aandacht komt echter niet uit de lucht vallen. Consumenten zijn zich in de afgelopen twintig jaar meer gaan interesseren voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dit komt niet alleen doordat bedrijven zich steeds vaker zijn gaan profileren als maatschappelijk verantwoord maar ook door de aanwezigheid van vele actiegroepen en non-governmental organisations (NGO’s) die consumenten wijzen op misstanden van bedrijven.[3]

Daarnaast bestaat er in het wetenschappelijke discours het idee dat de buitenwereld in grote lijnen bepaalt hoe maatschappelijk verantwoord ondernemen vormgegeven wordt bij multinationals.  Dit idee is, zeker in een tijd waarin de hele wereld door geavanceerde communicatie- en informatietechnieken met elkaar in contact staat, enorm relevant. Door de media die constant onder druk publiceert en de grote snelheid waarmee het nieuws wordt verspreid (via internet, social media, tv etc.) kan de reputatie van een bedrijf door één enkele gebeurtenis ernstig beschadigd worden.[4] Dit onderzoek kan dus bijdragen aan het wetenschappelijke discours door de bestaande kennis op een grote multinational toe te passen.

Juist omdat Nike zo’n grote multinational is, en omdat het een bedrijfsmodel hanteert waarbij outsourcing van productie een fundamentele rol speelt, is het interessant dit onderzoek op Nike te richten. Wat Nike verder een uitgelezen case study maakt, is het feit dat het bedrijf al sinds de jaren negentig frequent doelwit is van anti-sweatshop acties. Ook de media heeft tot op heden haar kritiek voornamelijk op Nike gericht, terwijl andere multinationals op de markt gebruik maken van vergelijkbare productie praktijken.[5]

Dit leidt vervolgens tot de volgende onderzoeksvraag; “Hoe beïnvloedt negatieve publiciteit het beleid van Nike Inc. ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen?” Om deze vraag te beantwoorden is het artikel: “Nike Shoe Plant in Vietnam is Called Unsafe for Workers” van de New York Times als basis voor de case study gebruikt. Om vervolgens de reactie van Nike op deze negatieve publiciteit te onderzoeken is er gebruik gemaakt van jaarverslagen en secundaire literatuur. Voor dit echter onderzocht kan worden, zal er eerst gekeken moeten worden naar de algemene theorie omtrent de relatie tussen maatschappelijk verantwoord ondernemen en de media.     

 

Media en maatschappelijk verantwoord ondernemen

Hoewel maatschappelijk verantwoord ondernemen (en het Engelse equivalent corporate social responsibility) geen nieuw concept is, blijft er in de literatuur onduidelijkheid bestaan over de exacte definitie van de term. Een verklaring voor deze onenigheid zou kunnen liggen in het feit dat er veel verschillende ideeën bestaan over de mate van verantwoordelijkheid die een bedrijf zou moeten nemen.[6] In dit paper wordt maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) als volgt gedefinieerd: “[…] actions that appear to further some social good, beyond the interests of the firm and that which is required by law”.[7]

            Dezelfde definitie wordt gebruik in het artikel van Zyglidopoulos, Georgiadis, Carroll en Siegel (2012), waarin zij gaan onderzoeken of media-aandacht MVO aandrijft. Er wordt in dit artikel, op basis van de boven genoemde definitie, onderscheid gemaakt tussen twee verschillende manieren waarop bedrijven aan MVO kunnen doen. Een bedrijf kan hun sterke kanten ten aanzien van MVO verbeteren, of hun negatieve effect verkleinen. Zo kan een bedrijf ervoor kiezen te investeren in ziekenhuizen en scholen in het ontvangende land, of ze kunnen ervoor kiezen de vervuiling die de vestiging van hun bedrijf met zich meebracht te verminderen. Belangrijk aan dit onderscheid is dat een bedrijf meer vrijheid heeft wanneer ze hun sterke kanten verbeteren, dan wanneer ze iets aan hun negatieve punten moeten doen.[8] Het verbeteren van de sterke kanten dient als het ware om een goede reputatie te behouden, zonder al te veel ingrijpende veranderingen in het bedrijf zelf te hoeven doorvoeren (ook wel “window-dressing”).  

Het artikel onderzoekt de relatie tussen media en deze vormen van MVO aan de hand van de stakeholder theory. De stakeholder theory stelt dat een bedrijf op de lange termijn alleen succesvol kan zijn als het de wensen van diverse belanghebbende kan behartigen. Stakeholders zijn alle groepen en individuen die dan wel effect kunnen uitoefenen op een bedrijf, dan wel beïnvloed worden door het bedrijf.[9] Bedrijven die vaak in de media voorkomen worden door een groter aantal belangengroepen met een kritisch oog bekeken dan de wat onbekendere bedrijven. Door deze diversiteit aan belangen wordt een bedrijf gedwongen meer aandacht te besteden aan MVO, om op die manier de diverse eisen van de belanghebbende te behartigen.[10] Verder wordt vaak de kleinste misstap van publiek zichtbare bedrijven al opgepakt door de media. Deze bedrijven zijn daarom snel doelwit van diverse NGO’s wiens invloed op consumenten de afgelopen jaren flink is toegenomen. Dit is de reden dat de zichtbaardere bedrijven meer investeren in MVO. Het dient als het ware als een reputatieschild wat gebruikt kan worden in tijd van crisis. Het onderzoek concludeerde dat media aandacht dus wel degelijk invloed heeft op MVO, het beïnvloed echter vooral het gedrag van bedrijven ten aanzien van “window-dressing”. [11] 

            Bedrijven die er echter niet in slagen hun stakeholders, voornamelijk hun consumenten, tevreden te houden, kunnen te maken krijgen met een boycot. Een boycot wordt door Klein, Smith & John gedefinieerd als “An attempt by one or more parties to achieve certain objectives by urging individual consumers to refrain from making selected purchases in the marketplace”. Daarbij blijkt uit onderzoek dat consumenten boycots gebruiken om bedrijven verantwoordelijk te stellen voor hun falen in MVO.[12] De aanzet tot een boycot komt vaak van NGO’s die het niet eens zijn met bepaalde praktijken van bedrijven, en komt tot stand als reactie op een specifieke gebeurtenis.[13] Het doelwit van de boycot wordt veroordeeld en krijgt vaak enorme hoeveelheden negatieve publiciteit te verduren.[14] Om het gedrag van consumenten te conceptualiseren hebben Klein, Smith & John een model ontwikkeld wat een stapsgewijze verklaring geeft voor het ontstaan van een boycot. Het model gaat uit van drie fases namelijk; ‘Awareness of Contentious Act’ als aanzet tot een boycot, vervolgens de ‘Perceived Egregiousness/Disapproval’, wat tot slot kan leiden tot ‘Boycott Participation’ (AEB-model). Het model stelt dus dat niet alleen de specifieke gebeurtenis (Contentious Act), maar ook het publieke bewustzijn van deze gebeurtenis de eerste stap tot een boycot vormt. Dit bewustzijn kan vervolgens leiden tot het afkeuren van een bedrijf of merk (Perceived Disapproval). Hierbij gaat het vooral over het gevoel wat men over het bedrijf of merk overhoudt. Daarom is het, ook voor deze situatie, nuttig voor bedrijven om altijd een goede relatie met de consument te onderhouden en te investeren in een sociaal verantwoord imago (reputatieschild). Dit kan namelijk het negatieve gevoel ten opzichte van een bedrijf en hun controversiële daad verminderen. Wanneer een bedrijf in de voorgaande stappen echter niet ingrijpt, of heeft ingegrepen door middel van een reputatieschild, kan de verontwaardiging van consumenten tot een boycot leiden (Boycott Participation). Belangrijk hierbij is echter wel dat consumenten over het algemeen meedoen aan een boycot om een goed zelfbeeld te behouden/krijgen. Wanneer consumenten verwachten dat de boycot zal mislukken of wanneer men er teveel voor moet opofferen, zijn de kosten vaak te hoog en zal men beslissen niet deel te nemen aan de boycot. Voor NGO’s impliceert dit model dat, wanneer zij een boycot willen aanzwengelen, ze veel media-aandacht moeten trekken. Dit verhoogt namelijk het publieke bewustzijn en de sociale druk om ook aan de boycot deel te nemen.[15]

            Kortom bedrijven worden door de stakeholders geacht zich aan de norm van de maatschappij te schikken omtrent MVO.[16] Wanneer zij hierin falen is er kans op een consumenten boycot, geleid door NGO’s. De media speelt een grote rol in de controle van multinationals, aangezien dat de enige wijze is voor stakeholders de informatie asymmetrie te overbruggen. Hierdoor kan de massa media veel invloed uitoefenen op het gedrag van multinationals, en daarmee ook op hun beleid omtrent MVO.[17] Er lijkt echter wel sprake te zijn van een wisselwerking tussen media en stakeholder. De media beïnvloed de stakeholder door de informatie asymmetrie te overbruggen. Tegelijkertijd geven stakeholders invulling aan de media aangezien de media een spiegel van de realiteit is. Om vervolgens te kijken hoe dit Nike in het verleden heeft beïnvloed zal eerst nader op de casestudy moeten worden ingegaan.

 

Nike en de Tae Kwang Vina fabriek, Vietnam 1997

Nike is een enorme multinational die al jaren de atletische schoenen markt domineert. Zo had de multinational in 1997 35,3% van de markt in handen. Sinds de oprichting van het bedrijf in 1964 heeft het nagenoeg hetzelfde bedrijfsmodel gehanteerd, namelijk; investeren in ontwerp, ontwikkeling en marketing, terwijl gecontacteerde bedrijven de productie op zich nemen. Deze gecontracteerde bedrijven bevinden zich voornamelijk in landen waar de lonen laag liggen, zodat geld bespaard kan worden op de productie.[18] Hiermee werd Nike het grootste atletische schoenenmerk ter wereld, met 645 gecontracteerde fabrieken in 42 landen,[19]  en in het fiscale 2016 een omzet van 32,4 miljard dollar.[20]

Aan dit bedrijfsmodel zit echter ook een keerzijde. Het schandaal in Vietnam was namelijk niet de eerste claim aan het adres van Nike omtrent slechte werkomstandigheden in zogeheten ‘sweatshops’.[21] Al in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd Nike ervan beschuldigd hun producten te laten produceren in sweatshops. Deze claims werden echter pas halverwege de jaren negentig intensief opgepakt door de Amerikaanse media, wat op zijn beurt bijdroeg aan de publieke gewaarwording van het probleem.[22] Dit resulteerde in een wereldwijde piek aan negatieve media publiciteit in 1997 omtrent Nike en de werkomstandigheden in de door hun gecontracteerde fabrieken.[23] Een van deze negatieve media-uitingen was het artikel van de New York Times. De krant kreeg in november 1997 het al eerdergenoemde onderzoek van Ernst & Young in handen, wat resulteerde in het artikel: “Nike Shoe Plant in Vietnam is Called Unsafe for Workers”. ‘Sweatshop is een term die gebruikt wordt om de volgende werkomstandigheden te omschrijven: “any workplace in which workers are typically subject to two or more of the following conditions; income for a 48 hour workweek less than the overall poverty rate for that country; systematic forced overtime; systematic health and safety risks due to negligence or the wilful disregard of employee welfare; coercion; systematic deception that places workers at risk; and underpayment of earnings”.[24]

 

Een voorbeeld van een zogeheten sweatshop is de al eerdergenoemde Tea Kwang Vina Fabriek (TKV), waarmee Nike in 1995 ging samenwerken. Deze samenwerking bracht economische voorspoed naar Vietnam, maar tegelijkertijd slechte werkomstandigheden voor de fabrieksarbeiders. In 1997 voerde Ernst & Young, een gerenommeerd accountancy en consulting bedrijf, een onafhankelijk onderzoek uit naar de TKV fabriek. Uit het rapport bleek dat 104 van de werknemers jonger dan de minimumleeftijd van 18 waren.[25] Werknemers werden gedwongen 65 uur per week te werken voor 10 dollar per week.[26] Verder werden er tolueen concentraties gemeten die 6 tot 177 keer de legale standaard overschreden. Tolueen kan schade aan de lever en nieren, en irritatie aan de ogen en huid veroorzaken. Daarbij bleken werknemers geen beschermende uitrusting van de werkgever te krijgen.[27] Al deze bevindingen van het rapport zijn in strijd met de Vietnamese arbeids- en milieuwetten.[28] [29] Het rapport werd door de NGO Corpwatch aan de vooraanstaande krant, The New York Times, gelekt. Ondanks dat dit niet eerste keer was dat de slechte werkomstandigheden, in de door Nike gecontracteerde fabrieken in de media verschenen, werd door dit incident Nike’s integriteit in twijfel getrokken. De fabriek was namelijk eerder dat jaar al een keer geïnspecteerd. Ditmaal door Andrew Young, een ambassadeur van de VN en tevens gesponsord door Nike. Zijn rapport bevatte echter geen enkele melding van de bovengenoemde gezondheids- en veiligheidsproblemen.[30]

            Door het incident omtrent de TKV fabriek, en eerdere incidenten, werd Nike doelwit van anti-globalisatie en anti-sweatshop bewegingen. Groeperingen uit meer dan 10 verschillende landen organiseerde protesten en stakingsposten bij Nike winkels.[31] Arbeids- en consumentengroepen organiseerde boycots jegens Nike[32] en er ontstonden grote studenten protesten. De studenten van universiteiten waarmee Nike sponsoringscontracten had, eiste dat de werkomstandigheden in de sweatshops, waar hun truien, petten en sportkleding werden gemaakt, verbeterd zouden worden. Dit leidde ertoe dat universiteiten hun bestellingen bij Nike annuleerden en dat Nike veel contracten met universiteiten (vaak grote afnemers) moest verbreken.[33] De acties van activisten kregen wereldwijde media-aandacht, en NGO’s gebruikte de media om stakeholders op de hoogte te brengen van de werkomstandigheden in de Nike fabrieken. Door deze wereldwijde publiciteit kreeg Nike een slechte naam,[34] wat leidde tot snel dalende verkoopcijfers.[35]

            Aan het begin van de jaren negentig hield Nike zich vast aan aan het principe dat de fabrieksarbeiders niet hun werknemers waren, waardoor Nike dus ook niet verantwoordelijk voor ze was. Deze attitude veranderde halverwege de jaren negentig wel enigszins. In 1992 stelde het bedrijf een code of conduct op, die elke gecontracteerde fabriek moest ophangen. Maar aangezien de meeste fabriekswerkers analfabeet was en ze daarbij ook niet in de positie waren verandering te eisen werd dit door actiegroepen afgedaan als “window dressing”.[36] Na het incident in Vietnam werd Nike echter gedwongen serieuze maatregelen te nemen. In het jaarverslag van 1998, werd voor het eerst een hoofdstuk “corporate responsibility” toegevoegd. Hierin staan de zes nieuwe initiatieven die Phil Knight in mei 1998 had aangekondigd om de werkomstandigheden en kansen voor de fabrieksarbeiders te verbeteren. Deze initiatieven omvatte onder anderen het verhogen van de minimumleeftijd naar 18 jaar, voor het produceren van schoenen en 16 jaar voor andere productie (kleding etc.), het verbeteren van gezondheids- en veiligheidsstandaarden en het uitvoeren van onafhankelijke controles.[37] Daarnaast werd er een project aangekondigd om alle, op giftige stoffen gebaseerde reinigingsmiddelen en lijmen te vervangen door producten op waterbasis. Eind december 1998 waren de werkomstandigheden in de TKV fabriek al enorm verbeterd.[38]  

Conclusie en Discussie

Als we de case van de TKV vervolgens toepassen op de eerder gevonden theorieën kan het volgende geconcludeerd worden. Nike is een grote multinational met veel media-aandacht. Het bedrijf besteedde echter niet veel aandacht aan MVO en hadden geen reputatieschild opgebouwd. Vanaf het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw werd Nike in de media beschuldigd van sweatshop-praktijken. Zij besteedde hier echter niet veel aandacht aan, met het idee dat ze niet verantwoordelijk waren voor de werknemers in de door hun gecontracteerde fabrieken. Voor de goede orde voerde Nike een ‘code of conduct’ in, maar dit werd door actiegroepen afgeschreven als slechts “window dressing”. Het bedrijf was er dus niet in geslaagd de belangen van de stakeholders voldoende te behartigen, en na het incident in Vietnam berichtte de media wereldwijd over de acties van NGO’s en anti-sweatshop groeperingen. NGO’s gingen al hun acties tegen Nike richtten en gebruikte de media om het grotere publiek bekend te maken met de slechte werkomstandigheden in de Nike sweatshops. Als resultaat (en naar het AEB-model), kwam er een boycot jegens Nike tot stand en door de fors dalende verkoopcijfers voelde het bedrijf zich gedwongen serieuze veranderingen door te voeren. In tegenstelling tot de theorie van Zyglipodoulos, Georgiadis, Carroll, en Siegel waren deze maatregelen gericht op het verbeteren van de zwakkere kanten omtrent MVO. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat Nike niet alleen veel (erg negatieve) publiciteit, maar ook een boycot te verduren kreeg. Dit werd in de bovenstaande theorie niet werd meegenomen.

Negatieve publiciteit blijkt dus wel degelijk invloed te hebben gehad op het beleid van Nike omtrent MVO. Een kanttekening bij dit paper is echter dat de case van Nike erg extreem was. Zoals al eerdergenoemd komt het niet vaak voor dat wangedrag van bedrijven ook daadwerkelijk tot een boycot leidt, en zeker niet op deze schaal. Daarom zal er meer onderzoek moeten komen naar de invloed van media op MVO, voordat er een conclusie getrokken kan worden die gegeneraliseerd kan worden. Daarbij is het voor vervolgonderzoek nuttig een wat recentere case te onderzoeken waarbij de invloed van social media aanbod komt. Door social media staan mensen vandaag de dag namelijk nog intensiever met elkaar in contact dan voorheen, wat zich eventueel zou kunnen vertalen in een grotere hoeveelheid invloed op multinationals. Al met al is het echter wel duidelijk dat de media, en de wisselwerking tussen media en stakeholder, in dit geval grote invloed heeft gehad op Nike en zijn beleid ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen.    

 

Bibliografie

Bhatnager, Deepti, Rathore, Animesh, Torres, Magüi M. & Kanungo, Parameeta. “Nike in Vietnam: The Tae Kwang Vina Factory” The World Bank 1 (2003): 1-8.

Featherstone, Liza. Students Against Sweatshops. New York:Verso, 2002.

Greenberg, Josh. & Knight, Graham. “Framing Sweatshops: Nike, Global product and the American News Media.” Communication and Critical/Cultural Studies 2 (2004): 151-175.

Greenhouse, Steven. “Nike Shoe Plant in Vietnam is Called Unsafe for Workers.” New York Times, 8 november, 1997. Geraadpleegd op 02-01-2017, van httppublic://blog/image02.jpgwww.nytimes.com/1997/11/08/business/nike-shoe-plant-in-vietnam-is-called-unsafe-for-workers.html

Klein, Jil G., Smith, N. Craig & John, Andrew. “Why we Boycott: Sonsumer Motivations for Boycott Participation.” Journal of Marketing 68 (2004): 92-109.

Lindgreen, Adam & Swaen, Valérie. “Corporate Social Responsibility.” International Journal of Management review (2010): 1-7.

Locke, Richard M. “The Promise and Perils of Globalization: The Case of Nike.” Industrial performance Center (2002): 1-36. 

McWilliams, Abagail & Siegel, Donald. “Corporate Social Responsibility: A Theory of the Firm Perspective.” The Academy of Management Review. 26 (2001); 117-127.

Nike Inc. “Manufacturing map.” Voor het laatst gewijzigd in november 2016. Geraadpleegd van httppublic://blog/image02.jpgmanufacturingmap.nikeinc.com/#

Nike Inc. 2016 Annual Report. 12 Juli 2016. Geraadpleegd op 03-01-2017, van httppublic://blog/image02.jpginvestors.nike.com/investors/news-events-and-reports/?toggle=earnings

Nike Inc. 1998 Annual Report. 1998. Geraadpleegd op 09-01-2017, van httppublic://blog/image02.jpgs1.q4cdn.com/806093406/files/doc_financials/1998/main_ar.html

Öberseder, Magdalena, Schlegelmilch, Bodo B., Gruber Verena. “Why Don’t Consumers Care About CSR?: A Qualitative Study exploring the role of CSR in Consumption Decisions.” Science & Business 104 (2011): 449-460.

O’Riordan, Linda &Fairbrass, Jenny. “Corporate Social Responsibility (CSR): Models and Theories in Stakeholder Dialogue.” 83 (2008): 745-758.

Sluyterman, Keetie. “Corporate Social Responsibility of Dutch Entrepreneurs in the Twentieth Century.” Enterprise & Society 13 (2012): 313-349.

Zwolinski, Matt. “Sweatshops, Choice, and Eploitation.”Business Etnics Quarterly 17 (2007):689-727.

Zyglipodoulos, Stelios C., Georgiadis, Andreas P., Carroll, Craig E., Siegel, Donald S. “Does media attention drive coporate social responsibility?” Journal of Business Research 65 (2012) 1622-1627.

[1] Steven Greenhouse, “Nike Shoe Plant in Vietnam is Called Unsafe for Workers”, New York Times, 8 november, 1997, geraadpleegd op 02-01-2017 van, httppublic://blog/image02.jpgwww.nytimes.com/1997/11/08/business/nike-shoe-plant-in-vietnam-is-called-unsafe-for-workers.html

[2] Richard Locke, “The Promise and Perils of Globalization: The Case of Nike,” Industrial performance Center (2002): 30.

[3] Magdalena Öberseder, Bodo B. Schlegelmilch &Verena Gruber, “Why Don’t Consumers Care about CSR?: A Qualitative Study Exploring the Role of CSR in Consumtion Decisions,” Science & Business 104 (2011): 104.

[4] Keetie Sluyterman, “Corporate Social Responsibility of Dutch Entrepreneurs in the Twentieth Century,” Enterprise & Society 13 (2012): 316-337.

[5] Josh Greenberg & Graham Knight, “Framing Sweatshops: Nike, Global product and the American News Media,” Communication and Critical/Cultural Studies 2 (2004): 152.

[6] Linda O’Riordan & Jenny Fairbrass, “Corporate Social Responsibility (CSR): Models and Theories in Stakeholder Dialogue,” Journal of Business Ethiscs 83 (2008):747.

[7] Abagail McWilliams & Donald Siegel, “Coporate Social Responisbility: A Theory of the Firm Perspective,”The Academy of Management Review 26 (2001): 117.

[8] Stelios C. Zyglidopoulos, Andreas P. Georgiadis, Craig E. Carroll, Donald S. Siegel, “Does media attention drive corporate social responsibility?,” Journal of Business Research 65 (2012): 1622-1623.

[9] O’Riordan & Fairbrass, “Corporate Social Responsibility (CSR): Models and Theories in Stakeholder Dialogue,” 747.

[10] Zyglidopoulos, Georgiadis, Carroll, Siegel, “Does media attention drive corporate social responsibility?” 1623-1624.

[11] Ibid 1624-1626.

[12] Jill G. Klein, N. Craig Smith and Andrew John, “Why we Boycott: Consumer Motivations for Boycott Participation,” Journal of Marketing 68 (2004): 106.

[13] Ibid 92-93.

[14] Ibid 105.

[15] Ibid 105-107.

[16] Adam Lindgreen & Valérie Swaen, “Corporate Social Responsibility,” International Journal of Management Reviews (2010): 2.

[17] Zyglidopoulos, Georgiadis, Carroll, Siegel, “Does media attention drive corporate social responsibility?” 1632.

[18] Locke, “The Promise and Perils of Globalization: The Case of Nike,” 2-8.

[19] Nike Inc., “Manufacturing map,” voor het laatst gewijzigd in november, 2016 geraadpleegd van, httppublic://blog/image02.jpgmanufacturingmap.nikeinc.com/#

[20] Nike Inc., 2016 Annual Report, 21 juli, 2016, geraadpleegd op 03-01-2017, van httppublic://blog/image02.jpginvestors.nike.com/investors/news-events-and-reports/?toggle=earnings

[21] Greenberg & Knight, “Framing Sweatshops: Nike, Global Product and the American News Media,” 158.

[22] Ibid.

[23] Locke, “The Promise and Perils of Globalization: The Case of Nike,”30.

[24] Matt Zwolinski, “Sweatshops, Choice, and Exploitation,” Business Ethics Quarterly 17 (2007): 715.

[25] Deepti Bhatnagar, Animesh Rathore, Magüi M. Torres & Parameeta Kanungo, “Nike in Vietnam: The Tae Kwang Vina Factory” The World Bank 1 (2003): 1-2.

[26] Greenhouse, “Nike Shoeplant in Vietnam is Called Unsage for Workers.”

[27] Locke, “The Promis and Perils of Globalization: The case of Nike,” 13.

[28] Ibid.

[29] Greenhouse, “Nike Shoe Plant in Vietnam is Called Unsafe for Workers.”

[30] Locke, “The Promis and Perils of Globalization: The case of Nike,” 14.

[31] Bhatnagar, Rathore, Torres & Kanungo, “Nike in Vietnam: The Tae Kwang Vina Factory,” 2.

[32] Locke, “The Promis and Perils of Globalization: The case of Nike,” 14-15.

[33] Liza Featherstone, Students Against Sweatshops (New York: Verso, 2002), 2-45.

[34] Bhatnagar, Rathore, Torres & Kanungo, “Nike in Vietnam: The Tae Kwang Vina Factory,” 2-3.

[35] Nike Inc., Annual Report, 1998, geraadpleegd op 09-01-2017, van httppublic://blog/image02.jpgs1.q4cdn.com/806093406/files/doc_financials/1998/main_ar.html

[36] Locke, “The Promis and Perils of Globalization: The case of Nike,” 15.

[37] Nike Inc., 1998 Annual Report, 1998.

[38] Bhatnagar, Rathore, Torres & Kanungo, “Nike in Vietnam: The Tae Kwang Vina Factory,” 2.

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Blog of Sarahm
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Image
Image
Statistics
25